Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1046

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
18/04141
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1892
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Klacht over kenneijke verschrijving c.q. verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep. Nu zich een kennelijke verschrijving in de schriftelijke volmacht heeft voorgedaan was het hoger beroep tijdig ingesteld. De A-G adviseert de Hoge Raad het arrest te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04141

Zitting 15 oktober 2019

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 19 juni 2018 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2017, waarbij hij wegens een Opiumwetdelict is veroordeeld tot een geldboete van 2500 euro, subsidiair 35 dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans dat het dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2018 heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

“De raadsman geeft aan dat zijn cliënt de bedoeling heeft gehad appel in te stellen, niet tegen de vrijspraak, maar tegen de veroordeling. Om hem nu niet-ontvankelijk te verklaren is te formalistisch. Dit moet worden gezien als een kennelijke verschrijving.”

5. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is op 10 mei 2017 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam verschenen.
De verdachte is bij vonnis van 10 mei 2017 veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 29 mei 2017.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”

6. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan het volgende worden afgeleid. Op 10 mei 2017 werden de zaken tegen de verdachte met parketnummers 13/211203-16 en 13/689408-16 gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld door de politierechter van de rechtbank Amsterdam. Van het tenlastegelegde onder parketnummer 13/689408-16 is de verdachte vrijgesproken. Voor het feit onder parketnummer 13/211203-16 is de verdachte veroordeeld tot een geldboete. Op 23 mei 2017 heeft de raadsman van de verdachte de griffier van de rechtbank Amsterdam een schriftelijke volmacht verleend tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 10 mei 2017 met parketnummer 13/689408-16. Uit de handgeschreven notitie op deze volmacht valt af te leiden dat een medewerker van de griffie op 26 mei 2017 – toen de termijn voor het instellen van hoger beroep reeds was verlopen – telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de raadsman en heeft medegedeeld dat de zaak met dit parketnummer een vrijspraak betreft. Op 29 mei 2017 heeft de raadsman van de verdachte de griffier van de rechtbank Amsterdam opnieuw een schriftelijke volmacht verleend tot het instellen van hoger beroep, ditmaal met vermelding van parketnummer 13/211203-16. Bij deze volmacht zit een begeleidend schrijven waarin de raadsman mededeelt dat zich in de eerdere volmacht van 23 mei 2017 met parketnummer 13/689408-16 een kennelijke verschrijving heeft voorgedaan. Het was de intentie van de verdachte om hoger beroep in te stellen in de zaak met parketnummer 13/211203-16. Ter terechtzitting in hoger beroep op 19 juni 2018 herhaalt de raadsman deze mededeling en voegt hieraan toe dat het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte te formalistisch zou zijn. De verdachte sluit zich aan bij hetgeen zijn raadsman naar voren heeft gebracht.

7. Het eerste onderdeel van het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door het hof. Volgens de steller van het middel heeft zich een kennelijke verschrijving voorgedaan en is, mede gezien het appelverbod tegen vrijspraak ex artikel 404, eerste lid, Sv, evident dat de verdachte hoger beroep wilde instellen tegen de zaak met parketnummer 13/211203-16 en niet tegen de vrijspraak. Het tweede onderdeel van het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te nemen op het door de raadsman gevoerde verweer dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden.

8. Ik zie aanleiding om het tweede onderdeel van het middel eerst te bespreken. Indien duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, is de rechter verplicht bij verwerping daarvan die beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen.1 Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd is echter niet een dergelijk verweer. Voor een geslaagd beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding is bovendien enkel plaats indien zich bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden voordoen.2 Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het derhalve.

9. Dat brengt mij bij het eerste onderdeel van het middel. Artikel 408, eerste lid en onder b, Sv bepaalt dat het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld indien de verdachte op de (nadere) terechtzitting is verschenen. Dit is een termijn van openbare orde.3 De terechtzitting in eerste aanleg, waarbij de verdachte aanwezig was, vond plaats op 10 mei 2017. Hoger beroep kon derhalve laatstelijk op 24 mei 2017 worden ingesteld.

10. In de voorliggende zaak heeft de verdachte op de voet van artikel 450, eerste lid aanhef en onder a, Sv hoger beroep doen instellen. De schriftelijke volmacht die de raadsman op 23 mei 2017 naar de griffie van de rechtbank Amsterdam heeft gestuurd voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 450, eerste en derde lid, Sv. De griffie heeft aan deze volmacht gevolg gegeven door een ‘akte instellen hoger beroep’ op te maken.4 Deze is gedateerd op 29 mei 2017, maar vermeldt tevens dat op 23 mei 2017 een volmacht is gefaxt met een onjuist parketnummer en dat een ‘kennelijke verschrijving is opgetreden’. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter op 10 mei 2017 bevat verder de volgende mededeling: “Dit proces-verbaal geeft slechts weer het verhandelde ter terechtzitting voor zover dit betrekking heeft op of relevant is voor de zaak met parketnummer 13/211203-16, nu verdachte tegen deze zaak hoger beroep heeft ingesteld.” Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt bovendien dat de verdachte en de raadsman op die terechtzitting zijn verschenen en aldaar hebben aangegeven dat aan de volmacht van 23 mei 2017 de wens ten grondslag lag om hoger beroep in te stellen tegen de veroordeling in plaats van tegen de vrijspraak.

11. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat voor alle betrokken procesdeelnemers duidelijk moet zijn geweest tegen welke zaak de verdachte hoger beroep wenste te doen instellen en dat zich een kennelijke verschrijving heeft voorgedaan in de (tijdig ingediende) schriftelijke volmacht van 23 mei 2017. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat artikel 404, eerste lid, Sv eraan in de weg staat om hoger beroep in te stellen tegen vrijspraken. In het licht van het voorgaande meen ik dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

12. Het middel slaagt in zoverre.

13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681, NJ 2011/546.

2 Gedacht kan worden aan een zodanige psychische gesteldheid van de verdachte dat het te laat instellen van hoger beroep niet aan hem kan worden toegerekend of verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de termijn op een ander tijdstip afliep (HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181).

3 Vgl. HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500 m.nt. Schalken, en HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181.

4 Het instellen van hoger beroep is geen eenzijdige handeling en vereist medewerking van de griffier. Enkel aan een schriftelijke volmacht die voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 450, eerste en derde lid, Sv behoeft door de griffier gevolg te worden gegeven (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102).