Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1033

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
18/03372
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Samenhang met 17/05677. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op vordering van klaagster (Amerikaans factoringsbedrijf) van bijna $ 22 miljoen USD op het Engelse telecombedrijf A, welke vordering klaagster ten behoeve van telecombedrijf D (verdacht van witwassen) zou innen. Het beslag is gelegd n.a.v. onderzoek naar een omvangrijk witwas en btw-carrousel m.b.t. fake telefoonverkeer, waarbij verdacht wordt dat ook klaagster daarbij betrokken is. De rechtbank heeft het beklag van klaagster ongegrond verklaard door o.m. te overwegen dat de verdenking niet overduidelijk zonder enige goede grond wordt gekoesterd en niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak zal uitmonden in een verbeurdverklaring van de beslagen vordering. De rechtbank heeft volgens de AG daarmee de toepasselijke maatstaf niet miskend en dat oordeel ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het beroep te verwerpen o.g.v. art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03372

Zitting 15 oktober 2019

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de klaagster.

1 Inleiding

1.1

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 28 juni 2018 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op een vordering van de klaagster op [A] ter waarde van USD 21.939.447,42, ongegrond verklaard.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. R.J.F. ten Ham, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

1.3

Er bestaat samenhang met de zaak 17/05677, waarin de Hoge Raad naar aanleiding van een door het openbaar ministerie ingesteld cassatieberoep op 2 april 2019 tot terugwijzing van de zaak heeft beslist.1 In die zaak had de klaagster een klaagschrift ingediend tegen hetzelfde beslag dat hier aan de orde is.

2 De procedure bij de rechtbank

2.1

Het gaat in deze (en de samenhangende) zaak om het volgende.2 De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek waarbij klaagster als verdachte is aangemerkt, is een aangifte van [A] (hierna: [A] ) dat zij ontdekt had dat op grote schaal fake-telefoonverkeer werd gegenereerd en dat de bijbehorende (via [A] lopende) betalingen betrekking hadden op niet geleverde diensten. Daardoor is er een verdenking van witwassen ontstaan en heeft het OM een onderzoek ingesteld naar de herkomst en uiteindelijke bestemming van de geldstromen. Ten tijde van de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank was over de achterliggende constructie het volgende bekend. Het Canadese bedrijf [B] bood [C] (hierna: [C] ) en [A] (hierna: [A] ) telefoonverkeer aan om dit door te geleiden naar [D] (hierna: [D] ) dat vervolgens de telefoondiensten via de bedrijven [E] en [F] leverde aan de ontvanger (de gebelde persoon). [B] betaalde [G] voor de te leveren diensten middels een prepaid account vooruit. [D] maakte op haar beurt voor het ontvangen van de betalingen met betrekking tot de door haar geleverde diensten, die werden gefactureerd aan [A] , gebruik van de Amerikaanse factoringmaatschappij3 [klaagster] (hierna: [klaagster] ), de klaagster. [klaagster] incasseerde de betaling van [G] aan [D] en betaalde (vervolgens) namens [D] voor de diensten van [E] en [F] .

2.2

Naar aanleiding hiervan is de verdenking ontstaan dat [D] , [E] en [F] zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen en het creëren van een zogenaamde btw-carrousel. Dit gebeurde door het op grote schaal genereren van telefoonverkeer, zonder dat daadwerkelijk werd gebeld4, kennelijk met het enkele doel een aanzienlijke geldstroom op gang te brengen. Ten tijde van de behandeling van het klaagschrift was bij het OM zowel de herkomst als de uiteindelijke bestemming van de geldstroom onbekend.

2.3

Omdat [D] gebruik maakte van [klaagster] , de klaagster, voor het incasseren van de betaling van de facturen die zij aan [G] stuurde is naar aanleiding van de verdenking jegens [D] op 24 april 2017 ten laste van [D] beslag gelegd op een vordering van [klaagster] op [A] ter waarde van USD 21.939.447,42. Hiertegen heeft [klaagster] , de klaagster, op 9 mei 2017 een klaagschrift ingediend, welk beklag door de Rechtbank Amsterdam op 10 november 2017 gegrond is verklaard. De Hoge Raad heeft echter naar aanleiding van een door het openbaar ministerie ingesteld cassatieberoep de beschikking van de rechtbank op 2 april 2019 vernietigd en, zoals gezegd, de zaak teruggewezen. Dit betreft de samenhangende zaak.

2.4

In de onderhavige zaak staat niet de verdenking jegens [D] centraal maar de – naar aanleiding van voorgaande omschreven feiten en omstandigheden – tevens gerezen verdenking jegens de klaagster. Die verdenking komt er kortgezegd op neer dat ook de klaagster heeft deelgenomen aan het witwassen van het met gefingeerd telefoonverkeer gegenereerde geld en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie om deze witwas- en btw-carrousel te starten en draaiende te houden. Naar aanleiding van deze verdenking is daarom (voor de tweede keer) beslag gelegd op dezelfde vordering van [klaagster] op [A] ter waarde van USD 21.939.447,42 maar dit keer ten laste van de klaagster. Deze heeft op 19 januari 2018 (ook) hiertegen een klaagschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot opheffing en teruggave van het beslag.

2.5

Uit de stukken van het geding blijkt dat zowel het openbaar ministerie als de klaagster tijdens de beklagprocedure uitvoerig hun standpunten uiteen hebben gezet met betrekking tot het beslag en de verdenking jegens de klaagster die volgens het openbaar ministerie aan het beslag ten grondslag ligt. De rechtbank heeft deze standpunten als volgt samengevat en het beklag op 28 juni 2018 met de volgende overwegingen ongegrond verklaard:

‘’3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De (schriftelijke) standpunten van het Openbaar Ministerie houden gezamenlijk onder meer - kort samengevat - het volgende in.

Naar aanleiding van een aangifte van [G] is de verdenking ontstaan van misbruik van telefoonverkeer naar internationale bestemmingen en witwassen. Het betreft ‘telefoonverkeer’ middels Voice over internet Protocol gesprekken (hierna: VoIP-verkeer). Het feitencomplex gaat om het termineren van telefoonverkeer dat door [B] is aangeboden aan [G] om door te geleiden aan [D] . [D] geleidde dit vervolgens weer door aan [E] en [F] , waarbij dit uiteindelijk moest worden doorgeleid naar bestemmingen in andere (dure) landen. [B] betaalde [G] via een prepaidaccount en [D] maakte gebruik van de Amerikaanse factoringmaatschappij [klaagster] , klaagster. [klaagster] incasseerde de betaling van [G] en betaalde namens [D] aan [E] en [F] , onder meer via een Amerikaans betalingsplatform [H] .

Uit onderzoek van [G] , bevestigd door het NFI, blijkt dat op grote schaal een signaal is gegenereerd dat voorwendde dat telefoonverkeer plaatsvond zonder dat er daadwerkelijk gebeld werd. Dit betekent dat de bijbehorende geldstroom betrekking heeft op een niet geleverde dienst en dus geen enkel economisch doel heeft, waardoor de verdenking is ontstaan dat sprake is van witwassen. Ten aanzien van klaagster is de verdenking ontstaan dat zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de gelden afkomstig zijn uit misdrijf.

Het onderzoek richt zich, naast deze witwas-carrousel, op de daarmee verband houdende BTW-carrousel met onder andere als verdachten [E] , [F] en [D] . Deze BTW-carrousel dient ter neutralisering van de BTW als gevolg van het VoIP-verkeer. Dit houdt in dat ook ten aanzien van klaagster sprake is van verdenking van deelname aan een criminele organisatie immers om te zorgen dat deze neutralisatie goed verloopt, zal er over de factuurstromen goed moeten worden afgestemd tussen de diverse verdachten.

De verdenking ten aanzien van klaagster is ontstaan door - onder meer - het volgende:

- Het is ongebruikelijk en bovendien erg duur om bij het termineren van VoIP-verkeer een factoringmaatschappij te gebruiken. Het door klaagster overgelegde rapport van [I] is dermate algemeen, dat daaruit niet een ander standpunt kan worden herleid. Bovendien hebben diverse bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken personen, waaronder [betrokkene 1] ( [G] ), verklaard dat factoring niet zeer gebruikelijk is dan wel hun niet bekend is. Bovendien blijkt niet uit de contracten die [D] met haar afnemers heeft, [E] en [F] , dat dagelijks betaald zou moeten worden, zodat inschakeling van een factoringmaatschappij/escrowplatform ook niet nodig zou zijn.

- De telecomlijnen en financieringslijnen kunnen niet onderscheiden worden bekeken nu er een fake-datalijn wordt gecreëerd, waarmee wordt voorgewend dat de daar tegenoverstaande geldstromen een economisch doel hebben gehad. Uit onderzoek blijkt dat het van meet af aan de bedoeling was dat het VoIP-verkeer vanuit [B] via [G] bij [D] terecht kwam en dat de doorgeleiding van [D] naar [E] en [F] ook vooraf was afgesproken. Dit blijkt onder meer door contact tussen [D] en [J] waarin wordt gesproken over een gegarandeerde afname. Klaagster was op de hoogte van andere in de lijn betrokken partijen. Zo is het gebruik van de diensten van [G] op instigatie van klaagster ontstaan, terwijl hiermee niet bepaald de goedkoopste oplossing is gezocht voor het aanbieden van telefoonverkeer en blijkens de verklaring van [betrokkene 2] ook niet nodig, nu [B] en [D] waarschijnlijk ook rechtsreeks de verbinding hadden kunnen maken.

In de aanvullende reacties is onder meer het volgende aangevoerd:

- Naast dat het ongebruikelijk is in deze business gebruik te maken van een factoringmaatschappij, zoals eerder vermeld, is het de vraag waarom gebruik moest worden gemaakt van een Amerikaanse factoringmaatschappij en een aldaar gevestigd betalings-(escrow) platform, temeer nu klaagster hoge bedragen in rekening brengt, afgezet tegen het minimale bedrag dat [D] aan het VoIP-verkeer verdient, en gelet op de financieel ongezonde situatie van [D] .

- Daarnaast blijkt dat zowel met het VoIP-dataverloop als met de VoIP-data zelf iets aan de hand is. Gedurende de contractsperiode stijgt de omvang van het VoIP-verkeer van [D] explosief naar (dure) buitenlandse bestemmingen. Daarnaast lijkt, gelet op een mail van klaagster en een gesprek tussen [D] met een medewerker van een andere telefoonmaatschappij, sprake te zijn van gegarandeerde inleg dan wel handel.

- Klaagster lijkt niet alleen bij de financiering van de datalijnen van [D] betrokken te zijn geweest, maar ook bij het opzetten van de dataverbindingen en het financieren daarvan. Zo staan de IP-adressen voor de interconnect tussen [G] en [D] op naam van klaagster en wordt technische informatie omtrent deze adressen door/namens klaagster verstrekt.

- Daarnaast lijkt er een directe relatie te bestaan tussen klaagster en [H] , het escrowplatform dat ook op grote schaal wordt gebruikt door diverse bedrijven die deel uitmaken van de (witwas)carrousel/contra-carrousel. Zo loopt al het betalingsverkeer voor het afhandelen van het VoIP-verkeer via [D] , [E] en [F] van [G] via klaagster en het Amerikaanse betalingsplatform [H] . Hierdoor wordt Nederlands toezicht op deze geldstroom ontweken.

- Bovendien lijkt uit onderzoek een nauwe verwevenheid te bestaan tussen [klaagster] en [H] , anders dan klaagsters stelling dat [H] een onafhankelijk betalingsplatform is. Zo lijkt [H] kapitaal aan klaagster te hebben geleend, die op haar beurt funder van [H] is.

Dat [G] , aldus klaagster, zelf ten onrechte is doorgegaan met het aanleveren van telefoonverkeer, staat los van en sluit verdenking van klaagster niet uit.

Tot slot is opgemerkt dat voor witwassen niet is vereist dat de verdenking bestond ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, maar ook kan ontstaan op een later tijdstip. Blijft iemand het voorwerp (in dit geval de vordering) dan desondanks onder zich houden, dan maakt hij zich vanaf dat moment schuldig aan witwassen.

De officier van justitie heeft in verband met voornoemde verdenking en aangevoerde feiten en omstandigheden verklaard zich te verzetten tegen opheffing van de in beslag genomen vordering, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van deze vordering op [G] zal uitspreken.

4. Het standpunt van klaagster.

Klaagster heeft - kort samengevat - aangevoerd dat het Openbaar Ministerie grotendeels met dezelfde argumenten is gekomen, als waarvan de rechtbank in een eerdere beklagprocedure heeft geoordeeld dat deze door de verdediging afdoende zijn ontkracht. Voor het overige heeft de rechtbank destijds geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om aan te nemen dat, voor zover sprake is van witwassen door [D] , klaagster daar enige wetenschap van had of had moeten hebben. Het Openbaar Ministerie kan daarom niet wederom op deze punten een beroep doen.

Daarnaast is kort samengevat aangevoerd dat de officier van justitie klaagster ten onrechte ̶ wederom ̶ in een kwaad daglicht stelt, dat klaagster te goeder trouw is, en dat, voor zover er enig strafbaar feit in de betalings- dan wel telefoonketen is, klaagster daar buiten staat. Zij heeft geen invloed op de telefoongesprekken, en heeft evenmin zicht op de financiële schakels vóór [G] en na [D] . Zij heeft slechts als financier voor [D] opgetreden, hetgeen, net als de gebruikmaking van een escrowplatform ( [H] ), in deze bedrijfsvoering heel gebruikelijk is. Het ingeschakelde escrowplatform is onafhankelijk en staat los van klaagster en inschakeling daarvan was nodig om aan de dagelijkse betalingsverplichtingen te voldoen.

De overige door het Openbaar Ministerie aangevoerde verdachtmakingen betreffen geen strafbare feiten, maar transparante, ook door diverse onderzoekers als zuiver aangewezen, in deze sector gebruikelijke financiële transacties en daarbij horende mailcontacten.

Klaagster acht het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de vordering zal verbeurd verklaren.

5. De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 5 december 2017 is op de voet van artikel 94 Sv onder [G] beslag gelegd op voornoemde vordering. Het betreft beslag ten laste van [klaagster] , klaagster, die ervan wordt verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van zo’n procedure het dossier, zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, veelal nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Het summiere karakter van deze procedure en het belang van het voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel, is zeer recent nog door de Hoge Raad onderstreept (ECLI:NL:HR:2018:784).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. In dit geval is sprake van een vordering die volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor verbeurdverklaring. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van deze vordering zal uitspreken.

Zowel klaagster als het Openbaar Ministerie zijn in hun standpunten zeer uitvoerig op de verdenking en het dossier ingegaan. Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader en de aard van deze procedure, kan van de rechtbank niet gevergd worden dat zij op hetzelfde detailniveau op de zaak ingaat; gelet op genoemde jurisprudentie is dat zelfs uitdrukkelijk niet de bedoeling.

De rechtbank constateert dat sprake is van een complex en omvangrijk onderzoek naar fraude (met betrekking tot fake-telefoonverkeer en een daar tegenover staande BTW-geldstroom). Dit onderzoek is nog in volle gang en in dit onderzoek is ook verdenking ten opzichte van klaagster gerezen. Klaagster wordt verdacht van het witwassen van het met het fake-telefoonverkeer gegenereerde geld en deelname aan een criminele organisatie om deze carrousel draaiende te krijgen.

Uit de uitvoerige uiteenzettingen van beide partijen blijkt dat over veel aspecten van de verdenking discussie bestaat. Kennisname van die uiteenzettingen en de onderliggende stukken leidt op dit moment echter niet tot de conclusie dat de verdenking zo overduidelijk zonder enige goede grond wordt gekoesterd, dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak zal uitmonden in een verbeurdverklaring van de vordering waar het beslag op rust.

Het dossier bevat een onderbouwing van de verdenking dat er een grootschalige en georganiseerde fraude heeft plaatsgevonden, waarmee veel geld is witgewassen en waarvan verdachte op enigerlei wijze onderdeel is geweest. Dat de verdediging deze verdenking uitvoerig en gemotiveerd heeft weersproken, doet daar op dit moment onvoldoende aan af.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.’’

3 Het middel

3.1

Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag, in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen vordering zal uitspreken.

3.2

Het middel bestaat uit twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast door te miskennen dat het marginale en summiere karakter van de klaagschriftprocedure reeds besloten ligt in de toe te passen toetsingsmaatstaf en dat deze niet impliceert dat iedere feitelijke beoordeling achterwege dient te blijven.5 Door in haar beschikking geen aandacht te besteden aan het betoog van de klaagster in het licht van de beweerdelijke verdenking, heeft de rechtbank, zo begrijp ik de steller van het middel, ten onrechte geen, althans te weinig aandacht besteed aan een beoordeling van de feiten in het licht van de gestelde eisen voor verbeurdverklaring en ten onrechte volstaan met een conclusie naar aanleiding van de uiteenzettingen van partijen en de onderliggende stukken. De rechtbank heeft daarnaast ten onrechte meegewogen dat het strafvorderlijk onderzoek ‘’nog in volle gang is’’ aangezien ook dit reeds tot uitdrukking komt in de toe te passen maatstaf.

3.3

In het verlengde daarvan houdt de tweede deelklacht in dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd is. Daarvoor voert de steller van het middel onder andere aan dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank voor wat betreft de motivering van haar oordeel niet kan volstaan met (slechts) ‘’de vermelding kennis te hebben genomen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en het dossier, hetgeen de procespartijen in het kader van de procedure naar voren hebben gebracht en overige omstandigheden’’.6

3.4

Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank in haar beschikking dan ook ten onrechte volstaan met de constatering dat de kennisname van de uiteenzettingen en onderliggende stukken op dit moment niet tot de conclusie leidt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafzaak eventueel zal resulteren in een verbeurdverklaring. Met deze overwegingen en de overweging dat het dossier "een onderbouwing" bevat van een strafrechtelijke verdenking is de ongegrondverklaring van het beklag volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd. Dit klemt te meer gelet op hetgeen namens de klaagster is betoogd, en waar de rechtbank ook expliciet naar verwijst. Dat betoog houdt in dat de klaagster uitvoerig heeft uiteengezet dat zij geen wetenschap had of redelijkerwijs kon vermoeden dat sprake was van gelden afkomstig van enig misdrijf en dus van strafbare feiten. Kortom, de rechtbank heeft, zo begrijp ik de steller van het middel, het betoog van de verdediging onvoldoende gemotiveerd weerlegd.

3.5

Juridisch kader

3.5.1

De rechtbank heeft vastgesteld dat [klaagster] een klaagschrift heeft ingediend tegen het beslag dat op de voet van art. 94 Sv ten laste van haar is gelegd onder [A] . Dat betekent dat zich dus het geval voordoet dat de beslagene7 zich bij de rechter beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar. In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klaagster (zijnde de beslagene), tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de klaagster ongegrond worden verklaard.8 Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is onder meer het geval wanneer het desbetreffende voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.9 Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn onder meer voorwerpen met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan (art. 33a lid 1 Sr).

3.6

Het onderzoek in raadkamer draagt een summier karakter en de beklagrechter mag niet op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak of ontnemingsprocedure vooruitlopen.10 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt af te leiden dat dit betekent dat de beklagrechter geen beslissing mag nemen die berust op een afweging die pas in het (latere) strafproces kan (of dient) plaats (te) vinden. Het gaat daarbij onder andere ook over de vraag of het strafbare feit waarvan de klager11 of belanghebbende12 wordt verdacht, kan worden bewezen. Wat betreft dat laatste dient de rechter wel (of anders gezegd: slechts) te beoordelen of – op basis van het dossier en hetgeen in raadkamer door de officier van justitie en door of namens de klager is aangevoerd – een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen.13 Alleen wanneer dat redelijk vermoeden volstrekt uit de lucht gegrepen is, kan dit leiden tot het oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verbeurdverklaring zal volgen van inbeslaggenomen voorwerpen met betrekking tot welke het vermeende strafbare feit zou zijn begaan.14

3.7

Kortom, de beklagrechter heeft – zoals mijn ambtgenoot Harteveld in de samenhangende zaak heeft opgemerkt15 – zeer weinig ruimte om een beklag gegrond te verklaren, ook al heeft de klager een plausibel verhaal dat tegen de later oordelende strafrechter een kans van slagen heeft. Alleen als het hoogst onwaarschijnlijk is dat bijvoorbeeld verbeurdverklaring zal volgen, kan immers de beklagrechter een klaagschrift gegrond verklaren zonder daarbij vooruit te lopen op het latere oordeel van de strafrechter.16

3.8

Beoordeling van het middel

3.8.2

Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer en de overige gedingstukken blijkt dat zowel het openbaar ministerie als de klaagster zeer uitvoerig hun standpunten hebben uiteengezet en onderbouwd. Zo heeft de klaagster in aanvulling op haar klaagschrift van 19 januari 2018 op 5 juni 2018 ter voorbereiding op de behandeling van het klaagschrift een nadere toelichting per brief verstrekt met daarbij 21 bijlagen. In raadkamer is het klaagschrift namens de klaagster vervolgens nader toegelicht middels een overgelegde PowerPointpresentatie en een mondeling pleidooi. Het openbaar ministerie heeft daartegen een betoog ingebracht dat bestond uit een schriftelijke reactie d.d. 7 februari 2018 en een aanvullend schriftelijk standpunt van 29 mei 2018. In raadkamer heeft de officier van justitie [betrokkene 3] het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van de overgelegde aanvullende reactie van het OM d.d. 7 juni 2018 en daarbij aanvullend nog het een en ander toegelicht zoals omschreven in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer.

3.8.3

Het betoog van de klaagster komt in wezen erop neer dat geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld met betrekking tot witwassen (en deelname aan een criminele organisatie) ten aanzien van de klaagster. Het openbaar ministerie heeft beargumenteerd waarom dat wel het geval is en de vordering waar beslag op is gelegd met dit witwassen in verband kan worden gebracht. Gelet op de omvang van de betogen voert het te ver om deze integraal in deze conclusie op te nemen of te bespreken, al was het maar omdat de steller van het middel in zijn tweede deelklacht niet preciseert welke onderdelen van het betoog van de klaagster het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk zouden maken. Daarom volsta ik ermee te verwijzen naar de hierboven weergegeven (korte) samenvatting die de rechtbank heeft gegeven met betrekking tot de ingenomen standpunten.

3.8.4

Na de uiteenzetting van de standpunten van de partijen heeft de rechtbank in haar beschikking onder het kopje ‘Beoordeling’ onder meer overwogen dat het beperkte en summiere karakter van de beklagprocedure tot uitdrukking komt in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven. Daarmee heeft de rechtbank, anders dan de eerste deelklacht meent, bovenstaand juridisch kader niet miskend en de juiste maatstaf toegepast. Voor zover het middel ervan uitgaat dat de rechtbank naast de toepasselijke maatstaf een extra, beperkter, criterium zou hebben geformuleerd met betrekking tot het summiere karakter van de procedure, berust dat naar mijn mening op een onjuiste lezing van de beschikking van de rechtbank.

3.8.5

Datzelfde geldt voor de stelling dat de rechtbank niet of onvoldoende tot een beoordeling van de relevante feiten (in het licht van de gestelde eisen voor verbeurdverklaring) zou zijn overgegaan. De rechtbank stelt weliswaar in haar overwegingen voorop dat zij niet – zoals de klaagster en het openbaar ministerie – op hetzelfde detailniveau op de zaak ingaat. Tegelijkertijd heeft de rechtbank echter vastgesteld en overwogen dat sprake is van een complex en grootschalig onderzoek naar fraude met betrekking tot telefoonverkeer en daar tegenover staande btw-geldstromen waarbij meerdere partijen, waaronder de klaagster zijn betrokken, en dat klaagster wordt verdacht van het witwassen van het met fake telefoonverkeer gegeneerde geld. Ook overweegt de rechtbank dat kennisname van de uiteenzettingen van de klaagster en het openbaar ministerie en de onderliggende stukken niet leidt tot de conclusie dat de verdenking overduidelijk zonder enige goede grond wordt gekoesterd. Tot slot overweegt zij dat het dossier een onderbouwing bevat van de verdenking dat er een grootschalige en georganiseerde fraude heeft plaatsgevonden en waarvan de klaagster op enigerlei wijze onderdeel is geweest. Met deze overwegingen heeft de rechtbank er zonder meer blijk van gegeven een onderzoek naar de feiten te hebben gedaan, in het bijzonder de verdenking van witwassen jegens de klaagster en kennelijk in het verlengde daarvan de mogelijkheid tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen vordering. Tot slot valt niet in te zien waarom de rechtbank niet zou mogen constateren dat het strafvorderlijk onderzoek nog in volle gang is. Een miskenning van de hanteren maatstaf is dat in elk geval niet.

3.8.6

De eerste deelklacht stuit hier op af.

3.8.7

Ook de tweede deelklacht faalt. Met haar overwegingen is de rechtbank – anders dan het middel lijkt te veronderstellen – tevens ingegaan op hetgeen namens de klaagster is aangevoerd, te weten dat zij geen wetenschap had of redelijkerwijs kon vermoeden dat sprake was van gelden afkomstig van enig misdrijf en van verbeurdverklaring geen sprake kan zijn.17 Ook heeft de rechtbank, anders dan in de (meeste) door de steller van het middel aangehaalde jurisprudentie, (voldoende) inzicht gegeven in haar gedachtegang.18 De rechtbank wijst er immers op dat het dossier een onderbouwing bevat van de verdenking dat er een grootschalige fraude heeft plaatsgevonden, waarmee veel geld is witgewassen en waarvan de klaagster op enigerlei wijze onderdeel is geweest. Met haar overweging dat op dit moment daaraan onvoldoende afdoet dat de verdediging deze verdenking uitvoerig heeft weersproken, heeft de rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging en het niet ondenkbaar is dat in de strafprocedure het betoog van de klaagster wordt weerlegd. Gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure waarbij dient te worden voorkomen dat te ver vooruit wordt gelopen op het latere oordeel van de strafrechter, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting.19

3.8.8

Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin gelet op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld en het openbaar ministerie heeft aangevoerd. Daaruit blijkt immers dat de verdenking jegens de klaagster niet uit de lucht is komen vallen. Door de officier van justitie is bovendien aangevoerd dat er aanwijzingen zijn dat sprake is van de voor verbeurdverklaring vereiste relatie tussen het inbeslaggenomen voorwerp (de vordering) en het strafbare feit waarvan de klaagster wordt verdacht (zie art. 33a lid 1 Sr).20 De vraag of sprake is van een dergelijke relatie dient vervolgens te worden beantwoord aan de hand van de “niet hoogst onwaarschijnlijk”-formule en dat heeft de rechtbank ook gedaan.21 Tot een nadere motivering was de rechtbank mijns inziens niet gehouden.

3.9

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4 Conclusie

4.1

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:487.

2 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld in de samenhangende zaak, ECLI:NL:PHR:2019:6.

3 Factoring is een vorm van debiteurenfinanciering waarbij een ondernemer zijn facturatie en debiteuren overdraagt aan een factoringmaatschappij. In ruil voor een vergoeding aan dit bedrijf ontvangt de ondernemer meteen zijn geld.

4 Er werden bijvoorbeeld signalen gegenereerd naar niet bestaande telefoonnummers.

5 Daarbij wordt onder meer verwezen naar de conclusie van AG Knigge bij HR 22 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2459 en de noot van Mevis bij HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, par. 4.

6 In de toelichting wordt onder meer verwezen naar de volgende beschikkingen van de Hoge Raad: HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2184; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1687 en HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3500.

7 Hoewel het derdenbeslag betreft (het beslag wordt immers gelegd onder [G] ), is desondanks de klaagster (en niet [G] ) de beslagene omdat het een vordering betreft die op naam staat van de klaagster. De tegengestelde opvatting zou immers tot de merkwaardige situatie leiden dat degene op wiens naam een vordering staat in een beklagprocedure telkens zal moeten aantonen dat hij redelijkerwijze als rechthebbende van de vordering moet worden beschouwd terwijl voor de schuldenaar (de derde) dan de hoofdregel geldt dat hij in beginsel als rechthebbende wordt aangemerkt.

8 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8.

9 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.9.

10 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.2.

11 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:656.

12 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:784.

13 HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:502, NJ 2018/221 m.nt. Kooijmans.

14 Dat oordeel volgt uiteraard ook indien ondanks het wel bestaan van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit het inbeslaggenomen voorwerp onverhoopt niets met het strafbare feit te maken heeft.

15 Conclusie AG Harteveld bij HR 2 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:6 onder 9.1.

16 Als voorbeeld van een dergelijk evident geval noemt AG Harteveld een verdenking van witwassen waarbij de partner van de verdachte een horloge bezit dat daarmee in verband wordt gebracht en in beslag wordt genomen. Wanneer dan – met onder andere overlegging van betaalbewijzen – onomstotelijk kan worden vastgesteld dat het horloge nog ver voordat de vermeende strafbare feiten hebben plaatsgevonden op legale wijze is verkregen, en dus kan worden gezegd dat het horloge niets te maken heeft met het vermoede witwassen, is het hoogst onwaarschijnlijk dat verbeurdverklaring zal volgen.

17 Ik herhaal hierbij dat in de cassatieschriftuur niet wordt gepreciseerd op welke onderdelen van het betoog de rechtbank niet zou zijn ingegaan, dan wel welke onderdelen maken dat het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk zou zijn.

18 Ik doel daarbij op de volgende door de steller van het middel aangehaalde jurisprudentie: HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2184; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1687 en HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3500. Ook wordt nog verwezen naar HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2182; HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4278 en HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:B07233, NJ 2011/10. Ook met betrekking tot die zaken kan ik geen gelijkenis ontwaren met onderhavige zaak.

19 Vgl. HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:502, NJ 2018/221 m.nt. Kooijmans.

20 Vgl. bijv. conclusie A-G Knigge bij HR 22 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2459 waarbij de algemene verwijzing van de rechtbank naar hetgeen wat de officier van justitie had aangevoerd niet voldoende was omdat uit het standpunt van het officier van justitie niet genoegzaam bleek dat sprake was van de vereiste relatie tussen de verdenking en het inbeslaggenomen voorwerpen. Dat is hier niet het geval.

21 HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:238. Vgl. ook HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:865 met betrekking tot art. 33a lid 2 sub a Sr.