Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1028

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18/00015
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1366
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Zonder vergunning uitvoeren van werkzaamheden m.b.t. bedrijfsafvalstoffen (“slobs”). Witwassen van geldbedragen (€ 1.356.840,-) begaan door rechtspersoon, art. 420bis.1.b Sr. 1. Kan uit bewijsvoering volgen dat geldbedragen criminele herkomst hadden en dat verdachte van die herkomst heeft geweten? 2. Strafmotivering, art. 23.7 (oud) Sr en hoogte strafkorting in het licht van overschrijding redelijke termijn. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/06128 E, 18/00012 E en 18/00014 E.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00015 E

Zitting: 28 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 december 2017 door de Economische Kamer van het Gerechtshof Den Haag wegens ‘witwassen, begaan door een rechtspersoon’, veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00 en verbeurdverklaring van nader omschreven facturen, met bevel tot teruggave van andere facturen en alle begeleidingsbrieven.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/06128, 18/00012 en 18/00014. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.1

4. Het eerste middel klaagt dat de enkele omstandigheid dat de verdachte een geldbedrag heeft ontvangen van [medeverdachte 1] niet (zonder meer) tot de conclusie kan leiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van dat bedrag, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) volgt dat dit bedrag ook daadwerkelijk afkomstig is van het geld dat [medeverdachte 1] heeft verdiend met strafbare gedragingen. Verder zou uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kunnen volgen dat de verdachte heeft geweten dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘zij op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 november 2011 (telkens) in Nederland, (telkens) voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van Euro 1.356.840.-, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen (telkens) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.’

6. De bewezenverklaring berust op 21 in de bijlage bij het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Daartoe behoort onder meer een ‘proces-verbaal van analyse bankrekening’.2 Dat proces-verbaal houdt in dat bij de doorzoeking van het pand aan de [a-straat 1] te Dordrecht ordners in beslag zijn genomen met bankafschriften en dat uit een analyse van deze bankafschriften blijkt dat in de periode tussen 1 januari 2010 en 9 november 2011 in totaal € 1.356.840,05 is overgemaakt naar de verdachte. Uit bewijsmiddelen 3 en 4 blijkt dat de betreffende bankrekening op naam was gesteld van [medeverdachte 1] Daaruit kan, dat wordt door de stellers van het middel ook niet bestreden, worden afgeleid dat het betreffende bedrag in de bewezenverklaarde periode is overgeboekt van [medeverdachte 1] naar de verdachte.

7. In het bestreden arrest is een gevoerd bewijsverweer als volgt samengevat en verworpen.

‘De verdediging heeft, zo blijkt ook uit de overgelegde pleitnota's, alleen bij monde van de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, het verweer gevoerd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen geen criminele herkomst hebben.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

[medeverdachte 1] heeft gedurende een langere periode werkzaamheden uitgevoerd met afvalstoffen (slobs) zonder daartoe over de vereiste vergunningen en vermeldingen te beschikken. Met deze werkzaamheden is een grote hoeveelheid geld verdiend, welk geld deels naar de verdachte rechtspersoon is overgeboekt. Aldus is het in de tenlastelegging genoemde geld afkomstig uit enig misdrijf, te weten het zonder vergunning uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen.

Het verweer wordt verworpen.’

8. De stellers van het middel klagen dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het naar de verdachte overgeschreven geldbedrag afkomstig is uit het geld dat [medeverdachte 1] zou hebben verdiend met het onderliggende strafbare feit (het uitvoeren van werkzaamheden met afvalstoffen zonder vergunning).

9. Uit het eerder vermelde ‘proces-verbaal van analyse bankrekening’ volgt dat de inkomsten van [medeverdachte 1] in de geanalyseerde periode hoofdzakelijk hebben bestaan in betalingen door [F] (€ 7.385.082,68 op een totaal van € 7.531.366,46 (aan overschrijvingen) dan wel € 7.668.693,30). Het beginsaldo van de betreffende rekening was daarbij lager dan het eindsaldo; het geld dat naar de rekening van de verdachte is overgemaakt is derhalve niet uit reeds aanwezig vermogen overgeboekt. Uit een verklaring van [betrokkene 2], werkzaam bij [medeverdachte 1], kan worden afgeleid dat deze B.V. zich vooral bezig houdt ‘met plantaardige oliën en vetten. Wij kopen het in en leveren het vervolgens aan [F]. U vraagt mij waar [medeverdachte 1] inkoopt. [medeverdachte 1] neemt slobs in van tankschepen. Onze afnemer is [F]. Wij leveren aan [F] en deze betalen ook direct aan ons.’3 Dat volgt ook uit een ‘beschrijving bedrijfsprocessen’ door [betrokkene 9]: ‘Hoofdactiviteit van [medeverdachte 1] is het overpompen van restladingen eetbare oliën uit binnenvaartschepen, landtanks en tankauto's en soms het transporteren daarvan naar verschillende verwerkers in Nederland, België en Duitsland. In uitzonderlijke gevallen wordt de olie tijdelijk opgeslagen in een tussenopslag. (…) Op de werf bevinden zich 8 a 10 opleggers elk met een inhoud van ca. 30.000 l. De activiteiten van [medeverdachte 1] beperken zich tot het doen van de eerder genoemde analyse van vochtgehalte en het overpompen van de (rest-)ladingen vanuit de schepen naar de tankwagens. In de tankwagens vindt een natuurlijke scheiding plaats tussen water en oliën respectievelijk vetten: water beneden, olie en vet boven. Het water wordt daarna afgetapt en overgepompt naar een afzonderlijke tankwagen.’4 Uit een verklaring van [betrokkene 10], senior vergunningverlener bij de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid, kan worden afgeleid dat deze werkzaamheden niet door de vergunning gedekt werden: ‘De werkzaamheden van [medeverdachte 1] met de plantaardige oliën werden in het geheel niet gedekt door de vergunning en waren dus onvergund.’5 Uit een proces-verbaal van de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid kan ten slotte worden afgeleid dat [medeverdachte 1] een ‘omgevingsvergunningplichtige inrichting’ was.6

10. In het licht van deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen aannemen dat het in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag is betaald uit het door [medeverdachte 1] over een langere periode werkzaamheden uitvoeren met afvalstoffen (slobs) zonder over de vereiste vergunning en vermelding te beschikken.

11. De stellers van het middel voeren voorts aan dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat de verdachte wist dat het geld afkomstig was uit misdrijf. Dat de bestuurder van de verdachte ook de bestuurder is geweest van [medeverdachte 1] zou daartoe onvoldoende zijn.

12. Uit onder de bewijsmiddelen opgenomen processen-verbaal van bevindingen van 27 februari 2011 waarin verslag wordt gedaan van onderzoek in het handelsregister volgt dat [medeverdachte 3] op dat moment bestuurder was van de verdachte, dat dezelfde persoon op 16 september 2010 bestuurder was van [medeverdachte 1] en dat beide B.V.’s sinds het begin van de jaren ’90 zijn gevestigd op het adres [a-straat 1], Dordrecht.7 [medeverdachte 3] heeft op 22 november 2011 verklaard: ‘Ik ben eindverantwoordelijk voor alles wat er op de [a-straat 1] gebeurt.’8 [betrokkene 10] heeft, zoals hiervoor deels al bleek, verklaard: ‘Ik ben twee maal bij [medeverdachte 1] geweest in het kader van een vergunningsaanvraag, voor het eerst op 10 maart 2011. Toen ik op 10 maart 2011 bij [medeverdachte 1] was voor een gesprek draaide het bedrijf in principe nog op een Hinderwetvergunning. Deze vergunning was op 6 september 1988 (…) verleend. (…) Als bedrijfswerkzaamheden stonden omschreven het oprichten en in werking hebben van een las en montagebedrijf van staal en pijpconstructies. De werkzaamheden van [medeverdachte 1] met de plantaardige oliën werden in het geheel niet gedekt door de vergunning en waren dus onvergund.’9Voorts heeft [betrokkene 16] verklaard: ‘Ik ben casemanager bij de stichting NIWO en verzorg de VIHB-registratie. Dat is de registratie van iedereen die zich op Nederlands grond gebied bezig houdt met het vervoer, inzamelen, handelen en bemiddelen van afvalstoffen. Met uitzondering van huishoudelijke afvalstoffen. Namens [medeverdachte 1] is een aanvraag gedaan op 1 maart 2005. De aanvraag is door [medeverdachte 3] ondertekend. Er is een aanvraag gedaan voor registratie als Vervoerder en Handelaar. Op 18 januari 2012 heeft [medeverdachte 1] een aanvraag ingediend om tevens als Inzamelaar en Bemiddelaar te worden vermeld. Op 20 januari 2012 is vervolgens een Toezending van het besluit verzonden naar [medeverdachte 1], van de wijzigingsbeschikking en het nieuwe NIWO-certificaat. Dit betekent dat [medeverdachte 1] vanaf 19 januari 2012 naast het Vervoeren en Handelen van afvalstoffen, nu ook als Inzamelaar en Bemiddelaar staat geregistreerd.’10

13. Voor een bewezenverklaring is vereist dat de verdachte wist dat het bewezenverklaarde geldbedrag afkomstig was uit misdrijf. In cassatie gaat het om de vraag of het hof die wetenschap uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Die wetenschap kan worden afgeleid uit wetenschap van de bestuurder van de verdachte.11 Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 3] in 2005 registratie als vervoerder en handelaar heeft aangevraagd en dat in 2012 een aanvraag is gedaan om [medeverdachte 1] als inzamelaar en bemiddelaar in afvalstoffen te vermelden. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat [medeverdachte 3] wist dat [medeverdachte 1] in de bewezenverklaarde periode niet als zodanig was vermeld. Op grond van artikel 10.45, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is het verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen zonder vermelding op een lijst van inzamelaars. Het opzettelijk overtreden van dat voorschrift is een misdrijf.12

14. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [betrokkene 10] in maart 2011 langs is geweest voor een gesprek in het kader van een vergunningsaanvraag en dat de werkzaamheden van [medeverdachte 1] op dat moment niet gedekt werden door een vergunning. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] kan, mede in het licht van het ontbreken van aanwijzingen van het tegendeel en verweren die het tegendeel betogen, worden afgeleid dat hij als eindverantwoordelijke van dit gesprek en -daarmee- van het ontbreken van een toereikende vergunning op de hoogte was. Dat voor werkzaamheden als welke door [medeverdachte 1] verricht werden een vergunning nodig was volgde tot en met 30 september 2010 uit art. 8.1, eerste en tweede lid, Wet Milieubeheer jo. het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; vanaf 1 oktober 2010 volgt het uit art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht jo. het Besluit omgevingsrecht.13 Het opzettelijk handelen in strijd met deze wetsbepalingen was respectievelijk is een misdrijf.14

15. Al met al meen ik dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte wist dat het geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

16. De stellers van het middel klagen blijkens de toelichting nog dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte een geldbedrag dat afkomstig was uit enig misdrijf heeft overgedragen. Wel zou uit de bewijsmiddelen kunnen volgen dat de verdachte een bedrag tot een totaal van € 50.000.- heeft overgedragen, maar het zou niet duidelijk zijn op welke datum dit heeft plaatsgevonden en dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

17. Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte een of meer van de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen (tot een totaal van Euro 1.356.840.-) heeft overgedragen. Het middel klaagt daarover terecht.15 Voor vernietiging van de bestreden uitspraak om die reden en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat echter onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.16

18. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.

19. Het tweede middel klaagt dat het hof de opgelegde geldboete ontoereikend heeft gemotiveerd, door in strijd met artikel 23, zevende lid, Sr niet uit te leggen waarom een geldboete tot het maximum van de vijfde categorie geen passende bestraffing vormt. Daarnaast zou het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de mate van strafkorting hebben aangeduid die in het licht van de overschrijding van de redelijke termijn is toegepast.

20. Het hof heeft de verdachte, zoals reeds vermeld onder randnummer 1, veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,-. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

‘Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een grote hoeveelheid geld, afkomstig uit strafbare feiten, verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen. Witwassen tast de integriteit van het betalingsverkeer aan.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat de medeverdachte [medeverdachte 3], tevens bestuurder van de verdachte rechtspersoon, op 23 november 2011 voor het eerst is gehoord en het eindvonnis op 9 april 2014 - te weten meer dan twee jaren later - is gewezen. Voorts heeft de berechting in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen twee jaren, nu op 14 april 2014 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest op 1 december 2017 zal worden gewezen, te weten meer dan twee jaren later.

In het licht hiervan zal het hof volstaan met het opleggen van de geldboete van na te melden hoogte.

Ten aanzien van de gevorderde verbeurdverklaring van een bedrag van € 1.356.840,- overweegt het hof dat dit wordt afgewezen. Er wordt al bij [medeverdachte 3] een verbeurdverklaring uitgesproken. Anders dan bij het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, voorziet de wet niet in het hoofdelijk verbeurdverklaren van een geldbedrag. Aldus zou verbeurdverklaren van het gevorderde bedrag bij zowel de verdachte rechtspersoon, haar medeverdachten en haar bestuurder [medeverdachte 3] een dubbeltelling betekenen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.’

21. Bij een veroordeling wegens witwassen kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd, zo volgt uit artikel 420bis Sr. Indien de voor het feit bepaalde geldboetecategorie geen passende bestraffing toelaat en de veroordeling een rechtspersoon betreft, kan op grond van art. 23, zevende lid, (oud) Sr een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. Met Bleichrodt en Vegter meen ik dat uit het geldend recht niet een verplichting voor de rechter valt af te leiden om in vonnis of arrest separaat tot uitdrukking te brengen waarom de voor het feit bepaalde geldboetecategorie geen passende bestraffing toelaat.17 En het ligt naar het mij voorkomt ook niet in de rede daar wijziging in te brengen; het zou waarschijnlijk alleen tot weinig zeggende frases leiden. Ik wijs er daarbij nog op dat het hof reeds heeft overwogen dat het de op te leggen straf heeft ‘bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte’ en dat het ‘- alles afwegende - van oordeel (is) dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt’.

22. Met de stellers van het middel kan worden vastgesteld dat uit ’s hofs overwegingen niet kan worden afgeleid in welke mate het hof de opgelegde geldboete heeft bepaald in het licht van de schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn. Het hof was gehouden dat aan te geven.18 Uit rechtspraak van Uw Raad kan evenwel worden afgeleid dat dit verzuim niet altijd tot cassatie behoeft te leiden.19 In HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:984 had het hof in het bestreden arrest overwogen dat het mede in het tijdsverloop aanleiding zag om een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het had niet aangegeven in welke mate de straf in het licht van dat tijdsverloop was verlaagd.
A-G Bleichrodt was van oordeel dat in de bijzondere omstandigheden van het geval artikel 80a RO kon worden toegepast.20 In een ander arrest heeft Uw Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO; de verdachte had geen in rechte te respecteren belang bij zijn klacht nu het hof ambtshalve had geconstateerd dat de redelijke termijn was overschreden (en niet naar aanleiding van een verweer).21

23. Op het eerste gezicht lijkt deze zaak iets van HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:984 weg te hebben. Het hof overweegt nadrukkelijk dat en waarom het niet de gevorderde verbeurdverklaring oplegt. Uit die redengeving volgt evenwel duidelijk dat het hof in het niet opleggen van de verbeurdverklaring geen compensatie voor het tijdsverloop ziet. Reden om geen verbeurdverklaring op te leggen is alleen dat bij [medeverdachte 3] al een verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Ook de situatie dat niet de aandacht is gevestigd op de overschrijding van de redelijke termijn doet zich niet voor. Het pleidooi dat raadsvrouw Weski in het kader van de verdediging van onder meer de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft gehouden, besteedt in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ruimschoots aanleiding aan de schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn. Daaraan wordt in het pleidooi gerefereerd in het kader van de strafmaat.

24. Kennisneming van eis en vonnis in eerste aanleg en het requisitoir van de advocaat-generaal in hoger beroep werpt wel licht op de afwegingen van het hof. In eerste aanleg was een onvoorwaardelijke geldboete van € 100.000,- geëist. Ter terechtzitting had de officier van justitie kenbaar gemaakt voornemens te zijn ten aanzien van onder meer de verdachte een ontnemingsvordering aanhangig te maken.22 Een boete van de gevorderde hoogte is door de rechtbank geheel voorwaardelijk opgelegd. Blijkens de strafmotivering heeft de rechtbank daarbij acht geslagen op de aan de verdachte en aan [medeverdachte 1] aangekondigde ontnemingsvorderingen. De rechtbank betrok daarbij dat financiële sancties ten aanzien van [medeverdachte 1] rechtstreeks zullen doorwerken op de verdachte. In hoger beroep wordt door het openbaar ministerie vervolgens een veel hogere geldboete geëist. Het bestreden arrest houdt in dat de advocaat-generaal een geldboete van € 760.000,- en verbeurdverklaring van € 1.356.840,- heeft gevorderd; de schriftelijke vordering, die zich bij de stukken bevindt, houdt in dat laatstgenoemd bedrag verbeurd dient te worden verklaard en dat subsidiair een boete van € 760.000, zou moeten worden opgelegd.23 Het requisitoir maakt duidelijk wat de aanleiding is voor die koerswijziging in hoger beroep. De advocaat-generaal geeft aan dat voordeelsontneming gewoonlijk wordt nagestreefd door een ontnemingsvordering in te dienen, ‘maar dat is in deze zaken niet meer mogelijk wegens termijnoverschrijding’. Het voordeel zou daarom moeten worden ontnomen door middel van verbeurdverklaring dan wel een afroomboete. Het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het requisitoir geschat op € 2.235.399,-. Dat is de achtergrond waartegen het hof heeft ‘volstaan met het opleggen van de geldboete van na te melden hoogte’.

25. Naar het mij voorkomt kan cassatie gelet op het voorgaande achterwege blijven. Strekking van het voorschrift dat het hof aangeeft in welke mate de straf in het licht van de termijnoverschrijding is verminderd, is het mogelijk maken van door Uw Raad uit te oefenen controle in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.24 Die controle strekt er, zo komt mij voor, vooral toe na te gaan of daadwerkelijk een lagere straf is opgelegd dan zou zijn gevolgd in het geval van een voldoende voortvarende berechting. Dat het hof, door niet mee te gaan met de eis van het openbaar ministerie maar een veel lagere geldboete op te leggen, wetende dat geen ontnemingsmaatregel meer zal volgen, een lagere straf heeft opgelegd dan zonder de termijnoverschrijding zou zijn opgelegd, lijkt mij in redelijkheid buiten twijfel te staan.

26. Geheel terzijde merk ik op dat het nog maar de vraag is of de verdachte er rouwig om zou moeten zijn als Uw Raad, met mij, van oordeel is dat dit middel niet tot terugwijzing ten aanzien van de strafoplegging leidt. In de conclusie die ik in de zaak [medeverdachte 3] neem, kom ik tot het oordeel dat de verbeurdverklaring geen stand kan houden. En een verbod op reformatio in peius na cassatie bestaat niet.

27. Het tweede middel leidt niet tot cassatie.

28. Het derde middel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie. De stukken van het geding zouden niet tijdig door het hof zijn ingezonden.

29. Op 13 december 2017 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 oktober 2018 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

30. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De schriftuur is mede ondertekend namens mr. I.N. Weski. Uit de aanhef blijkt evenwel niet dat ook zij tot het indienen van de schriftuur gevolmachtigd is.

2 Bewijsmiddel 3.

3 Bewijsmiddel 6.

4 Bewijsmiddel 9. Zie ook de bewijsmiddelen 13 t/m 20.

5 Bewijsmiddel 10. Zie ook de bewijsmiddelen 7, 8, 11 en 12.

6 Bewijsmiddel 21.

7 Bewijsmiddelen 1 en 2. Zie ook bewijsmiddel 5.

8 Bewijsmiddel 14. Zie ook de bewijsmiddelen 13, 16 en 18.

9 Bewijsmiddel 10.

10 Bewijsmiddel 12.

11 Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk, rov. 3.4.2, waarin wordt verwezen naar HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0145, NJ 1997/109.

12 Dat volgt uit de vermelding in artikel 1a, onder 2o, juncto artikel 2, eerste lid, WED.

13 Zie voor deze bepalingen ook de bespreking van het tweede middel in de conclusie in de samenhangende zaak [medeverdachte 1]

14 Vgl. artikel 1a onder 1o en artikel 2 WED.

15 Ik wijs er daarbij op dat indien in de bewezenverklaring alternatieven zijn opengelaten, in beginsel elk van die alternatieven door bewijsmiddelen dient te worden geschraagd. Vgl. HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/439.

16 Vgl. HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:376, rov. 2.4. Daaraan doet niet af dat in de strafmotivering melding wordt gemaakt van het verwerven, voorhanden hebben en/of overdragen. Uit die enkele passage kan niet worden afgeleid dat het hof aan het overdragen – naast het verwerven en voorhanden hebben – een zelfstandige, strafverhogende betekenis heeft toegekend. Dat wordt in de schriftuur ook niet gesteld.

17 Vgl. F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, 2e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 339.

18 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.24 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0912, NJ 2010/459, rov. 2.3.

19 Vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3092, NJ 2015/136 m.nt. Van Kempen. Zie ook de conclusie van toenmalig P-G Fokkens (onder 20) voorafgaand aan HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7242 (vierde middel, art. 81 RO; niet gepubliceerd) en de conclusie van A-G Knigge (onder 5.6-5.7) voorafgaand aan HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:1767 (derde middel, art. 81 RO; niet gepubliceerd).

20 Vgl. ook HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:983.

21 Vgl. HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817.

22 Zie pagina 6 van het proces-verbaal van de op 12 en 13 maart en 9 april 2014 gehouden terechtzitting.

23 In het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 oktober 2017 is ten aanzien van de weergave van de vordering van de advocaat-generaal (verbeurdverklaring van € 7.301.574,69, subsidiair een boete van € 1.000.000,-) sprake van een kennelijke misslag. Daar wordt melding gemaakt van een strafeis die is gebaseerd op feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 9, terwijl in de onderhavige zaak slechts één feit is tenlastegelegd en het schriftelijke requisitoir bovendien inhoudt dat in deze zaak verbeurdverklaring van een bedrag van € 1.356.840,- wordt gevorderd. Een en ander wijst erop dat het betreffende tekstblok abusievelijk is overgenomen uit het proces-verbaal van de medeverdachte [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3]. Ik merk hierbij nog op dat het op vijf zaken betrekking hebbende schriftelijke requisitoir met de daarin in de kantlijn handgeschreven toevoeging geen duidelijkheid verschaft over de hoogte van de geldboete die in de onderhavige zaak werd gevorderd.

24 Vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3092, NJ 2015/136 m.nt. Van Kempen.