Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1025

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18/00014
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1365
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Zonder vergunning uitvoeren van werkzaamheden m.b.t. bedrijfsafvalstoffen (“slobs”). Zonder vergunning in werking hebben van inrichting voor repareren van schepen voor beroepsvaart begaan door rechtspersoon (art. 8.1.1.c Wet milieubeheer) en zonder omgevingsvergunning in werking hebben van inrichting voor repareren van schepen anders dan pleziervaartuigen begaan door rechtspersoon (art. 2.1.1.e.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Bewijsklachten. Kan uit b.m. worden afgeleid dat het ging om “schepen voor de beroepsvaart” dan wel “schepen anders dan pleziervaartuigen”? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/06128 E, 18/00012 E en 18/00015 E.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00014 E

Zitting: 28 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 december 2017 door de Economische Kamer van het Gerechtshof Den Haag wegens 1. ‘opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon’ en 2. ‘opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon’, veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,-.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/06128, 18/00012 en 18/00015. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. I.N. Weski, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1, dat de verdachte zich in de periode 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2010 heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk zonder verleende vergunning een inrichting voor het repareren van schepen voor de beroepsvaart als genoemd in Bijlage 1 onder w van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in werking hebben, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende met redenen omkleed is en/of dat de kwalificatiebeslissing te dien aanzien onvoldoende met redenen omkleed is. Daarnaast zouden de bewezenverklaringen (onder 1 en 2) niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen volgen, nu uit de bewijsmiddelen slechts blijkt dat de verdachte zich bezig hield met de reparatie van ‘schepen’. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen worden opgemaakt dat het ging om ‘schepen voor de beroepsvaart’ dan wel ‘schepen anders dan pleziervaartuigen’.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘1:

(Zaak Inrichting/Periode 1 augustus 2009 - 30 september 2010)

zij in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2010 te Dordrecht, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een inrichting, gelegen op/nabij de [a-straat 1], voor het repareren van schepen voor de beroepsvaart, genoemd in Bijlage 1 onder w van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, in werking heeft gehad, door het repareren van schepen voor de beroepsvaart;

2:

(Zaak Inrichting/Periode 1 oktober 2010 - 14 november 2011)

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 14 november 2011 te Dordrecht, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd dat bestond uit het in werking hebben van een inrichting, te weten een inrichting, gelegen op de [a-straat 1], voor het repareren van schepen anders dan pleziervaartuigen, een inrichting genoemd in Bijlage I onderdeel C categorie 13.4 van het Besluit omgevingsrecht, door het repareren van schepen anders dan pleziervaartuigen.’

6. De bewezenverklaring onder 1 en 2 berust op vijf in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen die als volgt luiden (met weglating van verwijzingen):

‘1.

Een Zaaksproces-verbaal Inrichting (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Bij navraag bij de Kamer van Koophandel is gebleken dat op het adres [a-straat 1] te Dordrecht onder meer de volgende 3 bedrijven staan ingeschreven:

[medeverdachte 4], waarvan de directeur en enig aandeelhouder is genaamd: [medeverdachte 3].

[medeverdachte 1], waarvan de directeur en enige aandeelhouder is genaamd [medeverdachte 3].

[verdachte], waarvan de enige aandeelhouder is genaamd: [medeverdachte 4] en als bestuurder en directeur: [medeverdachte 3].

Deze onderneming heeft als handelsnaam: [J].

[verdachte] is een rechtspersoon met als vorm Besloten Vennootschap met als bedrijfsomschrijving: Handel en transport, het bezorgen en of ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden, deelnamen in, overnemen van aanverwant of soortgelijk doel tevens scheepssloperij tevens reparatie en/of onderhoud aan schepen; aannemen van renovatiewerkzaamheden in de b&u-bouw.

HISTORISCH VERLEDEN

In het kader van het onderzoek Tipai werd een dossieronderzoek verricht in het handhavings- en vergunningendossier van de Milieudienst Zuid-Holland Zuid. Uit het onderzoek bleek dat inzake het bedrijfsterrein aan de [a-straat 1] te Dordrecht op 26 november 1987 ingevolge de toenmalige Hinderwet (BFK: een aanvraag voor) een vergunning Hinderwet werd gedaan voor [K] (in 1992 voortgezet onder de naam [medeverdachte 1]) en dat op 6 september 1988 aan [K]. een Hinderwetvergunning werd verleend, welke nog steeds vigerend is.

WABO-vergunning: Nieuwe aanvraag

Bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid werd op 3 december 2010 een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning inzake de WABO door [verdachte].

Reeds in oktober 2010 werd door de provincie Zuid-Holland van [medeverdachte 3] namens de inrichtingen [verdachte] en [medeverdachte 1] een concept-aanvraag ontvangen voor een revisievergunning Wet Milieubeheer. De provincie Zuid-Holland heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen vanwege het feit dat de aanvraag te summier was en het een aanvraag voor de verlening van een vergunning Wet Milieubeheer betrof, terwijl dit een aanvraag inzake de WABO diende te zijn. De aanvraag werd na 1 oktober 2010 ingediend, terwijl op 1 oktober 2010 de WABO in werking trad.

2.

De verklaring van [medeverdachte 3], optredend als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 maart 2014, inhoudende:

[verdachte] voert reparatiewerkzaamheden aan schepen uit. In 2010/2011 had [verdachte] ongeveer 28 schepen in onderhoud.

3.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 januari 2012 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 31 januari 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 12]:

Ik ben werkzaam voor [medeverdachte 1]. Naast [medeverdachte 1] zijn aan de [a-straat 1] te Dordrecht de bedrijven [verdachte] en [L] gevestigd. [verdachte] doet reparatie aan schepen boven de waterlijn.

4.

Een geschrift zijnde de "Beschrijving Bedrijfsprocessen, [a-straat 1], Dordrecht, 23 Versie ten behoeve van de aanvraag Omgevingsvergunning met de activiteit Milieuverantwoord Ondernemen", auteur: [betrokkene 9]. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

[verdachte] verricht werkzaamheden aan schepen waaronder reparatiewerkzaamheden alsmede werkzaamheden ten behoeve van het in- en uitbouwen van scheepsmotoren ten behoeve van [L]

[verdachte] voert uitsluitend laswerkzaamheden uit boven de waterlijn.

5.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 april 2012 bij de rechter-commissaris. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als de op 12 april 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 10]:

U vraagt mij voor welke activiteiten er nog een vergunning nodig was bij [medeverdachte 1] om te kunnen legaliseren. Het ging eigenlijk om alle bedrijfsprocessen van de werkmaatschappijen.

In maart 2011 heb ik beoordeeld of er een vergunningsplicht was en zo ja, voor welke activiteiten. De onderliggende vergunning (uit 1988), die er al was, ging alleen over een metaalbedrijf. [verdachte] werkte aan schepen. Voor die activiteit was er nog geen vergunning.’

7. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als onder randnummer 1 vermeld. Art. 8.1 van de Wet Milieubeheer luidde in de onder 1 bewezenverklaarde periode voor zover van belang als volgt:

‘1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde verboden gelden.’

8. Op basis van art. 8.1, tweede lid, van de Wet Milieubeheer is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer totstandgekomen.1 Bijlage 1 aanhef en onder w van dit besluit luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit (voor zover van belang) als volgt:

‘De in artikel 8.1, eerste lid van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van inrichtingen:

w. inrichtingen voor:

• (…);

• het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart;

• het vervaardigen van pleziervaartuigen;

• (…);’

9. Dit onderdeel van de bijlage bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is gewijzigd op 1 januari 2010, en luidde daarna als volgt:2

‘De in artikel 8.1, eerste lid, van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van inrichtingen:

w) inrichtingen voor:

1°.(…);

2°. het bouwen van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer;

3°. het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen anders dan pleziervaartuigen;

4°. (…);’

10. Deze wijziging van de bijlage is als volgt toegelicht:3

‘Pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer blijven vergunningplichtig. Deze grens komt overeen met categorie 13.3 onder b van het Ivb. Dit betekent dat scheepswerven voor relatief grote pleziervaartuigen –waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag is – vergunningplichtig blijven. Deze categorie inrichtingen is in artikel 2.4 van het Ivb aangewezen als zijnde inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Voor de overige inrichtingen voor het vervaardigen van pleziervaartuigen is de vergunningplicht met dit wijzigingsbesluit vervallen. Met de voorschriften die reeds in het Activiteitenbesluit staan, zijn de milieugevolgen van deze activiteiten voldoende afgedekt.

In de eerdere tekst werd onder 3° gesproken over onderhoud van schepen voor de beroepsvaart. Hierdoor was onduidelijk wat nu de positie was van bijvoorbeeld het onderhoud aan offshoreplatforms. Om die reden is de formulering nu aangepast, en wordt gesproken over «schepen anders dan pleziervaartuigen». In deze tekst moet het begrip «schip» worden gelezen in de zin van de Binnenschepenwet, waarin in artikel 2, eerste lid, is aangegeven dat hieronder «mede verstaan [wordt] draagvleugelboten, veerponten, alsmede baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle andere drijvende werktuigen, pontons of materieel van soortgelijke aard».’

11. De stellers van het middel wijzen erop dat van 1 april 2009 tot 1 januari 2010 vergunningplichtig waren ‘inrichtingen voor (…) het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart’. En dat vanaf 1 januari 2010 vergunningplichtig waren ‘inrichtingen voor (…) het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen anders dan pleziervaartuigen’. Nu bewezen is verklaard (onder 1) dat de verdachte zich in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk zonder vergunning een inrichting voor het repareren van schepen voor de beroepsvaart in werking hebben, zou de bewezenverklaring voor wat betreft de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2010 onbegrijpelijk en/of niet te kwalificeren zijn.

12. Uit de Nota van toelichting bij het Besluit van 9 november 2009 kan worden afgeleid dat de besluitgever met de door de stellers van het middel aangestipte wijziging geen inperking van het betreffende onderdeel van de vergunningplicht heeft beoogd. Dat was wel het geval bij de pleziervaartuigen; voortaan waren alleen scheepswerven voor relatief grote pleziervaartuigen vergunningplichtig. Bij de verandering van ‘schepen voor de beroepsvaart’ in ‘schepen anders dan pleziervaartuigen’ ging het om een verduidelijking dan wel uitbreiding: ook werven voor draagvleugelboten, veerponten, baggermolens, drijvende kranen (etc.) dienden (onomstreden) onder de vergunningsplicht te vallen. Daarmee is gegeven dat de vaststelling in de bewezenverklaring dat de verdachte in de betreffende periode een inrichting voor het repareren van schepen voor de beroepsvaart in werking heeft gehad, impliceert dat de verdachte in die periode een inrichting voor het repareren van schepen anders dan pleziervaartuigen in werking heeft gehad.

13. De stellers van het middel klagen voorts dat uit de bewijsmiddelen slechts blijkt dat de verdachte zich bezig hield met de reparatie van schepen. Daarom zouden de bewezenverklaringen niet uit de bewijsmiddelen volgen.

14. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte bijgestaan door raadsvrouw Weski en door raadsman Berndsen. Uit de pleitnotities van beide raadslieden kan niet worden afgeleid dat is gesteld dat de verdachte een inrichting in werking had voor het repareren van andere schepen dan beroepsvaartuigen, of dat de verdachte een inrichting in werking had voor het repareren van pleziervaartuigen. Daarbij kan er op gewezen worden dat de rechtbank de feiten 1 en 2 eveneens bewezen had verklaard. De verdediging heeft in eerste aanleg en in hoger beroep wel vrijspraak bepleit, maar niet op deze grond. Uit de bewijsmiddelen zelf heeft het hof bovendien aanwijzingen kunnen afleiden dat de schepen waar in de bewijsmiddelen over wordt gesproken (mede) schepen voor de beroepsvaart zijn. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de verdachte ongeveer 28 schepen in onderhoud had.4 [betrokkene 12] heeft verklaard dat de verdachte reparaties aan schepen boven de waterlijn uitvoert.5 Uit de beschrijving van de bedrijfsprocessen volgt dat de werkzaamheden bestaan in het in- en uitbouwen van scheepsmotoren ten behoeve van [L] en laswerkzaamheden boven de waterlijn.6 Het ligt niet in de rede dat een werf voor uitsluitend (kleine) pleziervaartuigen zich bij een zo klein aantal schepen tot uitsluitend deze werkzaamheden beperkt. Ten slotte vormt de verklaring van [betrokkene 10] een aanwijzing dat het om werkzaamheden aan schepen ging die vergunningplichtig waren.7 Tegen deze achtergrond heeft het hof het begrip ‘schepen’ waar in de bewijsmiddelen over wordt gesproken, bij gebreke van een daarop toegesneden verweer, naar het mij voorkomt kunnen verstaan als ‘schepen voor de beroepsvaart’.

15. Het eerste middel faalt.

16. Het tweede middel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie. De stukken van het geding zouden niet tijdig door het hof zijn ingezonden.

17. Op 13 december 2017 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 oktober 2018 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

18. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende formulering. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Besluit van 19 oktober 2007, Stb. 2007, 415.

2 Besluit van 9 november 2009, Stb. 2009, 479; inwerkingtredingsbesluit van 27 november 2009, Stb. 2009, 513.

3 Nota van Toelichting bij het Besluit van 9 november 2009, Stb. 2009, 479 (p. 99-100).

4 Bewijsmiddel 2.

5 Bewijsmiddel 3.

6 Bewijsmiddel 4.

7 Bewijsmiddel 5.