Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1024

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-08-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18/00085
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1540
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal d.m.v. braak in woning (art. 311.1 Sr) en poging diefstal (art. 310 Sr) in Enschede. Bewijsklacht woninginbraak. Kan betrokkenheid verdachte als medepleger uit b.m. worden afgeleid? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/00269 en 18/00270.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00085

Zitting 27 augustus 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 22 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens in de zaak met parketnummer 08-770016-17 onder 2 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en in de zaak met parketnummer 08-065852-15 “poging tot diefstal”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof beslist op een vordering van de benadeelde partij, de proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf verlengd en de vordering tot tenuitvoerlegging van een andere eerder opgelegde straf afgewezen, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 18/00269 en 18/00270. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de in de zaak met parketnummer 08-770016-17 onder 2 bewezen verklaarde gekwalificeerde diefstal in vereniging.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op in de periode van 18 december tot en met 19 december 2016 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat 1] ) heeft weggenomen diverse goederen, te weten: een flesje parfum en een iPhone S4 en een envelop inhoudende 600 euro contant geld en een stoffen tasje, toebehorende aan een ander of anderen dan de verdachte of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inbraak, te weten door het intrappen van de voordeur”

2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van aangifte, nummer PL0600-2016616799-1 (pagina’s 32 tot en met 33), in de wettelijke vorm opgemaakt op 19 december 2016 door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van gekwalificeerde diefstal in/uit een woning aan de [a-straat 1] te Enschede, gepleegd tussen 18 december 2016 te 13.00 uur en 19 december 2016 te 13.30 uur.

Ik woon aan de [a-straat 1] te Enschede. Dit is een flatwoning op de eerste etage. Ik heb mijn woning op 18 december 2016 omstreeks 13.00 uur verlaten. Ik heb de woning slotvast afgesloten.

Op 19 december 2016 omstreeks 13.30 uur kwam ik terug bij mijn woning. Ik zag dat de voordeur op een kier stond. Ik ben mijn woning binnen gegaan en zag dat het kozijn aan de binnenzijde van de deurpost weg was. Ik denk dat de voordeur ingetrapt is. Ik zag dat een potje parfum dat op de kast had gestaan weg was. Ook zag ik dat de mobiele telefoon, Iphone S4, wit van kleur, die op de salontafel had gelegen weg was.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0600-2016616799-4 (pagina’s 35 tot en met 36), in de wettelijke vorm opgemaakt op 30 december 2016 door [verbalisant 2] , buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Op 19 december 2016 heb ik aangifte gedaan van inbraak in mijn woning.

Ik wil hierover nog graag een aanvullende verklaring afleggen.

In de slaapkamer staat een koffer. In de koffer zat kleding en een envelop met daarin 600 euro. Nadat de technische recherche op 19 december 2016 om 15.00 uur ter plaatse was geweest, heb ik alles opgeruimd. Ik zag dat de envelop niet tussen de spullen lag en dus was weggenomen. Ook kwam mijn vriendin er toen achter dat er een stoffen tasje was weggenomen.

3. Het proces-verbaal Sporenonderzoek, nummer PL0600-2016616799-2 (pagina 38),

- in de wettelijke vorm opgemaakt op 19 december 2016 door [verbalisant 3] , buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende — zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 19 december 2016 te 15.00 uur werd door mij, verbalisant, als forensisch onderzoeker op verzoek van de politie, eenheid Oost-Nederland, een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een gekwalificeerde diefstal in/uit een woning, gepleegd tussen 18 december 2016 en 19 december 2016.

Het onderzoek is verricht in een woning (flat) te [a-straat 1] Enschede.

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen.

Ik zag dat de toegangsdeur was geforceerd. Ik zag dat een lat met daaraan het slot van de voordeur op de grond lag. Omdat ik geen werktuigsporen zag, vermoed ik dat de dader de deur heeft ingetrapt.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2016615945-9 (pagina 43), in de wettelijke vorm opgemaakt op 28 december 2016 door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 28 december 2016 heb ik, verbalisant, de camerabeelden bekeken gemaakt op 18 december van de hoofdingang bij [het flatgebouw] aan de [a-straat 1] te Enschede.

Het beschikbare beeldmateriaal start op 18 december om 22.00 uur:

- Ik zag dat een van de verdachten om 22:13:06 uur voor het eerst in het zicht van de camera verschijnt.

- Ik zag dat deze verdachte, verdachte 1, om 22:13:19 uur de deur open trapt met zijn rechterbeen.

- Ik zag dat verdachte 1 om 22:13:22 uur de deur open houdt voor verdachte 2, die vervolgens ook naar binnen loopt. Beide verdachten verdwijnen kort daarop links uit het beeld van de camera.

- Ik zag dat beide verdachten om 22:15:22 uur vanaf rechts weer in het zicht van de camera komen: Ze gaan door de deur naar buiten en verdwijnen links uit het zicht van de camera.

- Ik zag dat verdachte 1 omstreeks 22:19:04 met een stevige duw de deur opent. Beide verdachten lopen vervolgens naar binnen en verdwijnen rechts uit het zicht van de camera.

- Ik zag dat beide verdachten om 22:26:53 uur vanaf rechts weer in het zicht van de camera kwamen. Beiden verlaten het pand en verdwijnen naar links uit beeld.

- Ik zag dat verdachte 1 omstreeks 22:28:36 uur de deur opent met een stevige duw met zijn linkerschouder. Beide verdachten lopen weer naar binnen en verdwijnen rechts uit het zicht van de camera.

- Ik zag dat beide verdachten om 22:31:01 uur van rechts naar links uit het beeld van de camera lopen.

- Ik zag dat beide verdachten om 22:32:00 uur vanaf links rennend in het zicht van de camera komen. Beiden rennen naar de toegangsdeur, verdachte 1 opent de deur en beiden verdwijnen naar links uit het zicht van de camera.

5. Het proces-verbaal van verhoor met als bijlage een fotoblad, nummer PL0600- 2016616799-5 (pagina’s 91 en 92), in de wettelijke vorm opgemaakt op 10 januari 2017 door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

U toont mij een blad met daarop 2 foto’s. Op de bovenste foto staan 2 mannen. Ik zie dat deze foto is genomen in de centrale hal van onze flat. Ik zie dat 1 van deze mannen in zijn linkerhand een tas in zijn hand heeft. Ik herken deze tas als de soortgelijke tas welke bij mij uit de woning is gestolen. Ik herken deze tas aan de motieven en aan de kleuren en aan de grootte.

6. Het proces-verbaal van verhoor met als bijlagen twee fotobladen, nummer PL0600- 2016616799-6 (pagina’s 93 tot en met 96), in de wettelijke vorm opgemaakt op 10 januari 2017 door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] :

U toont mij een foto waarop 2 mannen staan. Ik zie dat 1 van deze mannen een tas in zijn handen heeft. Ik zie dat deze mannen staan in de centrale hal van [het flatgebouw] aan de [a-straat] in Enschede. Dit is de flat waar mijn vriend [betrokkene 1] woont. U vraagt aan mij of ik deze tas van de foto herken. Ja, deze tas herken ik als een soortgelijke tas die bij mijn vriend [betrokkene 1] uit de woning is gestolen. Deze tas is van mij.

Ik had die dag de tas met spullen op de salontafel gelegd. Na de inbraak zag ik dat de spullen, die eerder in mijn tas zaten, op tafel lagen.

Ik kan u nog een klein etuitje tonen die bij de tas hoort.

U vraagt aan mij hoe ik deze tas herken. Ik herken de tas namelijk aan hetzelfde motief en kleuren als het etuitje. Ik herken hem aan de grootte van de tas en het model.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 april 2017, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Op 18 december 2016 ben ik ’s avonds in [het flatgebouw] aan de [a-straat] te Enschede geweest. Ik ben één van de personen die te zien zijn op de camerabeelden die op 18 december 2016 in het flatgebouw zijn opgenomen.

De hierboven onder 1 tot en met 6 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal, nummer 2016616799, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 februari 2017 door [verbalisant 6] , brigadier van politie.”

2.3

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 08-770016-17 onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] blijkt dat er tussen 18 december 2016 te 13.00 uur en 19 december 2016 te 13.30 uur is ingebroken in zijn flatwoning aan de [a-straat 1] te Enschede, waarbij de toegangsdeur geforceerd was, en waarbij diverse goederen zijn ontvreemd, waaronder een stoffen tasje.

Uit de camerabeelden die zijn gemaakt op 18 december 2016 van de hoofdingang van [het flatgebouw] aan de [a-straat 1] te Enschede blijkt dat er twee mannen vanaf 22:13:06 uur voor het eerst samen bij de hoofdingang aanwezig zijn, waarbij de ene persoon de deur voor de ander openhoudt en zij in het daarop volgende tijdsbestek van achttien minuten nog vijfmaal samen in beeld zijn doordat zij hetzij de flat weer binnenkomen hetzij de flat weer verlaten. Bovendien komen beide verdachten al deze keren gezamenlijk vanuit dezelfde richting in beeld aangelopen en verdwijnen zij steeds gezamenlijk in dezelfde richting uit beeld. En tenslotte zijn beide personen om 22:32:00 voor het laatst in beeld als zij naar de toegangsdeur rennen, één van de verdachten de deur opent en zij beiden naar links uit het zicht van de camera verdwijnen. Als aangever hiervan foto’s worden getoond verklaart hij dat deze zijn genomen in de centrale hal van zijn flat en ziet hij op één van de foto’s twee mannen van wie één man een tas in zijn hand heeft, die zowel hij als zijn vriendin, van wie de tas is, herkent als een soortgelijke tas als die bij hem uit de flatwoning is gestolen in voornoemde pleegperiode.

Ten overstaan van de politie heeft verdachte in eerste instantie niet willen verklaren en later heeft hij aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat hij in de flat is geweest en dat hij niets gedaan heeft.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard zichzelf te herkennen op de camerabeelden van 18 december 2016 van [het flatgebouw] aan de [a-straat] te Enschede en dat hij daar was om drugs te kopen bij ene [betrokkene 3] . Volgens verdachte kent hij de andere persoon op de beelden niet en hoort hij ook niet bij hem en is verdachte tweemaal het flatgebouw in- en uitgelopen, omdat voornoemde [betrokkene 3] niet thuis was en hij het een paar minuten later nog eens heeft geprobeerd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van verdachte, dat hij de andere persoon die op de camerabeelden te zien is niet kent en niet bij hem hoort, niet aannemelijk is. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt immers van een gezamenlijk optrekken door de verdachten, aangezien zij binnen een kort tijdsbestek meermalen telkens samen vanuit dezelfde richting in beeld aan komen lopen of in dezelfde richting uit beeld verdwijnen en zij de laatste keer gezamenlijk rennend het gebouw verlaten. Bovendien is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat de tas die de andere verdachte bij zich droeg op één van de beelden dezelfde tas is als die bij aangever is ontvreemd.”

3 Het middel

3.1

Het middel bevat de klacht dat de bewezen verklaarde gekwalificeerde diefstal in vereniging niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat daaruit niet blijkt dat de verdachte aanwezig is geweest bij het appartement waar is ingebroken.

3.2

Het middel treft geen doel, in de eerste plaats omdat het hof bewezen heeft verklaard dat de woninginbraak in vereniging heeft plaatsgevonden. Daarvoor is niet vereist dat rechtstreeks uit de bewijsmiddelen moet blijken dat de verdachte in die woning aanwezig is geweest. Bij een diefstal in vereniging doet zich immers vaker de omstandigheid voor dat de toedracht van de diefstal wel kan worden vastgesteld maar niet precies wie van de verdachten welke handelingen hebben verricht.1

3.3

Voor zover is beoogd te klagen dat de betrokkenheid van de verdachte onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid (hoewel ik dat niet met zoveel woorden uit de schriftuur kan opmaken), nog het volgende. Anders dan de steller van het middel betoogt, volgt uit de bewijsmiddelen niet slechts dat de verdachte rondom het tijdstip van de inbraak aanwezig is geweest in de centrale hal van het betreffende flatgebouw. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers ook dat de woninginbraak tussen 18 december 2016 13:00 uur en 19 december 13:30 uur heeft plaatsgevonden, dat de verdachte samen met de medeverdachte op 18 december 2016 vanaf 22:13 uur in het betreffende flatgebouw is geweest en dat op beelden is te zien dat zij in het daaropvolgende tijdsbestek van achttien minuten samen nog eens vijf maal de flat in- en uitlopen, waarbij zij de laatste keer om 22:32 samen wegrennen en de medeverdachte een tas bij zich draagt die is weggenomen bij de woninginbraak, een omstandigheid die duidt op betrokkenheid bij het bewezen verklaarde strafbare feit. Verder heeft het hof bij zijn oordeel, dat sprake is van gekwalificeerde diefstal in vereniging (het medeplegen wordt in cassatie niet met zoveel woorden bestreden), betrokken, dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid samen met de medeverdachte in de flat. Gelet op deze vaststellingen is het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de woninginbraak, niet onbegrijpelijk.

3.4

Het middel faalt.

4 Conclusie

4.1

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.m. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412, HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1020 en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022, NJ 2018/310, m.nt. Wolswijk