Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-01-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
18/00571
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:290
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Zestien jaren gevangenisstraf wegens doodslag en verboden vuurwapenbezit tijdens de Teenerparade. Conclusie plv. AG: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00571 A

Zitting: 29 januari 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, heeft bij vonnis van 1 februari 2018 het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao van 11 juli 2017, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens 1. “impliciet subsidair: doodslag” en 2. “overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd”, bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat de verdachte in de procedure bij het Hof geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van artikel 6 van het EVRM omdat de voorzitter vooringenomen was en de verdachte zich door hem onder druk gezet voelde. Meer specifiek wordt geklaagd over het volgende:

(i) uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 25 januari 2018 blijkt niet welke rechters toen zitting hebben gehad, wie de verdediging heeft gevoerd en in welke stand het onderzoek is hervat;

(ii) de voorzitter heeft de verdachte kennelijk in de gelegenheid willen stellen om zijn bezwaren tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis op te geven, terwijl artikel 416 eerste lid van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering geen equivalent kent op Curaçao, waarbij hij heeft gesuggereerd dat de verdachte door het instellen van hoger beroep ernstige risico’s neemt, waar zijn raadsvrouw hem voor had moeten waarschuwen;

(iii) door de voorzitter zijn tot drie maal toe schokkende beelden van het delict vertoond om de verdachte in de gelegenheid te stellen ‘zijn verklaring aan te passen’ en

(iv) de voorzitter heeft volgens de raadslieden van de verdachte op de mededeling dat de verdediging een beroep op de aanwezigheid van een (putatief) noodweer(exces) laat vallen, gereageerd met de mededeling dat dit hem ‘een goed idee’ leek en

(v) in de strafmotivering is alleen aandacht geschonken aan belastende omstandigheden en in geen enkel opzicht aan wat ter ontlasting door de verdachte zelf, zijn raadslieden en de geraadpleegde deskundigen is aangevoerd.

3.1. De eerste klacht houdt in dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 25 januari 2018 niet zou blijken a) welke rechters toen zitting hebben gehad, b) wie de verdediging heeft gevoerd en c) in welke stand het onderzoek is hervat.1

3.2. De eerste klacht mist ten aanzien van alle onderdelen feitelijke grondslag. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 januari 2018 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, immers in (vet en onderstreept in origineel):

“Tegenwoordig:

mr. T.E. van der Spoel voorzitter,

mrs. S.A. Carmelia en A.J.Martijn rechters,

[…]

aanvang van het onderzoek

[…]

De zaak wordt opnieuw aangevangen, omdat het Hof thans in een andere samenstelling zit dan ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 30 november 2017.

Identificatie verdachte/raadsvrouw

(….)

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao.”

3.3.

Ten aanzien van de tweede tot en met de vierde klacht, die alle drie betrekking hebben op de gang van zaken ter terechtzitting van het hof op 25 januari 2018, blijkt uit de gedingstukken niet dat door of namens de verdachte hierover ter terechtzitting in hoger beroep is geklaagd.2 Het komt mij voor dat de klacht ii) faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag nu uit de processen-verbaal die van de terechtzittingen zijn opgemaakt niet kan blijken dat de verdachte is gevraagd naar zijn bezwaren tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis met het oog op een behandeling als bedoeld in artikel 416 Sv Europese deel van het Koninkrijk. Uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van de terechtzitting van 25 januari 2018 kan worden opgemaakt dat de voorzitter naar deze bezwaren heeft gevraagd met het oog op de hoogte van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf (van vijftien jaren) en de door de wet op doodslag gestelde maximum gevangenisstraf (van dertig jaren).3 De klacht dat de voorzitter van het Hof de verdachte (en zijn raadsvrouwe) ter terechtzitting onder druk heeft gezet om zijn hoger beroep in te trekken, faalt om dezelfde reden, te meer nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard niet meer te weten of hij het aanzienlijk hogere strafmaximum met zijn raadsvrouw heeft besproken. De klacht dat aan de verdachte beelden zijn getoond om in de gelegenheid te worden gesteld “zijn verklaring aan te passen” (klacht iii) miskent de context waarin deze opmerking door de voorzitter is gemaakt en die in de weergave van het proces-verbaal in de schriftuur ontbreekt. De beelden worden afgespeeld nadat de verdachte heeft opgemerkt dat hij zijn in eerste aanleg afgelegde verklaring heeft gelezen en dat er “een paar verschillen” zijn met hoe hj het nu ziet en dat “[v]ooral de beelden van de video” de verdachte zich “meer dingen [heeft] laten herinneren.” Hieruit maak ik op dat de voorzitter de verdachte heeft geholpen in plaats van onder druk heeft gezet. De klacht mist feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor klacht iv) nu de de stukken van het geding daarvoor geen enkele steun bieden, terwijl niet gesteld noch gebleken is dat over de bekritiseerde opmerking van de voorzitter ter terechtzitting in hoger beroep is geklaagd.

3.4.

De vijfde deelklacht houdt in dat uit de strafmotivering zou blijken dat het hof vooringenomen was, omdat daarin slechts aandacht is geschonken aan belastende omstandigheden, en in geen enkel opzicht aan wat ter ontlasting door de verdachte zelf, zijn raadslieden en de geraadpleegde deskundigen is aangevoerd.

3.5.

Uit de motivering van de op te leggen straf – zoals die integraal zal worden weergegeven bij de bespreking van het tweede middel – blijkt dat het Hof bij het bepalen van de straf heeft gelet “op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.” Hieruit blijkt dat het Hof ook acht heeft geslagen op wat ter ontlasting door de verdachte zelf, zijn raadslieden en de geraadpleegde deskundigen is aangevoerd. De klacht faalt dus reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.

3.6.

Uit de omstandigheid dat in een strafmotivering slechts aandacht is geschonken aan belastende omstandigheden, en niet uitdrukkelijk aan hetgeen ter ontlasting van de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd, kan de vooringenomenheid van het hof niet blijken. Daaruit kan slechts worden afgeleid welke omstandigheden het hof – in weerwil van hetgeen door de verdediging of anderen naar voren is gebracht – beslissend heeft geacht voor de opgelegde straf.

3.7.

Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Het tweede middel richt zich tegen de motivering van de strafoplegging. Meer specifiek klaagt het middel dat een zeer lange gevangenisstraf is opgelegd zonder dat door het Hof merkbare aandacht is besteed aan de door de reclassering, een psychiater en een psycholoog omtrent de verdachte uitgebrachte rapporten.

4.1.

Het Hof heeft de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdediging heeft zich in appel beroepen op een aantal uitspraken dat door de Nederlandse strafrechter is gewezen ter zake van doodslag teneinde een lagere straf te bepleiten dan door die door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. Daarmee miskent de verdediging allereerst het verschil in strafmaxima tussen Nederland en Curaçao terzake van doodslag. Immers, in Nederland geldt een strafmaximum van 15 jaar gevangenisstraf terwijl Curaçao een strafmaximum van 24 jaren gevangenisstraf kent. Voorts zijn de straffen die door de rechter in Curaçao ter zake van vuurwapenbezit op de openbare weg worden opgelegd aanzienlijk hoger dan de straffen die de Nederlandse rechter in soortgelijke gevallen pleegt op te leggen.

Het gerecht in eerste aanleg heeft met de overwegingen in de strafmotivering het brute en nietsontziende karakter van de door de verdachte gepleegde doodslag op tekenende wijze tot uiting gebracht. Het hof verenigt zich met die overwegingen, neemt deze over en verwijst daarnaar. Echter het hof verbindt daaraan in de weging een ander oordeel over de strafmaat.

Daarbij wordt de denkrichting van de procureur-generaal betreffende mogelijke betrokkenheid bij de gangsterwereld niet als leidend genomen, wat daar verder ook van zij, maar puur en alleen de ernst van de feiten als zodanig.

In het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte, tijdens een publiek evenement met een geladen vuurwapen op zak, zonder enige aanleiding, zonder dat hij het slachtoffer en diens vriend kende, zich vanaf het begin tot het eind heeft gedragen als agressor, al tijdens de schermutseling met de vriend van het slachtoffer heeft gedreigd zijn vuurwapen te trekken en vervolgens het slachtoffer met drie gerichte schoten heeft gedood, met alle mogelijke gevaren voor omstanders vandien, is voor het hof zeer zwaarwegend. Een doodslag van de zwaarste categorie, een fractie verwijderd van moord. De willekeur dan wel het gemak waarmee de verdachte het jonge slachtoffer het leven heeft ontnomen is verwerpelijk. De verdachte heeft met zijn proceshouding over zijn beweegredenen geen duidelijkheid gegeven en het hof niet kunnen overtuigen van de oprechtheid van zijn gevoelens en spijtbetuigingen, vooral omdat hij voornamelijk vanuit (de gevolgen voor) zichzelf redeneert.

Het hof, is na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt in de door het gerecht in eerste aanleg opgelegde straf. Het hof is – met eenparigheid van stemmen – van oordeel dat een zwaardere gevangenisstraf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.”

4.2.

Het Hof heeft zich in zijn strafmotivering verenigd met overwegingen in de strafmotivering van het Gerecht in Eerste Aanleg waarin het brute en nietsontziende karakter van de door de verdachte gepleegde doodslag volgens het Hof op tekenende wijze tot uiting zijn gebracht en deze overwegingen overgenomen en daarnaar verwezen. Hiermee doelt het Hof kennelijk op de volgende overwegingen uit de strafmotivering van het gerecht in eerste aanleg:

“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapenbezit tijdens de Teenerparade en heeft met zijn vuurwapen na afloop van de Teenerparade een achttienjarige jongen doodgeschoten. Het slachtoffer had even tevoren deëscalerend opgetreden in een conflict waarin een vriend van hem verzeild dreigde te raken. Onder andere door zijn optreden werd die situatie tot bedaren gebracht. De verdachte en twee van diens vrienden, die het slachtoffer noch diens vriend kenden en met voornoemd conflict niets van doen hadden, meenden hen echter te moeten aanspreken op wat er gaande was geweest. Zij sloten hen op intimiderende wijze in en ontketenden een gevecht. Toen de verdachte zag dat een van zijn vrienden daarbij knock-out was geslagen, aarzelde hij geen moment, trok hij zijn vuurwapen, liep op het slachtoffer af en vuurde hij van dichtbij drie kogels op hem af. Het slachtoffer overleed ter plaatse in de armen van zijn vriend.”

4.3.

Artikel 402 Sv Curaçao luidt voor zover hier van belang aldus:

“4. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.

5. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.

6. Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

7. Alles op straffe van nietigheid.”

4.4.

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het Hof, bij het opleggen van een zeer lange gevangenisstraf, verplicht zou zijn in zijn strafmotivering aandacht te besteden aan door de reclassering, een psychiater en/of een psycholoog omtrent de verdachte uitgebrachte rapporten. Artikel 402 Sv Curaçao dwingt daartoe echter niet. De overwegingen van het Hof bevatten in overeenstemming met het vijfde lid van artikel 402 Sv Curaçao een opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van een straf die vrijheidsontneming meebrengt. Ook bevatten zij in overeenstemming met het zesde lid van artikel 402 Sv Curaçao in het bijzonder de redenen die hebben geleid tot de oplegging van een zwaardere straf dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd. Daarmee voldoet de strafmotivering in onderhavig geval aan de wettelijke eisen die artikel 402 Sv Curaçao daaraan stelt. Blijkens het vonnis van het gerecht in eerste aanleg hebben zowel de psychologen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , alsmede psychiater [betrokkene 3] de verdachte volledig toerekeningsvatbaar geacht. Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, hebben deze rapportages bij de keuze voor de strafsoort en de hoogte van de straf geen relevante rol van betekenis gespeeld, maar is de ernst van het bewezenverklaarde daarvoor maatgevend geweest. Daarmee is het middel tevergeefs voorgesteld.

4.5.

Het tweede middel faalt.

5. Uit mijn beoordeling van beide middelen volgt dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. De klachten lenen zich voor toepassing van artikel 80a RO.

6. Deze conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Gelet op deze klacht en omdat uit de zaaksregistratie niet blijkt of het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2018 eerder volledig aan mr. Reijntjes-Wendenburg is toegezonden, is daarvan bij brief van 14 januari 2019 vanuit de Hoge Raad alsnog een afschrift toegestuurd. Daarbij is tevens bericht dat in overleg met de rolraadsheer is beslist dat in deze zaak een nadere termijn wordt verleend om – met betrekking tot dit stuk – middelen van cassatie voor te stellen dan wel een binnen de termijn ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen of (een) middel(en) in te trekken, te weten tot en met 22 januari 2019. Van deze geboden mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

2 Uit de cassatieschriftuur komt naar voren dat ook geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om de rechter te wraken.

3 “U vraagt om welke reden ik hoger beroep heb ingesteld. Dat laat ik over aan mijn raadsvrouw. U zegt dat u het graag van mij wil vernemen maar dat ik geen antwoord hoef te geven. Ik vind dat ik straf verdien maar de strafmaat is te hoog. U wijst mij erop dat de wetgever een aanzienlijk hoger strafmaximum heeft gesteld op doodslag, dan de 15 jaar gevangenisstraf die de rechter in eerste aanleg aan mij heeft opgelegd. Dat weet ik niet. Misschien heb ik het wel besproken met mijn raadsvrouw maar ik weet het niet meer. Ik hoor u zeggen dat de wet het mogelijk maakt om 24 jaar gevangenisstraf voor doodslag op te leggen plus de samenloop met vuurwapenbezit en dat de wet dus maximaal 30 jaar mogelijk maakt.”