Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1016

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
18/01333
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:44
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie P-G: Bedreiging. Voldoende bepaald vreesobject. Conclusie strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/01333

Zitting 8 oktober 2019

CONCLUSIE

J. Silvis

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 13 maart 2018 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. “bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting” en 2. en 3. telkens “opzetheling” veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en tot een taakstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, en mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel richt zich tegen de onder 1 bewezenverklaarde bedreiging. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

4. Het hof heeft ten aanzien van verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 3 februari 2015 te Amsterdam iedere politieagent die bij verdachte komt heeft bedreigd met:

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ontstaat, en

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en

- brandstichting,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend teksten en foto's per e-mailbericht naar [getuige] verzonden, te weten:

“Maar jullie kunnen mij niet uitlokken want ik zit in mijn bunker met 15 liter benzine en twee butaan gasflessen van 50 liter per stuk. Iedere huurmoordenaar en politieagent zal worden opgeblazen die hier komt.",

" [getuige] , Thet wanna fuck with me? They fucking with the best. I take them all to fucking hell. Who? Me! That's who. Ik zal het complete gebouw opblazen wanneer ik maar één verdacht persoon of politieagent zie. Ik heb een gijzelaar en ze kunnen die jongen terugkrijgen wanneer ik een miljoen euro krijg en de liquidatieopdracht is ingetrokken. [betrokkene 1] heeft mij een Uzi gebracht en [betrokkene 2] twee handgranaten. Jij gaat de politie geen informatie geven dat ik bezig ben met mijzelf verdedigen en met een 'schoonmaak' en [betrokkene 3] kan dat beter ook niet doen. Ik ga iedereen in dit conflict vermoorden en daarna ga ik mijzelf en het gebouw opblazen.",

"Politie bellen is zinloos. Ik heb mij al verplaatst maar het gebouw is één boobytrap. Wanneer jij de politie informeert heb jij een explosie veroorzaakt.",

een foto met daarop afgebeeld een bed met daarop liggend een paspop afgedekt met een jas, en

twee foto's met daarop afgebeeld twee gasflessen aan elkaar verbonden door een elektriciteitssnoer met daaraan gekoppeld een mobiele telefoon, geplaatst voor een voordeur,

terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied.”

5. Het hof heeft de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep overgenomen, met aanvulling van het bewijsmiddel, inhoudende de verklaring van de verdachte op 4 februari 2015, pagina’s 32 en 33. De bewezenverklaring onder 1 berust op de volgende bewijsmiddelen:

Een geschrift zijnde een verhoor van getuige [getuige] van 4 februari 2015, opgemaakt door opsporingsambtenaren T-357 en T-035 doorgenummerde pag. 1 e.v., inhoudende de zakelijk weergegeven verklaring van [getuige] :


Vanavond heb ik [verdachte] voor het laatst gezien. Hij was opgefokt en agressief, niet naar mij toe maar naar de mensen die volgens hem achter hem aanzitten.


Ik heb hem in het najaar nog met een revolver gezien. Via de mail heeft hij mij vanavond verteld dat hij de beschikking heeft over een uzie en twee handgranaten. De handgranaten zou hij van [betrokkene 2] hebben gekregen en een Uzi van iemand anders, verder heeft hij nog een wapen gekregen van [betrokkene 4] , dat is een junkie. Zijn email adres is [e-mailadres 1]


Hij vertelde ook via de mail dat hij vanavond een jonge jongen heeft gegijzeld in zijn woning aan de [a-straat 1] . Daarna kreeg ik weer een mailtje een paar minuten later dat de jongen al in een loods zou zitten de jongen, 16 jaar, zou het broertje zijn van de opdrachtgever van de liquidatie op hem. Ik heb vanavond ook 2 foto’s gekregen van de voordeur van de [a-straat] waarop twee gasflessen staan met daaraan een mobiele telefoon eraan vast gemaakt. Hij zegt dat hij de deur van de woning heeft gebarricadeerd met een boxspring en er zit een dwarsbalk voor.


Hij zei dat hij met een telefoontje de boel kon opblazen. Ik heb ook een foto gestuurd gekregen van een persoon op een bed, ik zie dat dat in zijn slaapkamer aan de [a-straat] is. Hij zou de jongen ook mishandeld hebben, hij heeft mij dat gezegd in een telefoongesprek.


[betrokkene 2] of [betrokkene 5] is zijn mede ontvoerder zegt hij. [verdachte] heeft gezegd dat hij 1 miljoen euro voor de jongen wil, dat staat in een verzonden email van hem naar mij. Hij wil dat de doodsbedreiging op hem stopt. Als er iemand binnen komt, politie, kinderen, parkieten, dan gaan ze er aan.


Hij maakte op mij vanaf vanmorgen een paranoïde indruk.


Een geschrift zijnde een emailberichten van [e-mailadres 1] aan [e-mailadres 2] van 3 februari 2015, doorgenummerde pag. 6 e.v., inhoudende de zakelijk weergegeven emailberichten:

“Politie bellen is zinloos. Ik heb mij al verplaatst maar het gebouw is één boobytrap. Wanneer jij de politie informeert heb jij een explosie veroorzaakt.“

“Die foto heeft zijn familie nu. Die jongen is overgebracht naar een loods. Ik snij hem in stukken wanneer ze de liquidatie opdracht niet intrekken.”

“Ik zal het complete gebouw opblazen wanneer ik maar één verdacht persoon of één politieagent zie. Ik heb een gijzelaar en ze kunnen die jongen terugkrijgen wanneer ik een miljoen euro krijg en de liquidatieopdracht is ingetrokken. [betrokkene 1] heeft mij een Uzi gebracht en [betrokkene 2] twee handgranaten. Jij gaat de politie geen informatie geven dat ik bezig ben met mijzelf verdedigen en met een ‘schoonmaak’. Ik ga iedereen in dit conflict vermoorden en daarna ga ik mijzelf en het gebouw opblazen.”

“Jullie kunnen mij niet uitlokken want ik zit in mijn bunker met 15 liter benzine en twee butaan gasflessen van 50 liter per stuk. Iedere huurmoordenaar en politieagent zal worden opgeblazen die hier komt. Maar ik ga ook achter iedereen aan die mij wil liquideren en uitlokken”.


Een proces-verbaal met nummer 2015027063 van 5 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T150, doorgenummerde pag.15 e.v., inhoudende de zakelijk weergegeven verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar:


Op 4 februari 2015 heeft verdachte [verdachte] toestemming gegeven voor de doorzoeking van zijn woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . In de bovengenoemde woning werden de navolgende goederen aangetroffen en inbeslaggenomen:


1 stuks mobiel pinautomaat, aangetroffen locatie Zolderbox, beslagcode: 4649879.

1 stuks mobiel pinautomaat, aangetroffen locatie Zolderbox, beslagcode: 4649888.

1 stuks mobiel pinautomaat, aangetroffen Slaapkamer woning, beslagcode: 4649890.

1 stuks mobiel pinautomaat, aangetroffen locatie Zolderbox, beslagcode: 4649893.

1 stuks mobiel pinautomaat, aangetroffen locatie Zolderbox, beslagcode: 4649905.

1 stuks mobiel pinautomaat, aangetroffen locatie Zolderbox, beslagcode: 4649914.

1 stuks OV oplaadapparaat, aangetroffen locatie Zolderbox, beslagcode: 4649915.


Een proces-verbaal met nummer 2015027063 van 4 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T389 en T617, doorgenummerde pag. 031 e.v., inhoudende de zakelijk weergegeven verklaring van verdachte:


V. Wat is jou email-adres?


A: [e-mailadres 1]


Toen heb ik die mail verzonden. Ik had die pop mijn kleren aangetrokken.


V: En die foto van die gasflessen?


A: Ook genomen om haar te stangen.


Een proces-verbaal met nummer 2015027063 van 4 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T389 en T617, doorgenummerde pag. 038 e.v., inhoudende de zakelijk weergegeven verklaring van verdachte:


Ik heb gister die foto gemaakt van die gasflessen. Dat was bij mijn voordeur. Ik heb die gasflessen toen gister van de zolder gehaald.


Wat wist je over die betaalautomaten?


Eentje heb ik 1000 procent zeker aangeraakt, want die heb ik aangesloten.”


De aanvulling door het hof van het bewijsmiddel, inhoudende de verklaring van de verdachte op 4 februari 2015, pagina’s 32 en 33:

“V: Zoals je weet kregen wij een melding dat je iemand gegijzeld zou hebben. Via de mail [e-mailadres 1] had jij dit aangegeven aan [getuige] . Wat kan je hierover verklaren?

A: Ik ben gisteren weer teruggegaan naar mijn woning. Toen heb ik die mail verzonden. Ik had die pop mijn kleren aangetrokken (het hof begrijpt: de pop zoals afgebeeld op de foto in de bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 4 februari 2015).

V: Waarom heb je die foto van die paspop genomen?

A: Wij hebben de pop gefotografeerd.

V: En die foto van die gasflessen?

A: Ook genomen om haar te stangen.

V: Waarom had jij gezegd dat je iemand had gegijzeld.

A: Ik wilde gewoon treiteren.

V: Ook had jij gezegd dat jij de beschikking had over een UZI en twee handgranaten.

A: Ja.


Aanvullende opmerking.

Het hof begrijpt dat met de “foto van de gasflessen” als vermeld in de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte van 4 februari 2015 worden bedoeld de twee foto’s die zijn opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 4 februari 2015.”

6. Het hof heeft voorts in zijn arrest ten aanzien van de bewezenverklaring onder 1 het volgende overwogen:

3. Oordeel van het hof ten aanzien van feit 1

3.1

Voorwaardelijk opzet


De verdachte heeft e-mailberichten met een zeer indringende inhoud naar [getuige] gestuurd waarin hij deed voorkomen dat hij een jongen in zijn woning gegijzeld hield. Tevens heeft de verdachte foto’s naar [getuige] gestuurd met een — naar achteraf is gebleken — in scène gezette gijzeling en ‘boobytrap’, kennelijk om de inhoud van zijn e-mails kracht bij te zetten. Gelet op de aard en de inhoud van de e- mails in combinatie met hetgeen op de foto’s is afgebeeld, is naar het oordeel van het hof sprake van een minst genomen aanmerkelijke kans dat [getuige] hiermee naar de politie zou gaan. De omstandigheid dat de verdachte in zijn e-mails aan [getuige] (meermaals) tegen haar heeft gezegd dat zij niet naar de politie moest gaan, duidt op wetenschap van die aanmerkelijke kans bij de verdachte. Dat de verdachte [getuige] met deze bewoordingen lijkt te ontmoedigen om naar aanleiding van zijn mededelingen contact op te nemen met de politie, doet niets af aan deze kans. Integendeel, in het licht van de zeer dreigende inhoud van de berichten en de foto’s kan bezwaarlijk worden betoogd dat [getuige] aan deze ontmoedigende opmerkingen van de verdachte redelijkerwijs gehoor zou geven. Dit gegeven leidt voorts tot de slotsom dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat [getuige] de politie zou benaderen tevens bewust heeft aanvaard. Dat de e-mails en foto’s slechts zouden zijn bedoeld als ‘geintje’, zoals de verdachte heeft verklaard, komt op geen enkele wijze in de inhoud daarvan tot uitdrukking, noch in de opdringerige wijze waarop de verdachte zich tot [getuige] heeft gericht.

3.2.

Redelijke vrees

De raadsman heeft betoogd dat, gelet op de algemene woordkeuze van de uitlatingen van de verdachte (zoals: ‘iedere politieagent’) en de omstandigheid dat de uitlatingen niet direct door de verdachte tegen de politie zijn geuit, bij de politie niet de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat een politieambtenaar het leven zouden kunnen verliezen. Uit het gegeven dat de politie niet direct heeft ingegrepen, blijkt naar het oordeel van de raadsman voorts dat bij de politie daadwerkelijk geen redelijke vrees is ontstaan.

Het hof volgt de raadsman niet in dat standpunt. Gelet op de inhoud van de berichten - te weten: dat [getuige] een explosie veroorzaakt indien zij de politie informeert, iedere politieagent die naar de woning van de verdachte komt zal worden ‘opgeblazen’ en dat hij ‘de boel’ met één telefoontje kan opblazen - alsmede de foto’s met daarop afgebeeld de voordeur van de verdachte met daaraan vastgemaakt twee gasflessen waaraan een mobiele telefoon is verbonden, is sprake van een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van de verdachte zouden begeven. De omstandigheid dat de politie alvorens de woning te betreden en de verdachte aan te houden een observatieteam heeft ingeschakeld om de woning onder controle te houden, duidt er op dat door de politie ook uiterste voorzichtigheid is betracht. Hieruit volgt dat de politie de e-mails en de foto’s van de verdachte zeer serieus heeft genomen. De opvatting dat uit dit beheerste optreden ook maar enigszins kan worden afgeleid dat de politie de ernst van de dreigingen afkomstig van de verdachte heeft gerelativeerd, is naar het oordeel van het hof volstrekt speculatief.

Voor zover de raadsman heeft beoogd te betogen dat geen sprake kan zijn geweest van een bedreiging, op de grond dat niet blijkt dat de politie zich daadwerkelijk door de uitlatingen van de verdachte bedreigd voelde, geldt dat die stelling geen steun vindt in het recht.

Het hof verwerpt in zoverre de verweren. Wel is het hof met de raadsman van oordeel dat de bedreiging van anderen dan politieambtenaren niet bewezen kan worden, nu, voor zover het [getuige] betreft, de bedreigende woorden niet tegen haar zijn gericht en de overige in de tenlastelegging genoemde personen niet op de hoogte zijn geraakt van de bedreigingen.

3.3.

Conclusie


Op grond van het voorgaande in samenhang met de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.”

Bespreking van de middelen

7. Het eerste middel klaagt over de onder 1 bewezenverklaarde bedreiging. Aangevoerd wordt dat:
- het vreesobject “iedere politieagent die bij verdachte komt” niet voldoende bepaald is;
- uit de bewijsvoering niet volgt dat de bewezen verklaarde bewoordingen bij “iedere agent die bij verdachte komt” de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan voor het in het vooruitzicht gestelde gevolg;- en uit de bewijsvoering niet volgt dat “iedere politieagent die bij verdachte komt” schriftelijk en onder voorwaarden is bedreigd.

8. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat, nu de bedreiging zich zou hebben gericht tegen “iedere politieagent die bij verdachte komt”, het vreesobject te onbepaald is om een bedreiging in de zin van art. 285 Sr te kunnen opleveren.

9. Met de term vreesobject wordt bedoeld degene of degenen tegen wie een bedreiging is gericht. Welke vereisten moeten worden gesteld aan “het vreesobject” om van een bedreiging in de zin van art. 285 Sr te kunnen spreken, is door de Hoge Raad beantwoord in de relatie tot de vraag of het schadeobject moet samenvallen met het vreesobject.1 Het middel in die zaak stelde de vraag aan de orde of voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig in art. 285 Sr genoemd misdrijf is vereist dat dat misdrijf is gericht tegen de bedreigde persoon zelf. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Maar in de nu voorliggende zaak gaat het niet om het uiteenlopen van vreesobject en schadeobject, maar om de bepaaldheid van het vreesobject. De vraag naar de bepaaldheid van het vreesobject kan onder omstandigheden moeilijk te onderscheiden zijn van de vraag naar de geschiktheid van uitingen om bij iemand redelijke vrees te doen ontstaan. Weinig specifiek gerichte dreigingen vereisen concrete aanknopingspunten in de omstandigheden van de zaak om redelijke vrees bij iemand te kunnen wekken.

10. In HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7062, is aan de orde dat in aanwezigheid van politiemensen een dreigende uiting wordt gedaan aan politiemensen in het algemeen. Als “alle politiemensen” daar als vreesobject kunnen gelden, staat buiten kijf dat de aanhoudende agenten daartoe behoren. Maar de algemene bewoordingen maken het niet zonder meer begrijpelijk dat bij de aanwezige politieambtenaren redelijke vrees voor uitvoering van de bedreiging kon ontstaan. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Het oordeel dat de woorden ‘Die kankerwouten, die teringlijers moeten ze allemaal afmaken’ bij de betrokken politiemensen een dergelijke vrees konden doen ontstaan is, gelet op de algemene bewoordingen waarin die uitlatingen zijn gedaan, niet zonder meer begrijpelijk. De omstandigheden waaronder die uitlatingen zijn gedaan maakt dit niet anders, nu de bewijsmiddelen daaromtrent niets inhouden.

11. De Rechtbank Oost-Brabant oordeelde in 2013 over de vraag of e-mails die aan de politie, onbekende derden en (ik meen te begrijpen) een voormalig werkgever waren gezonden over een voornemen om met een van die werkgever te stelen truck op een bepaalde locatie op winkelend publiek in te rijden om zo veel mogelijk doden te veroorzaken een bedreiging oplevert jegens het winkelend publiek en of zijn ex-werkgever.2 De rechtbank sprak de verdachte vrij. Het winkelend publiek was niet op de hoogte geraakt van het voornemen.3 Volgens de rechtbank kan verder niet worden gezegd dat de inhoud van een door verdachte naar zijn werkgever gestuurde e-mail met daarin een aankondiging van geweldpleging jegens winkelend publiek en overige onbekend gebleven personen een vergelijkbare inbreuk oplevert op de persoonlijke vrijheid van die werkgever als een bedreiging die op die werkgever zelf betrekking heeft. Concrete aanknopingspunten voor een ander oordeel waren er volgens de rechtbank niet. Ik laat daar of de rechtbank een juiste uitleg geeft van de rechtspraak van de Hoge Raad inzake de relatie tussen het vreesobject en het schadeobject.4 Waar het mij bij het aanhalen van deze zaak om gaat is het voorbeeld van ‘het winkelend publiek’ als een onder omstandigheden voldoende bepaald vreesobject (en/of schadeobject).5 Tevoren staat niet vast wie tot het winkelend publiek zal behoren.

12. Ik stel mij op het standpunt dat het vreesobject voor een bedreiging in de zin van art. 285 Sr, voldoende bepaald is in het geval een dreigende uiting in de niet onrealistische voorstelling van de verdachte bestemd is om bij een of meer personen in een te verwachten situatie redelijke vrees voor een van de bepaalde misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid te wekken. Daarvoor is niet nodig dat voor de verdachte tevoren vast staat welke specifieke personen dat zullen zijn. De in de klacht besloten claim dat het vreesobject onvoldoende bepaald is, komt in wezen neer op het verweer dat opzet op de tenlastegelegde bedreiging ontbreekt dan wel onvoldoende gemotiveerd door het hof zou zijn vastgesteld.

13. De bedreiging in de thans voorliggende zaak is gericht tegen de agenten die zich naar de woning van verdachte zouden begeven om hem tegen te houden: die agenten worden opgeblazen, aldus verdachte in zijn e-mailbericht. Het “vreesobject” (of de vreesobjecten) stond(en) de verdachte blijkens de vaststellingen van het hof helder voor ogen. Dat, op het moment dat verdachte de tekst schreef, nog niet bekend was welke agenten precies naar zijn woning zouden komen, doet hier niet aan af. Dat onder de gegeven omstandigheden agenten naar zijn woning zouden komen ligt in de rede en past in de voorstelling die de verdachte zich daarvan moet hebben gemaakt. Ik betrek hierbij het toereikend gemotiveerde en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof dat verdachte, gelet op de zeer dreigende inhoud van de berichten en de foto’s, bewust de minst genomen aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [getuige] met die berichten en foto’s naar de politie zou gaan.6 Daarnaast betrek ik tevens het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof dat, gelet op de inhoud van de berichten alsmede de foto’s met daarop afgebeeld de voordeur van verdachte met daaraan vastgemaakt twee gasflessen waaraan een mobiele telefoon is verbonden, sprake is van een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van verdachte zouden begeven.

14. Het eerste klachtonderdeel faalt.

15. Het tweede klachtonderdeel houdt in dat de bewezenverklaring ontoereikend, dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is, nu uit de bewijsvoering niet volgt dat de bewezen verklaarde bewoordingen bij “iedere politieagent die bij verdachte komt” de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan voor het in het vooruitzicht gestelde gevolg. Daartoe wordt aangevoerd dat niet blijkt dat de inhoud van de als bedreigend beoordeelde mailberichten vooraf ter kennis is gekomen van de politieambtenaren die zich naar de woning van verdachte hebben begeven.

16. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde (het vreesobject) daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen.7 Bedreiging behoeft om strafbaar te zijn niet rechtstreeks tegen de betrokkene zelf te worden geuit maar kan deze ook langs indirecte weg hebben bereikt.8

17. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn bedreiging jegens de politieagenten die bij hem zouden komen daadwerkelijk de politie zou bereiken. Het hof heeft voorts geoordeeld dat gelet op de inhoud van de berichten en de foto’s sprake was van een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van de verdachte zouden begeven. Uit de bewijsmiddelen volgt dat getuige [getuige] dezelfde avond dat zij de berichten ontving ermee naar de politie is gegaan en dat een afschrift van de berichten en foto’s bij haar verhoor zijn gevoegd. Dat deze berichten en foto’s in het algemeen de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat iedere politieagent die naar de woning van verdachte zou gaan zou worden opgeblazen volgt onder meer uit de door het hof genoemde omstandigheid dat de politie alvorens de woning te betreden en de verdachte aan te houden een observatieteam naar de woning heeft gestuurd, hetgeen erop duidt dat de politie de uiterste voorzichtigheid betracht heeft. In hetgeen het hof heeft vastgesteld, in samenhang met de overweging van het hof dat “de bedreiging van anderen dan politieambtenaren niet bewezen kan worden, nu, (…) de overige in de tenlastelegging genoemde personen niet op de hoogte zijn geraakt van de bedreigingen”, heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de inhoud van de als bedreigend beoordeelde mailberichten bij “iedere politieagent die bij verdachte komt” de redelijke vrees heeft kunnen doen ontstaan voor het in het vooruitzicht gestelde gevolg, alsmede dat deze inhoud van de mailberichten vooraf ter kennis is gekomen van de politieambtenaren die zich naar de woning van verdachte hebben begeven. Ik acht dit oordeel toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

18. Het tweede klachtonderdeel faalt.

19. In de derde plaats voeren de stellers van het middel aan dat de bewezenverklaring specifiek ten aanzien van de zinsnede “terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied” ontoereikend en onbegrijpelijk gemotiveerd is. Gesteld wordt dat de bedreiging in dit geval niet schriftelijk ter kennis is gekomen van de bedreigde c.q. de geadresseerde, nu, zoals in klachtonderdeel twee is aangevoerd, niet blijkt dat de inhoud van de e-mailberichten vooraf ter kennis is gekomen van de politieambtenaren die zich naar de woning van verdachte hebben begeven. Daarnaast wordt gesteld dat voor zover in de bewezenverklaarde inhoud van de berichten al door verdachte gestelde voorwaarden zijn te lezen, deze voorwaarden gesteld zijn aan [getuige] en niet aan “iedere politieagent die bij verdachte komt”.

20. De bedreiging is ter kennis is gekomen van de politieagenten en dit is ook schriftelijk gebeurd, nu een uitdraai van de mailberichten en foto’s bij het verhoor van [getuige] zijn gevoegd.9 Wat betreft de voorwaarden wijs ik er op dat verdachte in de berichten duidelijk heeft gemaakt dat hij een jongen in gijzeling had, die opgeblazen zou worden als de politie dan wel huurmoordenaars zouden proberen binnen te komen. Het komt mij voor dat verdachte hiermee ook een voorwaarde heeft gesteld aan de politie die binnen zou proberen te komen.

21. Ook het derde klachtonderdeel faalt.

22. Het middel faalt.

23. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.

24. Namens verdachte is op 21 maart 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 4 december 2018 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat is acht maanden en 13 dagen na het instellen van het cassatieberoep. De inzendtermijn is derhalve met 13 dagen overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Gelet op de geringe overschrijding van de inzendtermijn en op de opgelegde straf geef ik de Hoge Raad in overweging om te volstaan met de vaststelling dat de inzendtermijn is overschreden.

25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400 en de uitvoerige daaraan voorafgaande conclusie van A-G Knigge, ECLI:NL:PHR:2011:BO3400). Zie ook: K. Lindenberg, Strafbare dwang, RUG 2007. Het vreesobject is wat in Duitsland “Drohungsadressat” wordt genoemd, het schadeobject heet daar “Verbrechensadressat”, zie Schönke/Schröder, Strafgesetzbuch. Kommentar, § 241.

2 Rb Oost-Brabant 25 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5208.

3 Er kan dan wel sprake zijn van een poging.

4 De rechtbank gaat ervanuit dat bij uiteenlopen van vreesobject en schadeobject er wel voldoende nauw verband moet zijn tussen Drohungsadressat en Vergehensadressat, zoals, merk ik op, in StGb in § 241 is geformuleerd in de woorden ‘gegen ihn oder eine ihm nagestehende Person.

5 Zie voorts A-G Knigge over ‘collectieve bedreigingen’ in ECLI:NL:PHR:2011:BO3400, onder nr. 28.

6 Vgl. wat betreft voorwaardelijk opzet bij bedreiging HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4474.

7 Vgl. HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:19; HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4474; HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0444; HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659.

8 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3135.

9 Uit het zaaks p-v blijkt dat het verhoor van getuige [getuige] plaats had op 3 februari laat op de avond; de e-mailberichten en foto’s zitten aan dat verhoor. De twee verhorende verbalisanten maakten deel uit van het team dat, nadat verdachte was aangehouden door het AOT, later het huis van verdachte heeft doorzocht (p-v p. 15).