Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1015

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
17/06128
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1363
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Zonder vergunning uitvoeren van werkzaamheden m.b.t. bedrijfsafvalstoffen (“slobs”). Opdracht geven aan valsheid in geschrift begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd) door valse begeleidingsbrieven af te geven aan schippers van motortankschepen, art. 225.2 Sr. Is bewezenverklaard opzet toereikend gemotiveerd? Uit bewijsvoering kan niet z.m. worden afgeleid dat (voorwaardelijk) opzet van rechtspersoon erop was gericht dat in bewezenverklaring genoemde begeleidingsbrieven vals waren. Door Hof kennelijk als doorslaggevend in aanmerking genomen omstandigheid dat rechtspersoon verantwoordelijkheid draagt “ervoor te zorgen dat zij conform de geldende wet- en regelgeving handelt”, vormt onvoldoende grond voor dat oordeel. Bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/00012 E, 18/00014 E en 18/00015 E.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/06128 E

Zitting: 28 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 december 2017 door de Economische Kamer van het Gerechtshof Den Haag wegens 1. ‘het door een rechtspersoon plegen van gewoontewitwassen, terwijl verdachte opdracht heeft gegeven aan de verboden gedraging’; 2 en 3. ‘de voortgezette handeling van (feit 2 (a)) het door een rechtspersoon medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, en (feit 2 (b)) het door een rechtspersoon plegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging; en (feit 3) het door een rechtspersoon plegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging’; 4. ‘het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, terwijl de verdachte opdracht heeft gegeven voor de verboden gedraging’; 5. ‘het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, terwijl de verdachte opdracht heeft gegeven voor de verboden gedraging’; 6. ‘het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, terwijl de verdachte opdracht heeft gegeven voor de verboden gedraging’; 9. ‘het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte opdracht heeft gegeven voor de verboden gedraging en het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte opdracht heeft gegeven voor de verboden gedraging’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek als omschreven in art. 27 Sr, en verbeurdverklaring van een geldbedrag ter hoogte van één miljoen euro.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/00012, 18/00014 en 18/00015. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. I.N. Weski, advocaten te Rotterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt (kort gezegd) dat de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.

  5. Het hof heeft onder 2 en 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘2:

(Zaak Valsheid in geschrift: valselijk opmaken/vervalsen)

[medeverdachte 1] op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 november 2011 (telkens) in Nederland, (telkens)

(a)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(b)

althans alleen,

(a)

186 facturen van [A] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) en 179 facturen van [B] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) en 13 facturen van [C] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) en 72 facturen van [D] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) – zijnde die facturen geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feite te dienen – en

(b)

de (bedrijfs)administratie van [medeverdachte 1] - zijnde die (bedrijfs)administratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers hebben die [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk - in strijd met de waarheid -

(a)

in die facturen vermeld, of doen vermelden, dat die [A] en die [B] en die [C] en die [D] (telkens) aan [medeverdachte 1] de in de betreffende facturen vermelde hoeveelheid vet geleverd hebben (telkens) op de in die facturen vermelde datum tegen de in die facturen vermelde prijs, en

(b)

die valse of vervalste facturen opgenomen en verwerkt, in die (bedrijfs)administratie, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,

terwijl hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

3:

[medeverdachte 1] op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 november 2011 (telkens) in Nederland, (telkens) opzettelijk voorhanden heeft gehad

(a)

186 valse facturen van [A] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) en 179 valse facturen van [B] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) en 13 valse of vervalste facturen van [C] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) en 72 valse of vervalste facturen van [D] aan [medeverdachte 1] , waaronder (…) – zijnde die facturen geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen – en

(b)

de valse (bedrijfs)administratie van [medeverdachte 1] - zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl die [medeverdachte 1] en haar mededaders (telkens) wisten dat die geschriften en/of dat samenstel van geschriften bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) het/zij (telkens) echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat

(a)

in die factur(en) was vermeld, dat die [A] en die [B] en die [C] en die [D] (telkens) aan [medeverdachte 1] de in de betreffende facturen vermelde hoeveelheid vet geleverd hebben (telkens) op de in die facturen vermelde datum tegen de in die facturen vermelde prijs, en

(b)

die valse facturen waren opgenomen en verwerkt in die (bedrijfs)administratie,

terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)’.

6. In het bestreden arrest heeft het hof omtrent de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 het volgende overwogen:1

Feit 2 en 3

Door de raadsman is het verweer gevoerd dat de verdachte van het onder 2 en 3 ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken nu de verdachte - zakelijk weergegeven - geen wetenschap van deze valsheid heeft gehad. Hiertoe heeft de verdediging betoogd dat de valse facturenstroom door medeverdachte [betrokkene 1] , buiten medeweten van de verdachte om, is opgezet.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Uit meerdere verklaringen volgt dat de verdachte (zo goed als) altijd op "zijn bedrijf" aan de [a-straat] aanwezig was en een (vrijwel) volledig overzicht had op hetgeen geladen en gelost werd. Uit de verklaringen van de toenmalige medeverdachte [betrokkene 2] en de verdachte zelf blijkt dat de verdachte alle binnengekomen facturen bestudeerde en dat de verdachte bepaalde welke facturen betaald zouden worden, en wanneer zij betaald moesten worden. Voorts heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat de van de zo genoemde "derdenbedrijven" afkomstige facturen qua bedragen een groot deel van de totale omzet van [medeverdachte 1] omvatten en dat de beweerdelijk geleverde partijen vrijwel de gehele in de boekhouding verwerkte inkoop omvatten. Uit onder meer de observaties is voorts gebleken, althans aannemelijk geworden, dat geen van de derdenbedrijven daadwerkelijk bij [medeverdachte 1] aan de [a-straat] olie of vet is komen afleveren. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte bijna altijd op het terrein aan de [a-straat] aanwezig was, brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte wist dat de gegevens vermeld op de door [medeverdachte 1] betaalde facturen in strijd met de waarheid waren. Dat de medeverdachte [betrokkene 1] zonder medeweten van de verdachte een valse facturenstroom heeft opgezet acht het hof dan ook niet aannemelijk. Het verweer wordt verworpen.’

7. In de bijlage bij het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde 36 bewijsmiddelen opgenomen. De bewijsmiddelen die op de valse facturen betrekking hebben zijn daarbij gegroepeerd per bedrijf.

8. Uit die bewijsmiddelen volgt dat in ordners die in het kantoorpand van [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen in totaal 186 facturen zijn aangetroffen van [betrokkene 3] omtrent de levering van vet, in de periode mei 2010 tot en met december 2011, op de locatie [a-straat 1] te Dordrecht.2 Op dat adres is [medeverdachte 1] gevestigd.3 Uit het handelsregister blijkt dat [A] een eenmanszaak is die wordt gedreven voor rekening van [betrokkene 3] .4 In een verhoor heeft Kamper onder meer verklaard:5

‘Ik heb een eenmanszaakje opgericht. Ik ben benaderd door mijn vriend [betrokkene 4] . Die is met mij meegegaan naar de kamer van koophandel en de bank. [betrokkene 4] heeft me in mei 2010 aan [betrokkene 1] voorgesteld. Het enige dat ik in mijn bedrijfje deed was geld ophalen en afgeven. Ik hoor u zeggen dat ik in de periode van juli 2010 t/m november 2011 een bedrag van 1.400.000 euro in diverse transacties heb opgenomen. Dat geld was afkomstig van [medeverdachte 1] . Ik keek elke dag via mijn computer of er geld gestort was en dan ging ik dat pinnen en dan bracht ik het naar de [b-straat 1] of gaf ik het aan [betrokkene 4] . Ik pinde bijna alles wat er gestort was, en dan mocht ik er zelf een bedrag afhalen voor mezelf. (…) De facturen van [A] maakte [betrokkene 4] en ik heb ze zelf ook wel eens gemaakt. [betrokkene 1] en [betrokkene 4] bepaalden de bedragen die op de facturen werden gezet.’6

9. Uit het handelsregister volgt dat [B] een eenmanszaak is die wordt gedreven voor rekening van [betrokkene 5] .7 In ordners die in het kantoorpand van [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen zijn in totaal 179 facturen aangetroffen van [B] omtrent de levering van vet, in de periode januari 2010 tot en met december 2011, op de locatie [a-straat 1] te Dordrecht.8 Uit een onderzoek naar de bankrekening van [betrokkene 5] Handelsonderneming blijkt dat bij de betalingen van [medeverdachte 1] en de geldopnames een patroon zichtbaar is: ‘Nadat het geld op de rekening is bijgeschreven wordt het nagenoeg in zijn geheel middels meerdere geldopnames binnen enkele dagen opgenomen.’9 In een verhoor heeft [betrokkene 5] onder meer verklaard:10

‘Ik woon in Egypte. In maart 2010 bezocht ik Nederland om een eigen bedrijf op te richten. (…) [betrokkene 1] regelde al het papierwerk. (…) De extra pinpas, de pas die bij de zakelijke rekening van mijn bedrijf hoorde, lag op het bedrijf bij de [a-straat] . Ik heb nooit voor dit bedrijf gehandeld. U toont mij facturen die zijn aangetroffen van het bedrijf [B] . Hier heb ik echt niets mee te maken. Ik heb nog nooit een factuur uitgeschreven. Ik heb helemaal geen olie verkocht.’

10. In een ordner die in het kantoorpand van [medeverdachte 1] in beslag is genomen zijn 72 facturen aangetroffen van [D] omtrent de levering van vetten over de periode januari 2010 tot en met mei 2010.11 Uit een onderzoek naar de bankrekening van eenmanszaak [E] c.q. [D] blijkt dat bij de betalingen van [medeverdachte 1] en de geldopnames een patroon zichtbaar is: ‘Nadat het geld op de rekening is bijgeschreven wordt het nagenoeg in zijn geheel middels meerdere geldopnames binnen enkele dagen opgenomen.’12 In een verhoor heeft [betrokkene 6] verklaard:13

‘Ik heb de inschrijving van [E] c.q. [D] bij de Kamer van Koophandel gedaan. Het is een eenmanszaak geweest en ik ben daar volledig verantwoordelijk voor geweest. Ik ben in december 2009 gearresteerd in Zweden en heb daarna gedetineerd gezeten.’

11. Uit het handelsregister blijkt dat [C] een eenmanszaak is die wordt gedreven voor rekening van [betrokkene 7] .14 In een ordner die in beslag is genomen in het kantoorpand van [medeverdachte 1] zijn 13 facturen aangetroffen van [C] omtrent de levering van vetten in de periode januari 2010 en februari 2010.15 Uit een onderzoek naar de bankrekening van [C] blijkt dat ‘kort na iedere overboeking van [medeverdachte 1] (…) vrijwel het gehele overgeboekte bedrag contant werd opgenomen’.16 In een verhoor heeft [betrokkene 7] onder meer verklaard:17

‘Ik moest facturen opstellen voor de levering van producten aan [medeverdachte 1] . Ik heb de producten zelf nooit fysiek gezien. Ik weet ook niet of ze er waren en waar ze dan vandaan kwamen. De factuur van [C] betreffende de levering maakte ik op en gooide ik zelf in de brievenbus bij [medeverdachte 1] . Ik kreeg de gewichten en bedragen die op de factuur vermeld worden van [betrokkene 1] persoonlijk opgegeven. [betrokkene 1] wist wanneer het geld gestort ging worden en deelde mij dit dan mede. Ik ging het geld pinnen en gaf het dan af aan [betrokkene 1] als ik hem zag. Anders deed ik het geld in de brievenbus aan de [b-straat 1] in Dordrecht. Ik moest al het geld dat gestort was op de ABN Amro rekening door [medeverdachte 1] contant opnemen bij een pinautomaat. (…) Er zijn alleen facturen voor leveringen gemaakt. Er is nooit iets ingekocht.’

12. Voorts is ten aanzien van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten in de bijlage een aanvullende bewijsoverweging opgenomen, die als volgt luidt:

‘Het hof acht aannemelijk dat (vrijwel) alle slobs die door [medeverdachte 1] werden ingenomen, afkomstig waren van schepen. Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen was de verdachte daar (zo goed als) altijd zelf bij. De verdachte wist aldus bijzonder goed waar de door [medeverdachte 1] ingenomen slobs vandaan kwamen. (Afhankelijk van het vetgehalte moesten de betreffende schippers, althans scheepvaartbedrijven, geld bijleggen of kregen zij betaald.) De verdachte wist dan ook heel goed dat er vrijwel geen slobs per vrachtwagen werden aangeleverd.

Van daadwerkelijke - alsdan per vrachtwagen aangevoerde - leveranties van slobs door de "bedrijven" [A] , [B] , [C] en [D] was, naar het hof buiten twijfel acht, geen sprake.

Deze zogenaamde bedrijven waren, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, feitelijk niets anders dan door medeverdachte [betrokkene 1] aangestuurde vehikels die werden gebruikt om - tegenover de fiscus - de winsten van [medeverdachte 1] te drukken en grote geldbedragen aan het bedrijf te onttrekken. De door deze bedrijven aan [medeverdachte 1] in rekening gebrachte (door de verdachte geaccordeerde en in zijn opdracht uiterst prompt betaalde!) facturen waren allemaal fake facturen, hetgeen de verdachte - evenals vanzelfsprekend [betrokkene 1] - als geen ander wist. De per bank aan deze zogenaamde bedrijven betaalde bedragen werden ook bijkans per ommegaande en vrijwel in hun totaliteit in cash geretourneerd aan [betrokkene 1] , voor zover hij ze al niet zelf pinde of liet pinnen of anderszins van de rekening opnam. Bij deze gang van zaken acht het hof het evident en wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachte [betrokkene 1] handelde in opdracht van en (aldus) in nauwe en bewuste samenwerking met de verdachte. De omstandigheid dat de verdachte zelf, anders dan dat hij de betalingen aan deze zogenaamde bedrijven accordeert, niet "in beeld" komt bij dit hele gebeuren doet daar niet aan af.’

13. De stellers van het middel menen dat ’s hofs oordeel dat de verdachte wist dat de gegevens op de door [medeverdachte 1] betaalde facturen in strijd met de waarheid waren onbegrijpelijk is. Zij wijzen erop dat door de verdediging is aangevoerd dat als een juiste berekening wordt gemaakt van de verdeling tussen leveringen per schip en leveringen afkomstig van derdenbedrijven de verhouding 36% (schip) versus 64% (derdenbedrijven) betreft. In dat licht zou ’s hofs oordeel dat vrijwel de gehele inkoop (zoals die uit de boekhouding naar voren komt) afkomstig zou zijn geweest van leveringen van de derdenbedrijven onjuist zijn. Daarnaast wijzen de stellers van het middel erop dat door de verdediging is aangevoerd dat wel degelijk leveringen door de derdenbedrijven per vrachtwagen hebben plaatsgevonden en dat dit onder meer blijkt uit camerabeelden/observaties die zich in het dossier bevinden, terwijl het hof op basis van diezelfde observaties tot de conclusie komt dat niet aannemelijk is geworden dat bij [medeverdachte 1] door de derdenbedrijven olie of vet is geleverd.

14. Het hof heeft in het bestreden arrest uit een aantal feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, afgeleid ‘dat de verdachte wist dat de gegevens vermeld op de door [medeverdachte 1] betaalde facturen in strijd met de waarheid waren’. Daarbij heeft het hof ‘in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte bijna altijd op het terrein aan de [a-straat] aanwezig was’. Tegen die vaststelling richten de stellers van het middel zich niet. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat ‘de van de zo genoemde ”derdenbedrijven” afkomstige facturen qua bedragen een groot deel van de totale omzet van [medeverdachte 1] omvatten en dat de beweerdelijk geleverde partijen vrijwel de gehele in de boekhouding verwerkte inkoop omvatten. Uit onder meer de observaties is voorts gebleken, althans aannemelijk geworden, dat geen van de derdenbedrijven daadwerkelijk bij [medeverdachte 1] aan de [a-straat] olie of vet is komen afleveren’. Tegen die overweging zijn de in het vorige randnummer omschreven klachten gericht.

15. De percentages (36 en 64) zijn te vinden in de pleitnotitie van raadsman Berndsen, die op de zitting van 23 oktober 2017 samen met raadsvrouw Weski het woord heeft gevoerd namens onder meer de verdachte en aldaar een overweging van de rechtbank heeft bekritiseerd. De rechtbank had vastgesteld dat blijkens de administratie van [medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode totaal 9.752.072 kg product was ingekocht, waarvan ongeveer 349.450 kg product was geleverd door diverse schippers terwijl de resterende 9.402.622 kg product volgens de in de administratie aanwezige facturen afkomstig was van de ‘derdenbedrijven’. Volgens de raadsman was dit niet juist omdat rekening was gehouden met 12 maanden levering door schepen en 23 maanden levering door de derdenbedrijven. De raadsman stelt daarna: ‘Als periodes worden vergeleken waarin wel - gedurende de gehele periode - van beide goederenstromen gegevens aanwezig zijn dan blijkt dat ruim 36% van de slobs van schepen afkomstig is en de overige 64% van de zogenaamde derde bedrijven.’ Onduidelijk is evenwel op welke periode de raadsman doelt, hoe hij tot zijn berekening over deze periode komt, en waarom de vergelijking met deze periode voor de beoordeling van gedragingen in de ten laste gelegde periode van belang zou zijn. In dat licht en mede in aanmerking genomen de inhoud van de bewijsmiddelen die het hof aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd, kon het hof naar het mij voorkomt aan deze opmerking voorbijgaan en kon het uitgaan van de valsheid van de in bewijsmiddel 4 vermelde gegevens. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat een zelfstandige reactie behoefde is geen sprake.18

16. Wat de observaties betreft, verdient vermelding dat het hof uit ‘onder meer’ de observaties afleidt dat aannemelijk is geworden dat geen van de derdenbedrijven daadwerkelijk bij [medeverdachte 1] aan de [a-straat] olie of vet is komen afleveren. Eerder bleek dat deze vaststelling ook uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid die de gang van zaken rond de facturen weergeven. Bewijsmiddel 36 doet verslag van observaties die deze vaststelling ondersteunen. De betreffende verbalisanten relateren dat in de periode 5 januari 2011 tot en met 3 februari 2011 op werkdagen tussen 8.00 en 16.00 uur statische observatie heeft plaatsgevonden en dat tijdens deze statische observatie ‘geen handelsactiviteiten van [A] - en/of [B] richting [medeverdachte 1] en/of op het terrein van de [a-straat 1] te Dordrecht waargenomen’ werden. Raadsman Berndsen stelde op basis van de observaties in zijn pleitnotitie: ‘In de maand februari hebben bijna de hele maand camera’s bij de poort van het bedrijf gestaan waarop te zien is dat het een komen en gaan van tankauto’s was. Het betroffen tankers van zowel [medeverdachte 1] als [F] en meestal ging het om chauffeurs van [F] of de derde bedrijven. Daarnaast staat ook vast dat het “product” door [medeverdachte 1] is doorgeleverd aan [F] .’ Dat reële transacties en transporten plaatsvonden tussen [medeverdachte 1] en [F] staat niet ter discussie. Of de raadsman meent dat uit de observaties blijkt van tankauto’s van de derdenbedrijven blijft onduidelijk; hij spreekt slechts over ‘chauffeurs van [F] of de derde bedrijven’ en laat de getalsmatige verhouding tussen beide in het midden. Tegen die achtergrond meen ik dat het hof, dat de observaties gebruikt ter ondersteuning van vaststellingen die in toereikende mate uit andere bewijsmiddelen volgen, ook aan deze opmerking voorbij kon gaan. Aangestipt zij daarbij nog dat selectie en waardering van bewijsmateriaal binnen de door wet en rechtspraak getrokken grenzen aan de feitenrechter is.19

17. De stellers van het middel wijzen er voorts op dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen duidelijk volgt dat medeverdachte [betrokkene 1] contact heeft gehad met de derdenbedrijven terwijl naar de mening van de verdachte uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat de verdachte enige handelingen heeft verricht, opdracht heeft gegeven tot het verrichten van handelingen of wetenschap van of betrokkenheid bij die handelingen heeft gehad. Ook om die reden zouden de bewezenverklaringen onbegrijpelijk zijn en/of onvoldoende met redenen omkleed.

18. Uit de bewijsmiddelen volgt inderdaad dat medeverdachte [betrokkene 1] contact heeft gehad met de derdenbedrijven en een belangrijke rol heeft gespeeld in de gang van zaken rond de valse facturen. Maar ook omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij die gang van zaken kan uit de bewijsmiddelen een en ander worden afgeleid. Zo volgt uit het handelsregister dat de verdachte als bestuurder van [medeverdachte 1] staat vermeld.20 Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard: ‘Ik ben directeur van [medeverdachte 1] . Er mochten geen facturen van [medeverdachte 1] betaald worden zonder mijn toestemming. Dat gold ook voor de facturen van de eenmansbedrijven.’21 [betrokkene 2] heeft op 15 november 2011 in een verhoor onder meer verklaard: ‘Ik ben werkzaam bij [medeverdachte 1] . Mijn directe baas is [verdachte] (…) Ik krijg van de eenmanszaken een factuur en deze wordt door mij betaald. De eenmanszaken krijgen per direct betaald per bank. Wij leveren aan [F] en deze betalen ook direct aan ons. Dit zijn speciale afspraken die door [verdachte] gemaakt zijn. [verdachte] wil dat de facturen minimaal 1 keer per week betaald worden, maar het liefst wil hij dat er iedere dag betaald wordt. [verdachte] neemt de beslissingen over de financiën en aankopen van [medeverdachte 1] .’22 In een later verhoor heeft [betrokkene 2] verklaard: ‘U toont mij een e-mail aan [betrokkene 5] met documentcode (…). Ik herken het soort e-mail. Ik of [betrokkene 8] kregen opdracht van [verdachte] om een e-mail met de gewichten naar de klanten te sturen. Daarna krijg ik een factuur van de klant terug. Dan krijgen ik of [betrokkene 8] van [verdachte] de opdracht om de factuur te betalen. [verdachte] wil namelijk dat de facturen dezelfde week betaald worden.’23 Nog weer later verklaart zij: ‘ [verdachte] maakte meestal de post open. Als een factuur betaald kon worden, dan kreeg ik de factuur om dit te regelen. [verdachte] tekende deze niet, maar als ik een factuur kreeg, dan mocht deze betaald worden. [verdachte] deed de schifting welke factuur betaald kon worden en welke niet.’24 En nog weer later verklaart zij: ‘In principe wil [verdachte] alle facturen wel eerst zien, voordat ze worden betaald en door mij worden afgehandeld. Hij ziet echt alle facturen die binnenkomen.’25 Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat de facturen van de derdenbedrijven niet een ondergeschikt onderdeel van een veel grotere facturenstroom vormden. Zo volgt uit een analyse van de bankrekening van [medeverdachte 1] dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 november 2011 in totaal 7.381.863,73 euro van [F] is ontvangen en dat in dezelfde periode 3.543.331,24 euro naar de vier derdenbedrijven is overgemaakt.26

19. Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen afleiden ‘dat de verdachte wist dat de gegevens vermeld op de door [medeverdachte 1] betaalde facturen in strijd met de waarheid waren’. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat ’s hofs vaststelling dat de verdachte zo goed als altijd op zijn bedrijf aanwezig was en dat hij een (vrijwel) volledig overzicht had op hetgeen geladen en gelost werd in cassatie niet bestreden wordt.

20. De stellers van het middel menen ten slotte dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) blijkt dat de in de bewijsoverweging genoemde bedrijven vehikels waren die werden gebruikt om - tegenover de fiscus - de winsten van [medeverdachte 1] te drukken en grote geldbedragen aan het bedrijf te onttrekken. Voorts zou uit de bewijsmiddelen niet blijken dat medeverdachte [betrokkene 1] in opdracht van en in nauwe samenwerking met de verdachte heeft gehandeld. Daarbij wijzen de stellers van het middel er nog op dat niet bewezen is verklaard dat [medeverdachte 1] de feiten onder 2b tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan waaraan de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, en ook niet dat de verdachte daaraan tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven. Ook hierin zou de bewijsmotivering tekort schieten.

21. Met deze deelklacht keren de stellers van het middel zich tegen een aantal elementen uit de aanvullende bewijsoverweging die het hof in de bijlage heeft opgenomen. Mij komt het voor dat het hof uit de bewijsmiddelen, waarvan belangrijke elementen in het voorgaande zijn samengevat, heeft kunnen afleiden dat de derdenbedrijven ‘feitelijk niets anders dan door medeverdachte [betrokkene 1] aangestuurde vehikels (waren) die werden gebruikt om – tegenover de fiscus – de winsten van [medeverdachte 1] te drukken en grote geldbedragen aan het bedrijf te onttrekken.’ Voor het geval Uw Raad daar anders over denkt, wijs ik erop dat het hof in deze bewijsoverweging slechts een nadere duiding van de gang van zaken geeft die niet afdoet aan de toereikendheid van de bewijsconstructie.

22. Enigszins verwarrend is inderdaad dat het hof ‘het evident en wettig en overtuigend bewezen (acht) dat medeverdachte [betrokkene 1] handelde in opdracht van en (aldus) in nauwe en bewuste samenwerking met de verdachte’. Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan verboden gedragingen gepleegd door [medeverdachte 1] . Die verboden gedragingen bestonden deels in het door [medeverdachte 1] medeplegen van valsheid in geschrift, deels in het door [medeverdachte 1] plegen van valsheid in geschrift, deels in het door [medeverdachte 1] plegen van (kort gezegd) een vals geschrift voorhanden hebben. Als medeplegers van valsheid in geschrift zijn, zo kan uit de bewijsconstructie worden afgeleid, de personen aangemerkt die voor de derdenbedrijven de facturen hebben opgemaakt en verstuurd. [betrokkene 1] werkte voor [medeverdachte 1] . 27 ’s Hofs overweging kan aldus worden opgevat dat het hof de gedragingen van [betrokkene 1] als verboden gedragingen van [medeverdachte 1] heeft aangemerkt, en dat het hof uit de bewijsmiddelen een vorm van samenwerking tussen de verdachte (als bestuurder) en [betrokkene 1] heeft afgeleid waarin besloten ligt dat aan de vereisten voor feitelijk leidinggeven aan de verboden gedragingen van [medeverdachte 1] is voldaan.

23. Ook indien Uw Raad daar anders over denkt, behoeft het middel naar het mij voorkomt niet te slagen. In HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk, heeft Uw Raad overwogen (met weglating van verwijzingen):

‘3.5.2. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

3.5.3. In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.’

24. Het hof heeft naar het mij voorkomt uit de bewijsmiddelen afgeleid en kunnen afleiden dat aan de vereisten voor feitelijke leidinggeven voldaan is. Ik wijs daarbij in het bijzonder op de vaststelling in het bestreden arrest ‘dat de verdachte wist dat de gegevens vermeld op de door [medeverdachte 1] betaalde facturen in strijd met de waarheid waren’ alsmede de vaststelling in de bijlage dat deze facturen door de verdachte geaccordeerd werden en dat zij in zijn opdracht uiterst prompt betaald werden. Daarin ligt minimaal besloten dat de verboden gedraging zozeer door de verdachte bevorderd werd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken, en dat aan het opzetvereiste voor feitelijke leidinggeven is voldaan. Ook in het geval Uw Raad van oordeel is dat ‘s hofs overweging inzake een ‘nauwe en bewuste samenwerking’ ziet op een aansprakelijkheidsfiguur die niet bewezen is verklaard, doet dat er derhalve niet aan af dat ’s hofs vaststellingen met betrekking tot de wel bewezenverklaarde vorm van aansprakelijkheid toereikend zijn.

25. Het eerste middel faalt.

26. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van een verzoek tot benoeming van een deskundige, over de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen en over de verwerping van het verweer dat [medeverdachte 1] niet vergunningplichtig zou zijn. De verzoeken en het verweer houden verband met het onder 4 en 5 bewezenverklaarde en raken allemaal aan hetzelfde onderwerp: de samenstelling van de door [medeverdachte 1] ingenomen slobs etc.. Voor een goed begrip geef ik, alvorens het middel verder te bespreken, de bewezenverklaring, de voor de beoordeling van het middel relevante passages uit de bewijsmiddelen en enkele onderdelen van de toepasselijke regelgeving weer.

27. Ten laste van de verdachte is onder 4 en 5 bewezenverklaard dat:

‘4:

(Zaak Inrichting/Periode 1 augustus 2009 - 30 september 2010)

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2010 te Dordrecht, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een inrichting, gelegen op de [a-straat 1] , voor

- het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen; en

- het bewerken en/of verwerken van afvalstoffen; en

- het overslaan van schip naar schip; en

- het opslaan van plantaardige oliën en/of vetten in opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 kubieke meter; en

- het repareren van schepen voor de beroepsvaart, als genoemd in Bijlage I onder ll en onder q en onder w van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, in werking hebben gehad, door slobs, vetwater, waswater, restlading oliën, vetten en water, plantaardige oliën, vetten, en mengsels van oliën en vetten en water afkomstig van schepen op te slaan, te bewerken, en over te slaan en/of door het repareren schepen voor de beroepsvaart,

terwijl hij, verdachte, opdracht heeft gegeven tot bovenomschreven feiten;

5:

(Zaak Inrichting/Periode 1 oktober 2010 - 14 november 2011)

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 14 november 2011 te Dordrecht, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft/hebben uitgevoerd dat bestond uit het in werking hebben van een inrichting, gelegen op de [a-straat 1] , voor

- nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen; en

- het opslaan van plantaardige oliën en/of vetten in opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 m3; en

- het overslaan van schip naar schip, en

- het repareren van schepen anders dan pleziervaartuigen, genoemd in Bijlage I onderdeel C categorie 28.10 en categorie 6.3 en categorie 13.4 van het Besluit omgevingsrecht, door slobs, vetwater, waswater, restlading oliën, vetten en water, plantaardige oliën, vetten, mengsels van oliën en vetten en water afkomstig van schepen op te slaan, te bewerken, en over te slaan of door repareren van schepen anders dan pleziervaartuigen,

terwijl hij, verdachte, opdracht heeft gegeven tot bovenomschreven feiten’.

28. In de bijlage bij het bestreden arrest heeft het hof aan het onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde 19 bewijsmiddelen ten grondslag gelegd. Voor de beoordeling van het middel zijn vooral de volgende passages relevant (met weglating van verwijzingen):

‘4. Een geschrift zijnde de "Beschrijving Bedrijfsprocessen, [a-straat 1] , Dordrecht, 2e Versie ten behoeve van de aanvraag Omgevingsvergunning met de activiteit Milieuverantwoord Ondernemen", auteur: [betrokkene 9] . Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Hoofdactiviteit van [medeverdachte 1] is het overpompen van restladingen eetbare oliën uit binnenvaartschepen, landtanks en tankauto's en soms het transporteren daarvan naar verschillende verwerkers in Nederland, België en Duitsland.

In uitzonderlijke gevallen wordt de olie tijdelijk opgeslagen in een tussenopslag. Hiervoor wordt incidenteel gebruik gemaakt van MTS [naam 1] (I x b = 27,7 x 4,5 m1, 106 ton). (…) In het verleden werden deze schepen voor aan- en afvoer gebruikt, thans zijn ze vrijwel permanent op de locatie aanwezig.

Op de werf bevinden zich 8 a 10 opleggers elk met een inhoud van ca. 30.000 l.

De activiteiten van [medeverdachte 1] beperken zich tot het doen van de eerder genoemde analyse van vochtgehalte en het overpompen van de (rest-)ladingen vanuit de schepen naar de tankwagens. In de tankwagens vindt een natuurlijke scheiding plaats tussen water en oliën respectievelijk vetten: water beneden, olie en vet boven. Het water wordt daarna afgetapt en overgepompt naar een afzonderlijke tankwagen. (…)

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 januari 2012 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 6 januari 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 10] :

Ik ben senior vergunningverlener bij de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid. Ik ben twee maal bij [medeverdachte 1] geweest in het kader van een vergunningsaanvraag, voor het eerst op 10 maart 2011. (…) De werkzaamheden van [medeverdachte 1] met de plantaardige oliën werden in het geheel niet gedekt door de vergunning en waren dus onvergund.

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige d. d. 12 april 2012 bij de rechter-commissaris. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als de op 12 april 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 10] :

U vraagt mij voor welke activiteiten er nog een vergunning nodig was bij [medeverdachte 1] om te kunnen legaliseren. Het ging eigenlijk om alle bedrijfsprocessen van de werkmaatschappijen. (…)

U vraagt mij wat ik zojuist bedoelde met 'inzamelen'. Daar is volgens mij nooit een discussie over geweest. Het ging om ladingen van eetbare oliën en vetten en water van binnenschepen. Wat er over bleef in het ruim werd ingezameld door [medeverdachte 1] . U vraagt mij of er bij [medeverdachte 1] nog andere activiteiten waren die gelegaliseerd moesten worden. Het ging om het bewerken van die stoffen. Daarmee bedoel ik het fysiek scheiden van de waterfractie en de vette oliën. Die laatste werden apart afgevoerd. U kunt zien in de bijlage die ik u heb toegestuurd dat dat scheiden echt gelegaliseerd moest worden en dat dat echt vergunningsplichtig was. Het gaat om categorie 28.10. U vraagt mij of ooit getoetst is of sprake kon zijn van 'biologische afbreekbaarheid, uit de uitzondering'. Naar mijn mening is dat totaal niet aan de orde. In die uitzondering is sprake van het opslaan van op zijn hoogst 10.000 ton hemelwater en afvalwater. In de onderhavige situatie is het echt van een andere orde. Daar gaat het om restladingen vermengd met water. Het gaat om wat er achterblijft in een ruim na het lossen. Dat is geen afvalwater zoals vermeld in de uitzondering. De binnenschepen waar het hier om gaat moeten gereinigd worden en zich ontdoen van een restlading. Dat is de lading die overblijft na het lossen. Volgens de aanvraag gaat het hier om plantaardige oliën en vetten en water. Meestal gebeurt dat reinigen met een hogedrukspuit met water. U vraagt mij of dat niet als afvalwater is te zien. Nee, ik zie het als restlading. De verhouding ligt heel anders dan bij normaal huishoudelijk afvalwater met een kleine fractie van olie en vet.

(…)

9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 november 2011 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 15 november 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

(…) [medeverdachte 1] houdt zich nu vooral bezig met plantaardige oliën en vetten. We kopen het in en verkopen het aan [F] . U vraagt mij waar [medeverdachte 1] inkoopt. [medeverdachte 1] neemt slobs in van tankschepen. SIobs bestaan uit schoonmaakwater uit de tanks van schepen en eventueel nog een productrest. Dit gaat om ladingrestant oliën of vetten wat nog geld waard is. Onze afnemer [F] bepaalt achteraf wat de waarde is van dit product. [verdachte] neemt de beslissingen over de financiën en aankopen van [medeverdachte 1] . De oliën en vetten die 's nachts worden ingenomen worden tijdelijk opgeslagen in een tankoplegger. Soms wordt het water van de olie gescheiden.

(…)

12. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 maart 2012 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 14 maart 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 11] :

Ik ben directeur van [G] . Dat is ongeveer in 2009 geweest dat ik zaken met [medeverdachte 1] heb gedaan. (…) [verdachte] de directeur van [medeverdachte 1] zamelde slobs in en die liet hij staan op zijn terrein zodat het vet meer van het water scheidde, en als zo'n tankwagen vol was dan maakten we een afspraak dat wij het daar op gingen halen.

Als bijlagen gaan bij dit proces-verbaal AMICE gegevens afgifte vrachten van [medeverdachte 1] bij [G] 2009 en 2010.

13. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 januari 2012 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 31 januari 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 12] :

Ik ben werkzaam voor [medeverdachte 1] . Ik ben verantwoording schuldig aan [verdachte] . [medeverdachte 1] houdt zich bezig met oliën en vetten. Hij zamelt plantaardige oliën en vetten in vanuit motortankschepen. (…) De oliën en vetten worden gebracht door motortankschepen, die aanmeren aan de [a-straat] . Als zo'n schip ligt aangemeerd, worden er slangen aangesloten en door middel van de pomp van die schipper zelf of de pomp die op de [naam 1] staat uit de slobtank gepompt. Vervolgens wordt het in een van de geparkeerde tankopleggers gepompt. In de tankopleggers wordt het in eerste instantie opgeslagen en een of meerdere dagen bewaard, zodat het vet op het water kan gaan drijven. Als de scheiding heeft plaatsgevonden, wordt het water door ons met de dompelpomp en de slang onder het vet vandaan gepompt naar een andere tankoplegger. Het water wordt dus gescheiden van het vet. Het daarna overgebleven vet of de olie wordt in weer een andere tankoplegger gepompt. Als deze vol is wordt deze opgehaald door [F] en wordt er meestal een lege tankwagen van [F] voor terug gezet. (…)

14. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 januari 2012 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 4 januari 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 13] :

Ik reed vanaf eind 2005 af en toe een ritje voor [medeverdachte 1] . Ik vervoerde water, vuiligheid en olie. De pomp van de [naam 1] werd gebruikt om slobs uit schepen te pompen. Als de slobs heel dik waren, dan werd het in de [naam 1] gepompt. Als de slobs vloeibaar waren dan werden de slobs in de tankopleggers gepompt. Van de slobs in de tankopleggers werd het water van de olie gescheiden door het water te laten bezinken. Het water werd er vervolgens onderuit gepompt. Slobs bestaan uit water vermengd met olie en bezinksel. De slobs haalde ik op in Nijmegen, Utrecht, Vlaardingen, Schiedam, Rotterdam en Sas van Gent. We haalden de slobs meestal op bij van die geel met blauwe schepen, PIZ schepen. Ik bracht de slobs altijd naar [medeverdachte 1] .

(…)

16. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 januari 2012 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 13 januari 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 14] :

Ik ben schipper en eigenaar van de [naam 2] . Wij hebben twee slobtanks. Eén tank gebruiken we voor het waswater. De andere tank gebruiken we voor de opslag van vet en ander vuil. Als het waswater te vuil wordt, dan pompen we er schoon water bij. Sinds zeven jaar leeg ik mijn slobtanks bij [medeverdachte 1] . Het is een afvalstof. (…)

17. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 maart 2012 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 9 maart 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 15] :

Ik vaar al 20 jaar voor [H] . Ik vaar op de [naam 3] . Ik geef mijn slobs meestal af bij [medeverdachte 1] . Slobs zijn voor mij een afvalstof. Bij [medeverdachte 1] maken ze het ook warm, dan kunnen ze het water afscheiden. (…)’

29. De bewezenverklaring onder 4 is, zo bleek al in randnummer 1, toegesneden op art. 8.1 Wet milieubeheer. Dat artikel was in de bewezenverklaarde periode, van 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2010, van kracht en luidde (voor zover van belang) als volgt:

‘1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde verboden gelden.’

30. Op basis van (onder meer) art. 8.1, tweede lid, van de Wet Milieubeheer is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer totstandgekomen.28 Bijlage 1 aanhef en onder q, w en ll van dit besluit luidde in de bewezenverklaarde periode (voor zover van belang) als volgt:29

‘De in artikel 8.1, eerste lid van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van inrichtingen:

q. inrichtingen voor het vervaardigen of bewerken van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten en voor het opslaan van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten in opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 kubieke meter;

w. inrichtingen voor:

• (…)

• het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart30;

• (…)

• het overslaan van schip naar schip;

• het reinigen van tankschepen;

• (…);

ll. inrichtingen voor:

(…)

o het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd:

i. ten hoogste 2.000 kubieke meter zand, grind en grond bij een landbouwinrichting voor zover deze stoffen bedoeld en geschikt zijn voor nuttige toepassing31;

ii. ten hoogste 600 kubieke meter groenafval, afgedragen gewas of bloembollenafval bij een landbouwinrichting;

iii. ten hoogste 1.000 kubieke meter restproducten uit de land- en tuinbouw en de voedingsbereiding en -verwerking met euralcodes: 020103, 020304, 020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting bestemd om binnen de inrichting te worden gebruikt als diervoeder; en

iv. een maximale opslagoppervlakte van 6.000 vierkante meter voor afgedankte consumentenproducten bij een inrichting voor het voor hergebruik geschikt maken van deze producten voor zover deze producten vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan particulieren in Nederland;

(…)’

31. De bewezenverklaring onder 5 is, zo bleek in randnummer 1, toegesneden op art. 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die wet werd ingevoerd met ingang van 1 oktober 2010.32 In de bewezenverklaarde periode, van 1 oktober 2010 tot en met 14 november 2011, luidde dit artikel (voor zover van belang) als volgt:

‘1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (…)

e.

1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk (…)

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.’

32. Tegelijk met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht trad het Besluit omgevingsrecht in werking. Art. 2.1, tweede lid, van dit besluit bepaalde ten tijde van in werking treden als volgt:

‘Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.’

33. Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht bepaalde ten tijde van het in werking treden van dit besluit in onderdeel C, categorie 6.3, categorie 13.4 en in categorie 28.10 en 28.11, voor zover in deze van belang:

‘6.3. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden de inrichtingen aangewezen voor het vervaardigen of bewerken van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten en voor het opslaan van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten in opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 m3.’

‘13.4. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:

(…)

c. het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen anders dan pleziervaartuigen;

(…)

e. het overslaan van schip naar schip; (…)’

‘28.10. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden de inrichtingen aangewezen voor:

a. het verwijderen van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

b. het nuttig toepassen van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, uitgezonderd: (…)’33

‘28.11. Onderdeel 28.10 is niet van toepassing op inrichtingen voor:

a) het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater, gebracht in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. (…)’

34. De bijlage is waar het de onderdelen 28.10 en 28.11 betreft nadien gewijzigd door het Besluit afvalgerelateerde activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.34 Onderdeel 28.11 kwam te vervallen, 28.10 kwam voor zover van belang te luiden:

’28.10. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met de volgende uitzonderingen: (…)

2°. het opslaan van ten hoogste 10.000 ton hemelwater, grondwater, huishoudelijk afvalwater, afvalwater dat wat biologische afbreekbaarheid betreft met huishoudelijk afvalwater overeen komt en de inhoud van chemische toiletten, het lozen, en het in werking hebben van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;’

35. Die wijziging strekte ertoe enkele richtlijnen te implementeren. Daartoe behoort Richtlijn nr. 2008/98/EG van 19 november 2008.35 Deze richtlijn bepaalt, voor zover in deze van belang:

‘Artikel 2

Uitsluitingen van het toepassingsgebied

(…)

2. Het volgende is uitgesloten van het toepassingsgebied van deze richtlijn, voor zover reeds vallend onder andere communautaire wetgeving:

a) afvalwater; (…)

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „afvalstof”: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

(…)

9. „afvalstoffenbeheer”: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars;

(…)

Artikel 10

Nuttige toepassing

1. De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat afval overeenkomstig artikelen 4 en 13 handelingen voor nuttige toepassing ondergaat.

2. Met het oog op de naleving van het bepaalde in lid 1 en om nuttige toepassing te faciliteren of te verbeteren, worden afvalstoffen gescheiden ingezameld indien zulks uitvoerbaar is op technisch, milieu- en economisch gebied, en niet gemengd met afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen hebben.

Artikel 23

Afgifte van vergunningen

1. De lidstaten bepalen dat inrichtingen en ondernemingen die voornemens zijn afval te verwerken, daarvoor van de bevoegde instantie een vergunning dienen te verkrijgen. In die vergunningen worden in elk geval de volgende elementen gespecificeerd:

a) soorten en hoeveelheden van de afvalstoffen die mogen worden verwerkt;

b) voor elk type vergunde handeling, de technische en andersoortige voorschriften die op de betrokken locatie van toepassing zijn; (…)

e) monitoring- en controlehandelingen voor zover noodzakelijk; (…)’

36. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2016 heeft raadsvrouw Weski verzocht een deskundige te benoemen in verband met de uitleg van ‘begrippen als dierlijk en plantaardig vet, afvalstoffen, afvalwater, huishoudelijk afvalwater en biologische afbreekbaarheid’. Dat verzoek is op die terechtzitting door het hof na toetsing aan het noodzaakscriterium afgewezen met de volgende motivering:

‘Het hof overweegt hiertoe dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd nu er geen naam en geen concreet en specifiek deskundigheidsgebied is genoemd. Ten aanzien van de aan de deskundige voor te leggen termen als bewerken, verwerken, afvalstoffen en (biologische) afbreekbaarheid overweegt het hof bovendien dat het hierbij steeds gaat om een juridische kwalificatie van de verweten gedragingen en dat voorlichting door een technisch deskundige daarvoor niet noodzakelijk is.’

37. De terechtzitting van 1 juli 2016 betrof een regiezitting. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 23 oktober 2017 en 20 november 2017, met dien verstande dat op de laatstgenoemde datum slechts de sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 oktober 2017 houdt niets in over het al dan niet opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting. In aanmerking genomen dat (a) het hof op die terechtzitting anders was samengesteld dan tijdens de regiezitting van 1 juli 2016, (b) het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 oktober 2017 niet inhoudt dat de A-G bij het hof, de verdachte en de raadslieden hebben ingestemd met hervatting van het onderzoek in de stand waarin zich dat bevond ten tijde van de schorsing daarvan op 1 juli 2016, zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat die instemming niet is gegeven36 en (c) het bestreden arrest inhoudt dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 23 oktober 2017 en 20 november 2017, moet worden aangenomen dat het hof het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2017 in verband met zijn gewijzigde samenstelling opnieuw heeft aangevangen en dat dit als gevolg van een kennelijke misslag37 niet met zoveel woorden in het proces-verbaal is vermeld. Het verzoek tot benoeming van een deskundige is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid, tweede volzin, Sv dan wel een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid.38 De beslissing op een dergelijk verzoek is niet een beslissing als bedoeld in art. 322, vierde lid, Sv. Dat brengt mee dat deze deelklacht reeds op deze grond niet kan slagen.39 Nu bij een andere deelklacht aan deze deelklacht wordt gerefereerd ga ik hierna desalniettemin nog kort op deze klacht in.

38. De stellers van het middel menen, zo begrijp ik, dat ’s hofs oordeel dat het zou gaan om juridische kwalificaties onbegrijpelijk en/of onjuist is, nu de uitleg van de bedoelde begrippen ‘tevens feitelijke aspecten (van ingewikkelde chemische processen) omvat’. En het oordeel zou tevens onbegrijpelijk zijn omdat het hof in een nadere bewijsoverweging ten aanzien van enkele van deze begrippen enkel verwijst naar hetgeen een getuige over deze begrippen zegt. Daarmee doelen de stellers op de volgende in de bijlage opgenomen bewijsoverweging:

Slobs vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater

Met betrekking tot de door [medeverdachte 1] ingenomen slobs verwijst het hof bovendien naar de verklaring van getuige [betrokkene 10] , dat deze niet aangemerkt kunnen worden als huishoudelijk afvalwater. De verhouding vetten/oliën ten opzichte van water is van een volstrekt andere orde dan het geval is bij huishoudelijk afvalwater. De omstandigheid dat de slobs (eveneens) biologisch afbreekbaar zijn, maakt dit niet anders.’

39. Dat een begrip dat in een (wettelijke) regeling is opgenomen op een chemisch of ander proces ziet (zoals biologische afbreekbaarheid) doet er niet aan af dat de interpretatie van een dergelijk begrip een juridische kwestie is. Tegen die achtergrond komt de door de stellers van het middel bestreden overweging van het hof mij niet onbegrijpelijk voor. Dat het hof later, in een nadere bewijsoverweging, in verband met de termen ‘slob’ en ‘huishoudelijk afvalwater’ verwijst naar de verklaring van een getuige, doet daar niet aan af. Ik merk daarbij nog op dat die aanvullende bewijsoverweging niet zo behoeft te worden gelezen dat het hof waar het de interpretatie van de begrippen ‘slob’ en ‘huishoudelijk afvalwater’ betreft afgaat op de interpretatie van de betreffende getuige. In de verklaring van getuige [betrokkene 10] , senior vergunningverlener bij de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid, waar het hof naar verwijst, zegt deze alleen iets over de samenstelling van de door [medeverdachte 1] ingenomen ‘slobs’.40 Los daarvan is mij niet duidelijk hoe de uitleg die het hof in een bewijsoverweging aan een begrip geeft van belang kan zijn voor de begrijpelijkheid van de eerdere afwijzing van een verzoek om benoeming van een deskundige.

40. De stellers van het middel klagen voorts over de afwijzing van het bij pleidooi gedane verzoek om het stellen van prejudiciële vragen. Deze afwijzing is door het hof in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

‘Ten aanzien van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aangaande de uitleg van de genoemde begrippen in relatie tot het tenlastegelegde overweegt het hof dat de noodzaak hiertoe niet is gebleken. De begrippen huishoudelijk afvalwater en biologische afbreekbaarheid zal het hof later bespreken. Het hof wijst het verzoek af.’

41. De stellers van het middel menen dat ook deze overweging onbegrijpelijk is omdat het hof in de nadere bewijsoverweging slechts zou verwijzen ‘naar een tot het bewijs gebezigde conclusie/mening van een getuige’. Daarmee zien de stellers van het middel er naar het mij voorkomt aan voorbij dat het hof een grote vrijheid heeft bij zijn beslissing om al dan niet een prejudiciële vraag te stellen. Uit art. 267 VWEU volgt dat indien bij rechtbank of hof een vraag wordt opgeworpen over de ‘uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie’ en rechtbank of hof een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van het vonnis, zij het HvJEU kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Maar rechtbank noch hof is daartoe verplicht. Uit rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat een weigering van een domestic court ‘to grant a referral may, in certain circumstances, infringe the fairness of proceedings where the refusal proves to have been arbitrary’. Maar het EHRM legt daarbij de nadruk op ‘the obligation of reasoning on the national courts against whose decision there is no remedy under national law’.41 Het ligt ook niet in de rede om, in het geval de afwijzing van een verzoek om het stellen van een prejudiciële vraag minder gelukkig geformuleerd is, de bestreden beslissing op die grond te vernietigen. In cassatie dient de nadruk te liggen op de vraag of er voor Uw Raad aanleiding is een prejudiciële vraag te stellen.42 In dit licht komt ’s hofs motivering van de afwijzing van het verzoek, inhoudend dat de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen niet is gebleken, mij toereikend voor.

42. De stellers van het middel klagen ten slotte over de verwerping van het verweer dat [medeverdachte 1] geen vergunning nodig had omdat de uitzondering genoemd in categorie 28.10 onder 2 in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht van toepassing is. Het hof heeft dit verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

‘Door de raadsman is het verweer gevoerd dat de verdachte van het onder 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat [medeverdachte 1] geen vergunning nodig had, nu het een beroep kon doen op de in categorie 28.10 onder 2, in bijlage 1 bij het besluit Omgevingsrecht genoemde uitzondering. Dat, zoals de rechtbank in haar vonnis heeft overwogen, aan de hand van het afbraakproces in een reguliere rioolwaterzuiveringsinstallatie moet worden beoordeeld of sprake is van huishoudelijk afvalwater in de zin van de genoemde bijlage, vindt geen steun in de wet.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een geslaagd beroep op de in 28.10, onder 2, in bijlage 1 bij het besluit Omgevingsrecht genoemde uitzondering had het op de weg van de verdediging gelegen om aan te tonen dat de door [medeverdachte 1] bewerkte slobs afvalwater zijn dat wat biologische afbreekbaarheid betreft met huishoudelijk afvalwater overeen komt. Dit is, anders dan dat de deskundigen geconcludeerd hebben dat de slobs biologisch afbreekbaar zijn, niet gebeurd. De omstandigheid dat de wet het criterium van de biologische afbreekbaarheid niet verder definieert maakt niet dat ieder biologisch afbreekbaar afvalwater overeen komt met huishoudelijk afvalwater in de zin van de genoemde uitzondering. Het hof acht overigens geenszins aannemelijk dat de door [medeverdachte 1] bewerkte slobs qua biologische afbreekbaarheid overeenkomen met huishoudelijk afvalwater. Het verweer wordt verworpen.’

43. De stellers van het middel menen dat het hof het blijkens deze overweging met de verdediging eens is dat afbreekbaarheid in een rioolwaterzuiveringsinstallatie niet de norm is. Op dit punt gaan zij naar het mij voorkomt uit van een verkeerde lezing van de overweging van het hof. De opbouw maakt duidelijk dat het hof in de laatste zin van de eerste alinea niet meer doet dan het betoog van de verdediging samenvatten.

44. De stellers van het middel betogen voorts dat het hof met deze overweging de onschuldpresumptie schendt, omdat het niet aan de verdediging is om ‘aan te tonen’ dat de verdachte onschuldig is. Daarnaast stellen zij dat de verdediging veel handelingen heeft verricht om aannemelijk te maken dat de slobs biologisch afbreekbaar zijn, terwijl het hof het verzoek tot het benoemen van een deskundige en het voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen heeft afgewezen. Het is, zo begrijp ik, ook onduidelijk hoe de verdediging zou kunnen ‘aantonen’ dat de genoemde uitzondering van toepassing is, nu uit het gevoerde verweer zou blijken dat meerdere deskundigen juist hebben geconcludeerd dat de slobs biologisch afbreekbaar zijn en zelfs vollediger afbreekbaar dan huishoudelijk afvalwater. Mede gelet op ‘de indringendheid van het gevoerde verweer’ zou ’s hofs oordeel onvoldoende met redenen zijn omkleed.

45. De kritiek dat het hof de onschuldpresumptie zou hebben geschonden door te overwegen dat het op de weg van de verdediging lag om aan te tonen dat de door [medeverdachte 1] bewerkte slobs afvalwater zijn dat wat biologische afbreekbaarheid betreft met huishoudelijk afvalwater overeen komt, ziet eraan voorbij dat het hof uit de bewijsmiddelen al veel heeft kunnen afleiden over de samenstelling van de vloeibare stoffen die [medeverdachte 1] innam, en die de bewezenverklaring onder 4 en 5 omschrijft als ‘slobs, vetwater, waswater, restlading oliën, vetten en water, plantaardige oliën, vetten, en mengsels van oliën en vetten en water’. De kernactiviteit van [medeverdachte 1] was het scheiden van deze vloeistoffen in enerzijds water, anderzijds oliën en vetten.43 Daaruit kan worden afgeleid dat in de ingenomen vloeistoffen zoveel vet zat, dat deze activiteit loonde. [betrokkene 2] zegt daarover: ‘Dit gaat om ladingrestant oliën of vetten wat nog geld waard is. Onze afnemer [F] bepaalt achteraf wat de waarde is van dit product.’ De samenstelling van de aangeleverde vloeistoffen was niet uniform, maar uit wat Van [betrokkene 13] over de door hem vervoerde vloeistoffen zegt, heeft het hof kunnen afleiden dat de vergelijking daarvan met huishoudelijk afvalwater misplaatst is.44 Hij vervoerde ‘water, vuiligheid en olie’ en maakt onderscheid tussen slobs die ‘heel dik’ waren (en in de [naam 1] werden gepompt) en slobs die ‘vloeibaar waren’ en in de tankopleggers werden gepompt. Duidelijk is ook dat de personen die slobs hebben afgeleverd dit als een afvalstof zagen.45 ’s Hofs overweging kan aldus worden begrepen dat het, in het licht van deze bewijsmiddelen, op de weg van de verdediging lag om feiten en omstandigheden aan te voeren die desondanks tot toepassing van de uitzondering zouden kunnen leiden. Daarmee is de instructie voor de bewijslastverdeling die in de onschuldpresumptie besloten ligt niet miskend.46 Ik merk voorts nog op dat ’s hofs oordeel, inhoudende dat overigens geenszins aannemelijk is dat de door [medeverdachte 1] bewerkte slobs qua biologische afbreekbaarheid overeenkomen met huishoudelijk afvalwater, in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk is. Dat oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

46. Dat de verdediging veel handelingen zou hebben verricht om aan te tonen dat de slobs biologisch afbreekbaar zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals ook uit ‘s hofs overweging volgt gaat het er blijkens 28.10 onder 2o van bijlage I onder C bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dit per 1 januari 2011 kwam te luiden, niet om of de slobs biologisch afbreekbaar zijn. Aan de uitzondering is pas voldaan als de slobs wat biologische afbreekbaarheid betreft met huishoudelijk afvalwater overeenkomen.47 Dat de verzoeken om benoeming van een deskundige en om het stellen van prejudiciële vragen zijn afgewezen doet in dit verband niet ter zake. Ik merk daarbij op dat het onderhavige verzoek om benoeming van een deskundige niet strekte tot onderzoek door (bijvoorbeeld) een chemicus aan monsters van slobs en van huishoudelijk afvalwater om door middel van vergelijking daarvan een oordeel te geven over de overeenkomst, wat biologische afbreekbaarheid betreft, van eerder ingenomen slobs en huishoudelijk afvalwater.

47. Geheel ten overvloede merk ik nog op dat de bewezenverklaring van feit 5 niet enkel gebaseerd is op het gestelde in 28.10 van bijlage I onder C bij het Besluit omgevingsrecht. Relevant voor het bewerken van slobs etc. is ook hetgeen in onderdeel C van die bijlage wordt gesteld onder 6.3. (inrichtingen voor het bewerken van plantaardige oliën en vetten en voor het opslaan van plantaardige oliën en vetten in opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 m3) en onder 13.4. (inrichtingen voor e. het overslaan van schip naar schip). Ook als zou worden aangenomen dat de biologische afbreekbaarheid van de slobs overeenkomt met die van huishoudelijk afvalwater blijft derhalve onverkort overeind dat de vergunningplicht op [medeverdachte 1] wat de overige onderdelen van het onder 5 bewezenverklaarde betreft van toepassing was.

48. Het tweede middel faalt.

49. Het derde middel klaagt dat de verwerping van bewijsverweren verband houdend met de feiten 6 en 9 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende met redenen is omkleed.

50. Ten laste van de verdachte is onder 6 en 9 bewezenverklaard dat:

‘6:

(Zaak inzameling)

[medeverdachte 1] in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 14 november 2011 in Nederland, meermalen, opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen, te weten slobs, vetwater, waswater, restlading oliën, vetten en water en/of mengsels van oliën, vetten en/of water, heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars, terwijl hij, verdachte opdracht heeft gegeven tot bovenomschreven feiten;

9:

[Fraude Afvalstroomnummer]

[medeverdachte 1] op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 7 november 2011 (telkens) in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van valse geschriften, te weten begeleidingsbrieven - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als waren die geschriften (telkens) echt en onvervalst, en/of die valse geschriften heeft afgeleverd en/of heeft doen afleveren en voorhanden heeft gehad en/of voorhanden heeft doen hebben, terwijl die [medeverdachte 1] (telkens) wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren zij (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken en/of dat doen gebruikmaken en dat afleveren en/of dat doen afleveren en dat voorhanden hebben en/of dat doen voorhanden hebben (telkens) hierin dat [medeverdachte 1] ervoor heeft gezorgd en/of doen zorgen dat de volgende begeleidingsbrieven en andere begeleidingsbrieven aanwezig waren voor schippers van motortankschepen en die begeleidingsbrieven heeft afgegeven en/of doen afgeven en/of doen toekomen aan schippers van motortankschepen:

(BFK: volgen begeleidingsbrieven voor zeven schippers)

welke voornoemde schippers bedrijfsafvalstoffen kwamen afgeven aan [medeverdachte 1] en bestaande die valsheid hierin dat op die begeleidingsbrieven (telkens) een afvalstroomnummer stond vermeld dat (telkens) niet aan [medeverdachte 1] was afgegeven, terwijl hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.’

51. De bewezenverklaring van feit 6 berust (samen met die van de feiten 4 en 5) op 19 in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen. Uit de in het voorgaande weergegeven passages uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] ‘slobs, vetwater, waswater, restlading oliën, vetten en water en/of mengsels van oliën, vetten en/of water heeft ingezameld’. In verband met de bewezenverklaring onder 6 zijn voorts de volgende passages uit de gebezigde bewijsmiddelen van belang (met weglating van verwijzingen):

‘1. Een Zaaksproces-verbaal Inrichting (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Bij navraag bij de Kamer van Koophandel is gebleken dat op het adres [a-straat 1] te Dordrecht onder meer de volgende 3 bedrijven staan ingeschreven: (…)

[medeverdachte 1] , waarvan de directeur en enige aandeelhouder is genaamd [verdachte] . [medeverdachte 1] is een rechtspersoon met als vorm Besloten Vennootschap met als bedrijfsomschrijving: transport van plantaardige oliën en vetten, tank- en scheepsschoonmaakbedrijf, industriële reiniging en aanverwante dienstverlening aan bedrijven alsmede het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden in de meest ruime zin; tevens in- en verkoop. (…)

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juni 2011 (…) van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

In het kader van het onderzoek Tipai heb ik een nader onderzoek ingesteld naar de registratie van [medeverdachte 1] op de Niwo-lijst, als bedoeld en omschreven in artikel 10.45 lid 1 van de Wet milieubeheer. De Niwo-lijst geeft een (verplichte) registratie weer van Vervoerders, Inzamelaars, Handelaren en Bemiddelaars in bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (deze zijn vergunningplichtig). Op 7 juni 2011 voerde ik een controle uit in de Niwo-lijst. Ik zag dat [medeverdachte 1] alleen stond ingeschreven als vervoerder en handelaar, niet als inzamelaar en bemiddelaar. Het is [medeverdachte 1] dus niet toegestaan om bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen of daarin te bemiddelen.’

52. Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot het onder 6 bewezenverklaarde voorts de volgende overweging opgenomen:

‘Door de raadsman is bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 6 ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat geen sprake was van inzamelen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat het feitelijke grondslag mist. [medeverdachte 1] gold als inzamelaar in de zin van het besluit omgevingsrecht, hetgeen overigens ook volgt uit het feit dat [medeverdachte 1] in een later stadium alsnog met succes een inzamelingsvergunning heeft aangevraagd.’

53. De bewezenverklaring onder 6 is, zo bleek in randnummer 1, toegesneden op art. 10.45 Wet Milieubeheer. Dat luidde in de bewezenverklaarde periode als volgt:

‘1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen:

a. zonder vermelding op een lijst van inzamelaars, of

b. ingeval de afvalstoffen tot de krachtens artikel 10.48 aangewezen categorieën behoren, zonder vergunning van Onze Minister.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

3. Onze Minister wijst een instantie aan die namens hem zorg draagt voor de vermelding van inzamelaars op de in het eerste lid bedoelde lijst van inzamelaars.

4. Op aanwijzing van Onze Minister wordt de vermelding van een inzamelaar op de lijst beëindigd.

5. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de criteria voor vermelding op de lijst en beëindiging daarvan.’

54. De stellers van het middel betogen dat de omstandigheid dat [medeverdachte 1] in 2012 een volledige VIHB-registratie heeft aangevraagd niet (zonder meer) inhoudt dat [medeverdachte 1] in de daaraan voorafgaande periode opzettelijk slobs e.d. heeft ingezameld zonder vermelding op de lijst van inzamelaars. Zij wijzen daarbij op twee arresten waarin veroordelingen wegens economische delicten gecasseerd werden als gevolg van een ontoereikende onderbouwing van het bewezenverklaarde opzet (HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5023 en HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:24, NJ 2014/65).

55. Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.45, eerste lid, aanhef en onder a, Wet milieubeheer is ingevolge artikel 1a, onder 2°, WED een economisch delict. Ingevolge artikel 2, eerste lid, WED is dit economisch delict een misdrijf voor zover het opzettelijk is begaan. Deze opzeteis impliceert geen eis van boos opzet, opzet op het niet naleven van de wettelijke verplichtingen waar de bewezenverklaring op ziet.48 Tegelijk kan uit rechtspraak van Uw Raad worden afgeleid dat, zoals De Hullu het omschrijft, ‘het opzet soms toch in ieder geval op facetten van de wederrechtelijkheid moet zijn gericht’.49 Welke facetten door de opzeteis bestreken worden is daarbij niet altijd kristalhelder. Uit HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6731 lijkt te kunnen worden afgeleid dat bij strafbaarstellingen van zonder vergunning handelen meer vereist is dan de wetenschap dat geen vergunning voorhanden was. Daarentegen lijkt uit HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684, NJ 2009/10 te mogen worden afgeleid dat van het opzettelijk niet doen van een melding krachtens het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer reeds sprake is als de verdachte weet dat geen melding is gedaan, ook al wist hij niet dat hij daartoe verplicht was.50 Mij spreekt, gegeven het gekozen uitgangspunt, het laatste arrest meer aan. Het sluit het best aan bij het standpunt dat het opzet (alleen) gericht behoeft te zijn op de bestanddelen van de delictsomschrijving die erdoor beheerst worden.

56. De beide arresten die de stellers van het middel noemen zijn naar het mij voorkomt voor de vraag die het middel aan de orde stelt van minder belang. In HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5023 was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat ‘zij (…) tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 26, eerste lid van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (…) immers hebben zij afvalstoffen, te weten twaalf ongereinigde olievaten, overgebracht van Duitsland naar Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening.’ In cassatie werd onder meer geklaagd dat de bewezenverklaring van ‘medeplegen’ ontoereikend gemotiveerd was. Uw Raad overwoog dat het hof had vastgesteld dat de chauffeur in dienst van de verdachte de olievaten op een voertuig dat op naam stond van de verdachte had opgeladen teneinde deze over te brengen naar de locatie van een ander bedrijf, dat de vaten ook had ontvangen. Uit die omstandigheden kon niet worden afgeleid dat het opzet van de verdachte was gericht op het overbrengen zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten. Ik begrijp het arrest zo dat de bewijsmotivering hier ontoereikend was omdat niet is uitgesloten dat de verdachte in de veronderstelling heeft verkeerd dat een andere (rechts)persoon de kennisgeving had gedaan.51

57. In HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:24, NJ 2014/65 was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij ‘tezamen en in vereniging met een ander (…) een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Wet milieubeheer, (…) in werking had krachtens een (…) verleende vergunning, en daarbij opzettelijk gedragingen heeft verricht in strijd met voorschriften verbonden aan die vergunning’. Zo had hij ‘in strijd met voorschrift A3 de inrichting niet ordelijk en in goede staat van onderhoud gehouden door op verschillende plaatsen binnen de inrichting afvalstoffen zoals autobanden (…) op de bodem te brengen’ (etc.). Uw Raad overwoog dat bewezen was verklaard dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk in strijd met vergunningsvoorschriften had gedragen en dat daaruit volgde dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het overtreden van die vergunningsvoorschriften gericht moet zijn geweest. Deze uitspraak vloeit naar het mij voorkomt voort uit de omstandigheid dat het overtreden van de vergunningsvoorschriften, gelet op de redactie van de bewezenverklaring in die zaak, door de opzeteis werd beheerst.

58. In de onderhavige zaak is onder 6 bewezen verklaard dat [medeverdachte 1] opzettelijk bedrijfsafvalstoffen heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars, terwijl de verdachte opdracht heeft gegeven tot dat feit. Mij komt het voor dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te blijken dat [medeverdachte 1] (of de verdachte) wist dat inzamelaars van bedrijfsafvalstoffen op de betreffende lijst dienden te staan. Voldoende is dat [medeverdachte 1] wist dat zij niet als inzamelaar op deze lijst stond. Die wetenschap vloeit naar het mij voorkomt uit de bewijsmiddelen voort. Relevant is in het bijzonder de verklaring van [betrokkene 16] , casemanager bij de stichting NIWO.52 Daaruit volgt dat de verdachte op 1 maart 2005 namens [medeverdachte 1] een aanvraag heeft ingediend voor registratie als vervoerder en handelaar. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat [medeverdachte 1] en de verdachte wisten dat [medeverdachte 1] in de bewezenverklaarde periode niet geregistreerd stond als inzamelaar. Ook indien Uw Raad van oordeel zou zijn dat de opzeteis impliceert dat [medeverdachte 1] en de verdachte van de verplichting tot registratie als inzamelaar op de hoogte dienden te zijn, is de bewijsvoering mijns inziens overigens toereikend. De aanvraag uit 2005 maakt duidelijk dat [medeverdachte 1] en de verdachte van het bestaan van de registratie afwisten.

59. Daarmee falen de op de bewezenverklaring van feit 6 gerichte deelklachten.

60. De bewezenverklaring van het onder 9 bewezenverklaarde feit berust op vijf in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, die voor zover van belang als volgt luiden (met weglating van verwijzingen):

‘1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2011 (…) van de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ten vervolge op proces-verbaal (…) van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Waterpolitie, waarin wordt gerelateerd dat op 11 januari 2011 in Papendrecht een controle heeft plaatsgevonden van het motorschip ' [naam 4] ' is een nader onderzoek ingesteld. Dit schip had zijn ruimen met heet water gereinigd van ladingrestanten (raapzaadolie) en had dit waswater/spoelwater afgegeven aan [medeverdachte 1] . Na de afgifte had de schipper van [medeverdachte 1] een begeleidingsformulier van [medeverdachte 1] ontvangen. Dit begeleidingsformulier is als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van de KLPD gevoegd. Een kopie hiervan wordt als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd.

Ik zag dat op dit begeleidingsformulier een aantal zaken stonden vermeld:

Afvalstroomnummer: [001]

Het afvalstroomnummer is een uniek nummer, dat door de ontvanger wordt verstrekt aan de ontdoener. Dit nummer bestaat uit 12 karakters waarvan de eerste vijf posities uit het verwerkersnummer bestaan. De eerste vijf posities van bovengenoemd nummer betreft: [001] . Via controle bij het bevoegd gezag (i.d. provincie Zuid Holland) bleek mij dat dit verwerkingsnummer niet was afgegeven aan [medeverdachte 1] te Dordrecht, maar aan [I] , gevestigd te Lexmond, een afvalvet bewerkend bedrijf.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 november 2011 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 22 november 2011 afgelegde verklaring van [verdachte] :

Als schippers slobs aanleveren, krijgen ze een begeleidingsformulier voor afvalstoffen. Mijn zoon vult in opdracht van mij de gegevens op de formulieren in. Wat vooraf gedrukt is heeft mijn zoon in mijn opdracht gedaan. Zelf vul ik dan eventueel ontbrekende gegevens met pen in. Dat geldt voor alle begeleidingsbrieven die de politie in de administratie van [medeverdachte 1] heeft aangetroffen. Het afvalstroomnummer dat op de begeleidingsbrieven staat gebruik ik al jaren.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 november 2011 (…) van de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 16 november 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 17] :

Ik ben eigenaar van de rechtspersoon [I] te Lexmond. Ik heb het bedrijf in 2008 van [betrokkene 18] overgenomen. Ik nam met die koop ook de vergunning van [betrokkene 18] over en daarmee diens verwerkersnummer [001] . Ik heb dit verwerkersnummer tot nu toe nog steeds gebruikt in mijn afvalstroomnummers. Ik heb niemand, dus ook niet [medeverdachte 1] of diens directeur [verdachte] , toestemming gegeven om mijn verwerkersnummer te gebruiken.

4. Een Aanvullend proces-verbaal d.d. 28 februari 2014 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 14 november 2011 heeft er een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op het bedrijfsterrein aan de [a-straat 1] te Dordrecht. Bij deze doorzoeking werden onder andere de navolgende documenten aangetroffen:

71 originele begeleidingsbrieven voor afvalstoffen met als ontvanger [medeverdachte 1] , [a-straat 1] te Dordrecht.

Onder meer de navolgende begeleidingsbrieven zijn bij het proces-verbaal gevoegd. Op deze begeleidingsbrieven staat overal als afvalstroomnummer vermeld [001]

(BFK: volgen zes van de zeven begeleidingsbrieven uit de bewezenverklaring).

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2011 (…) van de politie Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op woensdag 2 februari 2011 werd door mij aan boord van motortankschip " [naam 5] " een controle verricht op grond van de Binnenvaartwetgeving en regelgeving scheepsafvalstoffen. Het schip lag afgemeerd aan de steiger bij de firma [medeverdachte 1] . De schipper [betrokkene 19] overhandigde mij een document welke hij verstrekt had gekregen bij de laatste afgifte van waswater/slobs. Het betrof een begeleidingsbrief nummer [002] , voor de afgifte van de slobs op 2 februari 2011 bij [medeverdachte 1] te Dordrecht onder afvalstroomnummer [001] door Mts [naam 5] . De begeleidingsbrief is als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd (…).’

61. Raadsman Berndsen heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 23 oktober 2017 blijkens zijn overgelegde pleitnota onder meer het volgende aangevoerd:

‘Ten aanzien van de kwestie afvalstroomnummer heb ik in eerste aanleg (…) uitvoerig uiteengezet dat het kort samengevat, gezien de milieu regelgeving de verantwoordelijkheid van [F] als inrichting in de zin van artikel 10.37 Wet Milieubeheer was om een - correct - afvalstroomnummer aan [medeverdachte 1] te verstrekken.

[medeverdachte 1] ging er vanuit dat het op de begeleidingsbrieven voorgedrukte afvalstroomnummer juist was. Gezien de bijzonder complexe regelgeving op dit gebied kan [medeverdachte 1] er redelijkerwijze geen verwijt van worden gemaakt dat zij [F] erop had moeten wijzen dat zij een nieuw afvalstroomnummer hadden moeten verstrekken. Van enig oogmerk tot misleiding in de zin van artikel 225 strafrecht aan de zijde van cliënten is dan ook al helemaal geen sprake. Dat de regelgeving bijzonder complex is blijkt zelfs uit de dagvaarding in eerste aanleg waarbij door de officier van justitie onder 9 primair wordt gerept over een afvalstroomnummer dat niet aan [medeverdachte 1] was afgegeven. Zoals in eerste aanleg al toegelicht is [medeverdachte 1] geen inrichting in de zin van artikel 10.37 Wm en kan daarom ook geen eigen verwerkersnummer krijgen van de meldingsinstantie.’

62. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdediging, kort gezegd, gesteld dat de achtergrond van het gebruik van het afvalstroomnummer van [I] door [medeverdachte 1] is geweest dat [medeverdachte 1] voordat zij ging samenwerken met [F] heeft samengewerkt met [I] en nadien hetzelfde afvalstroomnummer is blijven gebruiken.53

63. Het hof heeft in het bestreden arrest het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot feit 9 als volgt samengevat en verworpen:

‘De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 9 ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat het de verantwoordelijkheid van [F] als inrichting in de zin van artikel 10.37 Wet Milieubeheer was om een correct afvalstroomnummer aan [medeverdachte 1] te verstrekken.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe dat het verweer feitelijke grondslag mist. Op de begeleidingsbrieven die vanuit [medeverdachte 1] aan de schippers werden meegegeven was een afvalstroomnummer van een ander bedrijf weergegeven. Op grond waarvan [medeverdachte 1] er vanuit ging dat het op de begeleidingsbrieven voorgedrukte afvalstroomnummer juist was, is niet onderbouwd, anders dan onder verwijzing naar de stelling dat de regelgeving bijzonder complex is. Wat hier verder ook van zij, het ontslaat [medeverdachte 1] niet van haar verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat zij conform de geldende wet- en regelgeving handelt. Het verweer wordt verworpen.’

64. De stellers van het middel klagen dat de verwerping van het verweer tekortschiet: het zou wel degelijk feitelijke grondslag hebben en het hof zou niet hebben gereageerd op het verweer voor zover daarin beargumenteerd is aangevoerd dat het oogmerk van misleiding zou hebben ontbroken. Zij attenderen er daarbij op dat uit de plaats van het bestanddeel ‘opzettelijk’ in art. 225, tweede lid, Sr volgt dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet moet hebben op het gebruik maken van het geschrift als ware het echt en onvervalst, alsook op het valse of vervalste karakter van het geschrift, en dat hetzelfde geldt voor het voorhanden hebben of afleveren. Het enkele niet voldoen aan een zorgplicht, zoals het hof heeft overwogen, zou duiden op een schuldverwijt en niet op opzettelijk handelen.

65. De raadsman heeft de valsheid van de begeleidingsbrieven niet bestreden. Dat het om valse begeleidingsbrieven gaat die [medeverdachte 1] voorhanden had en waarvan zij gebruik maakte, kan worden afgeleid uit de bewijsmiddelen 1, 3, 4 en 5. Uit bewijsmiddel 3 volgt dat de eigenaar van de rechtspersoon [I] heeft verklaard dat hij bij de koop van het bedrijf de vergunning en daarmee het verwerkersnummer [001] overnam, dat hij dit steeds heeft gebruikt in zijn afvalstroomnummers en dat hij [medeverdachte 1] of de verdachte geen toestemming heeft gegeven om zijn verwerkersnummer te gebruiken. Uit bewijsmiddel 1 volgt dat het afvalstroomnummer een uniek nummer is waarvan de eerste vijf posities uit het verwerkersnummer bestaan.54 Uit bewijsmiddel 4 volgt dat in de administratie van [medeverdachte 1] 71 originele begeleidingsbrieven zijn aangetroffen met als ontvanger [medeverdachte 1] en met een afvalstroomnummer dat met [001] begint. Uit bewijsmiddelen 1 en 5 blijkt dat van deze begeleidingsbrieven gebruik werd gemaakt door [medeverdachte 1] .

66. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het opzet op de valsheid van de begeleidingsbrieven bestreden. [medeverdachte 1] zou ervan uit zijn gegaan ‘dat het op de begeleidingsbrieven voorgedrukte afvalstroomnummer juist was.’ De raadsman heeft verwezen naar [F] ; daarop zou de verantwoordelijkheid rusten om aan [medeverdachte 1] een – correct – afvalstroomnummer te verstrekken. Het hof heeft op dit verweer gereageerd met de vaststelling dat op [medeverdachte 1] de verantwoordelijkheid rust ‘om ervoor te zorgen dat zij conform de geldende wet- en regelgeving handelt’. Daarmee lijkt het hof uit te zijn gegaan van (de mogelijkheid van) een feitelijke gang van zaken waarin [medeverdachte 1] er inderdaad op heeft vertrouwd dat het voorgedrukte afvalstroomnummer juist was. Het hof overweegt ook dat [medeverdachte 1] niet heeft onderbouwd op grond waarvan het ervan uitging dat het voorgedrukte afvalstroomnummer juist was; dat zou er ook op kunnen duiden dat het hof ervan uit is gegaan dat [medeverdachte 1] daar op heeft vertrouwd. De omstandigheid dat [medeverdachte 1] er verantwoordelijk voor was dat zij met betrekking tot de begeleidingsbrieven conform de geldende wet- en regelgeving handelde, kan de gevolgtrekking dat [medeverdachte 1] opzettelijk gebruik maakte van een vals geschrift of een dergelijk geschrift voorhanden had niet dragen.55 Ook uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat [medeverdachte 1] (voorwaardelijk) opzet op de valsheid van de begeleidingsbrieven had.56

67. Het derde middel slaagt voor zover het de bewezenverklaring van feit 9 betreft.

68. Het vierde middel klaagt dat het hof onder 9 ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] opzettelijk gebruik maken van valse begeleidingsbrieven en aan het afleveren en/of voorhanden hebben daarvan, terwijl [medeverdachte 1] wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik. Het zou niet duidelijk zijn in hoeverre het hof bewezen heeft geacht dat daadwerkelijk gebruik is gemaakt van valse begeleidingsbrieven, dan wel daarvan nog geen gebruik is gemaakt maar [medeverdachte 1] die brieven wel heeft afgeleverd of voorhanden gehad terwijl [medeverdachte 1] wist dat die brieven voor gebruik bestemd waren. De bewezenverklaring zou daardoor onvoldoende met redenen zijn omkleed.

69. De bewezenverklaring blinkt inderdaad niet uit in duidelijkheid. In het eerste deel, voor ‘bestaande dat gebruikmaken en/of dat doen gebruikmaken en dat afleveren en/of dat doen afleveren en dat voorhanden hebben en/of dat doen voorhanden hebben (telkens) hierin’, is, zo blijkt al uit deze samenvattende passage, geen keuze gemaakt tussen deze verschillende alternatieven. Uit het vervolg van de bewezenverklaring en de kwalificatiebeslissing in samenhang met de bewijsmiddelen kan naar het mij voorkomt echter wel worden afgeleid hoe het hof de bewezenverklaring heeft bedoeld. Dat vervolg houdt in dat [medeverdachte 1] ‘ervoor heeft gezorgd en/of doen zorgen dat de volgende begeleidingsbrieven en andere begeleidingsbrieven aanwezig waren voor schippers van motortankschepen en die begeleidingsbrieven heeft afgegeven en/of doen afgeven en/of doen toekomen aan schippers van motortankschepen’ (waarna een opsomming van begeleidingsbrieven volgt). Uit de kwalificatie volgt dat het hof in de bewezenverklaring van feit 9 zowel (kort gezegd) het ‘opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift’ als het ‘voorhanden hebben’ van een dergelijk geschrift ‘terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst’ besloten acht. Het hof heeft de bewezenverklaring kennelijk aldus gelezen dat in het zorgen dat de begeleidingsbrieven aanwezig zijn het voorhanden hebben gelegen is en in het afgeven en doen toekomen het gebruik maken. Zo gelezen zijn bewezenverklaring en kwalificatie niet onbegrijpelijk. Dat [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van een deel van de begeleidingsbrieven kan voorts uit de bewijsmiddelen volgen; zo kan uit de bewijsmiddelen 1 en 5 worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring genoemde begeleidingsbrieven voor de MTS [naam 4] en de MTS [naam 5] zijn gebruikt. En ook het voorhanden hebben volgt uit de bewijsmiddelen, alleen al in het licht van de omstandigheid dat [medeverdachte 1] de begeleidingsbrieven waarvan gebruik is gemaakt in de bewezenverklaarde periode voordien met het oog daarop voorhanden heeft gehad.

70. De stellers van het middel klagen voorts dat indien het arrest zo gelezen wordt dat het hof bewezen heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de begeleidingsbrieven voorhanden heeft gehad en/of afgeleverd, terwijl [medeverdachte 1] wist dat die brieven voor gebruik waren bestemd, en vervolgens gebruik heeft gemaakt van die begeleidingsbrieven door die brieven af te leveren, en vervolgens heeft geoordeeld dat zulks twee verschillende feiten oplevert, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel verwijst daarbij naar de conclusie van A-G Hofstee bij HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3551, NJ 2015/29 en naar J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer, Wolters Kluwer: 2018, p. 534.

71. In HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3551 was sprake van het uitvoeren van drugs en van het aanwezig hebben van dezelfde drugs; voorts was sprake van eenheid van tijd en plaats. A-G Hofstee was van oordeel dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop had aangenomen. In het onderhavige geval is, zoals al uit de formulering van de klacht blijkt, niet van eenheid in tijd en plaats sprake. Voor zover van de begeleidingsbrieven gebruik is gemaakt volgt het gebruik maken op het voorhanden hebben. Denkbaar was geweest dat het hof bij feit 9 in zoverre voortgezette handeling had aangenomen (net als bij de feiten 2 en 3); in zoverre er ook begeleidingsbrieven waren waarvan nog geen gebruik is gemaakt was dit evenwel niet mogelijk. Het hof was naar het mij voorkomt niet verplicht de verhouding tussen deze feiten in het licht van de samenloopregeling nader te duiden. Voor het wettelijk strafmaximum is dit niet van belang; de onderhavige strafbare feiten maken onderdeel uit van een groter geheel van ernstige strafbare feiten. Mede in aanmerking genomen de opgelegde gevangenisstraf is het belang van de verdachte bij deze klacht overigens ook niet evident.

72. Het vierde middel faalt.

73. Het vijfde middel klaagt dat de verbeurdverklaring van een geldbedrag van één miljoen euro onvoldoende met redenen is omkleed. Het hof zou aan die verbeurdverklaring (klaarblijkelijk) ten grondslag hebben gelegd dat dit bedrag geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van strafbare feiten is verkregen. Daarmee zou het hof kennelijk toepassing hebben gegeven aan art. 33a, eerste lid onder a, Sr zoals dat luidt sinds 1 juli 2011, terwijl de bewezenverklaarde feiten (grotendeels) gepleegd zijn vóór inwerkingtreding van dat artikelonderdeel en er sprake is van een wijziging van sanctierecht ten bezware van de verdachte.

74. Het hof heeft in verband met de verbeurdverklaring het volgende overwogen:

‘De advocaat-generaal heeft de verbeurdverklaring van een geldbedrag ter hoogte van € 7.301.574,69 gevorderd.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte weliswaar een groot geldbedrag heeft witgewassen, maar dat hiervan niet zonder meer gezegd kan worden dat dit gehele geldbedrag als opbrengst (waarop bijvoorbeeld ook gemaakte kosten in mindering zijn gebracht) kan worden aangemerkt. Het hof hecht er hierbij aan op te merken dat, indien wel een ontnemingsvordering aanhangig was gemaakt, eveneens rekening met gemaakte kosten gehouden had moeten worden.

Daarbij heeft het hof nog in aanmerking genomen dat, anders dan bij het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de wet niet voorziet in het hoofdelijk verbeurdverklaren van een geldbedrag. Aldus zou verbeurdverklaren van het gevorderde bedrag bij zowel de verdachte als de verdachte rechtspersonen een dubbeltelling betekenen. Het hof zal om die reden de verbeurdverklaring gelasten van een lager bedrag dan gevorderd, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 1.000.000,-, welk geldbedrag naar het oordeel van het hof door middel van het onder 1, 4, 5, 6 en 9 bewezenverklaarde is verkregen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’

75. Na de inwerkingtreding van de wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11, luidde art. 33a, eerste lid, Sr voor zover van belang als volgt:

‘1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:

a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen;

b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

(…)’

76. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171, op 1 juli 201157 is het gestelde onder a komen te luiden:

‘a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;’

77. Uit de motivering van de verbeurdverklaring kan worden afgeleid dat het hof de verbeurdverklaring heeft bevolen in verband met de bewezenverklaring van de feiten 1, 4, 5, 6 en 9. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat verbeurdverklaring mogelijk is op grond van art. 33a, eerste lid, onder a, Sr; het verbeurdverklaarde bedrag is als de opbrengst van deze feiten aangemerkt. Die motivering roept vragen op waar het gaat om de veroordeling wegens gewoontewitwassen (feit 1). Uit rechtspraak van Uw Raad blijkt dat de opvatting dat geldbedragen die het voorwerp vormen van witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen onjuist is.58 Die geldbedragen kunnen wel worden aangemerkt als ‘voorwerpen met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan’ en kunnen als zodanig verbeurd worden verklaard.59

78. Uit de bewijsconstructie blijkt voorts dat het hof de bewezenverklaring van gewoontewitwassen in samenhang heeft gezien met de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3; dat zijn de misdrijven waaruit de contante geldbedragen afkomstig waren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het daarbij om grote bedragen gaat. Bewijsmiddel 3 maakt duidelijk dat aan de derdenbedrijven € 3.543.331,24 is overgemaakt. Duidelijk is tevens dat een groot deel van dat bedrag niet in handen van de eigenaren van de derdenbedrijven is terechtgekomen of gebleven. Uit de bewijsmiddelen (of de onderbouwing van de verbeurdverklaring) volgt evenwel niet welk deel is afgedragen en welk deel van dat bedrag [medeverdachte 1] vervolgens voorhanden had. Dat raakt niet de bewezenverklaring van gewoontewitwassen, waar in cassatie niet tegen wordt opgekomen; het brengt wel mee dat uit de bewijsmiddelen – of anderszins uit gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken60 – niet eenvoudig kan worden afgeleid welke bedragen in relatie tot feit 1 verbeurd zijn verklaard.61

79. Het hof heeft de verbeurdverklaring ook gebaseerd op de feiten 4, 5, 6 en 9. Het hof heeft niet duidelijk gemaakt hoe het totale verbeurd verklaarde bedrag zich tot (feit 1 en) deze verschillende misdrijven verhoudt. Daarmee heeft het hof in strijd gehandeld met art. 60, aanhef en onder 3° Sr, dat voor zover in deze van belang luidt: ‘In de gevallen van de artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien van bijkomende straffen de volgende bepalingen: (..) 3°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd’. Daarover wordt door het middel niet geklaagd. Dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt hoe de verbeurdverklaring zich tot de verschillende feiten verhoudt, is naar het mij voorkomt evenwel ook van belang bij de beoordeling van de klacht die het middel wel formuleert. Doordat het hof de verbeurdverklaring voor deze feiten gezamenlijk heeft opgelegd is niet na te gaan in hoeverre zij op elk van de feiten 4, 5, 6 en 9 is gebaseerd. En dat is ook niet uit de bewijsmiddelen of anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting af te leiden.

80. Daar komt bij dat de verbeurdverklaring voor zover deze op de feiten 4, 5, 6 en 9 ziet, door het hof is gebaseerd op het gestelde in art. 33a, eerste lid, onder a, Sr. Dat brengt mee dat, zoals de stellers van het middel terecht aanvoeren, verbeurdverklaring in verband met de feiten die voor 1 juli 2011 gepleegd zijn – behoudens de mogelijkheden die artikel 7 aanhef en onder e WED eventueel zou kunnen bieden – slechts mogelijk is in zoverre het gaat om voorwerpen die ‘geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen’ en niet in zoverre het gaat om voorwerpen die ‘uit de baten van’ het strafbare feit zijn verkregen.62 De bewezenverklaarde periode van feit 4 valt integraal voor deze datum, de bewezenverklaarde periode van de feiten 5, 6 en 9 valt gedeeltelijk voor deze datum. Tegen deze achtergrond schiet de motivering van de verbeurdverklaring naar het mij voorkomt (eveneens) tekort. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring voldaan is.63

81. Het vijfde middel slaagt.

82. Het zesde middel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie. De stukken van het geding zouden niet tijdig door het hof zijn ingezonden.

83. Op 13 december 2017 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 oktober 2018 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Indien Uw Raad de bestreden uitspraak vernietigt op het punt van de strafoplegging kan het middel evenwel onbesproken blijven omdat het tijdsverloop na terugwijzing van de zaak bij het hof aan de orde kan worden gesteld.

84. Het derde middel slaagt gedeeltelijk. Het vijfde en zesde middel slagen. Het eerste, tweede en vierde middel kunnen worden verworpen met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

85. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de beslissingen inzake het onder 9 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik geef deze overweging weer met inbegrip van de daarin blijkens de aanvulling op het verkort arrest aangebrachte correctie, inhoudend dat ‘getuige [betrokkene 2] ’ gelezen dient te worden als ‘toenmalige medeverdachte [betrokkene 2] ’.

2 Bewijsmiddelen 4, 12 t/m 15.

3 Bewijsmiddel 5.

4 Bewijsmiddel 16.

5 Bewijsmiddel 18.

6 Uit bewijsmiddel 5 volgt dat [betrokkene 1] op het adres [b-straat 1] woonde. Verdachte woonde op [b-straat 2] .

7 Bewijsmiddel 20.

8 Bewijsmiddelen 4, 21 t/m 24.

9 Bewijsmiddel 25.

10 Bewijsmiddel 27.

11 Bewijsmiddelen 4, 28.

12 Bewijsmiddel 29.

13 Bewijsmiddel 30.

14 Bewijsmiddel 32.

15 Bewijsmiddelen 4, 33.

16 Bewijsmiddel 34.

17 Bewijsmiddel 35.

18 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1; in het bijzonder een toereikende onderbouwing met argumenten ontbreekt.

19 Vgl. HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6064, rov. 3.3.

20 Bewijsmiddel 1.

21 Bewijsmiddel 6.

22 Bewijsmiddel 7.

23 Bewijsmiddel 9.

24 Bewijsmiddel 10.

25 Bewijsmiddel 11.

26 Bewijsmiddel 3. Vgl. ook bewijsmiddel 2.

27 Bewijsmiddel 7.

28 Besluit van 19 oktober 2007, Stb. 2007, 415.

29 Ingevolge het Besluit van 9 november 2009, Stb. 2009, 479 (inwerkingtreding 1 januari 2010, Stb. 2009, 513) is de bijlage opnieuw vastgesteld. Daarbij zijn de onderdelen van (onder meer) de geletterde categorieën w en ll voorzien van een nummering. Ik geef de bijlage hier weer zoals die luidde bij aanvang van de bewezenverklaarde periode.

30 Ingevolge het Besluit van 9 november 2009, Stb. 2009, 479, is ‘schepen voor de beroepsvaart’ gewijzigd in: ‘schepen anders dan pleziervaartuigen’.

31 Ingevolge het Besluit van 9 november 2009, Stb. 2009, 479, is ‘bedoeld’ gewijzigd in: ‘bestemd’.

32 Besluit van 10 juni 2010, Stb. 2010, 231.

33 Hier volgen de uitzonderingen die bekend zijn uit Bijlage 1 aanhef en onder ll van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

34 Besluit van 15 november 2010, Stb. 2010, 781. Dit besluit is met ingang van 1 januari 2011 in werking getreden (Besluit van 22 december 2010, Stb. 2010, 879).

35 PbEU 2008, L 312/3.

36 Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:194, NJ 2015/134 m.nt. Van Kempen , rov. 2.4; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:180, NJ 2014/289 m.nt. Van Kempen , rov. 2.2; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6513, rov. 2.3; HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5480, rov. 2.3; HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5584, NJ 2010/284, rov. 2.4.

37 Vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9190, rov. 2.5. Zie ook HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2425 (art. 81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van plv. A-G Paridaens (nrs. 7-9).

38 Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2189. Zie ook HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:534, rov. 2.3; HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302, rov. 3.3 en HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856, NJ 2015/323 m.nt. Borgers, rov. 2.3 waarin slechts art. 316 Sv als grondslag werd genoemd.

39 Vgl. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3029, NJ 2011/606 m.nt. Borgers; HR 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1363, NJ 2009/609.

40 Zie bewijsmiddel 6.

41 EHRM 16 april 2019, Baltic Master Ltd. v. Litouwen, appl. nr. 55092/16, rov. 34 en 35; EHRM 8 april 2014, Dhahbi v. Italië, appl. nr. 17120/09, rov. 31.

42 HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2011 kan in die zin worden opgevat; doorslaggevend lijkt dat Uw Raad zelf geen aanleiding ziet voor het stellen van prejudiciële vragen.

43 Bewijsmiddelen 4, 6, 9.

44 Bewijsmiddel 14.

45 Bewijsmiddelen 16, 17.

46 Vgl. J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief, Wolters Kluwer, Deventer: 2018, p. 238 e.v.

47 Er bevinden zich deskundigenrapporten in het dossier die daar licht op werpen. Daaruit kan worden afgeleid dat er belangrijke verschillen zijn in de concentratie van oliën en vetten ten opzichte van de stoffen die in regulier huishoudelijk afvalwater aanwezig zijn. Ik wijs er voorts op dat raadsman Berndsen op de terechtzitting van 23 oktober 2017 heeft gesteld dat diverse afvalwaterdeskundigen hebben geconcludeerd dat het afbraakproces in een reguliere waterzuiveringsinstallatie aanzienlijk langer duurt omdat er vanwege het hogere vetgehalte meer zuurstof voor nodig is en de afbreekbaarheid in die zin dus niet overeenkomt (pleitnota, p. 10).

48 Vgl. HR 18 maart 1952, ECLI:NL:HR:1952:1, NJ 1952/314 m.nt. Röling. Uw Raad hield aan deze benadering vast in HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783, NJ 2007/544 m.nt. Buruma, ondanks een conclusie van A-G Vellinga waarin anders was bepleit.

49 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, 7e druk, p. 227.

50 Zie voor andere rechtspraak De Hullu, a.w., p. 227-228.

51 Ingevolge art. 2 onder g van de destijds geldende EVOA (Verordening nr. 259/93), waar Uw Raad in hetzelfde arrest naar verwijst, werd onder ‘kennisgever’ verstaan: ‘elke natuurlijke of rechtspersoon die tot kennisgeving is verplicht, dat wil zeggen de hierna bedoelde persoon die voornemens is afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen: i) de persoon wiens activiteiten deze afvalstoffen hebben voortgebracht (oorspronkelijke producent), of ii) indien dat niet mogelijk is, een daartoe door een Lid-Staat erkende inzamelaar of een geregistreerde of erkende handelaar of makelaar die de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen regelt, of iii) indien deze personen onbekend of niet erkend zijn, de persoon die deze afvalstoffen in zijn bezit of onder zijn wettelijke controle heeft (houder), of (…).’

52 Bewijsmiddel 8.

53 Vgl. de pleitaantekeningen van raadsman Berndsen voor de terechtzitting in eerste aanleg op 13 maart 2014 (p. 25-26). Het afvalstroomnummer zou ‘uit praktische overwegingen (zijn) ingevoerd in het model dat op haar computer stond, zodat dit nummer op alle begeleidingsbrieven voorgedrukt werd’.

54 Zie ook art. 9 Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

55 Vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:548 en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:544. In HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4211 oordeelde Uw Raad de bewijsvoering wel toereikend; daar stond evenwel centraal dat de verdachte na een bericht dat 17 uit 20 werknemers zich met een gestolen of vals document hadden ingeschreven niet zorg had gedragen voor het vereiste toezicht.

56 Vgl. HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2590.

57 Besluit van 12 mei 2011, Stb. 2011, 237.

58 Vgl. onder meer HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 m.nt. Reijntjes; HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648.

59 Vgl. bijvoorbeeld HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9117; HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:217 (vijfde middel, art. 81 RO).

60 Vgl. HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/109, rov. 3.3; HR 18 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2019, NJ 1994/337, rov. 7.8.

61 De vordering van de Advocaat-Generaal was gebaseerd op een bewezenverklaring onder 1 van gewoontewitwassen van een bedrag van ‘ongeveer Euro 7.381.863,-‘. Van die passage heeft het hof evenwel partieel vrijgesproken, evenals van de passage ‘althans Euro 3.543.331,-’. Ook langs andere weg heeft het hof niet verduidelijkt welk bedrag zou zijn witgewassen.

62 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde wet van 10 december 1992 worden voorwerpen die door middel van het strafbare feit zijn verkregen omschreven als voorwerpen die ‘rechtstreeks door middel van het strafbare feit zijn verkregen’ en die ‘als onmiddellijk resultaat van een misdrijf zijn verkregen’. Indien de voorwerpen in een ‘meer verwijderd verband’ staan tot het misdrijf, achtte de wetgever toepassing van art. 36e Sr de aangewezen weg om het voordeel te ontnemen. Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 18.

63 Eerder casseerde Uw Raad een verbeurdverklaring van geldbedragen in HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1173. In HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9197 en HR 10 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9196, NJ 2008/347 bleef een verbeurdverklaring van geld waarvan het hof had aangenomen dat het door middel van het strafbare feit verkregen was in stand.