Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:101

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/02304
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:475
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02304 P

Zitting: 12 februari 2019

(bij vervroeging)

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 3 februari 2017 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 16.417,15 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

  2. De zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (18/01020), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt over de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Allereerst behelst het middel de klacht dat het hof niet heeft duidelijk gemaakt of de ontnemingsmaatregel steunt op art. 36e, eerste, tweede of derde lid, Sr. Voorts bevat het middel de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden ontleend aan de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel tot een bedrag van in totaal € 16.417,15 heeft verkregen uit het in de samenhangende strafzaak bewezen verklaarde “witwassen, meermalen gepleegd”.

  5. Het hof heeft in de bestreden uitspraak de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt gemotiveerd:

“Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de veroordeelde gedurende de in zijn strafzaak bewezen verklaarde periode, te weten de periode van 13 december 2010 tot en met 4 februari 2013:
- een Seat Leon heeft gekocht, waarvan de koopsom ad. €.7.410,- door hem in contanten is voldaan,
- bedragen van in totaal € 5.400,- en € 3.550,- aan contanten op respectievelijk de rekening van [betrokkene] h/o [A] (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en de rekening van [betrokkene] (rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) heeft gestort, alsmede een bedrag van in totaal € 22.002,15 aan contant geld voor de huur van auto's bij [B] heeft uitgegeven.

Het hof acht het - zoals ook in de strafzaak is overwogen - genoegzaam aannemelijk geworden dat de veroordeelde in die periode een bedrag van 8.520,- bij de Lotto heeft gewonnen en - voor de aanschaf van de Seat Leon en als startkapitaal voor het bedrijf [A] - een bedrag van € 13.425,- van zijn ouders heeft gekregen, reden waarom het hof in de strafzaak ten aanzien van een gedeelte, groot € 21.945,-, van het totaalbedrag aan contante betalingen en stortingen ad. € 38.362,15 niet wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat dit - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig was. Wel bewezen is dat de veroordeelde geldbedragen tot een totaal van € 16.417,15 heeft witgewassen.

Het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, wordt derhalve vastgesteld op € 16.417,15 en het hof zal de veroordeelde de verplichting opleggen om dit bedrag ter ontneming van dat voordeel aan de Staat te betalen.”

6. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene aan de volgende bewijsmiddelen ontleend:

“1. Een kopie van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 januari 20171 onder rolnummer 22-004409-15, waarbij de veroordeelde onder meer wegens "witwassen, meermalen gepleegd", is veroordeeld, met bewijsmiddelenbijlage.


2. Een rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 juli 2015 van de politie Rotterdam met rapportnummer 2013038138. Dit rapport verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Bij deze berekening wordt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte [betrokkene] bestaat uit de contante geldbedragen welke hij in de onderzoeksperiode voorhanden heeft gehad of heeft omgezet.
Deze bedragen zijn niet verklaarbaar uit legale inkomsten en het is aannemelijk dat deze bedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf, vermoedelijk de handel in verdovende middelen.

Uitgave huurauto's
In deze periode is bij [B] een contant bedrag omgezet van € 22.967,15 (totaalbedrag) minus € 500,- en € 465,- (pinbetalingen) € 22.002,15.”

7. Ten aanzien van de eerste deelklacht heeft het volgende te gelden. Uit hetgeen hiervoor onder 5 van deze conclusie is opgenomen, volgt dat daarin ligt besloten dat het hof heeft vastgesteld dat het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit als grondslag van de vordering wordt aangemerkt. Daarmee heeft het hof toepassing gegeven aan art. 36e, tweede lid, Sr, in die zin dat het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen, meermalen gepleegd. In zoverre faalt het middel.

8. Ten laste van de betrokkene is in hoofdzaak door het hof bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 13 december 2010 tot en met 4 februari 2013, in Nederland telkens een geldbedrag (in totaal 16.417,15 euro) heeft overgedragen, terwijl hij wist dat deze geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

9. Bij de beoordeling van de derde deelklacht van het middel moet worden vooropgesteld dat de opvatting dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, niet juist is. Wanneer het hof de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert op het bewezen verklaarde witwassen, dient het hof nader te motiveren waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dat feit. De enkele overweging dat die geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die de betrokkene tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering.2

10. In de voorliggende zaak heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde witwassen daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat oordeel berust kennelijk op de opvatting dat de in de bewezen verklaarde periode gestorte bedragen en contante uitgaven reeds wederrechtelijk verkregen voordeel vormden aangezien deze bedragen voorwerp waren van het bewezen verklaarde “witwassen, meermalen gepleegd”. In het licht van hetgeen hiervoor onder 9 is vooropgesteld, is die opvatting niet juist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde “witwassen, meermalen gepleegd” het door het hof geschatte bedrag daadwerkelijk aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In zoverre slaagt het middel. Dat betekent dat de tweede deelklacht buiten bespreking kan blijven.

11. Het middel slaagt.

12. Het tweede middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

13. Namens de verdachte is op 14 februari 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 27 februari 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal voorts uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken.

14. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu de zaak vanwege het slagen van het eerste middel zal moeten worden teruggewezen, kan het hof na terugwijzing de overschrijding van de redelijke termijn in zijn overwegingen betrekken.3 Dat betekent dat de Hoge Raad het middel onbesproken kan laten.

15. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan buiten bespreking blijven.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het arrest van het hof in de hoofdzaak (rolnummer 22-004409-15) is gedateerd op 3 februari 2017. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van onder meer het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2017. Gelet daarop ga ik ervanuit dat er sprake is van een kennelijke verschrijving.

2 Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:88, rov. 2.3, HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66, rov. 2.6, HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2500, rov. 2.3, HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2501, rov. 2.3, HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2502, rov. 2.3, HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258, rov. 2.5, HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222, rov. 2.5, HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2718, rov. 3.3, HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331, rov. 2.4, HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3485, rov. 2.3, HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3172, rov. 2.6, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071, rov. 3.3, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051, rov. 2.4, HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648, rov. 2.4, HR 3 december 2013, ECU:NL:HR:2013:1559, rov. 2.4 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 m.nt. Reijntjes, rov. 2.3.

3 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.3