Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1008

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
19/02524
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1787, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Incident tot voeging in cassatie, art. 217 Rv. Stuit voeging in cassatie af op omstandigheid dat partij die voeging vordert, (na voeging in eerste aanleg) in hoger beroep partij was en niet zelf cassatieberoep heeft ingesteld? Belang bij voeging? Afwijzing vordering tot voeging wegens strijd met eisen van een goede procesorde of misbruik van procesrecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02524

Zitting 4 oktober 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

National Joint Stock Company Naftogaz of Ukraine,

gevestigd te Kiev, Oekraïne,

(hierna: Naftogaz)

inzake:

Omni Bridgeway S.A.,

gevestigd te Genève, Zwitserland,

(hierna: Omni)

Tegen

Trameta KFT,

gevestigd te Nagypáli, Hongarije,

(hierna: Trameta)

Naftogaz vordert in dit incident op de voet van art. 217 Rv in cassatie te worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van Omni. Aan de orde komt de vraag of Naftogaz ontvankelijk is in deze incidentele vordering, nu zij reeds in de vorige instanties betrokken was als gevoegde partij en in die hoedanigheid bevoegd was om cassatie in te stellen.

1. Procesverloop 1

1.1 In dit kort geding heeft Omni, kort gezegd, gevorderd (na wijziging van eis in hoger beroep) om Trameta, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te gebieden een deel van € 750.000 plus 30% van de executoriale opbrengst van een partij in Slowakije in beslag genomen gas van Naftogaz te doen bijschrijven op een rekening van Chabrier Advocats SA te Zwitserland, althans over te maken naar Geerlings en Hofstede Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, tot een eensluidende gezamenlijke instructie van Omni en Trameta over de verdeling dan wel overeenkomstig een onherroepelijke rechterlijke uitspraak in een procedure tussen Trameta en Omni, met veroordeling van Trameta in de kosten.

1.2 Naftogaz heeft in eerste aanleg gevorderd in het kort geding te mogen interveniëren, primair als tussenkomende partij met zelfstandige vorderingen strekkende tot staking/schorsing van de lopende executiemaatregelen in Slowakije en subsidiair als gevoegde partij aan de zijde van Omni. De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft ter zitting van 23 januari 2019 de primaire vordering tot tussenkomst afgewezen en de subsidiaire vordering tot voeging toegestaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Naftogaz belang bij de uitkomst van de procedure.2

1.3 Bij vonnis van 6 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter de door Omni gevorderde voorziening toegewezen en Trameta veroordeeld in de kosten van zowel Omni als Naftogaz.

1.4 Trameta heeft tegen dit vonnis (turbo) appel ingesteld bij het hof Amsterdam. Omni en Naftogaz, laatstgenoemde als geïntimeerde aan de zijde van Omni, hebben de grieven van Trameta bestreden. Naftogaz heeft voorts zelfstandig hoger beroep en incidenteel appel ingesteld tegen de afwijzing van de vordering tot tussenkomst door de voorzieningenrechter alsmede in hoger beroep (nogmaals) een incidentele vordering tot tussenkomst.

1.5 Bij mondelinge uitspraak op 28 maart 2019, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, heeft het hof het bestreden vonnis vernietigd en in principaal appel (zaaknummer 200.254.745/01) de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om van de vorderingen van Omni kennis te nemen, met veroordeling van Omni in de kosten van beide instanties. Het hof heeft in het door Naftogaz ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.225.363/02), in het incidenteel hoger beroep en in het incident verklaard dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Naftogaz, met veroordeling van Naftogaz in de kosten.

1.6 Omni heeft (tijdig)3 cassatieberoep ingesteld tegen de mondelinge uitspraak in de zaak 200.254.745/01. Op de rolzitting van 12 juli 2019 heeft Naftogaz bij incidentele conclusie gevorderd in cassatie te worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van Omni. Trameta heeft op 9 augustus 2019 verweer gevoerd in het hoofdgeding en in het incident geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Naftogaz, althans tot afwijzing van haar vordering met veroordeling van Naftogaz in de kosten van het incident. Omni heeft in het incident geconcludeerd tot referte.

2 Bespreking van de incidentele vordering tot voeging

2.1

Allereerst rijst de vraag of Naftogaz ontvankelijk is in haar vordering om zich in cassatie aan de zijde van Omni te mogen voegen. Naftogaz was immers reeds in eerste aanleg toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van Omni en ook in die hoedanigheid betrokken in het (principaal) hoger beroep als mede-geïntimeerde. Trameta heeft (primair) betoogd dat Naftogaz niet-ontvankelijk is in haar incidentele vordering tot voeging, omdat Naftogaz als gevoegde partij zelfstandig cassatieberoep had moeten instellen, hetgeen zij heeft nagelaten.

2.2

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van Naftogaz in haar incidentele vordering tot voeging, stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 217 Rv kan een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het aannemen van een belang bij voeging voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.4

2.3

Anders dan een vordering tot tussenkomst, kan een vordering tot voeging ook in cassatie worden ingesteld.5 De aard van de cassatieprocedure verzet zich niet daartegen. De partij die zich aan de zijde van een van de partijen in cassatie voegt, ondersteunt uitsluitend het standpunt van die partij en introduceert derhalve – anders dan bij tussenkomst het geval zou zijn – geen nieuwe feitelijke grondslag. De gevoegde partij is gebonden aan de rechtsstrijd zoals die door de cassatiemiddelen is bepaald. Hij kan dus niet zelf middelen tegen de bestreden uitspraak aanvoeren.6

2.4

Een partij die zich in het geding heeft gevoegd, is daarmee procespartij geworden en aldus bevoegd om een rechtsmiddel in te stellen tegen in dat geding gewezen uitspraken.7 De gevoegde partij heeft echter niet altijd belang bij het instellen van een rechtsmiddel. De gevoegde partij heeft in de regel alleen belang bij een rechtsmiddel wanneer de partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd óók een rechtsmiddel instelt.8 Wanneer die partij geen rechtsmiddel instelt, heeft de gevoegde partij in beginsel uitsluitend belang om zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden een rechtsmiddel aan te wenden tegen het vonnis in de hoofdzaak indien zij daarmee kan voorkomen dat de uitspraak jegens haar in kracht van gewijsde gaat en beslissingen daarin jegens haar gezag van gewijsde verkrijgen.9 Dat belang ontbreekt wanneer de gevoegde partij niet in de proceskosten is veroordeeld en evenmin het risico loopt dat de uitspraak in de zaak waarin zij zich heeft gevoegd jegens haar gezag van gewijsde krijgt. Dat laatste doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de gevoegde partij zelf mede partij is bij de aan de orde zijnde rechtsbetrekking.10

2.5

In de zaak waarop het onderhavige cassatieberoep betrekking heeft, is Naftogaz niet veroordeeld in de proceskosten. Evenmin bestond het risico voor Naftogaz dat de uitspraak van het hof jegens haar gezag van gewijsde zou krijgen. Aan een uitspraak in kort geding komt immers geen gezag van gewijsde als bedoeld in art. 236 Rv toe.11 Dit brengt mee dat Naftogaz wat betreft het instellen van cassatieberoep in een afhankelijke positie verkeerde; zij zou daarbij slechts belang hebben indien Omni ook in cassatie zou komen. Het komt mij niet wenselijk voor dat een gevoegde partij in een dergelijke situatie gedwongen zou zijn om (zekerheidshalve) cassatieberoep in te stellen om als gevoegde partij betrokken te blijven in het geding. Ik sluit mij daarom aan bij de opvatting dat een herhaalde vordering tot voeging mogelijk is voor een reeds in vorige instantie gevoegde partij.12 Met een voeging kan bovendien niet hetzelfde effect worden bereikt als het instellen van een rechtsmiddel. Daarmee kan dus niet een verzuim om (tijdig) een rechtsmiddel aan te wenden worden hersteld.13 De gevoegde partij heeft slechts een beperkte rol.14 Zoals reeds opgemerkt, kan zij in cassatie geen cassatiemiddelen aanvoeren, maar slechts argumentatie aandragen om het standpunt van de partij aan wier zijde zij zich voegt te ondersteunen. In de literatuur wordt er – terecht – op gewezen dat een gevoegde partij die zelf geen rechtsmiddel instelt, maar zich in de hogere instantie opnieuw voegt, uiteraard niet langs deze weg kan ontkomen aan een kostenvergoeding die ten laste van haar is uitgesproken.15

2.6

Op grond van art. 415 lid 1 Rv dient de incidentele vordering tot voeging in cassatie te worden ingesteld bij conclusie. Met betrekking tot het tijdstip van indiening van de incidentele conclusie bevat de Derde Afdeling van Titel 11 van Boek 1 Rv geen bepalingen. Hoewel art. 218 Rv niet uitdrukkelijk in art. 418a Rv van toepassing is verklaard in cassatie, kan deze bepaling (evenals art. 217 Rv) analogisch worden toegepast.16 Art. 218 Rv bepaalt dat de vordering tot voeging moet worden ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen. Dit betekent dat de incidentele vordering tot voeging in cassatie moet worden ingediend vóór of op de roldatum waarop verweerder in cassatie een verweerschrift heeft ingediend. In dit geval is aan dit vereiste voldaan. 17

2.7

Voorts dient in cassatie tot uitgangspunt dat ook aan het belangvereiste van art. 217 Rv is voldaan. In eerste aanleg heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat Naftogaz voldoende belang in de zin van art. 217 Rv heeft om zich aan de zijde van Omni te voegen. Dit oordeel is door Trameta in hoger beroep niet bestreden. Het door Trameta in dit incident gevoerde subsidiaire verweer dat Naftogaz geen recht en belang heeft bij toewijzing van haar vordering tot voeging in cassatie behoeft derhalve geen bespreking. Dit geldt temeer omdat Trameta aan haar verweer geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd waarvan zij heeft betoogd dat deze door de rechtbank (en door Trameta bij het instellen van hoger beroep) niet in aanmerking konden worden genomen, doordat deze zich pas daarna hebben voorgedaan en die een ander oordeel over het belang van Naftogaz rechtvaardigen.18

2.8

Het voorgaande brengt mee dat de incidentele vordering tot voeging kan worden toegewezen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot toewijzing van de incidentele vordering tot voeging.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In verband met de in dit incident voorliggende vraag wordt volstaan met een beknopte weergave van het procesverloop. Vermelding van de vaststaande feiten laat ik achterwege. Zie voor de feiten rov. 2.1-2.17 van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1401, waarnaar het hof Amsterdam verwijst in rov. 3 van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op 28 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1717, NJF 2019/407.

2 Zie het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1401, rov. 1.1.

3 De procesinleiding in cassatie is op 23 mei 2019 bij de Hoge Raad ingediend. De cassatietermijn bedraagt in deze zaak acht weken (zie art. 402 lid 2 Rv in verbinding met art. 339 lid 2 Rv).

4 Zie HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295, rov. 3.2; HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369, rov. 3.4; HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306, NJ 2017/125, rov. 3.3.

5 In verzoekschriftprocedures is evenwel geen plaats voor voeging. Zie HR 13 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5559, NJ 1987/583; E.L. Schaafsma-Beversluis, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, titel 3 Boek 1 Rv, aant. 19; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/244. Ook in bijzondere procedures, zoals in onteigeningszaken, kan voeging uitgesloten zijn, zie HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5706, NJ 2010/375.

6 Zie HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, rov. 3.3. Vgl. ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/243; B. Winters, T&C Rv, art. 415 Rv, aant. 2 onder b.

7 Zie o.a. HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791, RvdW 2019/638, rov. 3.3.2.

8 G. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op paragraaf 3 van Afdeling 10 van Boek 1 Rv, aant. 5.

9 Vgl. HR 9 april 2010: ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388 m.nt. E.A. Alkema, rov. 3.2.

10 Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, NJ 2013/203, rov. 4.1; G. Snijders, t.a.p.; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/ 53; B. Winters, T&C Rv, art. 398 Rv, aant. 2 onder i.

11 Zie HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583, NJ 1995/213, rov. 3.3.

12 Zie G. Snijders, t.a.p., alsmede aant. 6 op art. 218 Rv, aant. 6.

13 Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4187, NJF 2019/340, rov. 3.2. Tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden is cassatieberoep ingesteld (zaaknummer 19/03778).

14 Zie nader over de bijzondere procespositie van de gevoegde partij M.O.J. de Folter, Vrijwaring & Interventie (BPP nr. 11) 2009/152.

15 Zie G. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op paragraaf 3 van Afdeling 10 van Boek 1 Rv, aant. 5.

16 Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/243; E. Korthals Altes, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 415 Rv, aant. 1 onder verwijzing naar HR 19 januari 1917, ECLI:NL:HR:1917:11, NJ 1917/227.

17 Vgl. voetnoot 16 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent van 13 september 2019 in zaak 19/01544.

18 Vgl. ten aanzien van de incidentele vorderingen op de voet art. 234 en 235 Rv: HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688, NJ 2015/158, rov. 3.3.1 onder (iv); HR 6 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1115, NJ 2018/319, rov. 3.2.2.