Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1001

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
17/03866
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1811
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over: 1. het bewijs van medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van 3525 hennepplanten in loods waarvan verdachte eigenaar is; 2. schending redelijke termijn in de cassatiefase. Het advies van de AG aan de Hoge Raad is het arrest met betrekking tot de hoogte van de opgelegde straf te vernietigen en tot verwerwerping van het cassatieberoep conform art. 81 RO voor het overige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/03866

Zitting 1 oktober 2019

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 1 augustus 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “medeplegen van diefstal” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

1.3

In het eerste middel staat de bewijsconstructie van het onder 1 bewezen verklaarde medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van 3525 hennepplanten centraal. Het tweede middel heeft betrekking op de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Alvorens over te gaan tot de bespreking van het eerste middel, geef ik de bewezenverklaring en de nadere bewijsoverweging van het hof weer.

2 Bewezenverklaring

2.1

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“1:

hij in de maand juni 2010 te Cuijk tezamen en in vereniging met een ander in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk 3525 hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, aanwezig heeft gehad;

2:

hij in de maand juni 2010 te Cuijk tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Enexis B.V., heeft weggenomen.”

2.2

Deze bewezenverklaring steunt op 12 bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkort arrest zijn opgenomen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het arrest bevat de navolgende bewijsoverweging:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Het pand gelegen aan de [a-straat 1] te Cuijk is in bruikleen gegeven aan een goede vriend van verdachte, namelijk [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft - zonder toestemming dan wel kennisgeving vooraf aan cliënt - een gedeelte van het pand verhuurd aan een Vietnamese man. In het verhuurde gedeelte van het pand is de hennepkwekerij aangetroffen. Verdachte wist niets van de aangetroffen hennepkwekerij en de illegale omleiding van de elektriciteitsaansluiting, laat staan dat hij daarbij was betrokken. Getuige [getuige 1] heeft onjuist verklaard bij de politie, zijn verklaring bij de rechter-commissaris geeft een ander beeld en derhalve is de verklaring van [getuige 1] onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs. Dat verdachte meegebouwd heeft aan een verdiepingsvloer in de loods zegt niets over wetenschap met betrekking tot een hennepkwekerij en voorts verbleef verdachte frequent in Dubai en was hij niet regelmatig in de loods. Er is derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde feiten en vrijspraak dient te volgen, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt het volgende.

Op 16 juni 2010 (einddossier [betrokkene 1] , pag. 95) treft de politie in het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Cuijk een hennepkwekerij aan. In de loods hingen camera’s. Achter een stellage werd een schuifdeur aangetroffen met daarachter een professionele hennepkwekerij. De kwekerij bestond uit twee etages. Op de benedenverdieping waren 1965 planten aanwezig, met onder andere 91 assimilatielampen en 68 transformatoren. Op de bovenverdieping 1560 planten met 51 transformatoren inclusief assimilatielampen.

In de meterkast van het pand was een omleidingskabel gemaakt om de stroommeter heen, waardoor diefstal van stroom plaatsvond.

In de grote hal van het pand, buiten de twee genoemde kwekerijen, werden diverse plastic manden (plukemmers) aangetroffen met daarin kleine resten van hennepplanten.

De aangetroffen planten waren 49 dagen oud (einddossier [betrokkene 1] , pag. 5).

Sinds het jaar 2003 is verdachte de eigenaar van het genoemde pand te Cuijk (einddossier [betrokkene 1] , pag. 94 en 95). Het pand is vanaf 1 augustus 2004 tot aan 31 juli 2009 voor een bedrag van € 27.000,00 per jaar verhuurd aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (einddossier [betrokkene 1] , pag. 86 en 89). Zij exploiteerden het bedrijf [A] in het pand (einddossier [betrokkene 1] , pag. 85). Toen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het pand begin juni 2009 verlieten was er in het pand geen getimmerd hok met rolluik rechts achterin het pand en geen dubbele achterwand (einddossier [betrokkene 1] , pag. 86).

Nadat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het pand hadden verlaten, heeft medeverdachte [betrokkene 1] het pand in bruikleen genomen (einddossier [verdachte] , pag. 8). [verdachte] heeft verklaard dat er geen huurcontract is opgesteld. [betrokkene 1] is een bekende van hem en wilde een bedrijf opzetten in meubels en/of ten behoeve van binnenhuisarchitectuur. [betrokkene 1] hoefde vooralsnog geen huur te betalen aan [verdachte] .

Vrachtwagenchauffeur [getuige 2] sprak, na het vertrek van [A] , met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 1] ) (einddossier [betrokkene 1] , pag. 83), kort voor de bouwvak in 2009. De getuige heeft toen gevraagd of hij zijn vrachtwagen mocht blijven plaatsen op het terrein. In de zomer heeft hij gezien dat er gebouwd werd aan een tussenwand en een bovenetage. Ook viel hem op dat er camera’s hingen en de deur en de poort elektrisch waren gemaakt ter beveiliging. Naast de twee personen [verdachte] en [betrokkene 1] heeft hij nooit andere mensen daar gezien.

Door de buurman van het pand aan de [a-straat 1] , getuige [getuige 1] , is verklaard dat vanaf omstreeks september 2009 verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] ongeveer twee maanden bezig zijn geweest in het pand waarbij een hoop bouwmateriaal is afgeleverd dat de loods inging. Onder andere platen, stalen balken en isolatiemateriaal zijn afgeleverd (einddossier [betrokkene 1] , pag. 79 en 80). AI deze tijd heeft hij verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] daar bezig gezien. Tot het aantreffen van de kwekerij heeft hij verdachte geregeld de loods in zien gaan, vaak samen met de medeverdachte [betrokkene 1] .

Bij de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 1] verklaard dat, nadat medeverdachte [betrokkene 1] in beeld kwam, camera’s op het pand zijn geplaatst. Ook heeft hij allerlei plaatmateriaal en hout aangevoerd zien worden. Als de spullen geleverd werden was altijd één van de twee aanwezig. [betrokkene 1] was degene die hoofdzakelijk, in principe iedere dag, aanwezig was in het pand. Verdachte was er ook regelmatig, in de beginfase twee tot driemaal per week en later eenmaal of tweemaal per 14 dagen. Hij zag soms om 05:00 uur of 07:00 uur ’s ochtends auto’s en personen ter plaatse, en soms laat in de avond. Hij zag ook dat er dozen uit het pand werden meegenomen. Verdachte heeft hij twee of drie weken voor 15 juni 2010 bij het pand gezien, hij zag hem naar binnen lopen.

Medeverdachte [betrokkene 1] heeft bij de rechter-commissaris op 24 september 2013 verklaard dat het bedrijfje in meubels niet goed liep en dat hij een Vietnamees, genaamd [betrokkene 5] , tegenkwam die een ruimte zocht voor de opslag van meubels en potten uit Vietnam. Hij heeft toen een deel van de loods onderverhuurd per 1 april 2010. Deze Vietnamees heeft de wanden dichtgemaakt en toen had hij geen zicht meer op het verhuurde gedeelte. Toen het enige tijd verhuurd was kreeg [betrokkene 1] argwaan. Wat er gebeurde leek geen zuivere koffie.

Hij heeft verdachte hierover ingelicht.

Eerst ter zitting in hoger beroep heeft [betrokkene 1] een huurcontract overgelegd dat per 1 april 2010 [betrokkene 1] aan [betrokkene 5] een gedeelte van de loods verhuurt (welk contract aan de processtukken in de zaak van verdachte is toegevoegd).

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat medeverdachte [betrokkene 1] een verdiepingsvloer in de hal wilde. Verdachte heeft daarmee ingestemd, is betrokken geweest bij het bestellen van het materiaal, heeft de verbouwing bekostigd en is bij de verbouwing aanwezig geweest. Vlak voordat de hennepkwekerij werd opgerold heeft [betrokkene 1] hem verteld over de (onder)verhuur (verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 18 juli 2017).

Beoordeling hof

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over wat zij gezien hebben bij het pand aan de [a-straat 1] in Cuijk. De ter zitting in hoger beroep ingebrachte schriftelijke verklaring van [getuige 1] doet niet af aan hetgeen hij bij de politie heeft verklaard en bij de rechter-commissaris heeft bevestigd. Dat hij eerst stelt verdachte op 2 juni 2010 te hebben gezien en later dat hij twee of drie weken vóór de inval van 16 juni 2010 verdachte heeft gezien doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring met betrekking tot zijn waarnemingen over de materialen die werden binnengebracht in het pand en de aanwezigheid van verdachte daarbij. De in de pleitnota genoemde periodes van verblijf in Dubai zijn daarmee evenmin in strijd. Uit de genoemde verklaringen blijkt dat verdachte nauw betrokken was bij de verbouwing in het pand waarbij een extra etage is gebouwd in de hal.

Het hof acht de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] dat hij toonzaaltjes wilde bouwen in het pand en toen het bedrijfje niet lukte hij een deel van de loods heeft onderverhuurd aan een Vietnamees genaamd [betrokkene 5] , niet geloofwaardig.

De pas ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde huurovereenkomst acht het hof onvoldoende om als serieuze onderbouwing van dat feit te dienen. Nog daargelaten het late moment in het proces dat het document is overgelegd, is ter zitting door de advocaat-generaal daartegen ingebracht dat de tenaamgestelde op de huurovereenkomst ( [betrokkene 5] ) niet de persoon is die volgens de door het parket van de advocaat-generaal geraadpleegde registers sinds 2001 op het in de huurovereenkomst vermelde woonadres woont. Nu die informatie van de advocaat-generaal onweersproken is gebleven en enige nadere toelichting op dat punt van de zijde van verdachte ontbreekt, is nadere verifiëring van de stelling van verdachte dat hij het pand in onderhuur heeft verstrekt aan de Vietnamese persoon ‘ [betrokkene 5] ’ niet mogelijk.

Het hof acht de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] over de onderverhuur bovendien ongeloofwaardig omdat plukemmers met daarin resten van hennep buiten de kweekruimtes zijn gevonden in het ‘niet verhuurde’ gedeelte van het pand, te weten de grote hal. Dat in het dossier de vindplaats van deze emmers wordt omschreven als voorloods acht het hof daarmee niet in strijd, immers uit het relaas proces-verbaal blijkt duidelijk dat deze buiten de kweekruimtes zijn gevonden.

Voorts neemt het hof het volgende in aanmerking. Verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] hadden toegang tot het bedrijfspand en waren daar ook regelmatig aanwezig. Het hof acht met de rechtbank uitgesloten dat in het bewuste pand door anderen verbouwingswerkzaamheden hebben kunnen plaatsvinden en dat twee grote professionele kweekruimten zijn opgezet van het formaat als hier aan de orde en hebben gefunctioneerd, zonder dat verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] daarvan op de hoogte zouden raken, en evenzeer dat anderen het risico van ontdekking daarvan voor lief zouden nemen. Daarnaast is het allerminst opmerkelijk te noemen dat er zonder medeweten van verdachte en medeverdachte een hennepkwekerij zou zijn opgezet in een zeer recent door henzelf verbouwd gedeelte in het pand waarbij een nieuw getimmerd hok met rolluik rechts achterin het pand is geplaatst en er tevens verschillende beveiligingsmaatregelen zijn genomen. Alles wijst erop dat het pand ingericht werd ten behoeve van de hennepkwekerij alsmede dat het pand dag en nacht onder toezicht moest staan nu er een slaapzak in het kantoor, scheerbenodigdheden op het toilet en camera’s in het pand zijn aangetroffen (einddossier [betrokkene 1] , pag. 96).

Dat verdachte niet geweten heeft van de hennepkwekerij acht het hof ongeloofwaardig. Voorafgaand aan het aantreffen van de kwekerij is door getuige [getuige 1] twee tot drie weken daarvoor nog waargenomen dat verdachte het pand binnenging. Volgens de getuige is verdachte tot aan het oprollen van de kwekerij op regelmatige basis aanwezig geweest. Nu de kwekerij in ieder geval, gelet op de ouderdom van de aangetroffen planten eind april al volop in werking was voor wat betreft de aangetroffen kweek, kan het, gelet ook op het formaat en de omvang van de kwekerij, niet anders zijn dan dat verdachte heeft waargenomen wat zich in zijn bedrijfspand bevond. Het hof concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap had van de hennepkwekerij in zijn pand.

Medeplegen

Met betrekking tot de vraag of sprake is van medeplegen stelt het hof voorop dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht moet zijn. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat tussen verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het opzettelijk aanwezig hebben van een hennepkwekerij. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte, in de vorm van het ter beschikking stellen van een pand, het helpen verbouwen van de ruimte ten behoeve van de kwekerij, bestellen van materialen en het financieren daarvan alsmede zijn regelmatige aanwezigheid is naar het oordeel van het hof van voldoende gewicht.

Gelet op het feit dat verdachte op de hoogte was van de hennepkwekerij in zijn pand, hij bij die kwekerij een wezenlijke rol vervulde, zoals hiervoor is overwogen, en de hennepkwekerij werd voorzien van een illegale elektriciteitsaansluiting in zijn meterkast, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat verdachte minst genomen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de elektriciteit ten behoeve van de kwekerij op illegale wijze, buiten de elektriciteitsmeter om, werd afgetapt.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal van elektriciteit, zoals verwoord in de bewezenverklaring.

Het verweer wordt verworpen, in al zijn onderdelen.”

4 Het eerste middel

4.1

Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging gevoerde verweer dat de verklaring van getuige [getuige 1] niet juist is voor zover die inhoudt dat hij heeft waargenomen dat de verdachte op 2 juni 2010, althans twee of drie weken voor 16 juni 2010 het pand in Cuijk is binnengegaan. De klacht is dat de verwerping van dat verweer onbegrijpelijk is aangezien de in de pleitnota genoemde periodes van verblijf in Dubai met de verklaring van die getuige in strijd zijn.

4.2

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2017 blijkt dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“(…)

Feiten 1 & 2

Getuigenverklaring [getuige 1]

De verdediging zal uw gerechtshof aantonen dat de verklaring van [getuige 1] onjuist en daardoor onbetrouwbaar is en niet te gebruiken is voor enige bewijsvoering in deze zaak.

De rechtbank heeft de veroordeling gebaseerd op de politieverklaring van (1) [getuige 1] , (2) de verklaring van [verdachte] dat hij in september/oktober 2009 een verdiepingsvloer in de loods heeft gebouwd en (3) het aantreffen van een hennepkwekerij.

(…)

Daarnaast stelt de rechtbank dat [getuige 1] heeft verklaard, dossierpagina 80, dat hij [verdachte] in de periode van het bouwen van de verdiepingsvloer regelmatig heeft gezien op de locatie van de loods. De verdiepingsvloer is gebouwd in september 2009 en heeft twee maanden geduurd. Daarna heeft hij [verdachte] ook nog regelmatig gezien stelt hij in zijn verklaring. Ter weerlegging hiervan overhandigd [verdachte] een uitdraai van al zijn vluchten naar Dubai (Bijlage 2).

Hieruit volgt dat in de periode van de verbouwing tot en met het aantreffen van de hennepkwekerij [verdachte] op de navolgende data in het buitenland verbleef.

Periode in Dubai: 10 Oktober 2009 t/m 17 Oktober 2009

29 Oktober 2009 t/m 10 November 2009

3 Januari 2010 t/m 18 Februari 2010

17 Maart 2010 t/m 3 April 2010

12 Mei 2010 t/m 6 Juni 2010

Het is dus niet mogelijk dat [getuige 1] [verdachte] op zeer frequente basis heeft gezien in de loods, nadat de verdiepingsvloer is gebouwd. Ook dat [getuige 1] verklaard in zijn politieverklaring dat [verdachte] op 2 juni woorden zou hebben met een persoon bij de loods is dus onmogelijk gelet op de vluchtgegevens van [verdachte] . Hij was immers in Dubai.

(…)”

4.3

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de in hoger beroep overgelegde vluchtgegevens blijkt dat de verdachte (onder meer) tussen 12 mei 2010 en 6 juni 2010 in Dubai verbleef. De tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige 1] houdt in dat hij de verdachte bij het pand heeft waargenomen twee of drie weken voor 15 juni 2010. Gelet op de overgelegde vluchtgegevens vallen echter zowel 1 juni 2010 als 25 mei 2010 in de periode waarin de verdachte in Dubai verbleef, aldus de stellers van het middel.

4.4

Uit de toelichting blijkt dat het middel is gericht tegen met name de volgende overweging van het hof:

“Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over wat zij gezien hebben bij het pand aan de [a-straat 1] in Cuijk. De ter zitting in hoger beroep ingebrachte schriftelijke verklaring van [getuige 1] doet niet af aan hetgeen hij bij de politie heeft verklaard en bij de rechter-commissaris heeft bevestigd. Dat hij eerst stelt verdachte op 2 juni 2010 te hebben gezien en later dat hij twee of drie weken vóór de inval van 16 juni 2010 verdachte heeft gezien doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring met betrekking tot zijn waarnemingen over de materialen die werden binnengebracht in het pand en de aanwezigheid van verdachte daarbij. De in de pleitnota genoemde periodes van verblijf in Dubai zijn daarmee evenmin in strijd. Uit de genoemde verklaringen blijkt dat verdachte nauw betrokken was bij de verbouwing in het pand waarbij een extra etage is gebouwd in de hal.”

4.5

Allereerst merk ik op dat de overweging die volgens het middel onbegrijpelijk is, samenhangt met het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaring van onder andere de getuige [getuige 1] voor zover het gaat om de waarnemingen van deze getuige met betrekking tot materialen die in het pand aan de [a-straat 1] te Cuijck werden binnengebracht en de aanwezigheid van de verdachte daarbij. De verklaring van getuige [getuige 1] houdt daarover onder meer in dat de verdachte omstreeks september 2009 met medeverdachte [betrokkene 1] in de loods bezig was. In die periode werd een hoop bouwmateriaal, waaronder platen, hout, houten kabelrollen, isolatie en stalen balken, afgeleverd dat de loods in ging. Het bouwen heeft ongeveer twee maanden in beslag genomen. Al die tijd heeft de getuige de verdachte daar samen met medeverdachte [betrokkene 1] bezig gezien. Bij het leveren van de spullen was er altijd een van de twee aanwezig, of allebei (bewijsmiddel 7 en 8).

4.6

De in de pleitnota opgenomen periodes van verblijf in Dubai houden niet in dat de verdachte zich daar na september 2009 gedurende een aaneengesloten periode heeft bevonden. Tegen die achtergrond is de overweging van het hof dat de periodes van verblijf in Dubai niet in strijd zijn met de waarnemingen ten aanzien van de materialen die werden binnengebracht in het pand en de aanwezigheid van de verdachte daarbij, niet onbegrijpelijk.

4.7

Voor zover de getuigenverklaring van [getuige 1] ook nog inhoudt dat hij “zeker [weet] dat [hij] [verdachte] 14 dagen of 3 weken voor 15 juni 2010 bij dat pand [heeft] gezien” en dat hij “zijn auto [zag] en hem naar binnen [heeft] zien lopen” (bewijsmiddel 8) ligt dit anders.

4.8

De stellers van het middel wijzen er terecht op dat de verklaring van [getuige 1] op dat punt in feite inhoudt dat de getuige de verdachte in de week van 1 juni 2010 of 25 mei 2010 heeft gezien, terwijl de in hoger beroep overgelegde vluchtgegevens onder meer inhouden dat de verdachte op 12 mei 2010 naar Dubai is gevlogen en op 6 juni 2010 weer terug. Hij was op de door de getuige aangewezen momenten dus niet in Nederland. Dat maakt dat de overweging van het hof dat “voorafgaand aan het aantreffen van de kwekerij door getuige [getuige 1] twee tot drie weken daarvoor nog [is] waargenomen dat verdachte het pand binnenging” niet begrijpelijk is.

4.9

Dit hoeft echter, gelet op de overige door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden waarover in cassatie niet wordt geklaagd, niet tot cassatie te leiden. Ik wijs daartoe op het volgende.

4.10

De verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennep en is veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben daarvan (feit 1).1

4.11

Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] toegang hadden tot het bedrijfspand en daar ook regelmatig aanwezig waren. Verder heeft het hof overwogen dat gelet op de door de verdachte en [betrokkene 1] recent uitgevoerde verbouwing van de loods waarbij tevens verschillende beveiligingsmaatregelen zijn genomen, alles erop wijst dat het pand werd ingericht ten behoeve van de hennepkwekerij. Dat de verdachte niet heeft geweten van de hennepkwekerij acht het hof ongeloofwaardig. Het hof baseert dit oordeel op de omstandigheden dat de verdachte tot aan het oprollen van de kwekerij op regelmatige basis bij de loods aanwezig is geweest en dat gelet op de ouderdom van de aangetroffen planten de kwekerij eind april al volop in werking moet zijn geweest. Onder die omstandigheden kan het, gelet ook op het formaat en de omvang van de kwekerij, naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte heeft waargenomen wat zich in zijn bedrijfspand bevond. Dat brengt het hof tot de slotconclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de hennepkwekerij in zijn pand.

4.12

Ten aanzien van het bewezen verklaarde medeplegen heeft het hof nog overwogen dat tussen de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het opzettelijk aanwezig hebben van de hennepkwekerij. De intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte bestond uit het ter beschikking stellen van een pand, het helpen verbouwen van de ruimte ten behoeve van de kwekerij, bestellen van materialen en financieren daarvan alsmede zijn regelmatige aanwezigheid. Deze bijdrage was volgens het hof van voldoende gewicht. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat de beide mededaders weet hadden van de aanwezigheid van de hennepplanten.2 Dat oordeel is in het licht van de daarbij door het hof in aanmerking genomen omstandigheden niet onbegrijpelijk. De in de pleitnota opgenomen periodes van verblijf in Dubai houden immers niet in dat de verdachte zich na september 2009 gedurende een aaneengesloten periode in Dubai heeft bevonden.

4.13

Daarnaast heeft het hof in de bestreden uitspraak tot uitdrukking gebracht dat de in de loods aangetroffen hennepplanten zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden3 en dat er sprake was van de voor het medeplegen vereiste ‘gezamenlijke machtsuitoefening’.4 Ook die oordelen zijn gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. De verdachte en de medeverdachte hadden immers toegang tot de loods en waren daar ook regelmatig aanwezig. Daarbij is niet gebleken dat de verdachte tot de ruimtes waarin de hennepplanten zijn aangetroffen geen toegang zou hebben gehad.

4.14

De op zichzelf kennelijk onjuiste vaststelling van het hof dat “voorafgaand aan het aantreffen van de kwekerij door getuige [getuige 1] twee tot drie weken daarvoor nog [is] waargenomen dat verdachte het pand binnenging” legt onvoldoende gewicht in de schaal om de uitvoerig gemotiveerde bewijsconstructie in zijn geheel onbegrijpelijk te maken.

4.15

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1

In het tweede middel wordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.

5.2

Namens de verdachte is op 7 augustus 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 april 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Daarover wordt terecht geklaagd. De Hoge Raad zal bovendien uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken.

5.3

Het middel is terecht voorgesteld.

6 Conclusie

6.1

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.

6.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:195 onder 11.

2 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:318 onder 10-12.

3 Vgl. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359.

4 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens voorafgaand aan HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1159 onder punt 11. Zie ook de conclusies van mijn ambtgenoten Knigge voorafgaand aan HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008 onder 6.4, en Aben voorafgaand aan HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:318 onder 10-12.