Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:10

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
16/05762
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:247
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag beslag art. 552a Sv. Art. 94 Sv beslag op Rolex en geldbedrag en art. 94a Sv beslag op uitkering letselschadeverzekering van klaagster. Het oordeel van de rechtbank dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag van de Rolex en het geldbedrag is - gelet op de weinige feitelijke vaststellingen - niet toereikend gemotiveerd. Daarnaast heeft de rechtbank verzuimd in haar motivering blijk te geven een onderzoek te hebben ingesteld naar de proportionaliteit van het beslag op de uitkering van de letselschadeverzekering. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad de beschikking zal vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05762 B

Zitting: 8 januari 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 27 mei 2016 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op een Rolex, een geldbedrag van € 1.000,- en een uitkering van de letselschadeverzekering, ongegrond verklaard.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Inleiding

3. In deze zaak gaat het om strafvorderlijk beslag in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen jegens de klaagster. Op 15 december 2015 is op grond van art. 94 Sv ten laste van de klaagster in beslag genomen een Rolex en een geldbedrag van € 1.000,-. Op 16 maart 2016 is op grond van art. 94a Sv ten laste van de klaagster conservatoir beslag gelegd op een aan haar toekomende uitkering van de letselschadeverzekering.

4. De klaagster heeft op 3 maart 2016 een klaagschrift tegen de inbeslagneming van de Rolex en het geldbedrag ingediend. Op 27 mei 2016 is een aanvullend klaagschrift ingediend dat ziet op het conservatoir beslag op de uitkering van de letselschadeverzekering. De rechtbank heeft het klaagschrift en de aanvulling daarop op 27 mei 2016 behandeld en het klaagschrift op diezelfde dag ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 15 december 2015 zijn voornoemd voorwerp en geldbedrag in beslag genomen. Op 16 maart 2016 is conservatoir beslag gelegd op de letselschade-uitkering van klaagster.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

Ten aanzien van het horloge en het geldbedrag van € 1.000.-

In het onderhavig geval is ten aanzien van het horloge en het geldbedrag van € 1.000,- sprake van een voorwerp en geldbedrag die volgens het Openbaar Ministerie dienen om de waarheid aan de dag te brengen.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het onderzoek nog niet is afgerond.

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat nu het onderzoek nog loopt het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag. Immers, het voorwerp en geldbedrag zijn in beslag is genomen met het doel om de waarheid aan het licht te brengen en zijn daartoe ook geschikt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het beslag op de uitkering van klaagster

Ten aanzien van de uitkering is sprake van geldbedragen die volgens het Openbaar Ministerie aan klaagster toebehoren en die dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door klaagster wederrechtelijk verkregen voordeel of een aan klaagster op te leggen geldboete.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak tegen klaagster, aan haar de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen of dat er sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen klaagster een geldboete zal opleggen.

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster een geldboete zal opleggen of in de ontnemingszaak aan klaagster de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Immers, klaagster wordt verdacht van witwassen en het onderzoek hiernaar is nog in volle gang.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.”

Het eerste middel (de Rolex en het geldbedrag van € 1.000,-)

5. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het strafvorderlijk belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen de opheffing van het beslag op de Rolex en het geldbedrag van € 1.000,-. Volgens de steller van het middel is niet duidelijk op grond waarvan de inbeslaggenomen Rolex en het geldbedrag zouden kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen zodat het oordeel van de rechtbank niet (zonder meer) begrijpelijk is.

5.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de Rolex en het geldbedrag ten laste van de klaagster in beslag zijn genomen op grond van art. 94 Sv. In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.1 Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen (ook in een zaak van een ander dan de klager) kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen2 of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.3

5.2.

Namens de klaagster is tijdens de behandeling van het klaagschrift in raadkamer aangevoerd dat er geen enkel argument is om de klaagster in verband te brengen met witwassen. De inbeslaggenomen Rolex en het geldbedrag kunnen dan ook niet gekoppeld worden aan het tenlastegelegde witwassen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Rolex en het geld een rol kunnen spelen in de waarheidsvinding van de zaak en vervolgens dit oordeel als enige grondslag gebruikt voor de ongegrondverklaring van het beklag.

5.3.

Allereerst merk ik op dat de feitenvaststelling door de rechtbank mager is. Het enige wat zij vaststelt is dat de klaagster verdacht wordt van witwassen. Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt dat de officier van justitie naar voren heeft gebracht dat deze verdenking verband houdt met de verdenking van de betrokkenheid van de partner van de klaagster bij een hennepplantage. Volgens de officier van justitie bestaat de verdenking eruit dat de klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het geld dat daarmee verdiend is. Het is echter onduidelijk in hoeverre de rechtbank deze standpunten deelt. Ook de inhoud van het summiere dossier biedt voor deze standpunten geen aanknopingspunten.

5.4.

In aanmerking genomen dat het oordeel van de rechtbank niet (veel) meer inhoudt dan het enkele refereren aan de maatstaf die is toegesneden op het specifieke strafvorderlijke belang van de waarheidsvinding, meen ik dat het oordeel van de rechtbank niet toereikend is gemotiveerd. Daar komt bij dat geld alleen in betrekkelijk uitzonderlijke gevallen kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Meestal volstaat voor de waarheidsvinding een proces-verbaal van bevindingen, waarin het aantreffen van het geld en eventueel de samenstelling van de coupures worden beschreven. Het handhaven van het beslag voor alleen de waarheidsvinding is dan niet meer nodig.4 Datzelfde geldt voor de Rolex. Er valt – vanwege de weinige, feitelijke vaststellingen – niet zonder meer in te zien hoe de handhaving van het beslag nog verder bijdraagt aan de waarheidsvinding.5 Een nadere motivering, die inzicht verschaft in de gedachtegang van de rechtbank, was daarom geboden.

6. Het eerste middel is terecht voorgesteld.

Het tweede middel (de uitkering van de letselschadeverzekering)

7. Het tweede middel bevat de klacht dat de rechtbank verzuimd heeft (gemotiveerd) te beslissen op het verweer dat het beslag op de uitkering van de letselschadeverzekering niet in overeenstemming is met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

7.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat op grond van art. 94a Sv ten laste van de klaagster conservatoir beslag is gelegd op de uitkering van de letselschadeverzekering van de klaagster. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van, of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.6

7.2.

Blijkens het aanvullend klaagschrift en het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer is namens de klaagster aangevoerd dat de uitkering van de letselschadeverzekering haar enige inkomstenbron is en zij en haar kind hiervan moeten leven. Zij heeft ook een uitkering aangevraagd, maar die is afgewezen. Zij kan wegens arbeidsongeschiktheid niet werken, anders had zij dat wel gedaan. Aangezien beslag is gelegd op de uitkering van de letselschadeverzekering moet zij geld lenen van familie en eten halen bij de voedselbank. Het beslag is dan ook in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

7.3.

De rechtbank heeft overwogen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster een geldboete of ontnemingsmaatregel zal opleggen. Zij heeft tevens overwogen dat de klaagster wordt verdacht van witwassen en dat het onderzoek hiernaar nog in volle gang is. De rechtbank is daarbij niet (nader) ingegaan op de vraag of de handhaving van het beslag in overeenstemming is met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

7.4.

Het is de vraag of de rechtbank daartoe gehouden was. Ik merk allereerst op dat er geen ambtshalve verplichting voor de beklagrechter bestaat de proportionaliteit en de subsidiariteit van het (conservatoir) beslag te onderzoeken. Alleen onder omstandigheden dient volgens de Hoge Raad de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk te geven een onderzoek te hebben ingesteld naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van de eventueel op te leggen geldboete of van het te ontnemen bedrag. Daarbij moet in het bijzonder worden gedacht aan een specifieke en gemotiveerde klacht van de klager over de disproportionaliteit van het beslag.7

7.5.

De hiervoor bedoelde jurisprudentie ziet op een andere vorm van disproportionaliteit dan waarop de klaagster zich beroept. Zij wijst namelijk op de disproportionaliteit tussen het belang van de strafvordering en haar belangen, te weten het het voorzien in het levensonderhoud van haar en haar kind. Ook een onderzoek naar deze vorm van disproportionaliteit lijkt de Hoge Raad niet uit te sluiten.8 Ik meen daarom dat onder omstandigheden de rechter ook blijk zal moeten geven een onderzoek te hebben ingesteld naar de proportionaliteit tussen het belang van strafvordering en de belangen van de klaagster.9

8. Dat brengt mij tot de volgende slotsom. In het licht van hetgeen namens de klaagster is aangevoerd en in aanmerking genomen dat ingevolge art. 475c, onder e, Rv een beslagvrije voet is verbonden aan de vorderingen tot periodieke betaling van de letselschadeverzekering,10 meen ik dat de rechtbank in de motivering van de beslissing ervan blijk had moeten geven een onderzoek te hebben ingesteld naar de proportionaliteit van het beslag.

9. Ook het tweede middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

11. Met het oog op de verdere afhandeling van de zaak veroorloof ik mij nog het volgende op te merken. Uit door namens mij ingewonnen inlichtingen bij Dienst Domeinen is gebleken dat op 19 januari 2016 – nog vóór de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank – is besloten naast klassiek beslag, tevens conservatoir beslag te leggen op de Rolex en het geldbedrag. Dit is echter door de rechtbank in de bestreden beschikking niet vastgesteld, noch door de procespartijen opgemerkt. Voor de verdere behandeling van het klaagschrift is dus van belang de juiste grondslag van het beslag vast te stellen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing van de zaak als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8.

2 Zie bijv. HR 1 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4701, NJ 2009/408, rov. 2.3.

3 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.9.

4 Vgl. Conclusie AG Knigge voor HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1085, onder 5.10-5.12.

5 Dit is mogelijk anders ten aanzien van de andere in art. 94 Sv genoemde doeleinden, zoals verbeurdverklaring maar dat vergt een nadere feitenvaststelling.

6 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.14.

7 Zie o.a. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881.

8 Conclusie AG Knigge voor HR 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6674, onder 4.7 en HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9296.

9 Zie ook de conclusie van AG Spronken van 27 november 2018, zaaknr. 17/02266 B, die van eenzelfde opvatting uitgaat.

10 Art. 94c lid 1 Sv verklaart de vierde titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van overeenkomstige toepassing op het in art. 94a Sv bedoelde beslag. Deze titel omvat onder andere art. 720 Rv, dat onder meer art. 475b, 475c en 475d Rv van overeenkomstige toepassing verklaart. Zie HR 23 januari 1996, NJ 1998/627 m.nt. Schalken, rov. 4.2.