Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
18/00253
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:121
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen moord in vakantiewoning op camping in Ewijk door met vuurwapen kogel af te vuren op ander (art. 289 Sr) en medeplichtigheid aan medeplegen opzettelijke brandstichting auto waarin stoffelijk overschot lag (art. 157.1 Sr). 1. Namens OM is in strijd met art. 410.1 Sv geen appelschriftuur ingediend. 2. Schending art. 422.2 Sv nu Hof slechts heeft beraadslaagd n.a.v. onderzoek ttz. in h.b. 3. Heeft Hof n.a.v. toegewezen vordering wijziging tll. (toevoeging medeplichtigheid) t.a.v. medeplichtigheid aan medeplegen brandstichting grondslag van tll. verlaten door aangebrachte verbeteringen bij vaststelling tll.? 4. Medeplegen moord. HR: art. 81.1 RO. CAG t.a.v. grondslagverlating: ’s Hofs oordeel dat het gaat om kennelijke misslag die zich voor verbetering door rechter leent en verdachte door correcties niet in zijn verdediging is geschaad, is niet onbegrijpelijk, nu verdediging heeft ingestemd met wijziging tll. en geen bezwaar heeft gemaakt tegen gekozen bewoordingen. Aanpassing tll. bracht geen verandering in aan verdachte verweten behulpzaamheden bij brandstichting, terwijl in redelijkheid geen onduidelijkheid heeft kunnen bestaan over vraag om welke brandstichting het ging. Samenhang met 17/04598, 17/04698, 17/04738 en 17/05490.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00253

Zitting: 8 januari 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 20 september 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 primair “medeplegen van moord” en feit 2 meer subsidiair “medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 9.762,65 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.1

2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/04598, 17/04698, 17/04738 en 17/05490. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de begrijpelijkheid van het (impliciete) oordeel van het hof dat het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang om het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het verzuim van het openbaar ministerie een appelschriftuur in te dienen.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede:
In deze zaak is hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. Het hof beschikt wel over een grievenformulier, maar niet over een appelschriftuur. Het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 primair en het onder 2 primair/subsidiair ten laste gelegde.
[...]
De advocaat-generaal deelt mede:
Ik ben evenmin in het bezit van een appelschriftuur. Ik heb hierover geen contact gehad met de officier van justitie.
[…]
De raadsman verklaart:
De verdediging heeft geen hoger beroep ingesteld en heeft ook geen onderzoekswensen.”

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 6 september 2017 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek, dat laatstelijk werd geschorst op 29 augustus 2017, opnieuw aangevangen.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De advocaat-generaal deelde mede dat het hoger beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie op grond van de redenen zoals verwoord in de appelschriftuur.”

7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2016, zoals hiervoor aangehaald, leidt de steller van het middel af dat namens het openbaar ministerie geen appelschriftuur is ingediend. Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken van het geding, bevindt zich evenwel een door de officier van justitie ondertekend stuk met als opschrift “aanvulling appelschriftuur O.M.” Dit stuk is voorzien van een stempel, waaruit kan worden afgeleid dat het stuk is ingekomen bij de centrale informatiebalie gerechtelijke diensten ’s-Hertogenbosch op 17 juni 2016, derhalve op de elfde dag na instelling van het hoger beroep op 6 juni 2016. Op grond hiervan en van de hierboven geciteerde inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 6 september 2017, moet in cassatie worden aangenomen dat namens het openbaar ministerie tijdig een appelschriftuur is ingediend.

8. Het middel, dat steunt op de aanname dat namens het openbaar ministerie in strijd met art. 410, eerste lid, Sv geen appelschriftuur is ingediend, mist derhalve feitelijke grondslag.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat de klacht dat art. 422, tweede lid, Sv is geschonden doordat het hof slechts heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

11. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.”

12. De klacht past in wat plv. A-G Paridaens in haar conclusie vóór HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1432, NJ 2018/370 heeft getypeerd als “een reeks van cassatieschrifturen die door de steller van het middel in diverse zaken zijn ingediend over schending van art. 422 Sv door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.”2 In deze reeks van zaken maakt dit gerechtshof gebruik van dezelfde, hiervoor onder 11. aangehaalde overweging. In de genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens en in de conclusie van A-G Keulen vóór HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:18873 is – naar aanleiding van klachten van de opsteller van de cassatieschriftuur in ook de onderhavige zaak – uitvoerig stilgestaan bij de achtergrond en strekking van het voorschrift van art. 422, tweede lid, Sv, alsmede bij de rechtspraak van de Hoge Raad over die bepaling. De Hoge Raad overwoog vervolgens in beide zaken als volgt:

“2.3. Ingevolge art. 422, tweede lid, Sv dient de beraadslaging in hoger beroep te geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad.

2.4.Geen rechtsregel verplicht een hof met zoveel woorden in zijn arrest tot uitdrukking te brengen dat het heeft beraadslaagd naar aanleiding van zowel het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep als het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg (vgl. HR 15 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8856). Reeds daarom faalt het middel.

2.5 Opmerking verdient dat een klacht als hier aan de orde in voorkomende gevallen met toepassing van art. 81, eerste lid, RO of art. 80a RO kan worden afgedaan.”4

13. Het middel, dat overigens is voorgesteld vóórdat de Hoge Raad de beide arresten wees, berust op de gedachte dat aan de hiervoor onder 11. weergegeven passage van de bestreden uitspraak de gevolgtrekking moet worden verbonden dat het voorschrift van art. 422, tweede lid, Sv niet is nageleefd. Aldus gaat het middel kennelijk uit van de opvatting dat wanneer wordt beraadslaagd naar aanleiding van zowel het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg als dat in hoger beroep het hof dit met zoveel woorden in zijn arrest tot uitdrukking dient te brengen. Die opvatting is dus onjuist.

14. Het tweede middel faalt.

15. Het derde middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt eensdeels dat het hof ten aanzien van ‘feit 2 meer subsidiair’ de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, omdat de door het hof bij zijn vaststelling van de tenlastelegging aangebrachte verbeteringen feitelijk een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv opleveren, en anderdeels dat het oordeel dat de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad onbegrijpelijk zou zijn, mede in aanmerking genomen dat het hof de wijzigingen na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, tijdens de beraadslaging, heeft aangebracht.

16. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 4 en 6 september 2017 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De advocaat-generaal is – zoals tevoren was aangekondigd – van oordeel dat de tenlastelegging behoort te worden gewijzigd en legt de noodzakelijk geoordeelde wijziging schriftelijk aan het hof over (bijlage 1) en vordert dat die wijziging zal worden toegelaten.

De raadsman deelt mede geen bezwaar te hebben tegen de gevorderde wijziging van de tenlastelegging.

Het hof wijst de vordering toe.”

17. Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken van het geding, bevindt zich een “vordering wijziging tenlastelegging”, met daarop een kennelijk door de griffier gemaakte aantekening inhoudende dat deze vordering door de advocaat-generaal is overgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2017. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft deze vordering tot wijziging van de tenlastelegging de volgende inhoud:

“De advocaat-generaal bij het ressortsparket

[...]

van oordeel, dat de tenlastelegging als volgt dient te worden gewijzigd:

onder 2 dient als tweede subsidiair feit te worden toegevoegd medeplichtigheid aan medeplegen van brandstichting:

en dient de tenlastelegging te worden gewijzigd in:

Als tweede subsidiair toegevoegd:

Hij op of omstreeks 22 juni 2014 te Sint-Michielsgestel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een brandversnellende vloeistof over het interieur van een (personen)auto (merk Renault Kangoo) gespoten en/of gesprenkeld en/of vervolgens door middel van open vuur deze vloeistof tot ontsteking gebracht, ten gevolge waarvan de (personen)auto vlam vatte, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen, te weten de personenauto, te duchten was,

aan welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 22 juni 2014 te Sint-Michielsgestel, toen aldaar medeplichtig is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn bij en/of door het verschaffing van gelegenheid en middelen of inlichtingen tot het plegen daarvan, immers heeft hij, verdachte, gezorgd voor het vervoeren van (een) medeverdachte(n) (die de brandversnellende vloeistof en/of de aansteker/het vuur in handen had/heeft gehad) naar de plaats waar de personenauto (merk Renault Kangoo) uiteindelijk in brand is gestoken en/of richting aangegeven in de richting van een pad/weg, waardoor de medeverdachte(n) wisten waar de personenauto (merk Renault Kangoo) heen zou moeten (om deze vervolgens te dumpen en/of in brand te steken);

18. Over de in deze toegewezen vordering gekozen bewoordingen heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:

Tenlastelegging

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 september 2017 heeft het hof met instemming van de verdediging toegewezen de vordering van de advocaat-generaal tot wijziging van de tenlastelegging waarbij aan feit 2 een tweede subsidiair is toegevoegd. Met deze wijziging heeft de advocaat-generaal beoogd tevens aan de verdachte ten laste te leggen medeplichtigheid aan het (mede)plegen van opzettelijke brandstichting.

Gelet hierop - en omdat het juridisch gezien niet mogelijk om zowel (mede)pleger als medeplichtige van een strafbaar feit te zijn - is het hof van oordeel dat sprake is van een aantal kennelijke misslagen in de eerste alinea van de tekst van dit onder 2, tweede subsidiair, tenlastegelegd feit door daarin op te nemen dat verdachte (tevens) één van de medeplegers van de brandstichting is geweest. Derhalve worden deze omissies door het hof verbeterd.

Tevens acht het hof het de kennelijke bedoeling van de advocaat-generaal om ter zake van het te duchten gemeen gevaar voor goederen aansluiting te zoeken bij het onder 2 primair tenlastegelegde, het medeplegen van dezelfde brandstichting, zodat het hof ook dit ziet als een kennelijke misslag en voor ‘personenauto’ in de plaats zal stellen de woorden ‘voor de in die personenauto gelegen goederen’.

Het hof acht de aangebrachte verbeteringen, mede gezien hetgeen primair bij feit 2 is tenlastegelegd, niet strijdig met de grondslag van de tenlastelegging. Daarbij wist de verdachte waartegen hij zich moest verdedigen en wordt hij blijkens het onderzoek ter terechtzitting door deze verbeteringen niet in zijn verdediging geschaad.

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, met inachtneming van het vorenstaande – ten laste gelegd dat:

[...]

2.

[...]

meer (tweede) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(een) ander(en) dan hij, verdachte, op of omstreeks 22 juni 2014 te Sint-Michielsgestel, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben die ander(en) toen aldaar opzettelijk een brandversnellende vloeistof over het interieur van een (personen)auto (merk Renault Kangoo) gespoten en/of gesprenkeld en/of vervolgens door middel van open vuur deze vloeistof tot ontsteking gebracht, ten gevolge waarvan de (personen)auto vlam vatte, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto gelegen goederen, te duchten was,

aan welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 22 juni 2014 te Sint- Michielsgestel, toen aldaar medeplichtig is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn bij en/of door het verschaffen van gelegenheid en middelen of inlichtingen tot het plegen daarvan, immers heeft hij, verdachte, gezorgd voor het vervoeren van (een) medeverdachte(n) (die de brandversnellende vloeistof en/of de aansteker/het vuur in handen had(den)/heeft (hebben) gehad) naar de plaats waar de personenauto (merk Renault Kangoo) uiteindelijk in brand is gestoken en/of richting aangegeven in de richting van een pad/weg, waardoor de medeverdachte(n) wist(en) waar de personenauto (merk Renault Kangoo) heen zou moeten (om deze vervolgens te dumpen en/of in brand te steken).”

19. Op de grondslag van deze, door het hof verbeterde, lezing van de tenlastelegging heeft het hof ten laste van de verdachte onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaard dat:

“anderen dan hij, verdachte, op 22 juni 2014 te Sint-Michielsgestel, tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk brand hebben gesticht, immers hebben die anderen toen aldaar opzettelijk een brandversnellende vloeistof over het interieur van een (personen)auto (merk Renault Kangoo) gespoten en/of gesprenkeld en vervolgens door middel van open vuur deze vloeistof tot ontsteking gebracht, ten gevolge waarvan de (personen)auto vlam vatte, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto gelegen goederen, te duchten was,

aan welk misdrijf hij, verdachte, op 22 juni 2014 te Sint-Michielsgestel, toen aldaar medeplichtig is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn bij het plegen daarvan, immers heeft hij, verdachte, gezorgd voor het vervoeren van een medeverdachte (die de brandversnellende vloeistof en/of de aansteker in handen heeft gehad) naar de plaats waar de personenauto (merk Renault Kangoo) uiteindelijk in brand is gestoken en richting aangegeven in de richting van een pad/weg, waardoor de medeverdachten wisten waar de personenauto (merk Renault Kangoo) heen zou moeten (om deze vervolgens te dumpen en in brand te steken).”

20. Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld dat het op de weg van de rechter ligt om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, indien de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo een verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist.5 Het zal derhalve moeten gaan om een verbetering die beantwoordt aan de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging,6 en waarop de verdediging bedacht is geweest, althans zonder meer had moeten zijn. De begrijpelijkheid zowel van het oordeel dat sprake is van een kennelijke misslag als van het oordeel dat de verdachte door verbetering van die misslag niet in zijn verdediging wordt geschaad, beoordeelt de Hoge Raad in het licht van onder meer het verhandelde ter terechtzitting, waaronder het aldaar voorhouden van processtukken.7 Voor beide oordelen geldt bovendien dat zij vanwege de aard van de verbetering nadere motivering kunnen behoeven.8

21. In deze zaak heeft het hof in totaal vier tekstuele aanpassingen aangebracht in de tekst van de tenlastelegging van ‘feit 2 meer subsidiair’, te weten:
(i) “hij” is vervangen door “(een) ander(en) dan hij, verdachte”;

(ii) “met een ander of anderen” is vervangen door “met elkaar”;

(iii) “verdachte en/of zijn mededader(s)” is vervangen door “die ander(en)”; en

(iv) “de personenauto” is vervangen door “voor de in die personenauto gelegen goederen”.

22. De aanpassingen (i) tot en met (iii) zijn gezamenlijk erdoor ingegeven dat de tenlastelegging – abusievelijk – inhoudt dat de verdachte medeplichtig is geweest aan een door hem zelf medegepleegd, althans gepleegd feit. Het hof heeft de tenlastelegging zo opgevat dat is bedoeld medeplichtigheid aan een door één of meer anderen (mede)gepleegd feit ten laste te leggen. Daarbij heeft het hof terecht overwogen dat het rechtens niet mogelijk is om zowel (mede)pleger van als medeplichtige aan één en hetzelfde strafbare feit te zijn. Tevens heeft het hof vastgesteld dat de advocaat-generaal heeft beoogd onder ‘2 meer subsidiair’ – kort gezegd – medeplichtigheid aan medeplegen van de brandstichting ten laste te leggen. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk, in het bijzonder in aanmerking genomen dat in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging aan de inhoud van die wijziging de overweging “onder 2 dient als tweede subsidiair feit te worden toegevoegd medeplichtigheid aan medeplegen van brandstichting” voorafgaat. Het op deze twee gronden berustende oordeel van het hof dat het hier gaat om een kennelijke misslag in de tenlastelegging die zich voor verbetering door de rechter leent, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd.

23. Ook het oordeel van het hof dat de verdachte door de hiervoor (i) tot en met (iii) genummerde correcties niet in zijn verdediging is geschaad, acht ik niet onbegrijpelijk in het licht van het verhandelde ter terechtzitting. Daarbij sla ik in het bijzonder acht op het gegeven dat de verdediging met de wijziging heeft ingestemd en ten tijde van de vordering tot wijziging geen bezwaar heeft gemaakt tegen de gekozen bewoordingen. Dat had wel in de rede gelegen indien de verdediging onvoldoende duidelijk zou hebben gevonden wat de onder ‘2 meer subsidiaire’ beschuldiging precies inhoudt. Daarnaast wijs ik nog op de volgende passage uit het ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal gehouden requisitoir:

“Gezien deze elementen acht ik het meer/tweede subsidiair (toegevoegde) feit wettig en overtuigend bewezen. Medeplegen gaat mij te ver, nu uit de afgelegde verklaringen blijkt dat verdachte niet aanwezig is geweest bij het uiteindelijk in brand steken van de auto.

Hij heeft ook geen handelingen in die richting gepleegd. Verdachte is naar mijn mening wel in strafrechtelijke zin behulpzaam geweest bij het in brand steken van de auto van [slachtoffer] .”9

Mocht op grond van de tekst van de tenlastelegging bij de verdediging twijfel hebben (kunnen) bestaan over de tenlastegelegde deelnemingsvorm, waarvoor geen aanwijzingen bestaan, dan was die twijfel zeker door het requisitoir van de advocaat-generaal weggenomen. Dat laat zich ook afleiden uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota van de raadsman, waarin over het meer subsidiair tenlastegelegde feit het volgende verweer is gevoerd (p. 9):

“Gelet op aanvankelijke onbekendheid (dat wil zeggen bij vertrek vanaf de woning van [betrokkene 1]) bij cliënt van het meenemen van een brandbare stof door de medeverdachten, was er geen sprake van opzet op de brandstichting bij cliënt. Hierdoor kan niet worden voldaan aan de dubbele opzetvereiste die geldt bij de medeplichtigheid, om welke reden reeds tot vrijspraak dient te worden geconcludeerd. Daarnaast geldt dat de uiterst marginale handeling van cliënt als volstrekt onvoldoende bevorderend of vergemakkelijkend gezien moet worden, zodat de verdediging uw hof in ieder geval om die reden verzoekt cliënt vrij te spreken van de medeplichtigheid aan brandstichting.”10

De medeplichtigheid van de verdachte aan de brandstichting is derhalve in hoger beroep betwist, zonder dat de in de tenlastelegging gekozen bewoordingen daarbij zijn geproblematiseerd. Nu de onvolkomenheden in de tenlastelegging bovendien ook geen betrekking hebben op de medeplichtigheidsgedragingen van de verdachte zelf, maar (slechts) op de brandstichting waaraan hij medeplichtig is geweest en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd, terwijl gezien de processtukken bij de verdediging in redelijkheid geen twijfel heeft kunnen bestaan over de vraag om welke brandstichting het precies ging, zie ik niet in dat en waarom het oordeel van het hof dat de verdachte door de verbeteringen (i) tot en met (iii) niet in zijn verdediging is geschaad, zonder nadere motivering niet begrijpelijk zou zijn. Anders dan de steller van het middel meent, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel op zichzelf evenmin af dat het hof de verbeteringen in de tenlastelegging eerst na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft aangebracht en de verdachte en zijn raadsman daarop dus niet hebben kunnen reageren. Het gaat er immers niet om of de verdediging zich tegen ‘s hofs lezing van de tenlastelegging heeft kunnen verzetten, maar erom of de verdachte zich tegen de tenlastelegging op juiste wijze gelezen afdoende heeft kunnen verdedigen.

24. Ik begrijp de toelichting op het middel aldus dat daarin de pijlen worden gericht op de door mij als (i) tot en met (iii) genummerde aanpassingen van de tenlastelegging. De aanpassing onder (iv) wordt niet afzonderlijk met kracht van argumenten betwist. Voor de volledigheid merk ik op dat het hof de verbeterde lezing ook op dit punt nader heeft gemotiveerd. Het hof heeft verwezen naar het onder ‘2 primair’ tenlastegelegde en heeft daaruit afgeleid dat het de kennelijke bedoeling van de advocaat-generaal is geweest om ook onder ‘2 meer subsidiair’ gemeen gevaar voor de in de personenauto gelegen goederen ten laste te leggen. Deze motivering acht ik niet onbegrijpelijk, terwijl de beslissing van het hof tot verbeterde lezing van de tenlastelegging zich in cassatie niet voor nadere toetsing leent. Ook het oordeel van het hof dat de verdachte door deze verbetering (iv) niet in zijn verdediging is geschaad, is niet onbegrijpelijk. Zoals ten aanzien van (i) tot en met (iii) reeds is opgemerkt, acht ik daartoe van belang dat de aanpassing van de tenlastelegging geen verandering bracht in de aan de verdachte verweten behulpzaamheden bij de brandstichting, terwijl in redelijkheid geen onduidelijkheid heeft kunnen bestaan over de vraag om welke brandstichting het ging. Voorts heeft de verdachte zich mede tegen de nieuwe bewoordingen voldoende kunnen verdedigen, bijvoorbeeld voor zover hij meende dat de brandstichting geen gemeen gevaar voor in de personenauto aanwezige goederen heeft veroorzaakt. Het veroorzaken van gemeen gevaar voor in de personenauto aanwezige goederen, is immers ook te bewijzen onderdeel van het onder ‘feit 2 primair’ tenlastegelegde.

25. Het middel faalt.

26. Het vierde middel klaagt, in samenhang met de toelichting gelezen, dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte aan de onder feit 1 bewezenverklaarde moord als medepleger heeft deelgenomen.

27. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder feit 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 22 juni 2014 te Ewijk, gemeente Beuningen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel afgevuurd op [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] door die kogel in het lichaam werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”

28. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft het hof in het bestreden arrest ten aanzien van het medeplegen van feit 1 (primair) het volgende overwogen:

Medeplegen van feit 1

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de intensiviteit van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding en/of de uitvoering en/of de afhandeling van de moord, alsmede het belang van zijn rol bij dat strafbare feit, niet anders worden geconcludeerd dan dat hij een dusdanig wezenlijke bijdrage aan het bewezenverklaarde heeft geleverd dat van medeplegen behoort te worden gesproken.

Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict door verdachte van voldoende gewicht is geweest.

Medeverdachte [medeverdachte 3] is degene die de trekker heeft overgehaald en de daadwerkelijke levensberovende handeling heeft verricht. Echter de bijdrage die verdachte heeft geleverd aan deze levensberoving wordt door het hof zodanig geacht dat van medeplegen kan worden gesproken.

Immers heeft verdachte met zijn broer, [medeverdachte 1] , wetende van het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, een vuurwapen met munitie opgehaald bij medeverdachte [medeverdachte 2] en dit aan [medeverdachte 3] , de schutter, ter hand gesteld. Hij heeft kort voor het plegen van het feit overleg gehad met zijn broers over wie het fatale schot zou lossen, waar die zich zou moeten opstellen om de komst van het slachtoffer ongezien af te wachten. Kort voor het incident heeft hij met [medeverdachte 2] gebeld om mee te delen dat het wapen niet goed werkte en daarover nog overleg gehad. Hij heeft zich in het toilet opgehouden en samen met [medeverdachte 3] in het donker in het vakantiehuisje de komst van [slachtoffer] en [medeverdachte 4] afgewacht. Vervolgens is hij naar buiten gegaan en heeft hij op korte afstand gewacht om naderhand het stoffelijk overschot te verwijderen. Het plan is gezamenlijk gemaakt en tot aan het eind tezamen uitgevoerd.

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben een daadwerkelijke en belangrijke rol gespeeld bij het plegen van het delict. In de aanloop tot het delict heeft zich een dramatisch scenario afgespeeld dat is geëindigd in de dood van [slachtoffer] en het verbranden van diens lijk. Naar het oordeel van het hof hebben alle vijf verdachten daarin een wezenlijke rol vervuld. Er wordt in de aanloop tot het geheel gesproken over de dood van [slachtoffer] . Het ombrengen met één genadeschot. Uit de verklaringen komt naar voren dat de aanzet komt van [medeverdachte 2] , maar de andere vier verdachten gaan met dit idee verder en spreken hierover ook in afwezigheid van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] doet de andere vier verdachten zogenaamd toetreden tot de Italiaanse maffia. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit een gewelddadige organisatie is en alle andere vier verdachten, waaronder [medeverdachte 1] , doet daaraan mee. Kenmerk van de maffia is bendevorming en liquidaties en de verdachte kiest er blijkbaar voor om zich daarbij aan te sluiten. In de lijn van die deelname ligt dan ook het latere plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het blijft niet bij plannen. Als [medeverdachte 2] laat op de avond belt, vertrekken de broers [verdachte] en [medeverdachte 1] spoorslags naar [medeverdachte 2] om een wapen op te halen. Het hof twijfelt niet aan de wetenschap van die boodschap vanaf het moment dat zij het huis verlieten. Wanneer een plan wordt gemaakt om iemand om het leven te brengen met één genadeschot, is het toch wel duidelijk wat er moet worden opgehaald. Al die tijd heeft de verdachte de mogelijkheid gehad om zich aan het delict dan wel aan de samenwerking met de andere verdachten te onttrekken. Ook nadat het wapen is opgehaald hadden [verdachte] en [medeverdachte 1] dit wapen bijvoorbeeld in het water kunnen gooien om de uitvoering te voorkomen. Maar nee, het wordt ingepakt in een doek en laarzen om het te verbergen en zij veilig bij [medeverdachte 3] aan kunnen komen. Ook dan is er nog geruime tijd om zich te bedenken. De verdachte zegt bedreigd te zijn door [medeverdachte 2] , maar bij de daadwerkelijke uitvoering was [medeverdachte 2] niet aanwezig. Er was alle gelegenheid om of 112 te bellen of [slachtoffer] te waarschuwen zodat dit delict niet had plaatsgevonden. Mogelijke vrees voor [medeverdachte 2] neemt de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte niet weg.

Een belangrijk aspect waarom het hof dit feit als medeplegen ziet is dat de verdachte vervolgens na het afleveren van het wapen niet is weggegaan. De broers [...] hebben het slachtoffer [slachtoffer] met zijn drieën opgewacht. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben het wapen afgeleverd en zijn niet vervolgens weggegaan. Zij hebben zich in de nabijheid opgehouden.

Daardoor had [medeverdachte 3] intellectuele en fysieke steun van zijn broers die hij in de nabijheid wist. Er kan er nu eenmaal maar één de trekker overhalen. [verdachte] heeft in het donker in het huisje gewacht op de aangekondigde dood van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] nabij het huisje. Niemand, ook verdachte niet, is op enig moment tot bezinning gekomen. Naar het oordeel van het hof zou het plan niet zijn ontstaan en zou de uitvoering niet hebben plaatsgevonden wanneer er geen samenwerking zou zijn geweest tussen alle vijf de verdachten. Het was de bedoeling dat alle drie de broers aanwezig zouden zijn bij het plegen van het delict zodat [medeverdachte 3] steun heeft gehad ten tijde van het plegen van het feit en het wegmaken van het lijk.

De aaneenschakeling van feiten maakt een soms bizarre en wat klungelige indruk. Er wordt een nepritueel uitgevoerd tot toetreding van de maffia met een bloedcontract, de schutter krijgt pas kort tevoren het wapen, hij weet niet goed hoe hij ermee moet schieten en er zitten maar twee kogels bij. Echter het resultaat van de handelingen is verschrikkelijk en dramatisch voor het slachtoffer en zijn nabestaanden, alsook schokkend voor de maatschappij. Het resultaat is een strafbaar feit – moord – dat het ernstigste is in ons Wetboek van Strafrecht. Daar wordt de verdachte mede verantwoordelijk voor gehouden.

Anders dan de verdediging en de rechtbank, is het hof van oordeel dat de grens met medeplichtigheid is overschreden en dat kan niet gezegd worden dat verdachte slechts een door anderen begaan misdrijf heeft bevorderd en/of vergemakkelijkt.”

29. Tussen 2014 en 2016 heeft de Hoge Raad in enkele richtinggevende arresten belangrijke beschouwingen gewijd aan het medeplegen, in het bijzonder in relatie tot en ter afbakening van medeplichtigheid. Ik wijs hier met name op HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond. Aan deze arresten ontleen ik het volgende. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht – de Hoge Raad noemt: het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht –, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zijn bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Evenmin is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd of – zelfs – hoofdzakelijk na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. Zeker in zulke situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.

30. Blijkens de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof van een gezamenlijke uitvoering is uitgegaan, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen en nadere bewijsoverwegingen van het hof zou blijken dat van een gezamenlijke uitvoering geen sprake was.

31. Wat precies dient te worden verstaan onder een gezamenlijke uitvoering in de zin van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad over medeplegen, verdient nog nadere verheldering in toekomstige uitspraken.11 Voor het verschaffen van een dergelijke verduidelijking leent de onderhavige zaak zich niet goed. Het hof heeft gemotiveerd uiteengezet waaruit de bijdrage van de verdachte aan ‘feit 1 primair’ heeft bestaan. Daarbij heeft het hof vooropgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 3] “degene [was] die de trekker heeft overgehaald en de daadwerkelijke levensberovende handeling heeft verricht.” Of de nabijheid van de verdachte op dat moment als een gezamenlijke uitvoering in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen kan worden aangemerkt, heeft het hof in het midden gelaten.12 In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

32. Voor het overige is de in het middel verwoorde klacht dat de bijdrage van de verdachte aan het delict van onvoldoende is gewicht is geweest om medeplegen aan te nemen, niet nader geconcretiseerd. Het hof heeft in zijn bewijsvoering uitvoerig uiteengezet op welke wijze de verdachte voor, tijdens én na het misdrijf aan de tenlastegelegde moord heeft bijgedragen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere overwegingen van het hof blijkt te dien aanzien onder meer:

(i) dat de verdachte bij het beramen van een gezamenlijk moordplan aanwezig is geweest;

(ii) dat hij tezamen met drie van zijn medeverdachten bereid is gebleken zich aan te sluiten bij een internationale organisatie die bekend staat om haar gewelddadig karakter;

(iii) dat hij voor de uitvoering van het delict wezenlijke handelingen ter voorbereiding heeft verricht (het ophalen, het verbergen in een doek en laarzen en het vervoeren van het vuurwapen);

(iv) dat de verdachte en zijn broers het latere slachtoffer gezamenlijk hebben opgewacht;

(v) dat kort vóór de uitvoering van het misdrijf in zijn bijzijn is gesproken over de vraag wie zou schieten en waar de schutter zich zou positioneren;

(vi) dat de verdachte zich ten tijde van de uitvoering en afhandeling van het delict ophield in de vakantiewoning;

(vii) dat de schutter zich fysiek en intellectueel gesteund wist ten tijde van het plegen van het feit en het wegmaken van het lijk, juist doordat zijn twee broers in en bij het vakantiehuisje aanwezig bleven;

(viii) dat de verdachte behulpzaam is geweest bij het wegmaken van het lijk;

(ix) dat de verdachte dezelfde nacht nog in het vakantiehuisje heeft helpen schoonmaken en opruimen.13

33. Deze, vastgestelde, bijdragen van de verdachte zijn in onderlinge samenhang beschouwd van zodanig gewicht dat zij zonder meer de kwalificatie medeplegen rechtvaardigen. Het oordeel van het hof dat gelet op de intensiviteit van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding en/of de uitvoering en/of de afhandeling van de beide delicten, alsmede het belang van zijn rol bij die strafbare feiten, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat hij een dusdanig wezenlijke bijdrage aan het bewezenverklaarde heeft geleverd dat van medeplegen behoort te worden gesproken, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Tevens is dit oordeel toereikend gemotiveerd.

34. Het vierde middel faalt.

35. Alle vier de middelen falen en lenen zich mijns inziens voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

36. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het bestreden arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl: Hof ’s-Hertogenbosch 20 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4110.

2 Conclusie van plv. A-G Paridaens, 5 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:555, punt 6.

3 Conclusie van A-G Keulen, 28 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1134.

4 HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1432, NJ 2018/370 en HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1887.

5 HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494 m.nt. Reijntjes; HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8787, NJ 2011/544; HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047, NJ 2014/490; HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:308.

6 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg vóór HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8787, NJ 2011/544.

7 Zie o.a. HR 26 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9304, NJ 1996/93; HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0497, NJ 1997/106 en HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:308.

8 HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494 m.nt. Reijntjes.

9 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 6 september 2017 houdt in dat de advocaat-generaal het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van het door haar aan het hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir, waarvan een kopie aan het proces-verbaal is gehecht (bijlage 3).

10 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 6 september 2017 houdt in dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van door hem aan het hof overgelegde op schrift gestelde pleitaantekeningen, waarvan een kopie aan het proces-verbaal is gehecht (bijlage 4).

11 Zie onderdeel 4.2. e.v. van de beschouwingen van mijn ambtgenoot A-G Spronken en mijzelf in onze conclusies vóór (o.a.) HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond, respectievelijk HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. Rozemond, Vgl. in dezelfde zin J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 463.

12 De volzin “Het plan is gezamenlijk gemaakt en tot aan het eind tezamen uitgevoerd.”, maakt dat niet anders. De gezamenlijke uitvoering van het plan, is immers ruimer en dus niet hetzelfde als de gezamenlijk uitvoering van het delict.

13 Zie bewijsmiddel 9 (bestreden arrest, p. 16): “Verbalisant 2: En die andere broer? [medeverdachte 3] : Die heeft geholpen met dat…Verbalisant 1: met opruimen. [medeverdachte 3] : Ja [...].”