Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:998

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
17/00718
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2335
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over (onder meer) toewijzing vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel; rechtstreekse schade, causaliteit en aansprakelijkheid wanneer de aan een derde toegebrachte schade is veroorzaakt door politieoptreden in het kader van het opsporingsonderzoek (zoeken naar meer verdachten bij een woninginbraak). De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00718

Zitting: 18 september 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 16 december 2016 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een in beslag genomen paar handschoenen verbeurdverklaard en de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.750,00, en voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt primair dat het hof met betrekking tot bewijsmiddel 2 niet, althans niet in voldoende (begrijpelijke) mate de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging en/of dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit niet (zonder meer) uit de bewijsvoering kan volgen. Subsidiair klaagt het middel dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het voorwaardelijk verzoek om verbalisant [verbalisant 1] als getuige te horen.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 15 juli 2015, te Swalmen, in de gemeente Roermond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] weg te nemen goederen van hun gading, toebehorende aan [betrokkene 1] , en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, met voornoemd oogmerk het kozijn van de voordeur van voornoemde woning heeft verbogen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 juli 2015, p. 35-36, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] (hoofdagent), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 15 juli 2015, omstreeks 13.50 uur, hoorde ik dat de patrouilles van Roermond de melding kregen van een heterdaad inbraak in de woning [a-straat 1] te Swalmen. Ik ben ter plaatse gegaan. Ik ben de [a-straat] ingelopen en via een pad in de brandgang gelopen. Ik ben vervolgens achter perceel [1] gaan staan. Ik zag de achterdeur opengaan en ik zag drie personen in het perceel. Ik heb deze personen aangeroepen met: “Stop politie, staan blijven”. Ik zag dat de eerste verdachte naar de schutting rende. Ondertussen zag ik dat de twee andere verdachten terug in perceel [1] waren gevlucht. Ik had al aan de andere collega’s doorgegeven dat de verdachten aan het vluchten waren.

2.

Een proces-verbaal van aanhouding, d.d. 15 juli 2015, p. 10 t/m 12, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] (brigadier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 15 juli 2015, omstreeks 14.05 uur, hield ik op de locatie Baron de Schencklaan te Swalmen als verdachte aan:

Achternaam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornaam verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1966

Op 15 juli 2015, omstreeks 13.50 uur, kreeg ik de opdracht om te gaan naar de [a-straat 1] te Swalmen, gelegen in de gemeente Roermond. Hier had een melder gezien dat er meerdere mannen een tuinhek waren overgeklommen en nu aan de achterdeur van deze woning aan het rommelen waren. Daarop reed ik naar de voorzijde van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Swalmen. Daar aangekomen liep ik direct naar de woning. Ik zag dat links van de voordeur een tuinhek stond. Hierop zag ik dat collega [verbalisant 2] in de tuin stond en ik hoorde dat hij riep: “Politie, staan blijven”. Ik ben toen over het tuinhek gesprongen. Ik hoorde dat [verbalisant 2] zei dat de verdachte wegrende (het hof begrijpt: dat de verdachten wegrenden) naar de weg. Daarop ben ik weer over het tuinhek naar de voorzijde van de woning geklommen. Ik zag toen dat er een manspersoon vanaf de voordeur van de woning wegrende. Ik zag dat de verdachte linksaf sloeg op de Baron de Schencklaan en hierop een brandgang inrende. Ik zag toen ik de verdachte naderde dat verdachte twee handschoenen vasthad. Ik zag dat hij deze handschoenen in een strook onkruid wierp. Vervolgens heb ik de verdachte gesommeerd om te gaan liggen waarop ik de verdachte heb aangehouden.

3.

Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 15 juli 2015, p. 6-7, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] (agent), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

Op 15 juli 2015, omstreeks 11.30 uur, verliet ik mijn woning aan de [a-straat 1] te Swalmen. Ik zag dat alle deuren en ramen van mijn woning dicht en afgesloten waren.

Op 15 juli 2015, omstreeks 14.30 uur, werd ik gebeld door mijn overbuurvrouw. Ik hoorde dat mijn buurvrouw tegen mij zei dat er in mijn woning ingebroken was en dat de politie al ter plaatse was. Ik ben hierop meteen naar huis gegaan. Toen ik thuiskwam bij mijn woning zag ik dat de voordeur van mijn woning open stond. Ik zag dat de ijzeren sluitkom in de linkerzijde van het kozijn van mijn voordeur aan de binnenzijde uit elkaar gebogen was. Ik zag dat er een schroevendraaier in de plantenpot lag. Deze plantenpot staat in de hal van mijn woning, links naast mijn voordeur. Ik kan nog niet vertellen welke goederen er zijn weggenomen uit mijn woning.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

4.

Een proces-verbaal van verhoor aangever met proces-verbaalnummer PL2300-2015132654- 53, d.d. 13 november 2015 (los verbaal in procesdossier), opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] (brigadier), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik wil nog het volgende aanvullend verklaren over de gepleegde woninginbraak. Ik kan u meedelen dat er niets is weggenomen uit mijn woning.

5.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 2 december 2016, voor zover inhoudende:

Ik was op 15 juli 2015 in de [a-straat] te Swalmen. Toen ik de politie aan zag komen, ben ik hard weggerend. Ik heb mijn handschoenen weggegooid.’’

6. Voorts heeft het hof het volgende overwogen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij de poging tot woninginbraak. Verdachte zou op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn geweest. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat verbalisant [verbalisant 1] niet heeft kunnen waarnemen dat verdachte uit de richting van de voordeur van de woning is komen rennen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] op 15 juli 2015 omstreeks 13.50 uur de melding krijgt dat er een woninginbraak plaatsvindt op de [a-straat 1] te Swalmen. Ter plaatse ziet [verbalisant 2] de achterdeur opengaan en ziet hij drie personen in het perceel. Hierop heeft [verbalisant 2] geroepen dat ze moesten blijven staan. Hij ziet twee verdachten terug in perceel [1] vluchten en gaf andere collega's door dat de verdachten aan het vluchten waren.Verbalisant [verbalisant 1] is ondertussen ook ter plaatse. Hij is vanaf de voorkant van de woning over het tuinhek gesprongen, gelegen links naast de voordeur. Hierop hoorde [verbalisant 1] dat [verbalisant 2] riep: "Politie, staan blijven" en dat hij zei dat de verdachten wegrenden. [verbalisant 1] is weer over het tuinhek naar de voorzijde geklommen en zag een manspersoon vanaf de voordeur van de woning wegrennen. Dit bleek verdachte te zijn.

Het hof ziet in de inhoud van de ambtsedige processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] geen reden om aan de waarneming van verbalisant [verbalisant 1] te twijfelen. Evenmin geeft hetgeen de raadsvrouwe daaromtrent heeft aangevoerd daartoe aanleiding.

Dat betekent dat aan de enkele mededeling van verdachte dat hij daar bij toeval op de verkeerde plaats en tijd aanwezig was, die door niets wordt ondersteund, geen geloof kan worden gehecht.

Het hof is niettemin van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in combinatie met de overige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de poging tot woninginbraak.

Het hof verwerpt het verweer.’’

7. Eerst de primaire klacht. In de toelichting op het middel wordt in dat verband gesteld dat de in bewijsmiddel 2 opgenomen zinsnede “Ik zag toen dat er een manspersoon vanaf de voordeur van de woning wegrende” voor tweeërlei uitleg vatbaar is, nu “vanaf de voordeur” kan betekenen uit de richting van de voordeur van de woning, maar ook uit de woning. De klacht gaat uit van de eerstgenoemde lezing en voert daarnaast aan dat het hof zulks ten onrechte in het midden heeft gelaten, zowel ten aanzien van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, als in de bewijsvoering.

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota, heeft de raadsvrouw aldaar vrijspraak van de verdachte bepleit. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte niet als één van de drie inbrekers kan worden aangemerkt, omdat er geen bewijs is dat de verdachte in de woning is geweest, er geen confrontatie met de getuigen heeft plaatsgevonden, de verdachte niet voldoet aan de verstrekte signalementen, er geen (ver)band met de medeverdachten is en technisch bewijs ontbreekt, terwijl de enkele aanwezigheid van de verdachte ter plaatse onvoldoende is om aan te nemen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot diefstal met braak.

9. Het hof acht verdachtes daderschap echter wettig en overtuigend bewezen. De bewijsvoering van het hof komt wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het misdrijf op het volgende neer. Op 15 juli 2015 krijgt verbalisant [verbalisant 2] de melding dat een inbraak gaande is in de woning [a-straat 1] te Swalmen (b.m. 1). De melder heeft gezien dat mannen aan de achterdeur van deze woning aan het rommelen zijn (b.m. 2). Ter plaatse ziet verbalisant [verbalisant 2] drie personen in het perceel van deze woning (b.m. 1). Op het moment dat hij “Stop politie, staan blijven’’ roept, ziet hij dat de verdachten vluchten, één over de schutting en de twee anderen terug in het perceel met huisnummer [1] (b.m. 1). Daarop ziet verbalisant [verbalisant 1] dat de verdachte vanaf de voordeur van de woning wegrent, dat de verdachte handschoenen in zijn hand houdt en dat hij deze handschoenen in een strook onkruid werpt (b.m. 2 en 5).

10. Uit deze redengevende feiten en omstandigheden heeft het hof kunnen afleiden – mede ter verwerping van het in het middel genoemde standpunt van de verdediging – dat het de verdachte is geweest die met twee mededaders de poging tot diefstal met braak heeft gepleegd. De primaire klacht treft dus geen doel. Daarbij neem ik mede in aanmerking de omstandigheden dat: (i) zich drie verdachten in het perceel van de woning bevonden; (ii) twee van hen bij waarschuwing van de politie vanuit de achtertuin terug het perceel in zijn gevlucht; (iii) de verdachte kort daarop is weggerend vanaf de voordeur van de woning; (iv) de verdachte (zeer) kort na de melding van de woninginbraak is aangehouden; (v) de verdachte op een julidag handschoenen zichtbaar (bij zich) droeg; (vi) hij deze handschoenen in een strook onkruid wierp toen hij de politie zag.

11. Volledigheidshalve merk ik op dat de verwijzing in de schriftuur naar HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2797 aan het voorgaande niet afdoet. In die zaak waren de twee verdachten in de nabijheid van hun eigen auto aangetroffen. In en rond deze auto werden werktuigen gevonden die tot het begaan van inbraken plegen te worden gebruikt. De laatst in het navigatiesysteem van de auto ingevoerde locatie was de naam van de straat waarin even tevoren een poging tot inbraak was begaan. De Hoge Raad achtte de op deze feiten en omstandigheden gegronde bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. Het doorslaggevende verschil met de onderhavige zaak is, dat in HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2797 geen enkel bewijsmiddel de verdachten rechtstreeks in verband bracht met de poging tot inbraak.1 In de onderhavige zaak werd de verdachte daarentegen – ook als ervan wordt uitgegaan dat de verdachte wegrende vanuit de richting van de voordeur van de woning – gezien op de plaats delict ten tijde van de poging tot inbraak en werd hij in de directe omgeving daarvan aangetroffen direct nadat het feit was begaan.

12. Dat de door de verdachte geschetste alternatieve reden voor zijn aanwezigheid ter plaatse, het bij zich dragen van handschoenen en het wegrennen niet door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd, doet eveneens aan het voorgaande niet af, nu het hof zich in zijn nadere bewijsoverweging daarover heeft uitgelaten en heeft overwogen aan dit alternatief geen geloof te hechten. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk, terwijl het zich voor nadere toetsing in cassatie niet leent. Ook in het licht van het in het middel genoemde standpunt van de verdediging is de bewezenverklaring derhalve niet ontoereikend gemotiveerd.

13. De subsidiaire klacht van het middel gaat ervan uit dat het hof heeft aangenomen dat verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard de verdachte uit de woning te hebben zien komen en houdt, als gezegd, in dat het hof zou hebben verzuimd een beslissing te nemen op een ter terechtzitting door de raadsvrouw gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van deze getuige.

14. Voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, heeft de raadsvrouw in haar aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota het volgende aangevoerd:

“6. Punt van discussie in eerste aanleg is de vraag geweest of cliënt vanuit de voordeur kwam, met andere woorden: vanuit de woning van perceel [1] .

7. Ik meen dat de voormalig raadsvrouw het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (p. 11) verkeerd heeft gelezen en wil voorkomen dat u het ook verkeerd leest. Er wordt immers slechts gezegd dat [verdachte] vanaf de voordeur van de woning aankwam. Dit is niet anders dan te duiden dat dit de richting is en is ook niet vast te stellen dat hij uit de voordeur kwam.

8. [verbalisant 1] kan op het moment dat hij over het hek klimt, helemaal niet zien of [verdachte] uit de woning komt rennen of niet, zoals blijkt uit foto 4 van de fotomap.

9. Er is overigens ook geen bewijs in het dossier te vinden die deze stelling – [verdachte] kwam uit de woning – ondersteunt. Geen van de getuigen ziet een van de verdachten uit de voordeur komen en ook blijkt niet dat bijvoorbeeld de voordeur openstond. Dit terwijl er uitgebreid onderzoek is gedaan in de woning (p. 61/62 en aanvullend technisch onderzoek).”

15. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermeldt dat de raadsvrouw aan de inhoud van haar pleitaantekeningen op dit punt mondeling nog het volgende heeft toegevoegd:

“6 t/m 9. Naar mijn mening kan de conclusie niet worden getrokken dat mijn cliënt uit de voordeur kwam gelopen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft dit niet kunnen zien en in het dossier is hiervoor verder ook geen bewijs voor handen. Als het hof van oordeel is dat mijn cliënt wel uit de voordeur kwam gelopen, ben ik van oordeel dat verbalisant [verbalisant 1] gehoord dient te worden.’’

16. Volgens de toelichting op het middel kan bovenstaand betoog bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan als een voorwaardelijk verzoek in de zin van art. 331, eerste lid, in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, een en ander in verbinding met art. 415 Sv dat deze bepalingen in hoger beroep van overeenkomstige toepassing verklaart. Aldus was hier een uitdrukkelijke beslissing van het hof vereist, zo luidt de stelling, nu het hof de verdediging niet heeft gevolgd in het standpunt dat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte niet uit de woning heeft zien komen en daarmee de aan het verzoek verbonden voorwaarde verwezenlijkt is.2

17. De rechter is slechts gehouden een beslissing te nemen op een voorwaardelijk getuigenverzoek als de aan dit verzoek verbonden voorwaarde is vervuld. Zoals ik hiervoor bij de bespreking van de primaire klacht uiteenzette, deel ik niet de in het middel vervatte opvatting dat de bewezenverklaring slechts toereikend is gemotiveerd indien de als bewijsmiddel 2 tot het bewijs gebezigde verklaring van verbalisant [verbalisant 1] zo wordt uitgelegd dat hij de verdachte uit de voordeur heeft zien lopen. Het hof heeft blijkens zijn arrest vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard de verdachte vanaf de voordeur van de woning te hebben zien wegrennen. Daarmee is de aan het verzoek gerelateerde voorwaarde dat het hof ervan uitgaat dat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte uit de woning heeft zien komen, niet vervuld. Anders dan het middel wil, was het hof tot een uitdrukkelijke beslissing op het voorwaardelijke getuigenverzoek niet gehouden. Ook de subsidiaire klacht is tevergeefs voorgesteld.

18. Ten overvloede merk ik op dat het nog de vraag is, of het hof het betoog van de raadsvrouw bezwaarlijk anders dan als een (voorwaardelijk) getuigenverzoek kon opvatten. Zo een verzoek dient namelijk voldoende duidelijk en stellig naar voren te worden gebracht, vooraleer het tot een uitdrukkelijke beslissing noopt.3 De enkele opmerking van de raadsvrouw dat zij van oordeel is dat verbalisant [verbalisant 1] dient te worden gehoord (als het hof van oordeel zou zijn dat de verdachte wel uit de voordeur kwam gelopen), behoeft mijns inziens niet zonder meer als een voldoende stellig (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de verbalisant te worden begrepen.4

19. Het eerste middel faalt.

20. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, voor zover deze betrekking hebben op de schade die (aan de paneeldeur) is opgetreden ten gevolge van het handelen van de politie in de woning van de benadeelde partij.

21. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel houdt de bestreden uitspraak het volgende in:

“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.026,23, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 663,68, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, te weten schade aan twee deuren (€ 2.017,55) en reiskosten naar slachtofferhulp (€ 8,68). Het hof acht de gevorderde schade aan de deuren voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat het schattenderwijs een aftrek zal toepassen wegens gebleken verbetering van oud tot nieuw. Het hof zal derhalve het totale bedrag van de schadevergoeding, inclusief de reiskosten, vaststellen op € 1.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2015. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.’’

22. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij onderwerp van debat geweest. In het requisitoir heeft de advocaat-generaal daarover het volgende standpunt ingenomen:

“De benadeelde partij heeft zijn vordering gehandhaafd. De politierechter heeft de schade gematigd, ik ben het daar echter niet mee eens. Het is volstrekt logisch om de geleden schade te vervangen naar actuele normen. Naar mijn mening is het reële schade, is deze vordering goed onderbouwd en kan het bedrag volledig worden toegewezen.”

Bij pleidooi heeft de raadsvrouw van de verdachte de hoogte van de vordering als volgt betwist:

“Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij ben ik van mening dat de politierechter een juiste beslissing heeft genomen. De schade boven in de woning is niet door de inbrekers veroorzaakt, maar door de politie om te kijken of de daders daar waren. De redenering van de politierechter over het politiekeurmerk begrijp ik ook. Dit onderdeel van de vordering is onvoldoende gemotiveerd. Het ziet niet op een onderdeel van de woning, maar op de gehele woning. Wat betreft het isolatieglas ben ik ook van mening dat de politierechter de juiste beslissing heeft genomen, dit geldt ook voor de tochtstrippen. Voorts ben ik van oordeel dat de beslissing hoofdelijk opgelegd dient te worden.”

Bij repliek heeft de advocaat-generaal gesteld:

“Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij ben ik van oordeel dat de door politie veroorzaakte schade rechtstreekse schade betreft ten gevolge van het strafbare feit. Ik persisteer bij alles wat ik gevorderd heb.”

De raadsvrouw heeft daarop nog kort gereageerd:

“Volgens mij is de politie verzekerd tegen deze schade en dan is het de schade van de politie. [..]”

23. Omdat zowel het openbaar ministerie als de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep in zoveel woorden heeft gerefereerd aan de beslissing van de politierechter op de vordering van de benadeelde partij, wil ik die beslissing hier niet onvermeld laten. De aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter van 3 november 2015 houdt dienaangaande het volgende in:

De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] .

De politierechter acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, (een deel van) de navolgende materiële schadeposten. Allereerst zal de politierechter de post ‘geheel nieuwe buitendeur in hardhout inclusief isolatieglas plaatsen’ matigen tot € 80,--, gelet op de omstandigheid dat het verbroken glas van de oude achterdeur geen iso glas was. Voorts zal de politierechter de post ‘nieuw sluitwerk en deurgarnituur politiekeurmerk’ matigen tot € 100,--, nu de oude achterdeur van de benadeelde niet voorzien was van een politiekeurmerk en onduidelijk is of de gehele woning van nieuw sluitwerk is voorzien. Verder zal de politierechter de post ‘tochtstrippen vernieuwen’ matigen tot € 20,-. De posten ‘kozijn repareren’ (€ 190,-), ‘schilderwerk’ (€ 265,—) en ‘reiskosten’ (€ 8,68) komen integraal voor vergoeding in aanmerking.

De politierechter wijst de vordering voor het overige af, nu de overige schade niet is veroorzaakt door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten.

Concluderend wijst de politierechter toe een bedrag van € 663,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

De politierechter zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de politierechter het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2015 tot de dag der algehele voldoening.”

24. Het middel heeft betrekking op de schade waarvan de verdediging in hoger beroep heeft gesteld dat deze boven in de woning van het slachtoffer aan de paneeldeur is veroorzaakt door de politie toen deze onderzocht of nog daders van de poging tot inbraak zich daar ophielden. Van de juistheid van de stelling van de verdediging dat een deel van de gevorderde schadevergoeding ziet op door de politie in de woning van de benadeelde partij teweeggebrachte schade moet in cassatie worden uitgegaan,5 nu het hof over de aard en de oorzaak van de schade niets heeft vastgesteld, maar heeft volstaan met het oordeel dat de verdachte tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade is gehouden.6

25. Het zich tegen dat oordeel kerende middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht vecht de aansprakelijkheid van de verdachte voor de door de politie veroorzaakte schade aan en voert allereerst aan dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat het politieoptreden op de bovenverdieping van de woning van de benadeelde partij niet als onrechtmatig is aan te merken, maar als (op zichzelf) rechtmatig handelen moet worden beschouwd. Zonder nadere – en ontbrekende – motivering zou dat oordeel niet begrijpelijk zijn. Volgens de toelichting op het middel “zal geen betoog behoeven” dat indien het hof is uitgegaan van op zichzelf onrechtmatig politieel optreden, het oordeel dat de verdachte desalniettemin voor de veroorzaakte schade aansprakelijk is van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.

26. Over de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de politie de schade heeft veroorzaakt, heeft het hof inderdaad niets vastgesteld. Het hof was echter niet gehouden een oordeel over de rechtmatigheid van het politieoptreden in zijn arrest tot uitdrukking te brengen, aangezien door de verdediging in hoger beroep de onrechtmatigheid van dat optreden niet is gesteld (noch anderszins van enige onrechtmatigheid te dien aanzien is gebleken). Aangevoerd is slechts dat de politie schade heeft veroorzaakt in haar zoektocht naar verdachten in de woning. In dat licht bezien, is het kennelijke oordeel van het hof dat de opsporingsambtenaren hun wettelijke bevoegdheden en verplichtingen niet te buiten zijn gegaan en ook overigens op zichzelf niet buiten de grenzen van het maatschappelijk betamelijke zijn getreden, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

27. Ook voor zover het hof zonder nadere motivering heeft kunnen oordelen dat sprake is geweest van (op zichzelf) rechtmatig politieoptreden, bestrijdt de eerste klacht desondanks de aansprakelijkheid van de verdachte voor de door de politie aan de benadeelde partij toegebrachte schade aan de paneeldeur. Daartoe wordt op de keper beschouwd niet méér aangevoerd dan dat de Staat voor in het kader van strafvorderlijk optreden door politie en justitie aan anderen dan de verdachte toegebrachte schade op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk kan zijn, omdat het – weliswaar op zichzelf rechtmatig – strafvorderlijk optreden onevenredig nadeel heeft veroorzaakt dat niet tot het normaal maatschappelijke risico van deze niet-verdachte derde kan worden gerekend.7 Onder meer tijdens een doorzoeking in de woning van een derde aangerichte schade, dient naar vaste rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad op grond van dit “égalité-beginsel” de schade in principe door de Staat te worden vergoed.8

28. Of aan de voorwaarden voor de bedoelde grond voor overheidsaansprakelijkheid in de omstandigheden van het onderhavige geval is voldaan, kan mijns inziens in het midden blijven. Het middel gaat uit van de opvatting dat de aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden aan de aansprakelijkheid van de verdachte voor dezelfde schade in de weg staat. Deze – niet nader gesubstantieerde – opvatting vindt in het recht geen steun.9

29. De eerste klacht van het tweede middel is mitsdien tevergeefs voorgesteld.

30. De tweede klacht van het middel richt haar pijlen op het kennelijke oordeel van het hof dat sprake is van “rechtstreekse schade” als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv.

31. Ingevolge art. 51f, eerste lid, Sv kan uitsluitend een persoon die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij ter zake van zijn of haar vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces. Deze bepaling beoogt primair de kring van tot voeging in het strafproces gerechtigde personen te beperken tot één of meer slachtoffers van het strafbare feit.10 Erfgenamen11 of verzekeraars12 van het slachtoffer bijvoorbeeld, zijn dan ook in de regel niet-ontvankelijk in hun vordering als benadeelde partij. Naast een beperking van de kring van voegingsgerechtigden, impliceert de ontvankelijkheidsvoorwaarde – de schade is rechtstreeks geleden “door het bewezenverklaarde feit” (art. 361, tweede lid, Sv) – tevens een vereiste van causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade. Daarover houdt de memorie van toelichting onder meer het volgende in:

“Aan de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit is voldaan als in de telastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt, zodat op basis van de telastelegging de civiele vordering kan worden onderzocht. Wordt een verdachte bijvoorbeeld vervolgd wegens mishandeling dan zal de benadeelde partij zich kunnen voegen met haar vordering die een rechtstreeks gevolg is van de mishandeling, ongeacht de vraag of deze schade in de telastelegging is vermeld.”13

Niet beoogd is evenwel met de gekozen terminologie in het strafrecht aan het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade andere, mogelijk strengere eisen te stellen dan in het burgerlijk recht.14 Onverkort geldt hier dus het algemene uitgangspunt dat op de vordering van de benadeelde partij het materiële burgerlijk recht van toepassing is.15

32. De vraag is nu of het hof zonder nadere motivering op begrijpelijke wijze heeft kunnen oordelen dat voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen de onrechtmatige daad van de verdachte (het strafbare feit) en zijn mededaders enerzijds en de door de benadeelde partij aan een door de politie geforceerde deur geleden schade anderzijds.16 Naar vaste rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend voor het antwoord op de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.17

33. De cassatierechtspraak laat een beeld zien waarin de voorwaarde van “voldoende verband” niet strikt wordt uitgelegd en toerekening van de schade aan de verdachte veelal redelijk wordt geacht.18 In HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216, NJ 2015/359, m.nt. Schalken bijvoorbeeld, oordeelde de Hoge Raad dat de door ontvreemding van overschrijvingskaarten en girale geldbedragen ontstane schade kon worden beschouwd als rechtstreeks geleden door het medeplegen van witwassen van die bedragen. En afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kunnen de bewezenverklaarde opzetheling en de kort daarvoor gepleegde diefstal van een goed in zodanig nauw verband tot elkaar staan dat gezegd kan worden dat de door de verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de beledigde partij geleden schade heeft veroorzaakt (HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985, NJ 1998/537). Dat mogelijk de schade mede het gevolg is van keuzes die de benadeelde partij na het strafbare feit heeft gemaakt, staat op zichzelf niet aan de aansprakelijkheid van de verdachte in de weg. Zo waren in HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801 de door de benadeelde partij gemaakte inschrijvingskosten voor een woning “uit de buurt” van de wegens mishandeling veroordeelde verdachte aan de verdachte toe te rekenen. Voorts liet de Hoge Raad in stand het oordeel dat de door de benadeelde partij met betrekking tot het cilinderslot geleden schade in zodanig nauw verband stond met de bewezenverklaarde diefstal met braak door de verdachte, dat die schade redelijkerwijs moest worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebracht (HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2576). En in het arrest van 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333 oordeelde de Hoge Raad dat de kosten die in het kader van onderzoek naar het strafbare feit door een ingeschakeld bedrijfsrecherchebureau waren gemaakt, waaronder de personeelskosten, als rechtstreekse schade konden worden aangemerkt. Meer in het algemeen had de Hoge Raad eerder reeds overwogen dat onder rechtstreekse schade mede zijn te verstaan de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen (HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077, NJ 2008/468, m.nt. Borgers).

34. Omdat de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij dient te worden beoordeeld naar maatstaven van materieel burgerlijk recht, is hier de civielrechtelijke causaliteitsleer belangrijk. Naar heersende opvatting behelst de causaliteit in het aansprakelijkheidsrecht twee toetsen. De vraag óf aansprakelijkheid bestaat, dient te worden beoordeeld aan de hand van een condicio sine qua non-toets.19 In een tweede stap wordt vervolgens de omvang van de schadevergoedingsverbintenis bepaald aan de hand van het criterium van toerekening naar redelijkheid.20 In art. 6:98 BW is de toerekeningsleer die met betrekking tot de causaliteit in de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad is ontwikkeld, als volgt verwoord: voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

35. In de civielrechtelijke vakliteratuur worden uit de rechtspraak diverse gezichtspunten afgeleid die bij de beoordeling van de redelijke toerekening een factor van betekenis zijn. Als vertrekpunt wordt daarbij veelal een artikel van Brunner uit 1981 genomen, waarin hij vier of vijf (potentiële) deelregels formuleerde.21 De eerste daarvan luidt dat naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker is en aldus beter voorzienbaar, toerekening eerder op zijn plaats is (het adequatie-criterium). Andersom is toerekening van meer uitzonderlijke, onwaarschijnlijke gevolgen in redelijkheid minder goed aanvaardbaar.22 Ten tweede geldt een nabijheidscriterium: naarmate het schadelijk gevolg verder is verwijderd van de onrechtmatige daad waarop de aansprakelijkheid berust, is toerekening minder gerechtvaardigd.23 Als derde noemde Brunner de in art. 6:98 BW gecodificeerde “aard van de aansprakelijkheid”. Binnen dit nog tamelijk onbepaalde gezichtspunt onderscheidde hij drie factoren: (i) de aard van de geschonden norm; (ii) de mate van schuld van de betrokkene24; en (iii) de aard van de activiteit (bedrijfsmatig dan wel particulier) waarbij de schade is toegebracht.25 Ten vierde achtte hij ook de eveneens in art. 6:98 BW genoemde aard van de schade van belang, waarbij moet worden aangenomen dat (a) dood- en letselschade eerder tot toerekening leidt dan zaakschade, (b) zaakschade eerder dan schade door vermogensverlies en (c) vermogensverlies eerder dan derving van winst. Tot slot plaatste Brunner zelf nog een vraagteken bij het belang van de aanwezigheid van verzekeringen aan de zijde van de aangesprokene en/of de gelaedeerde. In de vakliteratuur wordt thans aangenomen dat dit aspect wel van belang is. Voorts wordt inmiddels onderkend dat ook de proceshouding van de aangesproken partij van enige relevantie kan zijn.26

36. Toepassing van deze deelregels leidt tot toerekening van door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade op een wijze die doorgaans als ruim kan worden aangeduid.27 Ter illustratie noem ik de volgende twee uitspraken van de civiele kamer van de Hoge Raad. In het arrest van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5603, NJ 2008/262 casseerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat ouders voor een door hun minderjarige kinderen begane brandstichting in een horecagelegenheid niet aansprakelijk waren voor de door de horecaondernemer naar aanleiding van een door de brand ontstaan huurgeschil met de verhuurder van het pand geleden inkomensschade. In HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, NJ 2014/429 had een werknemer op de werkvloer zijn voet gebroken. Nadat het gips reeds enige tijd van de voet was verwijderd en terwijl de werknemer herstellende was, struikelde hij na het werk thuis over een deurmat. Het daarbij opgelopen knieletsel was volgens het hof niet meer toerekenbaar aan de werkgever, maar de Hoge Raad kon zich in dat oordeel niet vinden en vernietigde het arrest.

37. Terugkerend naar de onderhavige zaak, stel ik voorop dat het mij in meer algemene zin niet als vanzelfsprekend voorkomt dat de door politie en justitie in het kader van de opsporing van een strafbaar feit aan niet-verdachte derden toegebrachte schade in het strafproces onderdeel is van een schadevergoeding die ten aanzien van de verdachte van het opgespoorde delict wordt gevorderd.28 Opsporing is een publieke zaak waarvan de kosten, de daarbij veroorzaakte schade aan derden daaronder begrepen, in beginsel voor rekening van de overheid komen. Geheel evident lijkt mij de toewijsbaarheid van de vordering tegen deze achtergrond niet. Daarom zou het bepaald de voorkeur hebben verdiend als het hof zich over de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval en het causale verband tussen de gedragingen van de verdachte en de geleden schade in zijn arrest explicieter zou hebben uitgesproken dan het thans heeft gedaan. Desniettemin meen ik dat, gezien de extensieve causaliteitsopvatting in zowel het civiele als in het strafrecht, en mede vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval in de onderhavige zaak, ook zónder die nadere motivering niet kan worden gezegd dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op dit punt onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn. Daartoe acht ik van gewicht dat de causale relatie tussen het bewezenverklaarde feit en de schade in casu niet slechts erin bestaat dat de schade is veroorzaakt in het kader van het opsporingsonderzoek naar het door de verdachte en zijn mededaders begane feit. Het ontstaan van de schade is in dit geval tevens het gevolg ervan dat de verdachte en zijn mededaders kort vóór het ontstaan van de schade wederrechtelijk in de woning verbleven, dat toen politie ter plaatse kwam zij gepoogd hebben zich aan hun aanhouding te onttrekken, dat zij daarbij in verschillende richtingen zijn gevlucht en dat de politie in de woning waar de verdachten wederrechtelijk hadden verbleven handelde binnen hun wettelijke opsporingsbevoegdheden ten einde vast te stellen of zich nog verdachten in de woning bevonden.29

38. Beziet men deze specifieke gang van zaken in het licht van de in de (civiele) vakliteratuur en rechtspraak als relevant voor de redelijke toerekening onderkende deelregels, dan kan ter zake worden vastgesteld: (i) dat de norm, die geschonden is, betrekking heeft op een ernstig misdrijf en strekt tot bescherming van de eigendom (en in mindere mate de huisvrede); (ii) dat opzettelijk onrechtmatig is gehandeld; (iii) dat zaakschade is geleden; (iv) dat alleszins voorzienbaar en geenszins onwaarschijnlijk is dat bij een inbraak de politie ter plaatse zal komen en aldaar het nodige zal doen om zich ervan te verzekeren dat alle betrokkenen zijn aangehouden; en (v) dat in de causale keten niet zodanig veel tussenliggende gebeurtenissen van belang zijn dat moet worden gezegd dat de schade in een te ver verwijderd verband staat tot het bewezenverklaarde feit.

39. Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het hof dat tussen het bewezenverklaarde feit en de op de bovenverdieping van de woning van de benadeelde partij veroorzaakte schade aan de paneeldeur voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden in de zin van art. 51f, eerste lid, Sv, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is tevens niet onbegrijpelijk en behoefde niet nader te worden gemotiveerd.

40. Het tweede middel faalt.

41. Beide middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

42. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het enige in die zaak dat de betrokkenheid van beide verdachten aan de plaats delict en de poging tot inbraak verbond was de invoering van de desbetreffende straat (zonder huisnummer) in het navigatiesysteem van de auto, maar dat volstond niet, nu ander bewijsmateriaal ten laste van de verdachten ontbrak.

2 Op grond van de woordelijke inhoud van het proces-verbaal hield de aan het ‘verzoek’ verbonden voorwaarde preciezer geformuleerd in dat het hof zou aannemen dat de verdachte uit de voordeur kwam lopen, ongeacht of het hof ervan uit zou gaan dat verbalisant [verbalisant 1] dit had waargenomen. Gelet op de context van het gevoerde verweer voor het overige en de kennelijke aanleiding om verbalisant [verbalisant 1] nader te willen horen, lijkt het mij evenwel niet onredelijk de door de stellers van het middel aan de voorwaarde gegeven uitleg in cassatie te aanvaarden.

3 Ik wijs hier nog op G. Pesselse & J.H.B. Bemelmans, ‘De geldigheid van getuigenverzoeken’, DD 2017, 61, p. 629-652, p. 636 e.v.

4 Vgl. bijv. HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7658, in welke zaak de advocaat-generaal bij het hof had gesteld dat het horen van de getuige “aanbeveling” verdiende indien het hof tijdens de beraadslaging “enige twijfel” mocht koesteren omtrent de herkenning van de verdachte door de aangeefster, hetgeen volgens de Hoge Raad niet als een getuigenverzoek hoefde te worden opgevat.

5 Een zich onder de stukken van het geding bevindend proces-verbaal van bevindingen (p. 61 en 62 van het politiedossier) houdt in dat opsporingsambtenaren na de aanhouding van de verdachte en zijn twee medeverdachten het pand opnieuw zijn binnengegaan ter controle op achtergebleven verdachten. Daarbij troffen zij op de eerste etage een van binnen afgesloten kamer aan. Zij hebben deze deur geforceerd, maar geen andere verdachte(n) gevonden. De stellers van het middel doelen op de schade aan deze geforceerde deur, die in het ‘schadeonderbouwingsformulier’ (bijlage 1 bij het ’schadeopgaveformulier’) van de benadeelde partij van 4 augustus 2015 is omschreven als de paneeldeur op de bovenverdieping.

6 Behoudens de matiging “wegens gebleken verbetering van oud tot nieuw”. In hoeverre deze matiging ziet op de schade aan de deur op de eerste etage heeft het hof niet geëxpliciteerd.

7 Zie: HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, NJ 2003/615, m.nt. Scheltema; HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7887, NJ 2005/392, m.nt. J.B.M. Vranken; HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1708, NJ 2010/95, m.nt. Du Perron; HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7396, NJ 2014/467, m.nt. Vranken.

8 Voor aan de verdachte toegebrachte schade gelden andere criteria; zie o.a. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, NJ 2007/432, m.nt. Vranken.

9 Vgl. HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, NJ 2003/615, m.nt. Scheltema (rov. 3.11), waarin de Hoge Raad (spiegelbeeldig) overwoog dat onjuist noch onbegrijpelijk was het oordeel van het hof dat de aansprakelijkheid van de verdachte voor de door de derde geleden schade niet aan de aansprakelijkheid van de Staat in de weg stond. Vgl. ook art. 6:99 BW: “Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen [...]“.

10 MvT, Kamerstukken II 1989/1990, 21 345, nr. 3, p. 11: “Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.”

11 HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9225, NJ 2007/510 en HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:833. Overigens wijzen deze uitspraken tevens op art. 51a, tweede lid, (oud) Sv respectievelijk art. 51f, tweede lid, Sv, waarin werd/wordt bepaald dat zulks anders is in het geval het slachtoffer ten gevolge van het bewezenverklaarde is overleden.

12 Zie reeds HR 5 oktober 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB3848, NJ 1966/292, m.nt. Pompe.

13 Kamerstukken II 1989/1990, 21 345, nr. 3, p. 17.

14 Aldus F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, tweede druk, Deventer: Kluwer 2010, p. 111.

15 MvA EK, Kamerstukken II 1992/93, 21 345, nr. 36, p. 1-2; vgl. ook HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559.

16 Aan het relativiteitsvereiste is in de onderhavige zaak zonder meer voldaan: het (strafrechtelijk) verbod op (poging tot) diefstal met braak beschermt het eigendomsrecht van de gelaedeerde tegen verlies van zijn goederen, alsmede tegen waardevermindering daarvan en beschadiging in en aan het pand waartoe door middel van braak toegang wordt verkregen. De opvatting dat aan het criterium van rechtstreekse schade uitsluitend is voldaan in die gevallen waarin de benadeelde is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, is onjuist, aldus HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335.

17 Zie o.a. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335.

18 Vgl. in dezelfde zin de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt vóór HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335.

19 Zie o.a.: S.D. Lindenbergh, ‘Commentaar op art. 6:98 BW’, in: T&C BW, aant. 1; R.W.E. van Leuken, M.M.C. van de Moosdijk & V. Tweehuysen, Hartkamps compendium van het vermogensrecht, Deventer: Kluwer 2017, nr. 391; C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2 (Monografieën BW), Deventer: Kluwer 2017, p. 33-40 (nr. 18); C.H. Sieburgh, Mr. Assers handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, Deventer: Kluwer 2017, nrs. 50-55.

20 Zo sinds HR 20 maart 1970, ECLI:NL: HR:1970:AC5007, NJ 1970/251, m.nt. Scholten. Zie voor een vergelijking van de uitwerking van het criterium van de redelijke toerekening in enerzijds het strafrecht en anderzijds het civiele recht: E.M. Witjens, Strafrechtelijke causaliteit. De redelijke toerekening vergeleken met het privaatrecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2011.

21 C.J.H. Brunner, ‘Causaliteit en toerekening van schade’ (I), Verkeersrecht 1981, p. 210 e.v. Zie over zijn deelregels ook: C.C.H.A. Holthuijsen-van der Kop, ‘De redelijke toerekening en de deelregels anno 2015: een update’, WPNR 2015, p. 520-527; Asser/Sieburgh, a.w., nrs. 63-66; en Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017, nr. 393.

22 Vgl. bijv. HR 1 juli 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7010, NJ 1978/84, m.nt. Scholten en HR 25 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4558, NJ 1984/629, m.nt. Brunner.

23 In dit verband wordt erop gewezen dat ver verwijderde schade zeer wel voorzienbaar kan zijn, terwijl andersom nabije schade van zo bijzondere aard kan zijn dat deze niet te voorzien was.

24 Zo HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310, NJ 2011/139.

25 In haar rechtspraakanalyse zag Holthuijsen-van der Kop (a.w., i.h.b. p. 523) deze derde factor van de derde deelregel in de rechtspraak niet als zelfstandig belang terugkomen (“Mij is geen rechtspraak bekend waaruit blijkt dat de aard van de activiteit invloed kan uitoefenen op de causaliteitsbeslissing.”).

26 Zie bijv. Klaassen, a.w., p. 61 (nr. 42.1) onder verwijzing naar HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606, NJ 2005/168, m.nt. Asser.

27 Vgl. ook Langemeijer, a.w. p. 111: “De term ‘rechtstreeks toegebracht’ is niet bedoeld als een van het burgerlijk recht afwijkende maatstaf [...]. De rechtspraak biedt dan ook [mijn cursivering, EH] ruime mogelijkheden om schade toe te rekenen aan een bewezen verklaarde gedraging.”

28 Vgl. het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 mei 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:CA0715 dat (in andersluidende zin dan het hof in de onderhavige zaak) overwoog dat kosten die worden gemaakt in opdracht van de politie in het kader van het opsporingsonderzoek naar de strafbare feiten, niet op individuele burgers plegen te worden afgewenteld in het kader van een civiele vordering in het strafproces.

29 Niet alleen op het in de bewezenverklaring beschreven feitencomplex, maar ook op andere uit de bewijsvoering blijkende, met de bewezenverklaring samenhangende, gedragingen kan worden acht geslagen; vgl. HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2093, NJ 2014/398, m.nt. Cleiren en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:779.