Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:930

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
18/02214
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1428
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Beschikking Hof inhoudende afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand, art. 591a Sv. Zijn kosten rechtsbijstand van politieambtenaar die n.a.v. een incident tijdens diensttijd als verdachte is aangemerkt t.z.v. een strafbaar feit, terwijl strafzaak uiteindelijk is geseponeerd, ex art. 591a.2 Sv vatbaar voor toewijzing, indien het politiekorps de declaraties van de raadsman heeft voldaan? Afwijzing door Hof van verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand op de grond dat geen sprake is van een situatie waarin verzoeker zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen. Indien een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van art. 9a Sr, kan ex art. 591a.2 Sv aan gewezen verdachte uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat de raadsman was toegevoegd. In ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355 is deze bepaling aldus uitgelegd dat zij plaats laat voor het toekennen van een tegemoetkoming in (thans: vergoeding van) de door gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen indien gewezen verdachte o.g.v. een andere rechtsverhouding zo’n vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever. Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen. Volgt vernietiging in het belang van de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2018/167 met annotatie van C. van Oort
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/02214 CW

Zitting: 29 mei 2018

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 7 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2802, waarbij - voor zover hier van belang - het hoger beroep van verzoeker tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 25 november 2016, houdende afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, ongegrond is verklaard.

  2. Tegen de beschikking van het Hof staat ingevolge art. 445 Sv geen gewoon beroep in cassatie open.1Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO in verband met art. 456 Sv).

3. De reden om deze vordering in te stellen is dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de vraag of een verzoek tot vergoeding van de kosten van een raadsman voor toewijzing vatbaar is ook indien de verzoeker, de gewezen verdachte, die kosten niet zelf draagt maar deze worden gedragen door een derde, zoals zijn werkgever.

4. In de onderhavige beschikking beantwoordde het hof die vraag in navolging van de rechtbank ontkennend. Het hof overwoog daartoe:

“2 Procesverloop

De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek afgewezen daar de werkgever van de appellant de kosten van rechtsbijstand draagt. De kosten van rechtsbijstand zijn niet ten laste van de appellant gekomen en het door de werkgever voldoen van die kosten kan niet als een voorschot worden beschouwd. Het bepaalde in artikel 591a Sv biedt geen ruimte voor de verzochte vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Derhalve zijn er geen gronden van billijkheid aanwezig om aan de appellant de verzochte vergoeding toe te kennen.

Het hoger beroep is ingesteld namens de appellant.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer, van het onderhavige verzoekschrift en van de stukken met betrekking tot de behandeling van dit verzoek in eerste aanleg.

Het hof heeft op 23 juni 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van de appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het hoger beroep in raadkamer gehoord. De appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon in raadkamer verschenen.

Standpunt appellant

De advocaat van de appellant heeft het hoger beroep in raadkamer aan de hand van haar pleitnota toegelicht en – kort gezegd – betoogd dat het gerechtshof Den Bosch bij arrest van 3 november 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:4602) heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 69a, eerste lid, Besluit Algemene Rechtspositie Politie (verder: BARP) ten laste zijn gebracht van de werkgever van de appellant en de appellant in zoverre zelf geen kosten heeft gemaakt, geen beletsel vormt om aan de appellant een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Uit artikel 5, derde lid, Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (verder: de Regeling) vloeit immers voort dat de appellant gehouden is om vergoeding van de kosten op grond van artikel 591/591a Sv te verzoeken en ervoor te zorgen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde tegemoetkoming toekomt aan de werkgever. Voorts heeft de advocaat verwezen naar een aantal uitspraken van de rechtbank Amsterdam, gewezen na eerdergenoemde uitspraak van het gerechtshof Den Bosch, waarbij de gevraagde vergoedingen ook werden toegekend in gevallen waarin de politie-eenheid Amsterdam de kosten van rechtsbijstand had betaald. Tenslotte heeft de advocaat aangevoerd dat uit de bij artikel 591a Sv behorende wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de beperking dat alleen de door de appellant zelf geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt, niet geldt voor de vergoeding van de kosten van een raadsman. Ook overigens zijn er voldoende gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de verzochte vergoeding.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de appellant in het verzoek nu de appellant geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift, omdat de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van de appellant zijn gekomen en daadwerkelijk door de werkgever van de appellant zijn voldaan, wat, gelet op alle van toepassing zijnde bepalingen, niet als een voorschot kan worden aangemerkt, maar als een onvoorwaardelijke tegemoetkoming dient te worden aangemerkt. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de beschikking waarvan beroep.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Ontvankelijkheid appellant

Met betrekking tot het primaire standpunt van de advocaat-generaal dat de appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, omdat hij geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift overweegt het hof dat de appellant wel degelijk een belang bij behandeling van het verzoekschrift heeft, nu uit het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling blijkt dat de ambtenaar in een strafrechtelijke procedure zorg draagt voor (het doen van) een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a Sv en er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor draagt dat deze vergoeding aan het bevoegd gezag toekomt.

Inhoudelijke beoordeling

De appellant, brigadier van politie, is naar aanleiding van een incident tijdens diensttijd op 11 juni 2013 als verdachte aangemerkt ter zake van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, dan wel doodslag, dan wel dood door schuld.

De strafzaak tegen de appellant werd bij brief van 15 mei 2014 van het arrondissementsparket Amsterdam, Team Specialistische Maatwerkzaken, geseponeerd.

Nadat op grond van artikel 12 Sv een klacht tegen het sepot werd ingediend, wees het gerechtshof Amsterdam de klacht bij beschikking van 19 januari 2016 af, waarmee de strafzaak tegen de appellant is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht (Sr).

Ten aanzien van de vraag of de hiervoor bedoelde kosten van rechtsbijstand ten laste van de appellant zijn gekomen overweegt het hof het volgende.

Bij de in de artikel 591a Sv geregelde vergoeding gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, om die kosten die daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen. Vaststaat dat ten behoeve van de verdediging van de appellant, [advocaat] (en diverse van haar kantoorgenoten vanwege de verbondenheid van de zaken tegen de politieambtenaren [Appellant], [politieambtenaar 1], [politieambtenaar 2], [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4]) werkzaamheden heeft verricht. Genoemde advocaat heeft ter zake van de door haar (en haar kantoorgenoten) verrichte werkzaamheden declaraties op naam gesteld van en ingediend bij de politie Amsterdam-Amstelland. De politie Amsterdam-Amstelland heeft de declaraties voldaan. In beginsel betekent dit dat de bedoelde kosten niet ten laste van de appellant zijn gekomen. Dat kan anders zijn indien moet worden geoordeeld dat de kosten, hoewel feitelijk niet door de appellant gemaakt, toch als door hem gemaakte kosten zouden moeten worden gezien. In onderhavige zaak betekent dit dat moet worden beoordeeld of de kosten alsnog ten laste van de appellant komen, omdat sprake zou zijn van een door de werkgever aan de appellant verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. Dat sprake is van een dergelijke voorwaardelijke tegemoetkoming kan volgen uit de bewoordingen van de daarop van toepassing wet- en regelgeving of uit anderszins door de appellant gestelde en gebleken feiten en omstandigheden.

De voor het onderhavige verzoekschrift relevante artikelen uit het BARP en de eerdergenoemde Regeling luiden (thans) als volgt:

Artikel 69a BARP:

1. Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

(…)

4. Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien

a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of

b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.

(…)

Artikel 5 Regeling:

(…)

3. In een strafrechtelijke procedure draagt de ambtenaar zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en draagt er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag.

(…)

In de toelichting op artikel 5 van de Regeling is het volgende opgenomen (Stcrt. 2008, 236):

‘Artikel 5

Dit artikel bepaalt dat de ambtenaar er zorg voor draagt dat het korps de gemaakte kosten van rechtskundige hulp achteraf vergoed krijgt van de wederpartij of de Staat in de gevallen waarin dit van toepassing is. Het bevoegd gezag wijst de ambtenaar op het bestaan van deze verplichting bij indiening van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

De mate waarin de ambtenaar deze bedragen afdraagt aan het korps is afhankelijk van de mate waarin de ambtenaar zijn kosten voor rechtskundige hulp vergoed heeft gekregen. Indien de vergoeding niet alle kosten dekt dan geldt de verplichting tot afdracht naar rato.

Een voorbeeld ter illustratie:

Een ambtenaar heeft vanwege een door hemzelf aangezochte advocaat € 4.800,– aan kosten. Het korps verstrekt een tegemoetkoming van € 3.600,– (overeenkomstig het lagere uurtarief van de huisadvocaat). De tegemoetkoming bedraagt daarmee 75% van de gemaakte kosten. De wederpartij wordt in een civiele procedure veroordeeld om een bedrag van € 800,– te betalen aan de ambtenaar. De ambtenaar dient van deze € 800,– een bedrag van € 600,– (is 75%) aan het korps af te dragen.’

Artikel 69a BARP kent de politieambtenaar een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe. Het vierde lid van dat artikel noemt limitatief de gevallen waarin de kosten van rechtskundige hulp kunnen worden teruggevorderd. Het nalaten om een artikel 591a Sv-verzoek in te dienen of een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een dergelijk verzoek zijn blijkens genoemde bepaling geen gronden voor terugvordering. In genoemde bepaling worden aan de tegemoetkoming in de kosten ook geen voorwaarden verbonden. Het feit dat uit artikel 5 lid 3 van de Regeling voortvloeit dat de appellant gehouden is om - in een geval als zich in deze voordoet - over te gaan tot indiening van een verzoek ex artikel 591a Sv en ervoor zorg te dragen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde vergoeding toekomt aan diens werkgever, maakt niet dat daarom reeds sprake zou zijn van een door de werkgever verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming. Dat volgt niet uit de bewoordingen van de Regeling en ook niet uit de toelichting daarop. Ook anderszins volgt niet uit het Besluit, de Politiewet 2012 - waarop dat Besluit is gebaseerd - en de Regeling dat sprake is van een door de werkgever aan de appellant verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie waarin de appellant op enigerlei wijze zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen.

Nu voorts gesteld noch gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan – desondanks - een vergoedingsplicht voor de Staat jegens de appellant zou kunnen worden aangenomen, dient het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand te worden afgewezen.

Ook overigens, alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig de appellant de verzochte vergoeding ter zake van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.”

5. Tot een zelfde oordeel kwamen Rechtbank ’s-Gravenhage 10 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4322 (werkgever verklaarde zich - ongeclausuleerd - bereid de kosten van de raadsman van de journalist te dragen, kosten waren door raadslieden rechtstreeks gedeclareerd bij de werkgever en door deze voldaan), Rechtbank ’s-Gravenhage 2 december 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5828 (werkgever draagt kosten raadsman van gezinsvoogd BJZ), Gerechtshof Arnhem 26 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5332 (kosten raadsman van machinist, declaraties overeenkomstig afspraak naar werkgever en door deze betaald), Rechtbank Amsterdam 28 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8627 (kosten voldaan door politiekorps zijn geen kosten die ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen), en Rechtbank Amsterdam 25 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2716 (kosten raadsman politieambtenaar gedragen door politiebond).

6. Het gerechtshof Den Haag oordeelde in zijn beschikking van 14 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4020, in een zaak waarin eveneens een politieambtenaar verzocht om vergoeding van de door zijn werkgever gedragen kosten van een raadsman anders, en wel op de volgende gronden:

“Beoordeling van het verzoek

Het hof stelt het volgende vast:

- Verzoeker is politieagent van beroep;

- In die hoedanigheid wilde verzoeker, belast met de handhaving van de rechtsorde (artikel 2 Politiewet 2012), op 20 juni 2013 een bekeuring uitschrijven aan de bestuurder van een auto die verkeerd stond geparkeerd. Een derde persoon heeft zich daarmee bemoeid en de verzoeker beledigd;

- Verzoeker heeft vervolgens deze derde persoon ter zake van belediging aangehouden;

- Ten gevolge van het verzet dat door deze derde persoon werd gepleegd bij de aanhouding was verzoeker overeenkomstig het gestelde in artikel 2 Politiewet 2012 bevoegd en genoodzaakt om geweld toe te passen.

- Deze geweldstoepassing heeft geleid tot verdenkingen van mishandeling en poging tot mishandeling;

- De gemaakte en verzochte kosten van rechtsbijstand zijn op grond van het bepaalde in artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 2, lid 1, van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie door de Nationale politie voldaan.

Het hof stelt voorop dat op grond van de wet (artikel 6:170 lid 1 BW) een werkgever (naast de werknemer zelf) aansprakelijk is voor de onrechtmatige daden van een werknemer indien de werknemer bij het begaan van de onrechtmatige daad handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak en zeggenschap bestond over de gedragingen waarin de onrechtmatige daad gelegen is. In een dergelijk geval is in de onderlinge verhouding tussen de werkgever en werknemer de werkgever draagplichtig voor de door die onrechtmatige daad veroorzaakte schade, tenzij de werknemer schade veroorzaakt heeft door opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 6:170 lid 3 BW).

Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat het past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen dat, in een zaak als de onderhavige, waarin weliswaar geen sprake is van een onrechtmatige daad van de verzoeker – hij is immers vrijgesproken van het hem ten laste gelegde – maar de gedragingen die aanleiding gaven tot de vervolging wel tot zijn taak als werknemer behoorden en zijn werkgever daar ook zeggenschap over had, niet de verzoeker de genoemde kosten van de raadsvrouw dient te dragen, maar zijn werkgever. Dit op grond van de dwingendrechtelijke verplichting van de werkgever zich als goed werkgever jegens de werknemer te gedragen als bedoeld in artikel 7:611 BW.

Het hof stelt vast dat de werkgever zijn dwingendrechtelijke plicht heeft vervuld door de genoemde kosten van de raadsvrouw te betalen. Het hof acht het in strijd met doel en strekking van de genoemde wettelijke plicht dat het voldoen daaraan door een werkgever tot gevolg heeft dat de Staat de kosten van rechtsbijstand van een gewezen verdachte niet zou hoeven te betalen.

Ter zijde merkt het hof op dat, gelet op het bepaalde in artikel 5 derde lid van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie, verzoeker verplicht is ervoor zorg te dragen dat de vergoeding toekomt aan zijn werkgever, zijnde de Nationale politie.”

(volgt toewijzing van een bedrag van € 144.636,52)

7. In dezelfde zin oordeelde Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4602 in een zaak waarin de kosten van de raadsman van de politieambtenaar/gewezen verdachte gedeclareerd waren aan en voldaan door de politie-eenheid. Ook hier oordeelde het hof dat de billijkheid zich er tegen verzet dat die kosten niet door tussenkomst van verzoeker namens diens werkgever verhaald zouden kunnen worden op ’s Rijks kas. Anders dan in de hiervoor onder 6 aangehaalde beschikking stelde het hof vast dat de betaling van de kosten van de raadsman als voorschot van die kosten aan de gewezen verdachte moesten worden gezien. Daarmee was in wezen de angel reeds uit de zaak omdat een voorschot niet betekent dat de gewezen verdachte geen kosten van een raadsman had.

8. Art. 591a Sv luidt:

“1 Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

2 Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

3 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid.

4 De artikelen 90, 91 en 591, tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5 Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.”2

9. Art. 44a van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: WOR) luidt:

“1 Indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van rechtsbijstand is toegevoegd, wordt met uitzondering van de vergoeding van de eigen bijdrage, geen kostenvergoeding van een raadsman als bedoeld in artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.

2 In het geval op last van de rechter een raadsman is toegevoegd, wordt overeenkomstig het eerste lid geen kostenvergoeding toegekend, indien de toevoeging op of na de uitspraak van de rechter na een daartoe ingediend verzoek van de verdachte bij de rechterlijke instantie die een last heeft verstrekt, wordt ingetrokken of beëindigd.”

10. Art. 591a Sv is ingevoerd bij Wet van 28 maart 1963, Stb. 1963, 130 (in werking getreden 1 januari 19643). Deze bepaling luidde:

“Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een tegemoetkoming worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 495, eerste lid, of artikel 503, tweede lid. De artikelen 90, 92 en 591, tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.”

11. In de memorie van toelichting wordt over deze bepaling voor wat betreft de tegemoetkoming in de kosten van een raadsman het volgende opgemerkt:

“Ad F. Voorgesteld wordt, na artikel 591 Sv. een nieuw artikel, 591a, in te voegen, waarin de mogelijkheid wordt geopend, aan de gewezen verdachte of diens erfgenamen, indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, op verzoek een tegemoetkoming toe te kennen voor schade door de gewezen verdachte geleden tengevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting. De ondergetekende beschouwt de mogelijkheid van toekenning van een tegemoetkoming voor schade, geleden door tijdverzuim tengevolge van het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting als het verlengstuk van de mogelijkheid van toekenning van een tegemoetkoming voor reis- en verblijfkosten. Zij moet echter z.i. wel met een grotere reserve worden toegepast. Bij de beoordeling of er aanleiding bestaat tot toekenning van zodanige tegemoetkoming is daarom de rechter aan dezelfde voorschriften gebonden als bij de behandeling van het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming voor schade tengevolge van voorlopige hechtenis en daaraan voorafgegane inverzekeringstelling. Artikel 90 is daarvoor van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor het overige is aansluiting gezocht bij de regeling voor toekenning van een tegemoetkoming van reis- en verblijfkosten op grond van artikel 591. Voor het geval de gewezen verdachte overlijdt na indiening van het verzoek, doch vóór de beslissing daarop, is wel artikel 92 van overeenkomstige toepassing verklaard. De mogelijkheid van een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman is geopend op grond van de volgende overwegingen. Voor de verdachte, die in aanmerking komt voor toevoeging van een raadsman (artikelen 40 en 41 Sv.) is het mogelijk, dat hierdoor een financiële belemmering wegvalt voor het zelf kiezen van een raadsman en geen gebruik te maken van de toevoeging. Voor de Staat brengt dit geen extra kosten mee, aangezien de tegemoetkoming beperkt is tot het bedrag, dat voor overeenkomstige werkzaamheden ingevolge artikel 48 Sv. als maximumvergoeding voor een toegevoegde raadsman is vastgesteld. In de gevallen waarin de gewezen ver-dachte geen recht op toevoeging van een raadsman heeft gehad, betekent de regeling een prerogatief, hem, gezien de afloop van de zaak, naar het oordeel van de ondergetekende evenzeer als een tegemoetkoming voor schade tengevolge van tijdverzuim op gronden van billijkheid toekomende. Hij wijst er nog op, dat de rechter ook bij de beoordeling van dit verzoek zal moeten nagaan of het vroegere levensgedrag van de gewezen verdachte, zijn houding tijdens de behandeling van de zaak aanleiding geven tot toekenning van de gevraagde tegemoetkoming. Bovendien zal bij de bepaling van het bedrag rekening moeten worden gehouden met de levensomstandigheden van de gewezen verdachte. De van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 90 Sv. geldt immers ook voor de behandeling van dit verzoek.”4

12. Bij Wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 tot Herziening van de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering betreffende schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis, met wijziging van daarmede verband houdende bepalingen in enkele andere wetten, werd in het tweede lid van art. 591a Sv “tegemoetkoming” vervangen door “vergoeding”. Voorts werden aan dat lid twee volzinnen toegevoegd, werd na het vierde lid een lid toegevoegd en werden de in het vierde lid genoemde wetsartikelen gewijzigd. Art. 591a Sv kwam voortaan te luiden:

“1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 495, eerste lid, of artikel 503, tweede lid.

4. De artikelen 90 en 591 zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.”

13. Voor wat betreft de wijziging van “tegemoetkoming” in “vergoeding” wordt in de memorie van toelichting opgemerkt5:

“De ondergetekende heeft voorts gemeend, de lijn van het ontwerp ten aanzien van een andere regeling door te moeten trekken, nl. die van artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling maakt een tegemoetkoming mogelijk voor de schade door tijdverzuim, alsmede in de kosten van een raadsman, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel. Met het gebruik van het woord „tegemoetkoming" is bij de totstandkoming van deze bepaling aansluiting gezocht bij de beperkte strekking van de regeling van artikel 89 e.v. 2 De argumenten die pleiten voor een verruiming van laatstgenoemde regeling zijn ook aan te voeren voor een overeenkomstige verruiming van het bepaalde in artikel 591a, tweede lid. De daarin bedoelde schade en kosten zijn immers vergelijkbaar met de schade tengevolge van ondergane detentie. Het woord „tegemoetkoming" is daarom vervangen door vergoeding. De beperking dat alleen werkelijk geleden schade kan worden vergoed, is in deze bepaling echter gehandhaafd, aangezien het hier gaat om zuivere vermogensschade. Voorts acht de ondergetekende een vergoeding van de kosten van de raadsman wenselijk. Daaronder vallen - aldus de Hoge Raad3 - de kosten van de advocaat gedurende het gehele strafproces, met inbegrip van de voorlopige hechtenis. Intussen geldt ook hiervoor de beperking, dat de zaak geëindigd moet zijn zonder oplegging van straf of maatregel. Krachtens artikel 89 is echter ook vergoeding wegens ondergane preventieve detentie mogelijk indien wel een straf of maatregel werd uitgesproken, maar opgelegd op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. Het ontwerp maakt het, door een uitbreiding van de regeling van artikel 591a, ook in zulke gevallen mogelijk de kosten van de raadsman te vergoeden. Dit is niet nodig voor de schade door tijdsverzuim, aangezien deze al valt onder artikel 89.

2 Aldus de memorie van toelichting op de Wet van 28 maart 1963, S. 130 (Wet tarieven in strafzaken), blz. 9.

3 H.R. van 24 mei 1966, NJ. 1966 nr. 443.”

14. Over de lijn van het ontwerp houdt de memorie van toelichting in - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten - :

“Het wetsontwerp is voorbereid door de commissie partiële herziening strafvordering (de commissie-Feber). Zij stelt voor, de bestaande mogelijkheden tot vergoeding van schade, geleden door het ondergaan van een voorlopige detentie, te verruimen.

De ondergetekende verenigt zich met dit voorstel. Hij wil daarbij voorop stellen dat naar zijn oordeel de vergoeding van schade wegens preventieve detentie in het algemeen moet worden gezien als een schadevergoeding ter zake van een z.g. rechtmatige overheidsdaad. Een inverzekeringstelling zal immers steeds plaats vinden op grond van een verdenking, die op het tijdstip waarop dit dwangmiddel wordt toegepast, als redelijk mocht worden beschouwd. Ook de voorlopige hechtenis zal, mede door toedoen van de rechtbank die ingevolge de wet een uitdrukkelijke beslissing omtrent oplegging of verlenging moet geven, op het moment waarop zij wordt gehanteerd, aan de wettelijke vereisten voldoen. De grondslag voor de vergoeding kan dus niet liggen in de onrechtmatigheid, maar houdt verband met de omstandigheid dat de voorlopige detentie achteraf, d.w.z. op het tijdstip van de uitspraak van de rechter, op grond van inmiddels aan het licht gekomen gegevens onjuist blijkt te zijn geweest, doordat hetzij niet is gebleken dat de verdachte het hem telastgelegde feit heeft begaan, hetzij voor het feit waarvoor hij wèl is veroordeeld, voorlopige hechtenis - en dus ook inverzekeringstelling - niet door de wet is toegestaan.

Deze later aan het licht gekomen omstandigheden maken de genomen maatregel niet alsnog onrechtmatig, maar kunnen wel aanleiding zijn tot een vergoeding van de geleden schade uit billijkheidsoverwegingen. De ondergetekende acht dit een duidelijk geval van een vergoeding uit rechtmatige daad.

Internationaal heeft de gedachte, dat een detentie aanleiding kan zijn voor een vergoeding van de schade, erkenning gevonden. Het vijfde lid van artikel 5 van het Verdrag van Rome kent een ieder die slachtoffer is geweest van een arrestatie of een gevangenhouding in strijd met de bepalingen van dat artikel, recht op schadevergoeding toe. Deze bepaling heeft kennelijk gevallen op het oog, waarin de detentie op onrechtmatige wijze heeft plaats gehad. De thans in Nederland geldende regeIing van de artikelen 89v. van het Wetboek van Strafvordering, die uit 1926 dateert, ging reeds een stap verder door schadevergoeding mogelijk te maken in gevallen, waarin de vrijheidsberoving rechtmatig was geschied.

Omdat, zoals gezegd, het geval van een onrechtmatig opgelegde voorlopige detentie in deze zin zich uiterst zelden of nooit zal voordoen, heeft de mogelijkheid van een schadevergoeding ter zake van rechtmatige, doch achteraf niettemin onjuist gebleken, vrijheidsbeneming in de praktijk meer betekenis. Het hoofddoel van de thans geldende regeling is dan ook een vergoeding in deze gevallen mogelijk te maken. Deze opzet van de regeling brengt intussen wel mede, dat aan de betrokkene geen recht op een vergoeding kon worden toegekend. De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen.”6

15. In het voorlopig verslag werd de vraag opgeworpen of het wenselijk was dat twee verschillende rechterlijke instanties - de raadkamer en de voorzitter - beslisten over de vergoeding van schade, geleden door ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis, en de vergoeding op basis van art. 591a Sv.7De Minister antwoordde dat dit bezwaar in de praktijk viel te ondervangen doordat de voorzitter zijn beslissing aanhoudt totdat de raadkamer uitspraak heeft gedaan. Voorts merkte de Minister op:

“De opmerking van enkele en verschillende leden dat het tweede lid van artikel 90 - dat voorschrijft dat bij de bepaling van het bedrag der vergoeding ook rekening wordt gehouden met de levensomstandigheden van de gewezen verdachte - zou benadrukken dat de vergoeding als een gunst en niet als een recht wordt beschouwd is niet gefundeerd. Juist in regelingen die een recht op schadevergoeding geven, b.v. de artikelen 1406 en 1407 van het Burgerlijk Wetboek, worden de bedoelde omstandigheden als relevant aangemerkt. De ondergetekende kan niet inzien waarom het voorschrift in strijd zou zijn met het beginsel van de gelijkheid voor de wet. Dit beginsel houdt in dat ieder gelijke rechten heeft, maar dat brengt niet mede dat ook de hoogte van de vergoeding voor iedereen gelijk moet zijn. Iemands levensomstandigheden kunnen immers heel wel meebrengen dat hij door hetzelfde voorval meer schade lijdt dan een ander en het is dan billijk dat ook de vergoeding hoger is.”8

16. Vervolgens werd art. 591a Sv gewijzigd bij Wetten van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153 (Wet vermogenssancties)9, 18 januari 1996, Stb. 1996, 3910, en 28 januari 1999, Stb. 199911, 30, Deze wijzigingen zijn voor de hier aan de orde zijnde vraag niet van belang. Dat is wel het geval voor de invoeging in art. 591a lid 2 Sv van “behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is” bij Wet van 28 april 2005, Stb. 2005, 234.12 In de memorie van toelichting wordt over de reden van invoeging van deze passage opgemerkt:

“In artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, wordt geregeld dat in het geval een strafzaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte een vergoeding wordt toegekend voor de kosten van een advocaat. De toepassing van deze bepaling levert in de praktijk problemen op in het geval een advocaat op basis van een toevoeging rechtsbijstand heeft verleend. Niet duidelijk is of de gewezen verdachte in een dergelijk geval gerechtigd is om kosten van de raadsman te vorderen. De rechtspraak oordeelt wisselend. Door sommige gerechten wordt geoordeeld dat betrokkene geen advocatenkosten heeft gemaakt, omdat een toevoeging is verleend. Anderen oordelen dat de rechtzoekende niet verplicht is om een eenmaal afgegeven toevoeging te gebruiken. Dit kan betekenen dat de verdachte het einde van de zaak afwacht alvorens aan te geven of op basis van de toevoeging rechtsbijstand is verleend. Een dergelijke ontwikkeling is niet gewenst.

In de onderhavige bepaling wordt deze onduidelijkheid opgelost. Bepaald wordt dat de rechtzoekende die gebruik maakt van zijn toevoeging geen kosten voor het gebruik maken van een raadsman mag vorderen, aangezien hij deze kosten niet heeft gemaakt. De rechtzoekende maakt gebruik van zijn toevoeging, indien op het moment dat de advocaat rechtsbijstand verleent een toevoeging is afgegeven. Wel ontvangt de rechtzoekende de kosten ter hoogte van de eigen bijdrage.

Indien de toevoeging op grond van artikel 33 van de Wet op de rechtsbijstand wordt ingetrokken of beëindigd bijvoorbeeld omdat de rechtzoekende onjuiste informatie heeft verstrekt of blijkt buiten het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand te vallen wegens een te hoog inkomen, is er niet langer op toevoegbasis geprocedeerd. In dat geval maakt de rechtzoekende wel kosten voor een raadsman, die hij kan declareren.

Artikelsgewijs

Artikel I

De verdachte kan zich in een strafproces laten bijstaan door een advocaat. Betrokkene kan rechtsbijstand ontvangen op basis van een toevoeging van een advocaat of op commerciële basis. In veel gevallen wordt een toevoeging verleend. Daarbij kan het gaan om een ambtshalve toevoeging ofwel een toevoeging op last van de rechter, of om een toevoeging die door de verdachte is aangevraagd. In beide gevallen ontvangt de advocaat van de raad voor rechtsbijstand een vergoeding voor de verlening van rechtsbijstand. Voorgesteld wordt om in het geval de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering de rechtzoekende geen kostenvergoeding te geven voor de kosten van een raadsman zoals bepaald in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtzoekende heeft gedurende de looptijd van de zaak immers geen kosten gemaakt, behalve wellicht het betalen van een eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage wordt natuurlijk wel vergoed.

Het bovenstaande laat onverlet dat de toevoeging kan worden ingetrokken of beëindigd. Het kan zijn dat de verdachte de voorkeur geeft aan de juridische bijstand van een commercieel opererende advocaat. Deze keuze moet dan worden gemaakt voordat daadwerkelijke rechtsbijstand is verleend. Daarmee is de rechtsbasis voor deze dienstverlening vanaf het begin duidelijk.

Een toevoeging kan niet alleen door de verdachte worden ingetrokken. De raad voor rechtsbijstand kan de toevoeging op grond van artikel 33 beëindigen of intrekken. Zoals in het algemeen deel is aangegeven kan intrekking of beëindiging plaatsvinden, indien er onjuiste informatie is verstrekt. Indien de toevoeging wordt ingetrokken, zal de verdachte op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst met de advocaat en tegen daarin afgesproken tarief de verlening van rechtsbijstand kunnen voortzetten. In een dergelijke geval kan de verdachte op grond van artikel 591a voornoemd zijn kosten vorderen van het openbaar ministerie.

De raad voor rechtsbijstand kan een ambtshalve toevoeging natuurlijk niet zonder meer intrekken of beëindigen. Dit kan alleen indien de rechter daartoe een last geeft. De rechtzoekende kan dan aan de rechter vragen om de toevoeging in te trekken. In dat geval is het redelijk dat geen kostenvergoeding wordt toegekend, indien de toevoeging op of na de uitspraak van de rechter na een daartoe ingediend verzoek van de verdachte bij de rechterlijke instantie die een last heeft verstrekt, wordt ingetrokken of beëindigd. In dat geval is immers gedurende het gehele proces op toevoegbasis rechtsbijstand verleend.”13

17. De laatste wijziging van art. 591a lid 2 Sv bij Wet van 1 december 2011, Stb. 2011, 60014 is voor de hier aan de orde zijnde vraag niet van belang.

18. Art. 69a Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: het Besluit) luidt:

1 Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

2 Indien de ambtenaar schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk is.

3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de rechtskundige hulp aan de ambtenaar is verleend, op grond van zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, met dien verstande dat de tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp rechtstreeks wordt betaald aan voornoemde centrale of vereniging.

4 Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien

a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of

b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.

5 In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de omstandigheden van de ambtenaar, kan het bevoegd gezag, overwegend dat de handeling geen gevolg is van de taakuitoefening van de ambtenaar, besluiten tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

6 Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

19. Deze bepaling is in het Besluit opgenomen bij Besluit van 10 maart 1999 houdende wijziging van onder meer het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met het verlenen van tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp aan ambtenaren van politie, Stb. 1999, 142. Bij Besluit van 12 december 2006, Stb. 2006, 676 is lid 3 aan het oorspronkelijke art. 69a toegevoegd, bij Besluit van 15 september 2008, Stb. 2008, 384 is in lid 6 bepaald dat voortaan niet het bevoegd gezag maar Onze Minister nadere regels vaststelt.

20. De nota van toelichting bij het Besluit van 10 maart 1999 luidt:

“In het Akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid Politie (1997–1998) is een afspraak gemaakt omtrent het verlenen van een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp aan de (vrijwillige) ambtenaar van politie, die wegens de uitoefening van zijn functie door derden civielrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld. Dit impliceert ook de aansprakelijkstelling naar burgerlijk recht in een strafzaak met toepassing van de artikelen 51a en volgende van het Wetboek van Strafvordering.

Gezien een eerdere afspraak hebben sociale partners in de sector Politie hierbij tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp betrokken in het geval dat de ambtenaar als verdachte naar strafrecht wordt aangemerkt.

Beide afspraken worden in dit besluit geformaliseerd. De tegemoetkomingsregeling geldt niet alleen voorzover de ambtenaar in rechte is betrokken, maar geldt reeds in de voorfase, waarin de mogelijkheid bestaat dat een procedure plaats zal vinden.

Bovendien voorziet dit besluit in het verstrekken van een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp aan de desbetreffende (vrijwillige) ambtenaar in het geval dat deze (vrijwillige) ambtenaar zelf schadevergoeding vordert op grond van een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad tijdens de uitoefening van de politietaak. Daarnaast kan in bijzondere gevallen buiten de uitoefening van de politietaak een tegemoetkoming worden verstrekt.

Het bevoegd gezag verleent een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp van een door de ambtenaar aangezochte raadsman. Hiervan kan alleen worden afgeweken in geval van opzet of bewuste roekeloosheid respectievelijk grove nalatigheid van de (vrijwillige) ambtenaar. Dat kan dan in de motivering van de beschikking tot uitdrukking komen, op welke beschikking de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is met de mogelijkheid van bezwaar en beroep.

In dit kader zijn verder van belang de bepalingen over onrechtmatige daad, die zijn neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, Boek 6, Titel 3, en met name de artikelen 6:162 BW en 6:170 BW, namelijk inzake schade uit onrechtmatige daad en de verhouding werkgever / werknemer, indien de onrechtmatige daad is gepleegd door een ondergeschikte bij de vervulling van zijn taak.

In de bijlage bij deze nota van toelichting is een voorbeeldregeling opgenomen. De bijlage vormt geen onderdeel van het onderhavige besluit.

Over dit besluit is overleg gevoerd met de vakorganisaties, vertegenwoordigd in de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken. Slechts de helft van die commissie kon zich verenigen met het voorstel. Met gebruikmaking van artikel 3, derde lid, laatste volzin, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, heb ik besloten het voorstel ten uitvoer te brengen.”15

21. De bijlage bij de nota van toelichting houdt in:

“Voorbeeldregeling

Regeling voor tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp aan personeelsleden bij de politieregio ...

De korpsbeheerder,

Gelet op artikel 69a, vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 22a, vijfde lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie,

Besluit:

Artikel 1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder: betrokkene:

1 het personeelslid dat voorkomt op de loonlijst van het regiokorps,

2 ieder ander die op enigerlei wijze werkzaam is in het regiokorps.

Artikel 2 Doel

1. Indien een betrokkene wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

2. Indien een betrokkene schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk is.

3 De toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp kan betrekking hebben op de voorfase van een gerechtelijke procedure, een gerechtelijke procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie.

4 De kosten voor de verlening van rechtskundige hulp door de raadsman die optreedt door tussenkomst van het regiokorps worden volledig vergoed.

5 De kosten van een raadsman die door de betrokkene is aangezocht worden vergoed tot ten hoogste het bedrag dat zou zijn betaald, indien de rechtskundige hulp zou zijn verleend overeenkomstig het vierde lid.

6 In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de omstandigheden van betrokkene, kan het bevoegd gezag, overwegend dat de handeling geen gevolg is van de taakuitoefening van betrokkene, besluiten tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Artikel 3 Procedure

1 Betrokkene doet een aanvraag om een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. Daarbij vermeldt hij de redenen voor en de aanleiding tot de aanvraag en eventueel de omstandigheden van het geval.

2 Voor een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp in geval van hoger beroep of cassatie dient de betrokkene afzonderlijke aanvragen in.

3 Het bevoegd gezag beslist op het verzoek zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van het verzoek. Deze termijn kan met twee weken worden verlengd, in welk geval het bevoegd gezag dat met de reden daartoe schriftelijk aan de betrokkene meldt.

4 Het bevoegd gezag overweegt in zijn besluit of de handeling van betrokkene, die de aanleiding vormt tot het strafrechtelijk onderzoek, een gevolg is van de uitvoering van de politietaak.

5 Indien een derde respectievelijk het openbaar ministerie hoger beroep dan wel cassatie instelt in de zaak waarvoor het bevoegd gezag de betrokkene eerder voor een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp in aanmerking heeft laten komen, verleent het bevoegd gezag de betrokkene op diens melding ambtshalve opnieuw een tegemoetkoming.

Artikel 4 Staking van de tegemoetkoming en terugbetaling

1 Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien

a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van betrokkene, of

b indien betrokkene strafrechtelijk wordt veroordeeld.

2 Indien de tegenpartij in het proces wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten, stort betrokkene de vergoeding van deze kosten, voor zover ze als kosten van rechtskundige hulp moeten worden opgevat, op de bankrekening van de politieregio ... .

Artikel 5 Herziening

In het geval de door het bevoegd gezag vermoede opzettelijke onrechtmatigheid dan wel opzettelijke wederrechtelijkheid of bewuste roekeloosheid, of grove nalatigheid van de zijde van betrokkene niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak, herziet het bevoegd gezag zijn eerdere weigering tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Artikel 6 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op ...

Artikel 7 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Regeling voor een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp aan personeelsleden bij de politieregio ...

Dit besluit wordt aan het personeel bekend gemaakt door ...

De korpsbeheerder van de politieregio ...

Toelichting op de voorbeeldregeling

Algemeen

Deze voorbeeldregeling voor een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp politie bevat zowel civielrechtelijke aspecten als strafrechtelijke aspecten.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Definities

De regeling is van toepassing op (vrijwillige) ambtenaren van politie die zijn aangesteld door het bevoegd gezag van het korps. Daarnaast is de regeling van toepassing op andere personen die werkzaamheden voor het regiokorps verrichten, bijvoorbeeld ambtenaren die bij het regiokorps zijn gedetacheerd en personeel ingeleend via uitzendbureaus.

Artikel 2 Doel

Zie het algemene deel van de toelichting.

Artikel 3 Procedure

Op de beschikking is Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Bij het nemen van het besluit zal de korpsbeheerder een afweging maken over de grond van de aanvraag. Een kennelijk onredelijk verzoek zal niet voor inwilliging in aanmerking komen.

In het kader van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan de aanvrager zich beroepen op artikel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

De korpsbeheerder, houder van de registratie over aanvragen inzake een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp en beschikkingen daarop, kan op grond van artikel 30 van de Wet persoonsregistraties een verzoek om inzage weigeren. Grond daarvoor kan onder meer zijn het belang van de opsporing en de vervolging van strafbare feiten.

Artikel 4 Staking van de tegemoetkoming en terugbetaling

Waar het regiokorps een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp heeft verleend, is het redelijk dat een kostenveroordeling van de tegenpartij van de betrokkene ten goede komt aan het regiokorps. Dit geldt eveneens wanneer de rechter een strafrechtelijke veroordeling van de betrokkene uitspreekt.”

22. De nota van toelichting bij het Besluit van 12 december 2006, Stb. 2006, 676, waarbij lid 3 aan art. 69a werd toegevoegd, houdt in:

“Het was in de praktijk onduidelijk of op grond van het bestaande artikel 69a de ambtenaar ook in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand indien de rechtskundige hulp was verleend, op grond van zijn lidmaatschap, door een vereniging of een centrale als bedoeld in het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.

Op grond van het nieuwe derde lid wordt nu expliciet bepaald dat de ambtenaar ook voor die tegemoetkoming in aanmerking komt indien er sprake is van rechtskundige hulp verleend door een centrale of een vereniging als hier bedoeld. De minister en de vakbonden hebben in dat geval evenwel afgesproken dat de centrale of de vereniging de rekening voor verleende rechtskundige hulp indient bij het bevoegd gezag van de ambtenaar. Het bevoegd gezag zorgt dan voor de rechtstreekse betaling van de rekening aan de desbetreffende centrale of vereniging.”16

23. De in art. 69a van het Besluit bedoelde nadere regels zijn vervat in de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie van 14 november 2008, Stcrt. 4 december 2008, nr. 236 (hierna: de Regeling). De Regeling luidt:

“Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder: a. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i van het Besluit algemene rechtspositie politie en de vrijwillig ambtenaar van politie als bedoeld in het Besluit rechtspositie vrijwillige politie; b. tegemoetkoming: de tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp, bedoeld in de artikelen 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie en 22a van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie; c. bestuurlijke strafbeschikking: straf opgelegd in het kader van de wet OM-afdoening.

Artikel 2

1 De tegemoetkoming bestaat naar keuze van de ambtenaar uit:

a. het toevoegen van rechtskundige hulp aan de ambtenaar door tussenkomst en op kosten van het bevoegd gezag;

b. vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp, door de ambtenaar aangezocht zonder tussenkomst van het bevoegd gezag;

c. vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp, aan de ambtenaar verleend op grond van zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, of

d. vergoeding van de eigen bijdrage, indien de ambtenaar aanspraak maakt op door de overheid gefinancierde rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand.

2 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, bedraagt per uur niet meer dan het bedrag van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, maar ten minste het basisbedrag zoals vastgesteld op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, tenzij de werkelijke kosten per uur lager waren dan dat basisbedrag.

3 Indien het bevoegd gezag voor de tegemoetkoming bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, een rechtsbijstandverzekering heeft afgesloten, geldt voor de berekening van de vergoeding bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, een uurtarief van ten hoogste € 150,--, met uitzondering van de gevallen waarin naar oordeel van het bevoegd gezag bijzondere eisen worden gesteld aan de persoon die de rechtskundige hulp verleent en die alsdan leiden tot een hoger uurtarief. 4 De toekenning van de tegemoetkoming kan betrekking hebben op:

a. de voorfase van een gerechtelijke procedure;

b. een verzoek om voorlopige voorziening;

c. een gerechtelijke procedure in eerste aanleg;

d. hoger beroep;

e. cassatie;

f. een beklag over het niet vervolgen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 12 en volgende van het Wetboek van Strafvordering;

g. vervolging door een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a en volgende van het Wetboek van Strafvordering;

h. vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering;

i. een procedure ter zake een bestuurlijke boete.

Artikel 3

1 De ambtenaar dient een aanvraag om een tegemoetkoming schriftelijk in bij het bevoegd gezag. De aanvraag wordt ondertekend en bevat:

a. de naam en het adres van de ambtenaar;

b. de dagtekening;

c. de reden van de aanvraag om een tegemoetkoming en een omschrijving van de gebeurtenis die aanleiding is voor de aanvraag;

d. zo mogelijk andere relevante stukken.

2 Voor een tegemoetkoming met betrekking tot hoger beroep of cassatie dient de ambtenaar een afzonderlijke aanvraag in. Bij de toekenning van de tegemoetkoming die betrekking heeft op de procedure in eerste aanleg wijst het bevoegd gezag de ambtenaar hier op.

3 Het bevoegd gezag beslist zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

4 Het bevoegd gezag overweegt in zijn besluit of: – het handelen of nalaten van de ambtenaar, dat de aanleiding vormt tot het strafrechtelijk onderzoek, dan wel de aansprakelijkheidstelling naar burgerlijk recht, een gevolg is van de uitvoering van de politietaak; – de ambtenaar opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld; – de ambtenaar grof nalatig is geweest;

5 Indien de ambtenaar schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad overweegt het bevoegd gezag in zijn besluit of: – de onrechtmatige daad jegens de ambtenaar gepleegd is tijdens de uitoefening van de politietaak; – de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk is. 6 Indien een derde respectievelijk het openbaar ministerie hoger beroep dan wel cassatie instelt in de zaak waarvoor het bevoegd gezag de ambtenaar eerder voor een tegemoetkoming in aanmerking heeft laten komen, verleent het bevoegd gezag de ambtenaar op diens melding ambtshalve opnieuw een tegemoetkoming.

Artikel 4

1 In het geval de door het bevoegd gezag geoordeelde opzettelijke onrechtmatigheid dan wel opzettelijke wederrechtelijkheid of bewuste roekeloosheid, of grove nalatigheid van de zijde van de ambtenaar niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak of uit een (straf)beschikking, gaat het bevoegd gezag alsnog over tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

2 De ambtenaar stelt het bevoegd gezag op de hoogte van de in het eerste lid genoemde uitspraak en legt een afschrift hiervan aan hem over.

Artikel 5

1 Indien de wederpartij in een civiele procedure wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten, draagt de ambtenaar er zorg voor dat de vergoeding van deze kosten, voor zover deze als kosten van rechtskundige hulp moeten worden opgevat, toekomt aan het bevoegd gezag.

2 Indien een schikking met de wederpartij tot stand komt draagt de ambtenaar er zo mogelijk zorg voor dat de kosten van rechtsbijstand in het schikkingsbedrag worden opgenomen en toekomen aan het bevoegd gezag.

3 In een strafrechtelijke procedure draagt de ambtenaar zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en draagt er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag.

4 Bij de indiening van de aanvraag tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wijst het bevoegd gezag de ambtenaar op het eerste tot en met derde lid van dit artikel.

Artikel 6

Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op degene die op andere titel dan een aanstelling werkzaam is bij het bevoegd gezag bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van het Besluit algemene rechtspositie politie.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2008.

Artikel 8

Dit besluit wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie.”

24. De parlementaire geschiedenis van art. 591a lid 2 Sv en art. 44a WOR laat zien dat er onduidelijkheid bestond over de vraag of de gewezen verdachte ook een vergoeding van de kosten van een raadsman kon vragen wanneer hem een raadsman was toegevoegd.

25. Volgens art. 5 van de Regeling draagt de ambtenaar in een strafrechtelijke procedure zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en draagt hij er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag. In deze Regeling ligt de als vanzelf sprekende opvatting besloten dat de ambtenaar/gewezen verdachte op grond van art. 591a lid 2 Sv ook een vergoeding van kosten van rechtsbijstand kan vragen in geval hij deze kosten zelf niet draagt noch gedragen heeft. Daarmee is echter niet gezegd dat art. 591a lid 2 Sv zo dient te worden verstaan. Art. 591a lid 2 Sv biedt immers niet een basis om bij lagere regeling de inhoud van deze bepaling nader te bepalen.

26. In HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656 waren de proceskosten aan de benadeelde partijen, politieambtenaren, betaald door de werkgever op grond van het geweldsprotocol met de 'verplichting' die terug te vorderen. Het hof wees de proceskosten toe. Een daartegen gericht middel slaagde niet. De Hoge Raad overwoog:

“3.1. Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partijen gevorderde kosten van rechtsbijstand toewijsbaar zijn.

3.2.1. Het Hof heeft vorderingen van de benadeelde partijen N. Banken, R.A. de Jong, R.H.J.W. Kluin, D. Liebeek, N.P. Scoop en J. Verbeek tot betaling van schadevergoeding toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2013 houdt omtrent de door de benadeelde partijen gevorderde kosten van rechtsbijstand in:

"Namens de benadeelde partijen voert mr Kubatsch het woord ter toelichting op de vorderingen, zakelijk weergegeven:

(...)

De kosten van rechtsbijstand zijn gebaseerd op 2 punten van het liquidatietarief. Dat is standaard. De rechtbank Utrecht heeft in haar vonnis met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen een toen kersverse uitspraak van de Hoge Raad gehanteerd.

Cliënten hebben weliswaar nu niet zelf de kosten betaald maar die zijn als voorschot betaald door de werkgever op grond van het geweldsprotocol met de 'verplichting' die terug te vorderen. De Hoge Raad spreekt niet specifiek over dit soort zaken. Wat mij betreft kan de uitspraak van de rechtbank Utrecht gevolgd worden. Het hof heeft de mogelijkheid de vergoeding te verhogen indien hoger beroep wordt ingesteld en een verdere toelichting wordt gegeven.

De kosten van rechtsbijstand worden in geval van vergoeding doorgesluisd naar de werkgever.

(...)

Indien het hof de gevorderde kosten niet toekent, hoeven cliënten zelf niet de kosten te dragen of een eigen bijdrage te betalen."

3.2.3.Het bestreden arrest houdt omtrent de door de benadeelde partijen gevorderde kosten van rechtsbijstand in:

"Met betrekking tot de gevorderde kosten van rechtsbijstand heeft de advocaat van de benadeelde partijen, mr Kubatsch, een hogere vergoeding gevorderd in verband met de behandeling in hoger beroep. Deze verhoging is niet weersproken en het hof acht de gevraagde verhoging redelijk en billijk, in die zin dat het hof een half punt extra van het puntentarief zal toekennen.

Dat de kosten van rechtsbijstand op grond van een rechtspositionele regeling zijn voorgeschoten door het regiokorps, staat niet in de weg aan toewijzing van deze kosten aan de benadeelde partijen."

- alsmede, met betrekking tot de vordering van voornoemde benadeelde partijen telkens:

"Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.737,00 (duizend zevenhonderdzevenendertig euro)."

3.2.4. Art. 592a Sv luidt:

"Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken."

3.3.1. Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn - anders dan door de benadeelde partij gevorderde vermogensschade als bedoeld in art. 51a Sv en art. 6:96 BW - te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge art. 361, vijfde lid, Sv in de uitspraak dient te worden opgenomen.

3.3.2. Gelet op de aard van die kosten, staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten (vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413).

3.3.3. De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend (vgl. HR 22 mei 1935, NJ 1936/1064).

3.4. Op het voorgaande stuit de klacht af. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

4 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”

27. In zijn conclusie bij dit arrest schrijft mijn ambtgenoot Machielse dat ter toelichting op het middel met betrekking tot de toewijzing van de proceskosten wordt aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de benadeelde partijen daadwerkelijk kosten hebben gemaakt voor rechtsbijstand, aangezien hun raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat de kosten van rechtsbijstand zijn betaald door de werkgever, dat de benadeelde partijen deze kosten niet zelf hoeven te dragen en geen eigen bijdrage hoeven te betalen en dat vergoeding van deze kosten slechts wordt gevorderd omdat het geweldsprotocol een ‘verplichting’ inhoudt om door de werkgever voorgeschoten bedragen terug te vorderen van de verdachte.

28. De Hoge Raad gaat niet met zoveel woorden op deze klacht in maar ziet - anders dan mijn ambtgenoot - in het aangevoerde kennelijk geen beletsel om het middel te laten falen.17

29. In casu ging het om kosten als bedoeld in art. 592a Sv, een bepaling die zijn pendant vindt in art. 237 Rv.18 Daarom kan de uitspraak in deze zaak niet richtinggevend zijn voor de uitleg van art. 591a lid 2 Sv. Dat ligt anders voor HR 1 mei 1973, NJ 1973/355, dat wel betrekking heeft op de kosten van een raadsman als bedoeld in art. 591a lid 2 Sv.

30. Aan laatstgenoemd arrest lag een beslissing van de kantonrechter ten grondslag waarin deze een verzoek tot vergoeding van de kosten van een raadsman had afgewezen omdat het er - naar de kantonrechter vaststelde - voor moest worden gehouden dat de gewezen verdachte in het tegen hem aangespannen strafgeding in de persoon van zijn advocaat-gemachtigde had terechtgestaan 'ten verzoeke en voor rekening van zijn assuradeur'. De Hoge Raad overwoog:

“dat de Ktr. bij deze vaststelling — blijkens hetgeen door hem verder is overwogen, meer in het bijzonder voor zover inhoudende dat req.s aanspraak op vergoeding jegens zijn assuradeur kan worden bepaald 'aan de hand van die overgelegde algemene voorwaarden, als met name vermeld in de artt. 3, lid 1, en 4, lid 1' en dat 'door pp. contractueel geen wijziging kan worden gebracht in de gelding en werking van wettelijke bepalingen van dwingend recht en zij slechts met voormelde clausule van art. 4, lid 2, hebben bewerkstelligd, dat verzoeker een bij voorbaat kansloze en dus zinloze rechtsgang moet bewandelen' — er van is uitgegaan, dat art. 591a, lid 2, Sv. uitsluit dat aan de gewezen verdachte een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman wordt toegekend, indien de gewezen verdachte krachtens een met het oog op zodanige kosten gesloten verzekeringsovereenkomst op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand heeft, ook al is ingevolge die overeenkomst de verzekeraar niet gehouden de kosten van de adv. te vergoeden indien de verzekerde een tegemoetkoming kan verlangen krachtens het tweede lid van voornoemd wetsartikel en al wordt, indien de tegemoetkoming minder bedraagt dan het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, door de verzekeraar uitsluitend dit verschil vergoed;

dat evenwel deze opvatting niet valt te rijmen met een juiste uitleg van art. 591a, lid 2, Sv.;

dat toch vooreerst de bewoordingen dezer bepaling geen steun bieden voor een uitleg als zou zij geen plaats laten voor het toekennen van een tegemoetkoming in de door een gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstand-verzekeringsovereenkomst in voege als hiervoren vermeld op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft, en voor een zo het bereik dier bepaling beperkende uitleg evenmin enige andere grond bestaat, nu bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de wetgever het bestaan van een rechtsbijstand-verzekeringsovereenkomst tussen een gewezen verdachte en een verzekeraar, ingevolge welke de verzekeraar niet gehouden is de kosten van de adv. te vergoeden indien, en voor zover, de verzekerde een tegemoetkoming kan verlangen ingevolge meergenoemd art. 591a, lid 2, een beletsel zou hebben willen doen zijn om de gewezen verdachte in aanmerking te doen komen voor een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman uit 's Rijks kas, waarvoor hij bij het ontbreken van zodanige overeenkomst ingevolge die bepaling wel in aanmerking zou komen;

31. Met deze uitspraak week de Hoge Raad af van hetgeen hij oordeelde in HR 21 februari 1967, NJ 1967/44419, waarin de gewezen verdachte eveneens in het tegen hem gerichte strafgeding werd terzijde gestaan door een raadsman ten verzoeke en voor rekening van zijn assuradeuren en die kosten op de voet van het bepaalde in art. 591a lid 2 Sv waren toegewezen. De Hoge Raad overwoog toen:

“O. dat bij de beoordeling van deze zaak ervan moet worden uitgegaan dat bij voormelde presidiale beschikking de in het verzoekschrift gestelde feiten als vaststaande zijn aanvaard, zodat de vraag ter beoordeling staat of, na vrijspraak, een gewezen verd., die in het tegen hem gerichte strafgeding ten verzoeke en voor rekening van zijn assuradeuren werd terzijde gestaan door een raadsman, recht heeft op een tegemoetkoming in de kosten van die raadsman;

O. daaromtrent dat de bewoordingen, in de hier in aanmerking komende artikelen van de wet gebezigd, te weten: vergoeding van kosten welke ten laste van de gewezen verd. zijn gekomen (art. 591 lid 1) zijn reis‑ en verblijfkosten (art. 591a lid 1), tegemoetkoming voor de schade welke de gewezen verd. werkelijk heeft geleden (art. 591a lid 2), er op duiden dat de bij in die artikelen geregelde vergoeding en tegemoetkoming slechts is gedacht aan die kosten en schade, welke werkelijk ten laste van de gewezen verd. komen of welke door hem zijn geleden;

dat derhalve in de beschikking waarvan beroep aan de in art. 591a, lid 2, gebezigde woorden ‘tegemoetkoming in de kosten van een raadsman’ een te ruime betekenis is toegekend;”

32. Anders dan in deze zaak hecht de Hoge Raad in zijn nadien gewezen arrest van 1 mei 1973, NJ 1973/355 voor wat betreft de uitleg van “kosten van een raadsman” niet aan hetgeen ten aanzien van de vergoeding van andere kosten in de art. 591 en 591a Sv is bepaald.

33. De Hoge Raad noemt voor zijn oordeel in HR 1 mei 1973, NJ 1973/355 twee zelfstandig dragende gronden, de bewoordingen van de wet, die vergoeding van de kosten van een raadsman niet uitsluiten wanneer de verdachte een rechtsbijstandsverzekering heeft gesloten, en de ongerijmdheid waartoe de beslissing van de kantonrechter leidt. Die ongerijmdheid bestaat hierin dat de door de kantonrechter gegeven uitleg van art. 591a lid 2 Sv meebrengt dat de gewezen verdachte geen tegemoetkoming in de kosten van een raadsman toekomt wanneer hij een rechtsbijstandverzekering heeft gesloten die die kosten alleen vergoedt indien, en voor zover, de verzekerde een tegemoetkoming kan verlangen ingevolge art. 591a lid 2 Sv - en hij dus noch van de Staat noch van de verzekeraar enige vergoeding van die kosten ontvangt - terwijl hij die kosten wel vergoed zou hebben gekregen wanneer hij geen rechtsbijstandsverzekering had gesloten.

34. De situatie die in dit arrest aan de orde was is niet geheel gelijk aan die welke ten grondslag ligt aan de onderhavige beschikking van het hof. Volgens de Regeling heeft een politieambtenaar recht op tegemoetkoming in de kosten van een raadsman ongeacht of hij een tegemoetkoming kan verlangen op grond van art. 591a lid 2 Sv. Niettemin blijft gelden dat de bewoordingen van die bepaling geen steun bieden voor een uitleg die geen plaats laat voor het toekennen van de kosten van de raadsman van de gewezen verdachte, indien deze zijn gedragen door een derde, zoals zijn werkgever.

35. Anders dan art. 591a lid 2 Sv kent de regeling die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hanteert voor vergoeding van proceskosten wel een beperking van deze vergoeding tot de kosten die de partij die de vergoeding vraagt daadwerkelijk heeft betaald of waartoe deze op grond van de wet of een contractuele verplichting gebonden is. Deze beperking vindt uitdrukking in art. 18 van Rules of Court – 16 April 2018 Practice Directions, luidende :

“Costs and expenses must have been actually incurred. That is, the applicant must have paid them, or be bound to pay them, pursuant to a legal or contractual obligation. Any sums paid or payable by domestic authorities or by the Council of Europe by way of legal aid will be deducted.”

36. De vraag is of een dergelijke beperking, ondanks enig aanknopingspunt daarvoor in de parlementaire geschiedenis, in de tekst van art. 591a lid 2 Sv moet worden “ingelezen”. Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Zou het bestaan van een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman of het dragen daarvan door een derde in de weg staan aan toewijzing van de kosten van een raadsman, dan zou de in art. 591a lid 2 Sv gemaakte uitzondering voor het geval de gewezen verdachte werd bijgestaan door een raadsman die aan hem door de raad voor de rechtsbijstand was toegevoegd, niet nodig zijn geweest. De kosten van een raadsman waren dan immers ook zonder dat die uitzondering in de wet was opgenomen niet voor toewijzing vatbaar geweest.

37. Ook anderszins dient deze vraag mijns inziens ontkennend te worden beantwoord. De uitzondering die in art. 591a lid 2 Sv is opgenomen op de toewijzing van proceskosten heeft betrekking op kosten die de Staat bij wege van voorziening van rechtsbijstand reeds draagt. Voor kosten van de raadsman, waarin niet door financiering van overheidswege is voorzien, geldt dat niet. Deze kosten zal de Staat in beginsel moeten dragen als voortvloeiend uit haar rechtmatige overheidsdaad20, bestaande in een - achteraf gebleken - onvoldoende onderbouwde strafvervolging. Daaraan doet niet af dat deze (uiteindelijk) niet door de gewezen verdachte worden gedragen.

38. Door genoemde beperking niet in art. 591a lid 2 Sv in te lezen wordt voorkomen dat toewijzing van de kosten van een raadsman afhangt van hetgeen de rechter toevalligerwijs te weten komt over het dragen van kosten van een raadsman door een derde of van de - mogelijk toevallige - wijze waarop de tegemoetkoming door de werkgever van de gewezen verdachte in de kosten van een raadsman is geregeld c.q. in elkaar wordt gestoken. Heeft de werkgever aan de gewezen verdachte een voorschot voor de kosten van een raadsman verstrekt onder de voorwaarde dat het voorschot vervalt indien en voor zover hij vergoeding van de kosten van een raadsman krijgt op grond van art. 591a lid 2 Sv, dan staat niets aan toewijzing van de kosten van de raadsman in de weg, ook al zou art. 591a lid 2 Sv zo moeten worden uitgelegd dat de kosten van een raadsman niet kunnen worden toegewezen wanneer de verdachte deze niet draagt. Een voorschot betekent immers niet dat de verdachte de kosten uiteindelijk niet draagt.

39. Een voorbeeld van een dergelijke voorziening bevat de Regeling tegemoetkoming kosten rechtskundige hulp van het ministerie van defensie. Volgens die Regeling wordt pas een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp verleend tegen overlegging van een vonnis (art. 6). Voorts wordt pas een tegemoetkoming toegekend indien de werknemer een beroep heeft gedaan op art. 591a Sv en hem een vergoeding als bedoeld in dat artikel is toegekend. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste het bedrag dat na toekenning van die vergoeding en uitkering van een rechtsbijstandsverzekering nog te zijnen laste blijft (art. 4). In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan het bevoegd gezag een voorschot toekennen (art. 8), maar zolang het beroep op art. 591a Sv niet is afgewikkeld draagt de werkgever geen kosten van rechtsbijstand. Dan komt de vraag of de in art. 591a lid 2 Sv genoemde kosten van een raadsman alleen die kosten omvatten die worden gedragen door de gewezen verdachte niet aan de orde.

40. De door mij voorgestane uitleg van art. 591a lid 2 Sv houdt in dat het verzoek tot vergoeding van kosten van een raadsman voor toewijzing vatbaar is ongeacht of de gewezen verdachte verplicht is deze te betalen, deze draagt, of deze vergoed krijgt van - bijvoorbeeld - zijn werkgever. Daarom dient onder ogen te worden gezien of deze uitleg meebrengt dat de Staat opdraait voor meer kosten dan waartoe zij verplicht is. Mijns inziens is dat niet geval. In art. 591a lid 2 Sv gaat het om vergoeding van kosten van een rechtmatige overheidsdaad, aan de zijde van de gewezen verdachte als proceskosten gevallen. De bereidheid van een derde, zoals een werkgever of een familielid, deze kosten te dragen ongeacht de vraag of een verzoek tot vergoeding van de kosten van een raadsman worden gehonoreerd, behoeft immers aan de Staat niet ten goede te komen.

41. De door mij verdedigde uitleg van art. 591a lid 2 Sv stemt overeen met de wijze waarop in het civiele procesrecht en het bestuursprocesrecht wordt omgegaan met het toewijzen van een tegemoetkoming in de proceskosten aan de in het gelijk gestelde partij. De art. 237 e.v. Rv staan niet in de weg aan ongeclausuleerde toewijzing van de proceskosten aan die partij, ook al is aan deze op grond van de WOR een advocaat toegevoegd. Volgens het op art. 37 WOR gebaseerde art. 32 lid 3 Besluit vergoedingen rechtsbijstand wordt het bedrag van de kostenveroordeling, uitgesproken ten gunste van de partij, die voorzien is van een toegevoegde advocaat, tot ten hoogste het bedrag van de vastgestelde vergoeding op die vergoeding in mindering gebracht. Ook in het bestuursrecht staat de omstandigheid dat de verdachte is bijgestaan door een toegevoegd raadsman niet aan ongeclausuleerde toewijzing van de proceskosten in de weg. Dat blijkt uit het hiervoor genoemde art. 32 lid 3, gelezen in samenhang met het tweede lid van art. 8:75 Awb, luidende:

“In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de bestuursrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.”

42. Met het voorgaande strookt dat het een advocaat geoorloofd is in een civiele procedure een proceskostenveroordeling van de wederpartij te vragen in geval de kosten door een derde, bijvoorbeeld een rechtsbijstandsverzekeraar of een werkgever, worden voldaan. “Het blijven kosten die aan de zijde van de cliënt zijn gevallen en die voor vergoeding door de in het ongelijk gestelde wederpartij van die cliënt in aanmerking komen. Dat wordt niet anders als de advocaat namens de cliënt in de procedure aanleiding ziet om een “volledige” proceskostenveroordeling te vorderen.” aldus Hof van Discipline 26 juni 2017, nr. 170001.21

43. Ten slotte is voor de door mij gekozen uitleg van belang dat daarmee wordt voorkomen dat de rechter een onderzoek moet instellen naar de vraag of de gewezen verdachte de kosten van de raadsman zelf draagt. Dat komt een efficiënte procesvoering ten goede zonder tekort te doen aan de belangen van de Staat, die immers de kosten van een raadsman die de gewezen verdachte heeft bijgestaan, voor zover daar gronden van billijkheid voor aanwezig zijn (art. 591a lid 4 jo. 90 lid 1 Sv), moet dragen.

44. Ter zijde merk ik nog het volgende op. In enkele van de hiervoor aangehaalde uitspraken - de beschikking waartegen het onderhavige cassatieberoep zich richt, Rechtbank ’s-Gravenhage 10 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4322 en Gerechtshof Arnhem 26 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5332 - wordt overwogen dat voor vergoeding in aanmerking komen de daadwerkelijke kosten van een raadsman. Art. 591a lid 2 Sv spreekt van werkelijk geleden schade maar daarvan wordt - ook in de memorie van toelichting22- alleen gesproken ten aanzien van schade ten gevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling der zaak ter terechtzitting geleden. De in art. 591a lid 2 Sv voorkomende term “werkelijk” staat dus niet aan de hier voorgestane uitleg van die bepaling in de weg.

45. Voorts merk ik ten aanzien van de in de onderhavige zaak gevolgde wijze van declareren nog op dat de door verzoekers advocaat ingediende declaratie uit tuchtrechtelijk oogpunt bezwaar kan opleveren. In casu heeft verzoekers advocaat ter zake van de door haar (en haar kantoorgenoten) verrichte werkzaamheden declaraties op naam gesteld van en ingediend bij de politie Amsterdam-Amstelland. Staat niet vast dat aan die declaratie een overeenkomst tussen de advocaat en verzoekers werkgever ten grondslag ligt, dan heeft de advocaat medewerking verleend aan een constructie die geen grondslag had in de feiten. Dat zou dan kunnen betekenen dat de advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. Vgl. Hof van Discipline 2 december 2013, nr. 671223 waarin de declaratie zo was ingericht om de werkgever van degene aan wie rechtsbijstand was verleend in staat te stellen de over de verleende diensten verschuldigde omzetbelasting met de belastingdienst te verrekenen. Uiteraard is dit anders wanneer de declaratie duidelijk maakt dat deze betrekking heeft op rechtsbijstand, verleend aan de verzoeker en aan verdachtes werkgever is gezonden omdat deze ingevolge de Regeling de kosten van rechtsbijstand van verzoeker draagt. Bij gebreke van enige aanwijzing voor het tegendeel ben ik in het voorgaande van dat laatste uitgegaan.

46. De wettelijke regeling komt er mijns inziens in de kern dus op neer dat de kosten van een raadsman van een gewezen verdachte op de voet van het bepaalde in art. 591a lid 2 Sv voor vergoeding in aanmerking komen behoudens indien en voor zover de verdachte is bijgestaan door een raadsman die op het moment van verlening van rechtsbijstand is toegevoegd, en wel ongeacht de vraag of hij deze kosten draagt of tot betaling daarvan verplicht is.24Met dien verstande dat de uitzondering voor het geval waarin de verdachte is bijgestaan door een toegevoegd raadsman niet geldt voor vergoeding van de eigen bijdrage.

47. Uit het vorenstaande vloeit voort dat ik als middel van cassatie voorstel:
Schending van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in art. 591a lid 2 Sv, door deze bepaling aldus uit te leggen dat de kosten van rechtsbijstand van een gewezen verdachte niet voor vergoeding in aanmerking komen indien deze worden gedragen door een derde, zoals verdachtes werkgever.

48. Volledigheidshalve merk ik op dat ik de overweging van het hof dat er ook overigens geen gronden van billijkheid zijn om de verzochte vergoeding toe te kennen niet als zelfstandige grond zie voor afwijzing van het verzoek omdat de billijkheid volgens de wet (art. 591a lid 4 jo. 90 lid 1 Sv) geen zelfstandige grond vormt voor toewijzing van een verzoek doch een grond vormt voor matiging van het verzochte bedrag aan kosten.

49. Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak van het gerechtshof Amsterdam in het belang der wet zal vernietigen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Art. 591a lid 4 jo. 91 lid 1 Sv voorziet alleen in hoger beroep tegen de beschikking op het verzoek.

2 In het concept Wetvoorstel tot vaststelling van boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Bijzondere regelingen is art. 591a voor wat betreft de leden 1 en 2 inhoudelijk ongewijzigd overgenomen (art. 6.6.2.2.). De leden 3-5 zijn aangepast aan de nummering van andere voorgestelde bepalingen alsmede aan een andere voorgestelde procedure voor het vragen van een vergoeding. Zie ook de concept memorie van toelichting, p. 134.

3 Stb. 1963, 487.

4 Kamerstukken II 1961-1062, 6647, nr. 3, p. 9.

5 Kamerstukken II , zitting 1972, 12 132, nr. 3, p. 4.

6 Kamerstukken II , zitting 1972, 12 132, nr. 3, p. 3.

7 Kamerstukken II , 1972-1973, 12 132, nr. 5, p. 4.

8 Kamerstukken II , 1973-1974, 12 132, nr. 6, p. 5.

9 Parlementaire geschiedenis wetsvoorstel 15 012; invoeging van “en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht”.

10 Parlementaire geschiedenis wetsvoorstel 23 960.

11 Parlementaire geschiedenis wetsvoorstel 25 836.

12 Parlementaire geschiedenis wetsvoorstel 29 756; invoeging van “, behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is,”.

13 Kamerstukken II 2003-2004, 29 756, nr. 3, p. 1, 2.

14 Parlementaire geschiedenis wetsvoorstel 32 177; vervanging van “het gerechtelijk vooronderzoek” door: “de vervolging”.

15 P. 4.

16 P. 31, 32.

17 Zie HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2017:663 voor een geval waarin een klacht over de bepaling van de proceskosten op nihil in cassatie afstuitte op de volgende overweging:” De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft (vgl. HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571).“

18 Zie over deze bepaling o.m. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 1 (De Bock), Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/126.

19 Cassatie in het belang der wet.

20 Zie Kamerstukken II , zitting 1972, 12 132, nr. 3, p. 3, hiervoor aangehaald onder nr. 14.

21 ECLI:TAHVD:2017:138.

22 Zie de tekst van de memorie van toelichting, aangehaald in nr. 13.

23 ECLI:NL:TAHVD:2013:304.

24 Anders Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 9.6 op art. 591a (suppl. 156, augustus 2006) op grond van HR 1 mei 1973, NJ 1973/355: “Ook indien de kosten voor de raadsman zijn voldaan door een derde, zoals een rechtspersoon, zal bepalend zijn in hoeverre aannemelijk wordt in hoeverre verzoekers zelf uiteindelijk de kosten voor hun rekening nemen.” Hoe dit uit genoemd arrest blijkt, begrijp ik niet goed omdat in de casus die aan die zaak ten grondslag lag niet vaststond dat verzoeker de kosten van een raadsman droeg.