Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:928

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-06-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
17/00200
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1425
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid afpersing, art. 48.2 en 317.1 Sr. 1. Uos bewijs bedreiging met geweld en opzet op gronddelict. 2. Bewijs opzet. 3. Bewijs medeplichtigheid. 4. Proceskosten b.p. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/06267 en 17/00038.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00200

Mr. A.J. Machielse

Zitting: 5 juni 2018 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 23 december 2016 voor: medeplichtigheid aan afpersing, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en tot een taakstraf van 240 uur. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven. In de aanvulling op het verkort arrest verwijst het hof voor de bewijsmiddelen naar de inhoud van de bewijsmiddelen zoals die zijn weergegeven in het vonnis van de rechtbank, behoudens een enkele uitzondering.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. D. Greven, advocaat te Enschede, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3. Alvorens de middelen te bespreken geef ik eerst de bewezenverklaring weer. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

" [medeverdachte 3] in de periode van 1 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 te Haarlem en Breda en Meerkerk met het oogmerk om zich e een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van EURO 49.000,-, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

– tegen voornoemde [slachtoffer] werd gezegd: "Die vordering op jou is 52.000 Euro. Dit staat op jouw kop. Ik heb de vordering overgenomen van [B]. Je kan mijn naam en telefoonnummer doorgeven aan de politie, dan maakt mij niet uit. Je kan onderduiken in Barbados of zo, dat maakt mij niet uit. Ik heb overal vrienden. Ook hier in Breda ken ik de [...]. Je moet binnen een paar dagen betalen." en "Dat maakt niet uit, het is op jouw kop gezet, ik kom het bij jou halen", althans woorden van gelijke aard of strekking en

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 in Nederland opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft door

– aan die [medeverdachte 3] toe te staan om een openstaande vordering, namelijk een geldbedrag (voor hem) te innen en

– ten behoeve van het innen van die openstaande vorderingdocumenten te overhandigen aan [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] en

– via [betrokkene 2] aan [medeverdachte 3] te vragen om "er druk achter te zetten bij die mensen" en

– een of meer telefoongesprekken te voeren over naar wie/wanneer [medeverdachte 3] toe moest gaan en

– ontmoetingen met [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 2] te hebben."

4. Tevens lijkt het mij zinvol om vooraf nog maar even kort samen te vatten hoe in cassatie in grote lijnen met bewijsklachten wordt omgegaan.

Nog steeds wordt te vaak over het hoofd gezien dat de Hoge Raad de bewijsvoering slechts marginaal controleert in die zin dat de Hoge Raad nagaat of het bewijs uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Voorts kan niet genoeg worden benadrukt dat de cassatierechter niet beoordeelt of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld, maar enkel of de feitenrechter bij zijn onderzoek en beslissing de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Tevens breng ik nogmaals onder de aandacht dat de feitenrechter binnen de door de wet en rechtspraak getrokken grenzen vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De uitleg van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Enkel wanneer die uitleg onbegrijpelijk is zal de Hoge Raad ingrijpen.2 De motiveringsplicht bij weerlegging van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, bijvoorbeeld die betrekking hebben op het bewijs, gaat niet zover dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. En een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat zijn weerlegging vindt in de bewijsvoering behoeft ingevolge het tweede lid van artikel 359 Sv geen nadere motivering meer.3

5.1. Het eerste middel klaagt dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bedreiging met geweld en opzet op het gronddelict niet bewezen kunnen worden verklaard. Het tweede middel klaagt dat het bewijs voor het opzet van verdachte ontbreekt. Ook het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van de medeplichtigheid.

5.2. In het arrest heeft het hof ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde het volgende overwogen:

"Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte 3] heeft verzocht te bemiddelen ten aanzien van de betaling van de vordering van verdachte van ongeveer € 25.000 op het bedrijf [C] waarvan [slachtoffer] directeur was geweest. De verdachte meende dat het noemen van betalingsachterstand door een potentiële klant ertoe zou bijdragen dat [slachtoffer] die vordering aan hem, verdachte zou voldoen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard dat hij de vordering niet heeft gecedeerd aan [medeverdachte 3] en de vordering evenmin heeft verhoogd tot € 52.000.

Op 4 juli 2011 heeft [betrokkene 2] telefonisch contact met [medeverdachte 3]. In dit gesprek zegt [betrokkene 2] dat hij bij [B], dat wil zeggen bij de verdachte, is geweest en dat de verdachte een brief heeft afgegeven met iets wat [medeverdachte 3] moet regelen en dat de verdachte het bedrag er dan aftrekt. Dit gesprek gaat verder over de aankoop van kleding bij de verdachte, eventuele sponsoring door de verdachte en dat het er uiteindelijk op neerkomt dat [medeverdachte 3] aan de verdachte € 20.000 moet betalen. De verdachte wilde [medeverdachte 3] vragen om er druk achter te zetten bij die mensen.

[betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat hij erbij was toen de verdachte aan [medeverdachte 3] kleding liet zien en dat de verdachte vertelde van de vordering op [slachtoffer] en dat de verdachte niet door kon dringen bij [slachtoffer] en hem niet kon bereiken.

[medeverdachte 3] heeft na het telefoongesprek met [betrokkene 2] op 4 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met de verdachte en gezegd dat het geregeld gaat worden. Ook wordt afgesproken dat de verdachte als hij hierover benaderd mocht worden, moet doen of hij van niks weet. Uit een sms van 6 juli 2011 van [medeverdachte 3] aan de verdachte blijkt dat de verdachte – desgevraagd – moet doen alsof hij al betaald is door [medeverdachte 3].

Nadat [slachtoffer] heeft betaald, vindt op 12 juli 2011 een sms-wisseling plaats tussen [medeverdachte 3] en de verdachte. [medeverdachte 3] bericht de verdachte dat alles is geregeld, "alleen ze zeggen dat het bedrag lager is”, en dat de verdachte alles kan weggooien. De verdachte reageert: “Echt niet waar, zie papier!” Daarop bericht [medeverdachte 3] dat hij zich niet druk moet maken, “niemand neemt meer contact met je op voor dit en als je ze ooit spreekt buigen ze voor je”.

Uit de stukken blijkt daarnaast het volgende. Een paar dagen voor 6 juli 2011 is [slachtoffer] gebeld door [medeverdachte 3] met de mededeling dat hij kleding wilde bestellen bij [slachtoffer]. [medeverdachte 3] heeft op 6 juni 2011 in het wegrestaurant Van der Valk (in de buurt van Breda een afspraak gemaakt met [slachtoffer] over de aankoop van kleding voor [A]. [medeverdachte 3] was die dag in gezelschap van [betrokkene 2]; deze heeft zich afzijdig gehouden van het gesprek. [medeverdachte 3] heeft toen aan [slachtoffer] een enveloppe gegeven waarin zich stukken bevonden inzake de vordering van verdachte op [C] en tegen [slachtoffer] gezegd dat hij een vordering van [B] had overgenomen en dat die vordering van € 52.000 op het hoofd van [slachtoffer] stond. Vervolgens heeft [medeverdachte 3] tegen [slachtoffer] bedreigingen geuit zoals weergegeven in de tenlastelegging. Na de ontmoeting heeft [slachtoffer] dreigtelefoontjes en -sms’jes ontvangen van [medeverdachte 3]. De strekking daarvan was dat zij eraan zouden komen en dat het geen zin had te vluchten. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij deze bedreigingen heeft ontvangen in de vorm van sms’jes en dat deze niet werden opgeslagen op zijn telefoon. Het neemt niet weg dat er contact moet zijn geweest tussen [medeverdachte 3] en [slachtoffer]. Immers op 9 juli 2011 laat [medeverdachte 3] aan de verdachte weten “stress in Breda” De reactie van de verdachte luidt: “Nou en! Wie met vuur speelt kan zijn vingers branden”.

[slachtoffer] heeft na het gesprek op 8 en 9 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met de politie te Breda en aangegeven dat hij werd bedreigd door - zo begrijpt het hof - [medeverdachte 3]. Ook is een afspraak gemaakt om op 12 juli 2011 in persoon aangifte te doen. [slachtoffer] heeft die afspraak op 12 juli 2011 afgezegd omdat hij bang was voor de gevolgen daarvan.

[slachtoffer] heeft de verdachte op 7 juli 2011 benaderd om uitleg; deze deed of zijn neus bloedde. Ook heeft hij zijn voormalige compagnons gevraagd om hulp en hij heeft uiteindelijk met hulp van zijn zoon het geld bijeen gebracht. Op 11 juli 2011 heeft [slachtoffer], in het bijzijn van zijn zoon, bij [A] aan [medeverdachte 3] € 49.000 in contanten betaald.

Na de aanhouding van [medeverdachte 3] is de politie (i.c. leden van het onderzoeksteam in de zaak Courage) op 14 oktober 2011 op bezoek geweest bij [slachtoffer]. Uit de mutatie blijkt dat de vrouw van [slachtoffer] toen heeft gezegd dat zij door een hel zijn gegaan en de afspraak van 12 juli 2011 bij de politie te Breda hebben afgezegd uit angst. [slachtoffer] heeft vervolgens op 14 oktober 2011 aangifte gedaan van afpersing [slachtoffer] heeft verklaard dat hij directeur is geweest van [C] en dat hij tijdens zijn directeurschap zaken heeft gedaan met [A] en met [B], waarvan de verdachte eigenaar was. [C] is failliet gegaan. [slachtoffer] was toen al geen directeur meer. Omstreeks februari/maart 2011 is [slachtoffer] bezocht door de verdachte, die een regeling wilde treffen voor een openstaande factuur van [B] op [C] ten bedrage van ongeveer € 25.000. [slachtoffer] heeft gewezen op het faillissement en zijn eigen positie en heeft aangegeven dat hij die factuur ook niet kon betalen. Hij heeft verdachte verwezen naar de toenmalige eigenaren.

[betrokkene 3], de zoon, heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – bevestigd dat zijn vader hem om hulp heeft gevraagd omdat hij werd afgeperst en op zeer korte termijn € 52.000 moest betalen. [betrokkene 3] heeft daarop met spoed geld van zijn bankrekening opgenomen.

In het dossier is een kopie gevoegd van de originele faillissementsaanvraag van [C]. Hierop is vermeld dat [D] BV gevestigd te Enschede, verzoekster 1 is. Dit in tegenstelling tot de bij [A] aangetroffen bescheiden , waarop bij zowel punt 1 als punt 2 [B] als verzoekster staat en als gevolg daarvan twee vorderingen heeft op [C].

Het hof leidt uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden af dat, anders dan de verdachte heeft verklaard, geen sprake was van een verzoek aan [medeverdachte 3] als intermediair op te treden, maar dat de verdachte [medeverdachte 3] heeft ingeschakeld om zijn eigen openstaande vordering (deels) betaald te krijgen.

Daarbij is afgesproken dat [medeverdachte 3] zal doen voorkomen dat hij de vordering van de verdachte had overgenomen zoals [slachtoffer] heeft verklaard. Ook het belang van de verdachte bij de betaling door [slachtoffer] wordt uit de gesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 3] duidelijk, alsmede dat hij erop aandringt dat [medeverdachte 3] er “druk achter kan zetten”; die druk is kennelijk groter als [medeverdachte 3] doet voorkomen dat hij op eigen titel handelt.

Ook stelt het hof vast dat de brief die [betrokkene 2] van de verdachte heeft meegekregen vervalst is. Uit dit stuk blijkt dat [B] twee vorderingen (punten 1 en 2) op [C] zou hebben, terwijl uit het originele stuk blijkt dat [B] één vordering heeft van € 23.128,65. Nu [betrokkene 2] op basis van de stukken die hij heeft meegekregen van de verdachte tegenover [medeverdachte 3] spreekt over een vordering van € 46.000, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte [betrokkene 2] een vervalst stuk heeft meegegeven waarin zijn oorspronkelijke vordering van circa € 25.000 is verhoogd tot € 46.000. Deze gang van zaken vindt ook bevestiging in de e-mail van 7 juli 2011 van [slachtoffer] aan de verdachte. [slachtoffer] vermeldt daarin de zeer negatieve en als onprettig ervaren benadering door [medeverdachte 3] op 6 juli 2011 en daarin geeft de [slachtoffer] ook aan dat door [medeverdachte 3] een veel hogere vordering is ingediend dan de hem bekende vordering van ongeveer € 25.000. Ook [medeverdachte 3] wijst de verdachte er na de betaling van € 49.000 op dat [slachtoffer] meldt dat de vordering te hoog is. De verdachte ontkent en verwijst naar het papier, waarmee hij kennelijk de door hem aangeleverde vervalste faillissementsaanvraag bedoelt.

Door met [medeverdachte 3] af te spreken dat de verdachte zich afzijdig houdt als [slachtoffer] hem over de vordering benadert, heeft hij [medeverdachte 3] de vrije hand gegeven om de inning op zijn manier te regelen. Toen uit smsberichten van [medeverdachte 3] bovendien bleek dat [medeverdachte 3] de druk behoorlijk opvoerde, heeft de verdachte niets gedaan om zich ervan te vergewissen of de handelwijze van [medeverdachte 3] wel door de beugel kon. Er wordt immers door hem niet gevraagd wat de aanleiding is voor de stress, terwijl “wie met vuur speelt” aangeeft dat de verdachte zich ervan bewust is dat [medeverdachte 3's] inmenging zeer kwalijke gevolgen voor [slachtoffer] kan hebben. Ook de zinsnede “buigen ze voor je” kan niet anders worden verstaan dan dat de schrik er goed is ingejaagd bij [slachtoffer]. Noch [medeverdachte 3] noch de verdachte hebben voor deze smswisseling en het taalgebruik een andere, begrijpelijke en afdoende verklaring kunnen geven. De inhoud van de uitgewisselde berichten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden begrepen dan dat de verdachte die niet wilde accepteren dat zijn vordering op [C] niet werd voldaan, er mee instemt dat [medeverdachte 3] de verdachte zodanig onder druk zet, dat daarbij geen middel wordt geschuwd om de verhoogde vordering betaald te krijgen.

Het hof stelt verder vast dat [slachtoffer], die niet persoonlijk aansprakelijk was voor de vordering van ruim € 23.000 van verdachte op [C], na inschakeling van familie binnen een zeer kort tijdsbestek op 11 juli 2011 in contanten en naar het hof begrijpt zonder kwitantie – aan [medeverdachte 3] € 49.000 afdraagt terwijl hij aan [medeverdachte 3] geen schuld had. Naar het oordeel van het hof is [slachtoffer] daar enkel toe overgegaan omdat hij zich daartoe gedwongen voelde door de door [medeverdachte 3] geuite bedreigingen zoals door [slachtoffer] verwoord.

Dat betekent dat het hof, mede gelet op de overige te bezigen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer] op de wijze zoals hierna is bewezen verklaard."

5.3. Dat er sprake is geweest van een daadwerkelijke bedreiging heeft het hof kunnen aannemen onder meer op grond van de verklaringen van aangever in combinatie met die van diens zoon.4 Dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de afpersing door [medeverdachte 3] heeft het hof ook uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Ik wijs op de bewijsmiddelen die gekoppeld zijn aan de voetnoten 28 tot en met 32 in het vonnis van de rechtbank.

Het eerste middel faalt.

6.1. Het tweede middel borduurt verder op hetzelfde thema. Ook het tweede middel bekritiseert het bewijs van het opzet. Als ik het goed begrijp gaat het er in het tweede middel om dat het geven van de vrije hand of het ergens mee instemmen nog niet voldoende is om het opzet van de medeplichtige te bewijzen.

6.2. De stelling dat verdachte helemaal geen strafbaar feit beoogde heeft het hof onder ogen gezien en verworpen. Verdachte heeft [medeverdachte 3] de vrije hand gegeven en erop aangedrongen dat er druk op [slachtoffer] zou worden gezet. Hetgeen [medeverdachte 3] vervolgens naar verdachte communiceerde moet verdachte ervan op de hoogte hebben gebracht dat [medeverdachte 3] [slachtoffer] zou bedreigen. Dat heeft verdachte geaccepteerd. Daarmee heeft het hof het - minstens voorwaardelijk - opzet bewezen kunnen achten.

Het middel faalt.

7.1. Ook het derde middel vecht het bewijs aan maar nu weer van de medeplichtigheid.

7.2. Op 11 juli 2011 hebben [slachtoffer] en zijn zoon € 49.000 betaald aan [medeverdachte 3]. Voor die datum is er tussen verdachte en [medeverdachte 3] gecommuniceerd. Ik verwijs naar voetnoot 31 in het vonnis van de rechtbank. Verdachte was er toen al van op de hoogte dat [slachtoffer] op een harde manier werd aangepakt door [medeverdachte 3]. Zie voetnoot 32. Dat er ook na de overhandiging van € 49.000 nog is gecommuniceerd tussen [medeverdachte 3] en verdachte heeft het hof kennelijk relevant geacht omdat daaruit blijkt dat alles volgens plan is verlopen. Ook het feit dat verdachte overal buiten gehouden moest worden en het moest worden voorgewend dat hij er niets mee te maken had is illustratief voor het besef dat verdachte wel heeft ingezien dat hij met iets verkeerds bezig was. Het gebruik van valse verklaringen en het incasseren van meer dan wat nog als onbetaalde schuld van [C] openstond kan er, aldus kennelijk de gedachtegang van het hof, op wijzen dat verdachte zekere risico's durfde te nemen omdat [medeverdachte 3] zich wel zo tegenover [slachtoffer] zou opstellen dat deze het niet zou wagen om er iets tegenin te brengen. De suggestie dat [slachtoffer] misschien heeft betaald omdat hij bang is geworden door hetgeen de politie en andere bronnen hem over [medeverdachte 3] hebben medegedeeld wordt weerlegd door de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer] en zijn zoon.

Het middel faalt.

8.1. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft gemeend dat de proceskosten van de benadeelde partij voor vergoeding in aanmerking komen. Deze proceskosten zijn niet aan te merken als rechtstreekse schade.

8.2. Dat de kosten van de benadeelde partij niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade van het strafbaar feit betekent niet dat de rechter geen beslissing behoeft te nemen over de kosten. Het middel ziet het gestelde in het zesde lid van artikel 361 en in artikel 592a Sv kennelijk over het hoofd. De beslissing over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en nog te maken moet in het vonnis worden opgenomen. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen nadere motivering behoeft.5 Daarop stuit het middel af.

9. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaken met de nrs. 16/06267 ( [medeverdachte 3] ), 17/00038 ([medeverdachte 1]) en 17/00200 ( [verdachte] ) hangen samen. In al deze zaken wordt heden geconcludeerd.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015 (achtste druk), p. 278, 289. Zie bijv. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0863, NJ 2013/144 m.nt. Reijntjes.

3 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, r.o. 3.8.2.(i) resp. 3.8.4.d.

4 Zie de verklaringen van [slachtoffer] (voetnoten 4 tot en met 8 en 12 en 13 in het vonnis van de rechtbank) en de verklaringen van diens zoon (voetnoten 9, 14 tot en met 16).

5 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:663, NJ 2017/365 m.nt. Reijntjes.