Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:923

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-08-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
18/00616
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1797, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht. Art. 1:265b BW. Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Verklaring van B&W als bedoeld in art. 1:265b lid 2 BW niet vereist indien kind uit huis wordt geplaatst bij de andere met het gezag belaste ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/18 met annotatie van Graaf, J.H. de
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/00616

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 17 augustus 2018

Conclusie inzake:

[de moeder]

tegen

Raad voor de Kinderbescherming

In deze zaak is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een plaatsing bij de andere, met gezag belaste ouder. In cassatie gaat het hoofdzakelijk om de vraag of de machtiging verleend kon worden zonder een daartoe strekkend besluit van het college van burgemeester en wethouders (art. 1:265b lid 2 en 3 BW).

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

1.1.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2009 [de dochter] geboren (hierna: de dochter).

1.1.2

Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de dochter. Zij gaven uitvoering aan een zorgregeling, waarbij de dochter ieder weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader verbleef.

1.1.3

De dochter heeft formeel haar hoofdverblijfplaats bij de moeder, maar verblijft sinds juli 2017 feitelijk bij de vader.

1.2

Bij verzoekschrift van 10 augustus 2017 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, thans verweerder in cassatie, aan de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht de dochter onder toezicht te stellen en een machtiging te verlenen om de dochter uit huis te plaatsen voor de duur van een jaar en wel: bij de vader.

1.3

De moeder heeft gesteld dat zij het verzoek tot ondertoezichtstelling steunt. Zij kan zich echter niet verenigen met het verzoek tot uithuisplaatsing bij de vader.

1.4

Bij beschikking van 30 augustus 2017 heeft de kinderrechter de dochter onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (G.I.) Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Roosendaal, voor het tijdvak van 30 augustus 2017 tot uiterlijk 30 augustus 2018. De kinderrechter heeft machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de dochter bij de vader met ingang van 30 augustus 2017 tot uiterlijk 28 februari 2018 en iedere verdere beslissing aangehouden2. De kinderrechter overwoog:

“De kinderrechter merkt voor wat betreft de uithuisplaatsing op dat het hoofdverblijf van [de dochter] is vastgesteld bij de moeder. De Raad heeft samen met het Kr8Kollektief een vakantieregeling geadviseerd en “bepaald” die feitelijk inhoudt dat [de dochter] geruime tijd bij de vader zou verblijven. De moeder geeft aan dat zij niet aanwezig is geweest bij die besluitvorming en dat zij het er niet mee eens was en is. In het kader van het onderzoek dat gaande was, had de Raad, indien hij van mening was dat het belang van [de dochter] dat noodzakelijk maakte, een voorlopige ondertoezichtstelling en spoeduithuisplaatsing van [de dochter] moeten verzoeken. Dat is niet gebeurd. Geconcludeerd wordt derhalve dat [de dochter] tot op heden zonder de wettelijk vereiste machtiging bij de vader verblijft.

Gelet op de zorgen bij de moeder is de kinderrechter, ondanks het voorgaande, van oordeel dat een uithuisplaatsing van [de dochter] bij de vader in haar belang noodzakelijk is (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De moeder kan [de dochter] op dit moment niet de stabiele en veilige opvoedingssituatie bieden die [de dochter] nodig heeft. Benadrukt wordt dat bij ernstige zorgen over de (thuis)situatie bij de ene ouder er in beginsel wordt gekeken naar een plaatsing van de minderjarige bij de andere gezagdragende ouder en niet naar een plaatsing in het netwerk, zoals een grootmoeder. Geconstateerd wordt dat de vader thans de meest wenselijke opvoedingssituatie voor [de dochter] biedt. Hij geeft haar veiligheid en stabiliteit. Vanuit de situatie bij de vader dient dan ook het toekomstperspectief van [de dochter] te worden onderzocht. Daarbij dient de GI alle opties te onderzoeken.” (beschikking blz. 4)

1.5

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Bij beschikking van 14 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5521) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank op dit punt bekrachtigd. Het hof overwoog onder meer:

“3.8.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder naar voren gebracht dat de raad bij de indiening van het verzoek tot uithuisplaatsing van [de dochter] geen besluit van het college conform artikel 2.3 lid 1 Jw heeft overgelegd en dat de rechtbank daarom ten onrechte artikel 1:265b lid 1 BW heeft toegepast.

Het hof constateert dat bij het verzoekschrift eerste aanleg door de raad inderdaad geen besluit is overgelegd van het college, zoals is vereist op grond van artikel 1:265b lid 2 BW. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de machtiging tot uithuisplaatsing ten onrechte is verleend. De raad heeft de rechtbank in het verzoekschrift verzocht, de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen ‘zonder dat het college van B&W een daartoe strekkend besluit heeft genomen, omdat het belang van het kind dit vergt.’ Daarmee heeft de raad kennelijk een beroep gedaan op de hierboven beschreven bepaling in artikel 1:265b BW Hoewel dit niet expliciet is beschreven, blijkt uit de overwegingen van de bestreden beschikking dat de kinderrechter het ondanks het ontbreken van het verleningsbesluit van het college in het belang van [de dochter] noodzakelijk heeft geacht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. Het hof begrijpt de beslissing van de rechtbank zo, dat aldus toepassing is gegeven aan hetgeen is bepaald in artikel 1:265b lid 3 BW.

Het hof gaat dan ook voorbij aan dit formele bezwaar van de moeder tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing en zal thans overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.”

In rov. 3.8.5 besprak het hof de gronden voor de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing. In rov. 3.8.6 ging het hof nader in op de mogelijkheden in de toekomst voor een eventuele terugplaatsing van de dochter bij de moeder. Het hof achtte een terugkeer naar de moeder vooralsnog niet haalbaar en niet in het belang van de dochter.

1.6

De moeder heeft van deze beschikking – tijdig3− beroep in cassatie gesteld. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in cassatie een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de verwerping van het verweer van de moeder dat de Raad voor de Kinderbescherming aan de rechtbank een besluit had moeten overleggen van het college van burgemeester en wethouders tot het verlenen van jeugdhulp aan de dochter. Onderdeel 2 heeft betrekking op de gronden waarop de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend4.

2.2

Alvorens op deze klachten in te gaan, maak ik enkele opmerkingen over het wettelijk kader. Onder de Wet op de Jeugdzorg − de voorganger van de Jeugdwet − was Bureau Jeugdzorg onder meer belast met het vaststellen of een cliënt was aangewezen op een vorm van zorg (art. 5 lid 2 (oud) Wjz). Bureau Jeugdzorg bepaalde in een indicatiebesluit welke zorg aangewezen was en hoe lang deze zou moeten worden verleend (zie art. 6 lid 1 (oud) Wjz)5. Bij jeugdzorg in het kader van een uithuisplaatsing ging het om verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder (art. 2 in verbinding met art. 4 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (UWjz) dan wel om het verblijf aldaar ten behoeve van observatiediagnostiek (art. 5 UWjz)6. Een machtiging tot uithuisplaatsing kon door de kinderrechter worden verleend op verzoek van Bureau Jeugdzorg, van de Raad voor de Kinderbescherming of van de officier van justitie (art. 1:261 lid 1 BW). Het tweede lid van art. 1:261 BW bepaalde toen:

“Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het besluit, bedoeld in artikel 6 eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het verzoek overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Jeugdzorg, wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.”

Op grond van deze bepaling was een indicatiebesluit niet vereist voor de plaatsing bij een ouder zonder ouderlijk gezag of, ingeval beide ouders met het gezag waren belast, bij de niet-verzorgende ouder: in die situatie is immers geen sprake van ‘zorg als bedoeld in art. 5, tweede lid, van de Wet op de Jeugdzorg’7. In het verzoekschrift kon dan worden volstaan met de vermelding van de verblijfplaats waarvoor de machtiging werd gevraagd. Daarnaast voorzag de wet in andere mogelijkheden om zonder indicatiebesluit een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. Zo kon de kinderrechter in spoedeisende gevallen een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen die bleef voortduren totdat alsnog (binnen vier weken) een indicatiebesluit was genomen. De kinderrechter kon daarbij bepalen dat de machtiging van kracht blijft indien het indicatiebesluit tot uithuisplaatsing strekt (art. 1:261 lid 3 BW). Verder kon de kinderrechter zonder indicatiebesluit een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen indien het verzoek werd gedaan door de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie in een geval waarin Bureau Jeugdzorg een uithuisplaatsing niet aangewezen achtte (art. 1:261 lid 4 BW).

2.3

Met de in januari 2015 in werking getreden Jeugdwet is beoogd de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor alle jeugdhulp onder te brengen bij de gemeenten8. De gemeente is verantwoordelijk voor een deskundige toeleiding naar voorzieningen op het gebied van jeugdhulp, indien naar zijn oordeel een jeugdige of ouder die hulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen (art. 2.3 lid 1 Jeugdwet). De gemeente draagt zorg voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod aan jeugdhulp (art. 2.6 Jeugdwet). Binnen de gemeentelijke organisatie is het college van burgemeester en wethouders belast met deze ‘jeugdhulpplicht’. De term ‘jeugdhulp’ omvat de ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders bij alle denkbare opgroei-, opvoedings- en psychische problemen. Hieronder valt zowel ambulante hulp als het verblijf bij pleegouders, hulp in een medisch kinderdagverblijf of psychiatrische zorg (art. 1.1 Jeugdwet)9.

2.4

In de toelichting op de Jeugdwet wordt onderscheid gemaakt tussen algemene, vrij toegankelijke voorzieningen en, anderzijds: individuele, niet vrij toegankelijke voorzieningen. De niet vrij toegankelijke voorzieningen veronderstellen dat een verleningsbeslissing daaraan ten grondslag ligt, genomen op basis van een beoordeling van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager. De beslissing tot het verlenen van een bepaalde vorm van jeugdhulp vestigt jegens de gemeente een aanspraak op deze voorziening10.

2.5

De maatregel van uithuisplaatsing kan slechts worden opgelegd in het kader van een ondertoezichtstelling11. De minderjarige wordt dan weggehaald bij de ouder(s) bij wie hij zijn gewone verblijfplaats heeft en elders geplaatst. Plaatsing is mogelijk in de pleegzorg (in een pleeggezin uit het eigen netwerk, in een pleeggezin uit het bestand van de hulpverlener of in een zgn. gezinshuis); soms is plaatsing in een instelling van jeugdzorg aangewezen. Art. 2.3 lid 6 Jeugdwet bepaalt dat de gemeente ervoor zorg draagt dat de jeugdige in de pleegzorg wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige12. Met deze bepaling heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat in de regel plaatsing in een gezinsomgeving de voorkeur verdient boven plaatsing in een instelling13. Onder het vroegere jeugdrecht heeft de Hoge Raad op 14 oktober 2011 beslist dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een machtiging tot uithuisplaatsing betrekking heeft op een plaatsing bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige niet zijn hoofdverblijf heeft14. Ik heb in de parlementaire behandeling van de Jeugdwet geen aanwijzing gevonden dat de wetgever de mogelijkheid van een plaatsing bij de andere ouder heeft willen uitsluiten in het nieuwe recht. Het cassatiemiddel is daarop ook niet gericht.

2.6

Ingevolge art. 1:265b, lid 1 en 2, BW wordt een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ingediend door de Gecertificeerde Instelling, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. De Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie moet dan aan de rechtbank een afschrift overleggen van het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot verlening van jeugdhulp als bedoeld in art. 2.3 lid 1 Jeugdwet. Een Gecertificeerde Instelling behoeft geen besluit van burgemeester en wethouders over te leggen, omdat de G.I. zelfstandig kan bepalen of jeugdhulp nodig is, en zo ja, welke jeugdhulp (zie art. 3:5 Jeugdwet). In de parlementaire toelichting is hierover opgemerkt:

“(…) Overeenkomstig de regeling onder de Wet op de jeugdzorg dient dit besluit van het college samen met het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing aan de kinderrechter te worden overgelegd, indien het een verzoek betreft van het OM of de raad voor de kinderbescherming. Het college treft echter geen individuele voorziening als het gaat om een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing dat wordt ingediend door de gecertificeerde instelling. Op grond van artikel 3.5, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt de gecertificeerde instelling immers zelf of en zo ja welke jeugdhulp aangewezen is. De verleningsbeslissing wordt dus genomen door de gecertificeerde instelling. Om deze reden behoeft de gecertificeerde instelling dus geen individuele voorziening van het college te overleggen. Een beschrijving van de plaats waartoe de machtiging strekt is voldoende.

(…) Het voorgestelde eerste lid regelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend op verzoek van de gecertificeerde instelling die met de ondertoezichtstelling is belast. (…) Het is als gezegd niet nodig dat de gemeente hiervoor een individuele voorziening treft; de gecertificeerde instelling bepaalt zelf welke hulp nodig is bij de uitvoering van een ondertoezichtstelling. Wel is hierover overleg tussen de gecertificeerde instelling en het college vereist. De Raad voor de rechtspraak vroeg in zijn advies op welke wijze dit overleg moet plaatsvinden en of het de bedoeling is dat de gemeente zich daadwerkelijk zal mengen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De gemeente is financieel verantwoordelijk voor de uithuisplaatsing, dus zij zal op de hoogte gesteld moeten worden van het besluit van de gecertificeerde instelling. Het is evenwel niet zo dat de gemeente zich zal mengen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling: deze verantwoordelijkheid ligt bij de gezinsvoogdijwerker. De gecertificeerde instelling neemt dus zelf de verleningsbeslissing en hoeft bij het indienen van het verzoekschrift tot machtiging tot uithuisplaatsing geen besluit van het college te overleggen aan de rechtbank.”

2.7

In afwijking van art. 1:265b, tweede lid, BW bepaalt het derde lid van dat artikel dat, “indien het belang van het kind dit vergt”, de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing kan verlenen zonder dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend besluit heeft genomen. De memorie van toelichting vermeldt hierover:

“(…). Op grond van het voorgestelde tweede lid moet de raad [voor de Kinderbescherming, toevoeging plv. P-G] voor de machtiging een individuele voorziening vragen bij het college; het besluit van het college wordt samen met het verzoek van de raad aan de rechter overgelegd. Het kan noodzakelijk zijn dat op verzoek van de raad een machtiging wordt verleend zonder dat een voorziening van de gemeente is getroffen. Dit doet zich voor in het geval het college niet op tijd besluit, of bij een blijvend meningsverschil tussen de raad voor de kinderbescherming en het college. Het voorgestelde artikel 261 [thans: 265b, toev. plv. P-G], derde lid, bepaalt dat in die gevallen de rechter toch een machtiging uithuisplaatsing kan verlenen in het belang van het kind. Zo kan er sprake zijn van een spoed- of crisisuithuisplaatsing waarbij het besluit van het college niet kan worden afgewacht.

Ook het openbaar ministerie blijft bevoegd om de rechter te verzoeken om een uithuisplaatsing (het voorgestelde tweede lid). Het openbaar ministerie kan gelijk met het verzoek tot ondertoezichtstelling een verzoek tot machtiging voor uithuisplaatsing indienen. Het OM heeft hiervoor in beginsel wel een besluit van het college nodig, dat moet worden overgelegd aan de rechtbank bij het verzoekschrift. Het derde lid bepaalt dat de rechter op verzoek van het OM toch een machtiging tot uithuisplaatsing kan verlenen als het college geen verleningsbeslissing heeft genomen, indien het belang van het kind dit vraagt. Hierbij kan gedacht worden aan spoed- of crisisuithuisplaatsingen of aan een blijvend meningsverschil tussen het college en het OM. De Raad voor de rechtspraak heeft een uitdrukkelijke voorkeur van rechters aangegeven om in het derde lid het begrip «spoedmachtiging» op te nemen. Zoals gezegd gaat het in deze situaties echter niet altijd om spoed, maar ook om onenigheid tussen het college en het OM of de raad voor de kinderbescherming. Ook in die situaties moet de mogelijkheid bestaan om een verzoekschrift in te dienen zonder een besluit van de gemeente te overleggen. Dit advies wordt derhalve niet overgenomen; de huidige situatie wordt gecontinueerd.”15

2.8

Een beslissing tot verlening van jeugdhulp is een ‘besluit’ in de zin van art. 1:3 Algemene wet bestuursrecht. De mogelijkheid om tegen het besluit een bezwaarschrift en vervolgens beroep bij de bestuursrechter in te stellen is uitgesloten voor zover het besluit betrekking heeft op jeugdhulp in de vorm van een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling16. De wetgever heeft het niet nodig geacht dat, naast de rechtsgang bij de burgerlijke rechter m.b.t. een verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing, ook nog een bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit tot verlening van jeugdhulp zou openstaan. De kinderrechter die een beslissing neemt op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing (in de pleegzorg of in een instelling) beoordeelt tevens of het desbetreffende verleningsbesluit zorgvuldig tot stand is gekomen en naar behoren is gemotiveerd17. Het zal ook om deze reden zijn, dat de wet voorschrijft dat bij het verzoek aan de kinderrechter om een machtiging tot uithuisplaatsing een afschrift van het verleningsbesluit moet worden overgelegd. In de vakliteratuur wordt aangenomen dat indien aan het verleningsbesluit gebreken kleven, de rechter − zo nodig − kan terugvallen op de in art. 1:265b lid 3 BW genoemde mogelijkheid om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen zonder dat het verleningsbesluit is overgelegd18.

2.9

Onderdeel 1 van het cassatiemiddel richt zich met twee rechtsklachten tegen rov. 3.8.4. In hoger beroep had de moeder zich beroepen op het ontbreken van een besluit van het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in art. 2.3 lid 1 Jeugdwet. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof heeft miskend dat de appelrechter (zo nodig met aanvulling van rechtsgronden) zélf had moeten beoordelen of op grond van art. 1:265b, derde lid, BW kan worden afgeweken van de in het tweede lid van dat artikel bedoelde verplichting van de Raad voor de Kinderbescherming tot het overleggen van een zodanig besluit. Bij gebreke van zodanig besluit had het hof de beslissing van de kinderrechter niet mogen bekrachtigen; hoogstens had het hof de Raad voor de Kinderbescherming kunnen gelasten het ontbrekende besluit in hoger beroep alsnog over te leggen. De moeder verwijst in dit verband naar HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1414, rov. 3.4.619.

In de tweede plaats klaagt het middel dat het hof een te ruime toepassing geeft aan het bepaalde in art. 1:265b lid 3 BW. Ter toelichting op deze klacht heeft de moeder betoogd dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze uitzonderingsbepaling slechts van toepassing is in geval van spoed of geval van onenigheid tussen enerzijds de Raad voor de kinderbescherming en anderzijds het college van burgemeester en wethouders.

2.10

De Raad voor de kinderbescherming stelt zich daarentegen op het standpunt dat bij een verzoek tot uithuisplaatsing dat strekt tot plaatsing bij een andere met het gezag belaste ouder, een besluit van het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet niet behoeft te worden overgelegd20. Dat standpunt lijkt mij juist. Het op grond van art. 1:265b lid 2 BW over te leggen besluit van het college van burgemeester en wethouders ziet op het verlenen van een individuele voorziening (met betrekking tot de uithuisplaatsing). Dat volgt uit de hiervoor aangehaalde toelichting tijdens de parlementaire behandeling, maar logisch ook uit het voorschrift zelf. Indien het verzoek strekt tot plaatsing bij de andere met het gezag belaste ouder, is een door de gemeente te verschaffen individuele voorziening niet aan de orde. De plaatsing bij de andere ouder is geen vorm van ondersteuning die afhankelijk is van een verleningsbesluit van de gemeente. De gemeente is voor die plaatsing ook niet financieel verantwoordelijk21. Hieruit maak ik op dat de wetgever in de Jeugdwet en in het daarop afgestemde art. 1:265b lid 2 BW slechts het oog heeft op de (in de praktijk meest voorkomende) situatie dat de minderjarige in de pleegzorg of in een instelling wordt geplaatst; niet op de plaatsing bij de andere ouder of ander naast familielid. Dat brengt met zich dat bij een verzoek van de Raad of het Openbaar Ministerie om een machtiging tot uithuisplaatsing geen verleningsbesluit van het college van burgemeester en wethouders behoeft te worden overgelegd indien het verzoek strekt tot plaatsing bij een andere ouder of een naaste (niet-pleegouder).

2.11

Op grond van het voorgaande kunnen de klachten van onderdeel 1 niet tot cassatie leiden en behoeven zij verder geen bespreking.

2.12

Ten overvloede merk ik over onderdeel 1 nog het volgende op. Uit de in het middel aangehaalde memorie van toelichting maak ik op dat de wetgever met het voorschrift in art. 1:265b lid 3 BW, inhoudend dat een machtiging tot uithuisplaatsing zonder verleningsbesluit kan worden verleend “indien het belang van het kind dit vergt”, voor ogen had: (i) gevallen waarin een verleningsbesluit van burgemeester en wethouders niet kan worden afgewacht en (ii) gevallen waarin sprake is van een (niet in goed overleg op te lossen) meningsverschil tussen het college van burgemeester en wethouders en anderzijds de Raad voor de Kinderbescherming onderscheidenlijk het Openbaar Ministerie 22. Bij de beoordeling of het derde lid van art. 1:265b BW van toepassing is, dienen de kinderrechter en, in hoger beroep, het gerechtshof uit te gaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van hun beslissing23.

2.13

Van een meningsverschil tussen het college van burgemeester en wethouders en, anderzijds, de Raad voor de Kinderbescherming is in dit geval niet gebleken. Zou – anders dan hiervoor betoogd – op grond van het tweede lid van art. 1:265b BW een verleningsbesluit moeten worden overgelegd, dan had het hof nog de mogelijkheid om gebruik te maken van het derde lid van art. 1:265b BW indien het verleningsbesluit niet kon worden afgewacht. Dit laatste behoeft niet noodzakelijk betrekking te hebben op een verzoek om een (voorlopige) spoeduithuisplaatsing. In de memorie van toelichting is dit als voorbeeld vermeld24. Het cassatiemiddel bestrijdt niet de vaststelling in rov. 3.8.4 dat de kinderrechter in eerste aanleg (ondanks de vermelding van art. 1:265b lid 1 BW), in wezen toepassing heeft gegeven aan art. 1:265b lid 3 BW. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof ervan uitgegaan dat hier sprake is van een geval waarin de bekendmaking van een verleningsbesluit niet kon worden afgewacht25. Van belang in dit verband is de - op zich in cassatie niet bestreden - vaststelling dat de dochter bij verblijf bij haar moeder werd bedreigd in haar sociaal-emotionele ontwikkeling en haar fysieke veiligheid (rov. 3.8.5) en dat het niet in het belang van de dochter is om haar tussentijds bij de vader weg te halen (rov. 3.8.6).

2.14

In onderdeel 2 klaagt het middel allereerst dat het college van burgemeester en wethouders op grond van art. 2.3 lid 1 Jeugdwet had behoren te onderzoeken of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de moeder al dan niet toereikend waren26.

2.15

Waar deze klacht voorbouwt op het standpunt dat een besluit van het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in art. 2.3 lid 1 Jeugdwet had moeten worden overgelegd voordat het hof een machtiging tot uithuisplaatsing kon verlenen, faalt de klacht om de redenen die bij de bespreking van onderdeel 1 zijn toegelicht.

2.16

Verder houdt het middelonderdeel in (aan het slot van punt 12 in het cassatierekest) dat, bezien in het licht van de Jeugdwet, het gerechtshof zelf had behoren te onderzoeken of voldoende passende hulp aan de moeder is of kon worden aangeboden bij het vervullen van haar verantwoordelijkheden op het gebied van de verzorging en opvoeding van de dochter, vóórdat tot uithuisplaatsing werd overgegaan. In het cassatierekest onder 13 wordt hieraan toegevoegd dat uit art. 8 EVRM en uit rechtspraak van het EHRM volgt dat de autoriteiten zich moeten inspannen om aan een ouder hulp op vrijwillige basis aan te bieden, ter ondersteuning bij de opvoeding, in plaats van terstond over te gaan tot uithuisplaatsing van het kind27. Gelet op de psychiatrische diagnose die ten aanzien van de moeder is gesteld, had het gerechtshof ook op grond van art. 23 lid 2 Gehandicaptenverdrag28 eerst moeten nagaan of de opvoeding en verzorging door de moeder gewaarborgd had kunnen worden, zo nodig met hulp van derden.

2.17

Tot uithuisplaatsing kan op grond van art. 1:265b lid 1 BW worden overgegaan indien uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Anders dan het middelonderdeel stelt, heeft het hof niet miskend dat de bevoegde autoriteiten zich moeten inspannen om een ouder hulp op vrijwillige basis aan te bieden, alvorens over te gaan tot een uithuisplaatsing. Het inleidend verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is ingediend naar aanleiding van verscheidene meldingen bij Veilig Thuis vanuit zorg over de (thuis)situatie van de moeder. Ten tijde van de bestreden beschikking waren al verscheidene instellingen bij het gezin betrokken. In eerste aanleg heeft de kinderrechter (blz. 3) vastgesteld dat de moeder niet altijd in staat is opvoedingsadviezen in acht te nemen, hulp te accepteren en de zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van de dochter weg te nemen. De kinderrechter heeft niet meteen de verzochte uithuisplaatsing voor de duur van twaalf maanden uitgesproken, maar een uithuisplaatsing voor zes maanden, teneinde de dochter in een veilige situatie te brengen en deze periode te gebruiken voor nader onderzoek met het oog op een toekomstige voorziening. In hoger beroep was de situatie niet wezenlijk gewijzigd. Het hof heeft hieromtrent overwogen:

“3.8.5. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat [de dochter] bij de moeder langdurig is opgegroeid in een spanningsvolle en onveilige thuissituatie, waarbij sprake is geweest van verbaal en fysiek geweld van de moeder richting [de dochter] (waaronder slaan, duwen, schreeuwen, schelden en het aannemen van een dreigende houding). Hierdoor is er de afgelopen jaren een situatie ontstaan waarin [de dochter] werd bedreigd in haar sociaal- emotionele ontwikkeling en fysieke veiligheid. In de periode van oktober 2015 tot medio mei 2017 heeft de school van [de dochter] vier zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis.

De moeder is gediagnosticeerd met PDD-NOS en ADHD en heeft te kampen met een hormoonspiegelstoornis. Ter zitting van het hof heeft de moeder verklaard dat zij zichzelf tegenover [de dochter] niet altijd in de hand heeft gehad, maar dat zij gaandeweg steeds beter leert haar emoties te bedwingen. Het hof constateert dat de moeder veel van [de dochter] houdt en het beste met haar voor heeft. Dit neemt echter niet weg dat er bij de moeder de afgelopen jaren een situatie is ontstaan en in stand gebleven, waarbij het [de dochter] ontbrak aan de noodzakelijke stabiliteit, rust en veiligheid. Het hof is van oordeel dat de moeder niet in staat is geweest om voor [de dochter] een duidelijk, gestructureerd, stimulerend en leeftijdsgericht opvoedingsklimaat te creëren waarin [de dochter] zich lichamelijk en emotioneel gezond kan ontwikkelen. Dit kwam niet voort uit onwil, maar uit onmacht, voortvloeiend uit de persoonlijke problematiek waarmee de moeder te kampen heeft.

Naar het oordeel van het hof is de rechtbank terecht en op goede gronden overgegaan tot het verlenen van de onderhavige machtiging tot uithuisplaatsing.”29

2.18

De omstandigheid dat het onderzoek nog niet was voltooid op het tijdstip waarop de kinderrechter en, in hoger beroep, het gerechtshof de machtiging tot uithuisplaatsing verleenden, maakt dit niet anders. In rov. 3.7 nam het hof in aanmerking dat de G.I. het wenselijk acht dat Keinder een onderzoek verricht naar de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, waarbij ook de algehele opvoedsituatie (bij de vader thuis en bij de moeder thuis) in kaart wordt gebracht, waarna passende hulpverlening dient te worden ingezet. Volgens de G.I. kon het benodigde onderzoek niet worden gestart omdat de moeder daarvoor geen toestemming verleent30. In rov. 3.8.5 sluit het hof hierbij aan met de overweging dat onduidelijk is of de moeder over voldoende opvoedcapaciteiten beschikt om, eventueel met de nodige hulp, volledig zelfstandig de zorg voor de minderjarige te kunnen dragen. Het hof was het eens met de G.I. dat nader onderzoek door Keinder of een vergelijkbare instelling nodig is om dit te kunnen bepalen. Het hof zag het ontbreken van toestemming van de moeder als de belangrijkste reden waarom dit onderzoek niet vóór de uithuisplaatsing was gestart. Dit laatste blijkt ook uit de overweging in rov. 3.8.8: “Ten behoeve van de moeder merkt het hof op dat voor een goede beoordeling van een mogelijke thuisplaatsing van [de minderjarige] het noodzakelijk is dat de moeder zo snel mogelijk haar volledige medewerking verleent aan het onderzoek en de hulpverlening die de GI hiertoe noodzakelijk acht.” Deze oordelen zijn feitelijk van aard en in cassatie niet bestreden.

2.19

Het middelonderdeel bestrijdt niet de vaststelling als zodanig (in rov. 3.8.5), dat bij de moeder thuis een situatie was ontstaan waarin de dochter in haar sociaal-emotionele ontwikkeling en fysieke veiligheid werd bedreigd, noch de vaststelling dat de moeder door haar persoonlijke problematiek zonder hulp niet in staat was om te zorgen voor een opvoedingsklimaat waarin de minderjarige zich gezond kan ontwikkelen. Op grond van die vaststellingen is niet onjuist dat, noch onbegrijpelijk waarom, het hof van oordeel is dat bij gebreke van medewerking aan een nader onderzoek tot uithuisplaatsing van de dochter bij de vader kon worden overgegaan, ook al was een nader onderzoek zoals in het middelonderdeel bedoeld, nog niet voltooid.

2.20

Voor het overige bevat onderdeel 2 de motiveringsklacht dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de (volgens het middelonderdeel: essentiële) stellingen van de moeder31:

(a) dat de veiligheid van de minderjarige kan worden gewaarborgd met hulp van derden en steun van familie;

(b) dat de huisarts op 20 september 2016 bij het Centrum voor Jeugd en Gezin Roosendaal “aandacht heeft gevraagd voor de situatie” en een gestructureerde aanpak door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige voor driemaal per week heeft geadviseerd;

(c) dat de gemeente daarin is tekortgeschoten;

(d) de steller van het middel tekent hierbij aan dat uit de stukken niet is gebleken dat de Raad voor de Kinderbescherming de moeder en/of de dochter heeft laten onderzoeken door een voldoende bekwame deskundige (met BIG-registratie) conform de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2017.

2.21

In de motivering van het hof (in het bijzonder in de eerste twee volzinnen van rov. 3.8.5) ligt de weerlegging besloten van de stelling genoemd onder a. Het hof heeft met zoveel woorden aangegeven dat geen sprake is van onwil van de moeder, maar van onmacht, voortvloeiend uit de persoonlijke problematiek waarmee de moeder te kampen heeft. Uit rov. 3.8.6 volgt, waarom het hof een oplossing zoals door de huisarts geadviseerd in september 2016 (punt b) ten tijde van zijn beslissing op 14 december 2017 niet of niet langer toereikend achtte om een einde te maken aan de “spanningsvolle en onveilige thuissituatie” waarin de dochter laatstelijk vóór de uithuisplaatsing verkeerde. Om de beslissing van het hof begrijpelijk te doen zijn, behoefde de stelling onder c daarom geen afzonderlijke bespreking meer. Het middel vermeldt niet waar in de gedingstukken van de procedure bij het hof de stelling onder (d) kan worden teruggevonden, zodat ook dat gedeelte van onderdeel 2 niet tot cassatie leidt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 Zie rov. 3.1 en 3.2 van de in cassatie bestreden beschikking.

2 Volgens een mededeling van de Raad voor de Kinderbescherming in het verweerschrift in cassatie (blz. 1 - 2) zou de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels door de kinderrechter zijn verlengd tot 30 augustus 2018.

3 Het verzoekschrift is op 12 februari 2018 ter griffie ingekomen als faxcopie; het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel is ingekomen op 15 februari 2018.

4 De machtiging tot uithuisplaatsing had een geldigheidsduur tot en met 28 februari 2018. Dat deze looptijd inmiddels is verstreken laat onverlet dat de moeder een rechtens relevant belang bij haar cassatieberoep heeft; zie HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596 m.nt. S.F.M. Wortmann (rov. 4).

5 Zie nader art. 15 - 22 (oud) van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

6 Zie onder meer: J.E. Doek en P. Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg (2009), blz. 348; C.J. Forder, Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:261 (oud) BW, aant. 4, 5 en 6.

7 Zie Kamerstukken II, 2001-2002, 28 168, nr. 3, blz. 82 (MvT Wjz); J.E. Doek en P. Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg (2009), reeds aangehaald, blz. 349; Asser/De Boer I* 2010, nr. 857; M.R. Bruning, T&C Personen- en familierecht (2012), aant. 6 bij art. 1:261 BW, blz. 504; B.M. Vroom-Cramer, Het belang van het indicatiebesluit bij de uithuisplaatsing van minderjarigen, FJR 2014/6, blz. 25. Andere voorbeelden zijn: plaatsing bij een grootouder (vgl. HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8908, NJ 2004/250 m.nt. S.F.M. Wortmann) of bij een tante die niet als pleegouder is aangemerkt (vgl. Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1504, rov. 4.5).

8 Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, blz. 2 - 3 (MvT Jeugdwet).

9 Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, blz. 18 en 137-139 (MvT Jeugdwet). Zie ook M. Bruning, in: Jeugdrecht en jeugdhulp (2016), par. 12.4, blz. 749 – 750.

10 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 138 - 139 (MvT Jeugdwet). Zie ook M.R. Bruning, Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 3.1; M.R. Bruning in: Jeugdrecht en jeugdhulp (2016), par. 12.7, blz. 754 - 755.

11 Kamerstukken II, 2013-2014, 33 983, nr. 3, blz. 10 (MvT Invoeringswet Jeugdwet). Zie ook M.R. Bruning, Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 3.3.

12 Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing wanneer de gecertificeerde instelling bepaalt welke jeugdzorg is aangewezen bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, zie art. 3.5 lid 2 Jeugdwet.

13 Kamerstukken II, 2013-2014, 33 684, 80 (amendement van het Kamerlid Ypma).

14 HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596 m.nt. S.F.M. Wortmann.

15 Kamerstukken II, 2013-2014, 33 983, nr. 3, blz. 10-11 (MvT Invoeringswet Jeugdwet).

16 Zie art. 8:5 Awb i.v.m. de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, art. 1. Zie hierover Kamerstukken II, 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 66-68 (MvT Jeugdwet); Kamerstukken II, 2013-2014, 33 684, nr. 10, blz. 118 (Nota n.a.v. het verslag Jeugdwet); Kamerstukken II, 2013-2014, 33 983, nr. 3, blz. 6-7 (MvT Invoeringswet Jeugdwet). Zie verder: Hedendaags personen- en familierecht 2017/10.1.7; M.R. Bruning, Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 3.4; M. Bruning, Jeugdrecht en jeugdhulp (2016), blz. 755; M. Kramer en M.J.M. ten Voorde, Rechtsbescherming onder de Jeugdwet en de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, een doolhof van procedures, FJR 2014/61.

17 Zie Hedendaags personen- en familierecht 2017/10.1.7; M.R. Bruning, Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 3.4. Vgl. onder de Wet op de jeugdzorg de uitspraak m.b.t. een indicatiebesluit in: CRvB 29 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1113.

18 M.R. Bruning, Groene Serie, Personen- en familierecht, Art. 265b, aant. 3.4; E.L. de Jongh en M.J. Hulshof, Kroniek kinder- en jeugdrecht, FJR 2018/29, onder 1.

19 HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1414, NJ 2015/319 m.nt. S.F.M. Wortmann. Rov. 3.4.6 hield onder meer in: “Uit art. 29b lid 4 Wjz (oud) in verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder d, EVRM volgt dat de rechter in zodanig geval het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot onvrijwillige opneming in een instelling voor gesloten jeugdzorg niet kan toewijzen. Ingevolge eerstgenoemde bepaling kan de rechter de verzochte machtiging immers slechts verlenen indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in art. 6 lid 1 Wjz (oud) heeft genomen. (…)” Ik teken hierbij aan dat het in de huidige zaak niet gaat om onvrijwillige opneming in een instelling voor gesloten jeugdzorg, maar om een plaatsing bij de vader.

20 Zie het verweerschrift in cassatie, nrs. 24-27.

21 Vgl. Kamerstukken II, 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 139 (MvT Jeugdwet): “Pas wanneer de jeugdige of zijn ouders een individuele voorziening nodig heeft om toegang tot een bepaalde vorm van ondersteuning te verkrijgen is er sprake van een individuele voorziening. Als de gemeente eenmaal geoordeeld heeft dat een jeugdige of zijn ouders een individuele voorziening nodig hebben, dan kan deze laatste hier ook rechten aan ontlenen. De beoordeling van de gemeente dat een individuele voorziening noodzakelijk is, vestigt een aanspraak jegens de gemeente op deze voorziening.” Zie in dit verband ook de in art. 1:392 en art. 1:404 BW neergelegde onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen.

22 Vgl. M.R. Bruning, Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 7; zie ook M.R. Bruning in T&C BW, art. 1:265b BW, aant. 5, en in Jeugdrecht en jeugdhulp (2016), blz. 767.

23 Vgl. HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9715, NJ 2004/97 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.2.

24 Zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 983, nr. 3, blz. 11: “Zo kan er sprake zijn van een spoed- of crisisuithuisplaatsing waarbij het besluit van het college niet kan worden afgewacht.” en “Hierbij kan gedacht worden aan spoed- of crisisuithuisplaatsingen of aan een blijvend meningsverschil tussen het college en het OM.”

25 In zijn verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van 10 augustus 2017 vermeldt de Raad voor de Kinderbescherming dat hij de kinderrechter verzoekt: “om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen bij vader voor de duur van 12 maanden zonder dat het college van B&W een daartoe strekkend besluit heeft genomen, omdat het belang van het kind dit vergt”.

26 Het middelonderdeel verwijst in dit verband naar CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, AB 2017/208 m.nt. C.W.C.A. Bruggeman (rov. 4.3.1).

27 Het middelonderdeel noemt in dit verband: EHRM 26 februari 2002 (Kutzner/Duitsland, appl. no. 46544/99); EHRM 18 december 2008 (Saviny/Oekraïne, appl.no. 39948/06); EHRM 29 maart 2016 (Kocherov en Sergeyeva/Rusland, appl.no. 16/899/13), EHRC 2016/161 m.nt. M. Bruning.

28 Bedoeld is het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (13 december 2006, Trb. 2007/169), voor Nederland in werking sinds 14 juli 2016 (Trb. 2016/105). Art. 23 heeft onder meer betrekking op het onderhouden van familierechtelijke betrekkingen.

29 De afkorting PDD NOS staat voor: pervasive developmental disorder – not otherwise specified. Het gaat om een in de psychiatrie gangbare aanduiding voor een restcategorie in het autisme-spectrum.

30 De discussie op dit punt tussen de moeder en de vertegenwoordiger van de G.I. is te kennen uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep (blz. 3).

31 Als vindplaats noemt het cassatiemiddel blz. 2 van de pleitnota in hoger beroep van de advocaat van de moeder en, wat betreft het advies van de huisarts, ook prod. 30, namens de moeder op 9 november 2011 aan de kinderrechter overgelegd.