Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:920

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
17/01247
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1959
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. plv. AG. Bedreiging met zware mishandeling, art. 285 Sr. Levert het door de 31-jarige verdachte met gebalde vuisten aannemen van een gevechtshouding door zich "op te pompen" waarna hij het slachtoffer in zijn ogen keek, en het maken van een slaande beweging met de vuist in de richting van het hoofd van een verbalisant, welke slag hij nog net kon afweren, bedreiging met zware mishandeling op? Ja, gelet op de context, inhoudende dat verdachte deel uitmaakte van een grote groep agressieve personen die al geweld had gebruikt tegen een veel kleinere groep verbalisanten, waarvan het slachtoffer deel uitmaakte, terwijl de verbalisanten in het nauw waren gedreven, in welke situatie besloten ligt dat kon worden verwacht dat de vuistslag het begin was van meer geweld. Concl. strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01247

Zitting: 4 september 2018

(bij vervroeging)

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 5 oktober 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 subsidiair “bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd”, 2“mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 3 “bedreiging met zware mishandeling” en 4 primair “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel.

3.1.

Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde feit niet naar behoren is gemotiveerd. Het middel klaagt in het bijzonder dat het oordeel van het hof dat de verdachte “met kracht een hard voorwerp in de richting van de hoofden/borst van de verbalisanten heeft gegooid” niet zonder meer begrijpelijk is en/of dat het hof voor de bewijsvoering gebruik heeft gemaakt van bewijsmiddelen die op een cruciaal onderdeel tegenstrijdig zijn met elkaar en/of dat het hof gebruik heeft gemaakt van een bewijsmiddel dat strijdig is met de bewezenverklaring. Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat de onder 4 gebezigde verklaring van de verdachte dat hij een zandkluit heeft gegooid strijdig is met de onder 1 en 2 gebezigde verklaringen dat hij met een steen heeft gegooid en strijdig is met de bewezenverklaring, die er immers vanuit gaat dat een steen/klinker/kei, althans een hard/zwaar voorwerp is gebruikt.

3.2.

Aan de verdachte is onder 1 subsidiair tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 30 november 2014 te Putten

- [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) en/of

- [verbalisant 2] (aspirant, politieteam Veluwe- West, korps Oost-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend

- tegenover [verbalisant 1] een zogenaamde gevechtshouding aangenomen en/of

- een of meer slaande beweging(en) naar het lichaam van [verbalisant 1] gemaakt en/of

- (meermalen) tegen [verbalisant 1] geroepen/gezegd dat deze moest komen en/of

- [verbalisant 1] langdurig en/of indringend aangekeken en/of

- (zichtbaar voor [verbalisant 1] ) een steen/klinker/kei, althans een hard/zwaar voorwerp opgeraapt en/of

- (meermalen) aanstalten gemaakt om die/een steen/klinker/kei, althans dat/een hard(e)/zwa(a)r(e) voorwerp naar [verbalisant 1] te gooien en/of (terwijl hij [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] indringend aankeek)

- (met kracht) die/een steen/klinker/kei, althans dat/een hard(e)/zwa(a)r(e) voorwerp, tegen/naar/in de richting van het gezicht en/of hoofd van [verbalisant 2] en/of tegen/naar/in de richting van het hoofd en/of de borst van [verbalisant 1] , althans tegen het lichaam van [verbalisant 2] en/of [verbalisant 1] gegooid”.

3.3.

Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 30 november 2014 te Putten

- [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) en

- [verbalisant 2] (aspirant, politieteam Veluwe-West, korps Oost-Nederland)

heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend (met kracht) een hard voorwerp in de richting van het hoofd van [verbalisant 2] en in de richting van het hoofd en de borst van [verbalisant 1] gegooid”.

3.4.

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Oost-Nederland, proces-verbaalnummer PL0600-2014193716-9, d.d. 1 december 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , aspirant van politie (pagina’s 297 tot en met 299 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op zondag 30 november 2014 kregen we weer een melding van geluidsoverlast. De geluidsoverlast kwam van een tentfeest te Putten. (...)

Buiten de tent zijn wij op linie gaan staan met getrokken wapenstok. Ik zag dat er veel mensen schreeuwend en opgefokt op ons afkwamen. In de linie zag ik dat er van alles naar ons werd gegooid, ik zag in ieder geval dat er werd gegooid met glazen, stenen hout en zelfs een hamer. (...)

Ik zag dat [verdachte] de steen met kracht gericht in mijn richting gooide. Ik zag dat de steen recht op mijn gezicht afkwam. Ik bukte net op tijd waardoor de steen alleen de bovenkant van mijn pet schampte (...).

2.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Oost-Nederland, proces-verbaalnummer PL0600-2014193743-5, d.d. 30 november 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (pagina’s 318 tot en met 321 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

1 persoon in de groep viel mij op. Hij had een slank postuur. Hij had een getinte huidskleur. Hij had een grijze trui aan en een lichtblauwe spijkerbroek. Ik zag dat hij erg agressief uit zijn ogen keek. Ik zag dat hij grote ogen had. Ik zag dat hij een skibril om zijn nek had. Het viel mij op dat hij elke keer de confrontatie zocht met collega’s en mij. Ik kreeg het idee dat hij mij of mijn collega’s iets aan wilde doen. (...) Wij hebben meerdere malen gewaarschuwd dat er geweld gebruikt zou worden als zij zich niet zouden verwijderen. De groep bleef echter staan en de groep werd steeds agressiever tegenover ons (...). De jongen waarvan ik het signalement opnoemde mengde zich ook in de groep. (...)

Die jongen waarvan ik het signalement opnoemde, bleek later verdachte [verdachte] te zijn (...)

Op een gegeven moment zag ik verdachte [verdachte] op een afstand van ongeveer 3 meter voor mij staan. Ik zag dat hij een steen opraapte en deze in zijn hand hield. Ineens zag ik dat verdachte [verdachte] de steen in onze richting gooide. Uit reflex keek ik weg, omdat ik bang was dat die steen in mijn gezicht of oog terecht zou komen. Ik voelde dat die steen op mijn linkerborst terecht kwam. (...) Hij heeft kennelijk met opzet en kracht die steen in mijn of onze richting gegooid.

3.

De eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 21 september 2016, op basis van de camerabeelden getoond ter terechtzitting: dat verdachte een voorwerp van de grond raapt en vervolgens op ooghoogte, een bovenhandse, gooiende beweging maakt in de richting van de verbalisanten.

4.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 21 september 2016, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik heb gegooid met een zandkluit.”

3.5.

Het bestreden arrest houdt ten aanzien van feit 1, voor zover van belang, de volgende bewijsoverweging in:

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld welk voorwerp verdachte in de richting van aangevers [verbalisant 2] en [verbalisant 1] heeft gegooid. Het hof volgt verdachte echter niet in zijn verklaring dat hij met een zandkluit heeft gegooid, nu een zandkluit naar verwachting uit elkaar zou zijn gespat of zou zijn afgebrokkeld bij het treffen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , terwijl daarvan niet is gebleken. Integendeel, uit de verklaringen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] leidt het hof af dat het een hard voorwerp van enige massa moet zijn geweest.

Nu echter niet vast staat hoe groot en zwaar het voorwerp was waarmee verdachte heeft gegooid, kan onder de gegeven omstandigheden niet worden vastgesteld dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

De verdediging heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte met een steen heeft gegooid in de richting van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] . Voorts mogen de verklaringen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] niet voor het bewijs worden gebezigd nu hun verklaringen niet objectief/betrouwbaar zijn.

Het hof overweegt het volgende.

Zoals hiervoor is overwogen onder het kopje ‘vrijspraak’ acht het hof niet bewezen dat verdachte met stenen in de richting van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] heeft gegooid. Wel stelt het hof op grond van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] vast dat verdachte met kracht een hard voorwerp van enige massa in de richting van zowel [verbalisant 2] als [verbalisant 1] heeft gegooid. Volgens de verklaring van [verbalisant 2] kwam dit voorwerp recht op zijn gezicht af en heeft hij deze moeten ontwijken om niet geraakt te worden. Het voorwerp schampte de bovenkant van zijn pet. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte met kracht een voorwerp gooide en uit reflex heeft hij zijn hoofd weggedraaid uit angst dat hij in zijn gezicht werd geraakt. Het voorwerp kwam tegen zijn linkerborst. Anders dan de raadsman, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid dan wel betrouwbaarheid van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , zoals hiervoor weergegeven, temeer nu het hof op de camerabeelden, zoals getoond ter terechtzitting in hoger beroep, heeft waargenomen dat verdachte een voorwerp van de grond raapt en vervolgens op ooghoogte, een bovenhandse, gooiende beweging maakt in de richting van de verbalisanten.

Door met kracht een hard voorwerp in de richting van de hoofden/borst van de verbalisanten te gooien, heeft de verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij [verbalisant 2] en [verbalisant 1] vrees voor het oplopen van zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich jegens [verbalisant 2] en [verbalisant 1] schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, zoals onder 1 subsidiair is ten laste gelegd. Het verweer wordt verworpen.”

3.6.

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte met kracht een hard voorwerp in de richting van de twee aangevers heeft gegooid en overwogen dat dit voorwerp een voorwerp van enige massa moet zijn geweest, maar dat de precieze aard daarvan niet is vast te stellen. Wel sluit het hof uitdrukkelijk uit dat het voorwerp een zandkluit was, zoals door de verdachte is verklaard, omdat een zandkluit naar verwachting uit elkaar zou zijn gespat of zou zijn afgebrokkeld bij het treffen van de verbalisanten, terwijl daarvan niet is gebleken. Tevens heeft het hof tot het bewijs gebezigd de verklaringen van de aangevers, die inhouden dat de verdachte met een steen heeft gegooid.

3.7.

Nu de gebezigde bewijsmiddelen onder meer de verklaring van de verdachte inhouden dat hij met een zandkluit heeft gegooid, terwijl het hof in de bewijsoverweging uitdrukkelijk heeft overwogen dat het de verdachte in deze verklaring niet volgt, is de bewijsvoering op dit punt, dat niet van ondergeschikte betekenis is1, inderdaad innerlijk tegenstrijdig.2

3.8.

Het middel is derhalve gegrond.3 Dit levert echter onvoldoende grond op voor cassatie. Ik meen namelijk dat het hof, gelet op zijn uitgebreide bewijsoverweging met betrekking tot de vraag met welk voorwerp de verdachte heeft gegooid, bij kennelijke misslag de betreffende verklaring van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl er ook zonder het gebruik van deze verklaring voldoende bewijs is voor het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. De Hoge Raad kan het bestreden arrest lezen met herstel van deze misslag. Daarmee ontvalt aan de klacht de feitelijke grondslag.4

3.9.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de onder 3 bewezenverklaarde gedragingen – het aannemen van een gevechtshouding en het maken van een slaande beweging met zijn vuist in de richting van het hoofd van het slachtoffer – bedreiging met zware mishandeling opleveren, niet begrijpelijk is.

4.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij op 30 november 2014 te Putten [verbalisant 3] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (in een feesttent aan de van Geenstraat)

een gevechtshouding tegen [verbalisant 3] aangenomen en een slaande beweging met de vuist in de richting van het hoofd van [verbalisant 3] gemaakt”.

4.3.

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Oost-Nederland, proces-verbaalnummer PL0600-2014193743-4, d.d. 30 november 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie (pagina’s 300 en 301 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op zondag 30 november 2014 kwam ik ter plaatse bij de partytent aan de van Geenstraat te Putten. (...) Ik, verbalisant, ben samen met collega’s [verbalisant 2] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] de tent ingelopen. Op dat moment was de sfeer nog prima en voelde ik mij absoluut niet onveilig. (...)

Vervolgens zag ik vanuit mijn linker ooghoek dat een manspersoon met weid [ik lees: wijd, D.P.] open gesperde ogen in mijn richting liep en tegen mij aan kwam staan. Ik voelde mij hierdoor ernstig bedreigd omdat wij op dat moment geen goede vluchtweg hadden. Ik herkende deze persoon later als de aangehouden verdachte [betrokkene 1] . Ik zag dat meerdere personen het gedrag van verdachte [betrokkene 1] overnamen en dreigend in onze richting kwamen lopen. Ik zag dat verscheidene personen mij en mijn collega’s begonnen te duwen. Hierop hebben wij verbalisanten ons in de richting van de hoek verplaatst. (...) Er werd geweld tegen ons gebruikt, wij hadden geen vluchtweg en nog niet genoeg collega’s om de groep onder controle te krijgen. Ik zag dat een manspersoon, naar later bleek te zijn D.I. [verdachte] , met twee gebalde vuisten een gevechtshouding aannam. Ik zag dat verdachte [verdachte] mij in mijn ogen keek en een slaande beweging met zijn rechter vuist in de richting van mijn hoofd maakte. (...)

Nadat wij met de collega’s verder naar achteren waren verplaatst hebben wij opnieuw een linie gevormd. Gedurende tien minuten werden wij vrijwel continu belaagd door het publiek. Hierbij zag ik dat verdachte [verdachte] lange tijd voor aan de groep publiek stond, hij stond dus aan de zijde van onze linie en keek ook vrijwel continu in onze richting.

8.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van politie Eenheid Oost- Nederland, proces-verbaalnummer PL0600-2014193949-1, d.d. 30 november 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6] , aspirant van politie (pagina’s 399 en 401 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant [verbalisant 3] :

In de tent werd ik ook nog aangevallen door [verdachte] . Hij zette samen met [betrokkene 1] en andere tot nu toe onbekend gebleven verdachten grote druk op ons in de tent. Toen wij daar nog met vier collega’s in de hoek stonden zag ik verdachte [verdachte] naast mij staan. Hij nam een gevechtshouding aan en maakte een slaande beweging met zijn rechtervuist in de richting van mijn hoofd. De slag kon ik nog net afweren.

9.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Oost-Nederland, proces-verbaalnummer PL0600-2014193716-11, d.d. 30 november 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , brigadier van politie en [verbalisant 5] , brigadier van politie (pagina’s 292 en 295 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Op zondag 30 november waren wij met zijn vieren (hof: verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ) ter plaatse bij de feesttent. (...) Wij zijn toen met zijn vieren langs de rechterkant van de tent naar binnen gelopen (...). Op het moment dat de muziek uitging begonnen de personen in de feesttent enorm te joelen en te schreeuwen in onze richting. (...) Intussen had een grote groep personen zich tegen ons gekeerd. Wij stonden in een hoek. Wij voelden ons op dat moment in het nauw gedreven door de menige [ik lees: menigte, D.P.]. (...)

Ik, verbalisant [verbalisant 5] , zag dat een manspersoon met donker uiterlijk, gekleed in een grijzige trui met een tekst op zijn borst in de tent was. Ik zag dat deze man zich ‘oppompte’ en voor mijn gevoel zijn kansen in schatte. Ik, verbalisant [verbalisant 5] , zag dat deze jongen zich op collega [verbalisant 3] richtte en een gevechtshouding aannam alsof hij met collega [verbalisant 3] wilde vechten. (...)

Ik, verbalisant [verbalisant 5] , zag dat de eerder genoemde jongen met het grijsachtige shirt, een hoge schopbeweging in de richting van collega [verbalisant 3] maakte. (...)”

4.4.

Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit, voor zover van belang, de volgende bewijsoverweging in:

“Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] in de feesttent in een hoek zijn gedreven door de menigte feestgangers, die zich agressief keerde tegen de politie, terwijl deze verbalisanten, die sterk in de minderheid waren, daar gelet op het verloop van eerdere meldingen en contacten die avond, niet op waren bedacht. Voorts leidt het hof uit de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] af dat verdachte samen met medeverdachte [betrokkene 1] en andere tot nu toe onbekend gebleven personen grote druk heeft gezet op verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] in de feesttent. [verbalisant 3] heeft verklaard dat verdachte naast hem kwam staan toen hij, [verbalisant 3] , met zijn collega’s in de hoek van de feesttent stond. Verdachte nam een gevechtshouding aan en maakte een slaande beweging met zijn rechtervuist in de richting van zijn hoofd. Deze slag kon [verbalisant 3] nog net afweren. De verklaring van [verbalisant 3] vindt bevestiging in de verklaring van verbalisant [verbalisant 5] , voor zover inhoudende dat zij - zag dat een man, donker getint, gekleed in een grijzige trui met een tekst op zijn borst [het hof begrijpt: verdachte] in de tent was. Ze zag dat deze jongen zich ‘oppompte’ en voor haar gevoel zijn kansen inschatte. Ze zag dat deze jongen zich op haar collega [verbalisant 3] richtte en een gevechtshouding aannam alsof hij met collega [verbalisant 3] wilde gaan vechten. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van deze bewijsmiddelen te twijfelen.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, heeft naar het oordeel van het hof als gevolg van verdachtes handelen bij voornoemde [verbalisant 3] de redelijke vrees kunnen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich jegens [verbalisant 3] schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling. In zoverre wordt het verweer verworpen.”

4.5.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen5 en dat het opzet van de verdachte op het teweeg brengen van zulk een indruk was gericht.6 De bedreiging kan zowel plaatsvinden door het uiten van bedreigende taal als door daden.7

4.6.

De steller van het middel klaagt dat ’s hofs oordeel dat de in de bewezenverklaring vermelde gedragingen bedreiging met zware mishandeling van verbalisant [verbalisant 3] opleveren, mede gelet op hetgeen de gebezigde bewijsmiddelen inhouden, niet begrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet valt in te zien waarom door de omstandigheid dat door de menigte grote druk is gezet op de verbalisanten, waaronder verbalisant [verbalisant 3] , bij laatstgenoemde de redelijke vrees zou kunnen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen.

4.7.

In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717. In die zaak had het gerechtshof te ’s-Gravenhage de verdachte veroordeeld wegens bedreiging met zware mishandeling, omdat de verdachte opzettelijk dreigend zich dicht naar een persoon had begeven en zijn arm had opgeheven en zijn hand tot vuist had gebald en daarmee een stompende beweging had gemaakt en daarbij deze persoon dreigend de woorden had toegevoegd: “Los laten”. Uit de bewijsmiddelen bleek dat de verdachte in die zaak heel dicht voor een medewerker van Albert Heijn was gaan staan, nadat een derde door die medewerker en zijn collega’s werd vastgehouden op verdenking van winkeldiefstal, en daarbij had gezegd: “Los laten”. Mijn ambtgenoot Machielse was van oordeel dat de gedragingen en de uitlating op zichzelf weliswaar intimiderend en dreigend kunnen overkomen, maar dat in dit geval de bewezenverklaarde bedreiging de ondergrens van bedreiging met zware mishandeling niet haalde, omdat niet begrijpelijk is geworden dat de bewezenverklaarde uitlatingen en/of gedragingen van de verdachte op zichzelf van dien aard waren dat zij bij het slachtoffer de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, terwijl ook uit de bewijsmiddelen niet duidelijk wordt waarom de omstandigheden waaronder deze uitlatingen of de gedragingen zijn verricht, meebrengen dat van bedreiging met zware mishandeling sprake is.8 De Hoge Raad oordeelde in navolging hiervan dat het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring vermelde gedragingen en uitlatingen van de verdachte bedreiging met zware mishandeling van de betrokkene opleveren, niet begrijpelijk was en besloot tot vernietiging van het arrest van het hof.

4.8.

De kaarten in de onderhavige zaak liggen wat de omstandigheden betreft nogal anders. De gedragingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, houden blijkens de bewijsvoering van het hof in dat het slachtoffer, een verbalisant, samen met enkele andere verbalisanten door een grote groep agressieve feestgangers onder toepassing van geweld in een hoek van een feesttent was gedreven, terwijl de verbalisanten geen vluchtweg hadden en nog niet genoeg collega’s om de groep onder controle te krijgen. Vervolgens nam een van de mensen uit de groep “feestgangers”, de verdachte, destijds 31 jaar, met twee gebalde vuisten een gevechtshouding aan door “zich op te pompen”, waarna hij het slachtoffer in zijn ogen keek en een slaande beweging met zijn rechtervuist in de richting van het hoofd van het slachtoffer maakte, welke slag het slachtoffer nog net kon afweren.

4.9.

Het aannemen van een gevechtshouding en het maken van een slaande beweging naar iemand wordt niet zonder meer als bedreiging met zware mishandeling aangemerkt. Destijds P-G Fokkens heeft aangevoerd dat daarvoor bijzondere omstandigheden nodig zijn die het dreigende karakter van deze gedragingen verhogen.9 De volgende gedragingen die enigszins vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak waren, ook bezien in hun context, volgens de Hoge Raad (zonder nadere motivering) onvoldoende om bedreiging met zware mishandeling te kunnen opleveren:

- het opzettelijk dreigend zich dicht naar het slachtoffer begeven en zijn arm opheffen en zijn hand tot vuist ballen en een stompende beweging maken met die vuist en daarbij het slachtoffer dreigend de woorden toevoegen: “Los laten”;10

- het opzettelijk achter de balie naar het slachtoffer toelopen, het zich groot en breed maken en dreigend zijn hand omhoog houden en dreigend de woorden toevoegen: “Ik kom je nog wel een keer tegen op straat!”11

4.10.

Anders oordeelde de Hoge Raad in een zaak waarin het hof had vastgesteld dat de verdachte, op het moment dat het slachtoffer met haar dochtertje – ieder op een fiets – over de stoep zijn huis passeerde, zwaaiend met gebalde vuisten op haar is afgerend, schreeuwende dat zij moest opdonderen, welke woorden hij kracht bijzette door, op een moment dat hij haar dicht genaderd was, slaande bewegingen te maken naar haar hoofd. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de verdachte het slachtoffer heeft bedreigd met zware mishandeling niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat de verdachte met zijn vuisten zwaaide tot op korte afstand van het hoofd van het fietsende slachtoffer en dat het uitoefenen van uitwendig geweld op het hoofd in een dergelijk geval ernstige gevolgen kan hebben.12 Mijn voormalig ambtgenoot Machielse heeft er later op gewezen dat de Hoge Raad in zijn arrest waarschijnlijk heeft meegewogen dat de gevolgen van het ten uitvoer leggen van de bedreiging mogelijk ernstig zouden kunnen zijn omdat het slachtoffer naast de klappen ook nog eens van haar fiets zou vallen, met alle gevolgen van dien.13 Voorts heeft W.J.V. Spek onder de aandacht gebracht dat het oordeel van de HR in dit arrest nauw verweven is met de feitelijke vaststellingen door het hof en dat het hof in de verklaring van het slachtoffer zoals dat tot het bewijs is gebezigd heeft opgenomen de zinsnede: ‘mede gelet op wat in het verleden is gebeurd’. Die voorgeschiedenis speelde dus mee in de feitelijke vaststellingen van het hof en kleurde de overige feiten. Zo beschouwd, is het oordeel dat bij het slachtoffer in deze zaak redelijke vrees kon ontstaan niet zo gek, aldus Spek.14

4.11.

Terug naar de onderhavige zaak. Volgens de steller van het middel was de omstandigheid dat door de menigte grote druk is gezet op de verbalisanten, waaronder verbalisant [verbalisant 3] , onvoldoende om bij de betrokkene in redelijkheid de vrees te laten ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Daarmee verengt de steller van het middel de omstandigheden van het geval toch al te zeer. Uit de bewijsconstructie van het hof valt immers af te leiden dat het slachtoffer zich geplaatst zag tegenover een grote groep agressieve personen die al geweld had gebruikt tegen de veel kleinere groep verbalisanten, waarvan het slachtoffer deel uitmaakte, terwijl de verbalisanten in het nauw waren gedreven. Daarmee was sprake van bijzondere omstandigheden die het dreigende karakter van de bewezenverklaarde gedragingen verhogen en kon in de context bezien bij het slachtoffer naar objectieve maatstaven de vrees ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. In de situatie ligt immers besloten dat kon worden verwacht dat de vuistslag het begin was van meer geweld.15 Het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk.

4.12.

Het middel is kortom tevergeefs voorgesteld.

5. Beide middelen falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Vgl. onder meer HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1276 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:469.

2 Ik merk op dat het cassatiemiddel niet klaagt dat de onder 1 en 2 gebezigde verklaringen voor zover inhoudende dat de verdachte met een steen heeft gegooid, tegenstrijdig zijn met de bewijsoverwegingen van het hof dat niet bewezen kan worden dat de verdachte met een steen heeft gegooid. Dit laat zich overigens goed verklaren door de omstandigheid dat het hof, anders dan met betrekking tot de zandkluit, niet heeft uitgesloten dat met een steen is gegooid, maar heeft overwogen dat niet bewezen kan worden dat het een steen is geweest.

3 HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4877.

4 Vgl. HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9254 en HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6064.

5 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.

6 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3135 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096.

7 Zie P.P.J. van der Meij, Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2016, aant. 8b bij art. 285 Sr.

8 Zie ECLI:NL:PHR:2011:BQ3717, onder 3.7.

9 Vgl. plv. P-G Fokkens in zijn conclusie voorafgaand aan HR 14 september 2004, ECLI:NL:2004:AP2145, NJ 2005/61, m.nt. Buruma. Hij noemt als voorbeeld de verdachte die in een vergelijkbare situatie al eerder zijn dreigementen heeft uitgevoerd en toen zodanig heeft geslagen dat zwaar lichamelijk letsel het gevolg was of als hij een zodanige vechter is dat van door hem toegediende klappen ernstig letsel te verwachten valt (bijvoorbeeld een kickbokser).

10 HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717, NJ 2011/1353. Deze zaak is onder randnummer 4.7 al aan de orde gekomen, omdat in de toelichting op het middel hiernaar wordt verwezen.

11 HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5695, NJ 2013/63.

12 HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2145, NJ 2005/61 m.nt. Buruma. Destijds plv. P-G Fokkens had geconcludeerd dat de situatie voor het slachtoffer en haar dochtertje weliswaar bedreigend is geweest, maar dat dit niet voldoende was voor een veroordeling wegens bedreiging met zware mishandeling. Annotator Buruma had bezwaren tegen dit arrest .

13 Machielse in zijn conclusie van 12 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3717 onder 3.7.

14 W.J.V. Spek, ‘Flutdelicten; een noot bij een noot, in: Geleerde lessen, Liber amicorum Simon Stolwijk, Wolf Legal Publishers 2007, p. 205.

15 Hierbij merk ik nog op dat een vuistslag tegen het hoofd zwaar lichamelijk letsel kan veroorzaken. Vgl. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:453.