Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:92

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/01046
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:430
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 94 Sv. Afwijzing aanhoudingsverzoek. Klacht over behandeling beklag o.g.v. onvolledige stukken. Verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01046 B

Zitting: 6 februari 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klager]

  1. Bij beschikking van 10 februari 2016 heeft de rechtbank Amsterdam het beklag ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave aan klager van een op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen personenauto ongegrond verklaard.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak die onder nr. 16/01048 B bij de Hoge Raad aanhangig is. In deze laatste zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Namens klaagster heeft mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de afwijzing van een door de verdediging gedaan aanhoudingsverzoek. Het tweede middel maakt de rechtbank het verwijt zij ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van haar uit art. 23, eerste lid, Sv voortvloeiende bevoegdheid tot het bevelen van het overleggen van nadere stukken c.q. het verrichten van nadere onderzoekshandelingen door het Openbaar Ministerie.

  4. De voorgeschiedenis is als volgt. Op 9 juli 2015 heeft een doorzoeking van de woning van klager en [betrokkene 1] (zoon van klager) plaatsgevonden naar aanleiding van een verdenking van witwassen jegens [betrokkene 1]. Bij gelegenheid van deze doorzoeking zijn verschillende voorwerpen van (zeer) grote waarde aangetroffen en is onder meer een personenauto van het merk/type Mercedes Benz SL400 Cabriolet met kenteken [AA-00-BB] in beslag genomen onder klager. De betreffende personenauto bleek later op 1 mei 2015 te zijn aangekocht door [klaagster], zijnde een besloten vennootschap met als enige bestuurder [betrokkene 1]. Op 24 december 2015 is namens klager een klaagschrift strekkende tot teruggave van de in beslag genomen personenauto ingediend. In dit klaagschrift wordt onder meer aangevoerd dat uit een als bijlage bij het klaagschrift gevoegde brief van de accountant van [betrokkene 2], via wiens privébankrekening de aan [klaagster] c.q. [betrokkene 1] gerichte aankoopfactuur van de Mercedes Benz SL400 Cabriolet op 4 mei 2015 is voldaan, kan worden afgeleid dat het geldbedrag waarmee deze auto is gefinancierd, niet van enig misdrijf afkomstig is. In haar reactie op het klaagschrift van 14 januari 2016 heeft het openbaar ministerie onder meer aangegeven dat de informatie uit de brief van de accountant van [betrokkene 2] nog nader door de politie moest worden onderzocht. Omdat het door het openbaar ministerie genoemde politieonderzoek nog niet was afgerond, heeft de raadsman van klager vervolgens kort voorafgaand aan de openbare raadkamer van 10 februari 2016 een verzoek gedaan tot aanhouding van de behandeling van het beklag voor onbepaalde tijd.

  5. Het eerste middel bevat de klacht dat de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot aanhouding van de behandeling van het beklag strijd oplevert met de beginselen van een goede procesorde, althans dat deze afwijzing zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

5.1. Het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het beklag houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“In de hierboven kort aangeduide zaken zal hedenmiddag te 16.00 uur de behandeling van de klaagschriften ex art. 552a Sv door de bijzondere raadkamer van de rechtbank plaatsvinden.

Van het Openbaar Ministerie heb ik vernomen dat het onderzoek door de politie nog niet is afgerond. Verder heb ik begrepen dat inmiddels de accountant van [betrokkene 2] door de politie is gehoord. Het proces-verbaal van dit verhoor heb ik evenwel nog niet mogen ontvangen.

Bij deze stand van zaken verwacht ik dat alleen al vanwege het feit dat het onderzoek door de politie nog gaande is, de klaagschriften ongegrond verklaard zullen worden. De verdediging hecht er dan ook belang aan dat het onderzoek eerst zal worden afgerond en dat daarna de behandeling van de klaagschriften zal plaatsvinden.

Ik verzoek u dan ook de behandeling van de klaagschriften voor onbepaalde tijd te schorsen. Indien u dit verzoek niet wenst te honoreren, dan dient u deze klaagschriften als ingetrokken te beschouwen.”

5.2. Het proces-verbaal van de openbare raadkamer van 10 februari 2016 vermeldt met betrekking tot het aanhoudingsverzoek het volgende:

“Klager, opgeroepen als:

[klager],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],

wonende op het adres [a-straat 1] te [woonplaats],

te dezer zake woonplaats kiezende op het adres van haar raadsman, mr. P.J. Hoogendam, Jacob Mosselstraat 2, 2595 RH te Den Haag,

is niet aanwezig.

De raadsman van klager, mr. P.J. Hoogendam is eveneens niet in raadkamer verschenen.

De voorzitter maakt melding van een faxbericht van heden, 10 februari 2016, van de raadsman van klager, waarin hij heeft verzocht de behandeling van het klaagschrift, in afwachting van het lopende onderzoek, aan te houden.

De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek u het aanhoudingsverzoek van de raadsman af te wijzen. De inhoudelijke behandeling van de zaak is gepland op 29 maart 2016 .

De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af, nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd.”

5.3. De bestreden beschikking houdt met betrekking tot het aanhoudingsverzoek van de raadsman tot slot in:

“1. Procesgang

Het klaagschrift is op 18 december 2015 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.

De rechtbank heeft op 10 februari 2016 de officier van justitie, mr. M.E. Woudman in openbare raadkamer gehoord. Klager en diens raadsman zijn, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De raadsman, mr. P.J. Hoogendam, heeft per faxbericht van 10 februari 2016 verzocht de behandeling van het klaagschrift, in afwachting van het lopende onderzoek, aan te houden.

De officier van justitie heeft in raadkamer verzocht het aanhoudingsverzoek van de raadsman af te wijzen en heeft meegedeeld dat de inhoudelijke behandeling van de zaak op 29 maart 2016 is gepland.

De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen, nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd.”

5.1. In de toelichting op het eerste middel wordt gesteld dat nu het onderzoek naar de financiering van de inbeslaggenomen Mercedes nog niet was afgerond, de rechtbank door het aanhoudingsverzoek af te wijzen gehandeld heeft in strijd met de goede procesorde, hetgeen ertoe dient te leiden dat het onderzoek in raadkamer nietig wordt verklaard.1

5.2. Ik meen dat een dergelijke strijd zich in dit geval niet voordoet. In het verzoek tot aanhouding wordt door er door de raadsman zelf al vanuit gegaan dat “alleen al vanwege het feit dat het onderzoek door de politie nog gaande is, de klaagschriften ongegrond verklaard zullen worden”. Daarom wordt verzocht de beslissing op het klaagschrift aan te houden totdat de resultaten uit het onderzoek bekend zijn en – als de rechtbank daarin niet mee kan gaan – het klaagschrift als niet ingediend te beschouwen. Dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek in strijd zou komen met een goede procesorde, valt daarom niet goed in te zien. Dit geldt temeer nu in het geval het nader onderzoek met betrekking tot de brief van de accountant van [betrokkene 2] nieuwe relevante informatie oplevert, klaagster de mogelijkheid heeft opnieuw een klaagschrift ex art. 552a Sv in te dienen indien het beslag dan nog niet is geëindigd. Hoewel klaagster in de onderhavige beklagprocedure al naar voren heeft gebracht dat de in beslag genomen personenauto blijkens de brief van de accountant van [betrokkene 2] niet met uit misdrijf afkomstige gelden is gefinancierd, zal informatie die uit het politieonderzoek naar voren komt, indien deze de stelling van klaagster ondersteunt, als nieuw feit of nieuwe omstandigheid kunnen worden aangemerkt.2 Het oordeel van de rechtbank dat het aanhoudingsverzoek onvoldoende is onderbouwd, is derhalve niet onbegrijpelijk.

5.3. Het eerste middel faalt.

6. Het tweede middel hangt enigszins samen met het eerste middel. Daarin wordt gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van haar uit art. 23, eerste lid, Sv voortvloeiende bevoegdheid tot het bevelen van het overleggen van nadere stukken c.q. het verrichten van nadere onderzoekshandelingen door het openbaar ministerie. Daarbij wordt gedoeld op het in opdracht van de officier van justitie nader ingestelde onderzoek naar de herkomst van de gelden waarmee de inbeslaggenomen Mercedes is gefinancierd. Volgens de steller van het middel had de rechtbank moeten wachten op het door de politie opgemaakte aanvullende proces-verbaal ter zake van de namens klaagster ingebrachte stukken, alvorens op het klaagschrift te beslissen

6.1. Het is op zichzelf juist dat de beklagrechter ambtshalve op de naleving van art. 23 Sv dient toe te zien. Het vijfde lid van deze bepaling houdt in dat het openbaar ministerie aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken overlegt. De beklagrechter zal, zo nodig, op grond van art. 23, eerste lid, Sv de overlegging van de ontbrekende stukken moeten bevelen als de overgelegde stukken niet toereikend zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van het beklag.3 Van een dergelijke situatie is hier echter geen sprake.

6.2. De rechtbank heeft in haar beschikking op het klaagschrift vastgesteld dat het hier een op de voet van art. 94 Sv onder de klager in beslag genomen auto betreft en dat zij dient te beoordelen of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave. In casu gaat het om een auto die volgens het OM vatbaar is voor verbeurdverklaring, zodat de rechtbank heeft te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, deze verbeurdverklaring zal bevelen.4 In dat verband heeft de rechtbank overwogen:

“Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 9 juli 2015 is tijdens een doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] (hierna zoon), de enig bestuurder van [klaagster] (klaagster), en diens vader, [klager] (hierna vader (tevens klager)), onder meer voornoemde Mercedes-Benz inbeslaggenomen. Voorts is in de woning een geldbedrag van € 687.095,-, een taxatierapport van een Cartier horloge, getaxeerd op € 282.000,- en een vermoedelijk kasboekje gevonden, waarop de vingerafdrukken van vader en zoon en [betrokkene 3] zijn aangetroffen. [betrokkene 3] heeft een justitiële documentatie voor wat betreft Opiumwetdelicten.

Uit de omzetcijfers van de B.V. blijkt dat de B.V. in de periode van 2010 tot het eerste kwartaal van 2015 een totale omzet heeft gemaakt van € 63.225,-. Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt verder dat de vader met uitzondering van het jaar 2010 (brutoloon € 34.740,-) en 2011 (brutoloon € 6.686,-) in deze jaren geen inkomsten uit dienstbetrekking heeft genoten. Ook de zoon heeft blijkens de gegevens van de belastingdienst nauwelijks legale inkomsten.

Op 1 mei 2015 is de Mercedes-Benz aangekocht voor een bedrag van € 100.000,-. De factuur voor deze auto is gericht aan [klaagster] t.a.v. de zoon. Op 4 mei 2015 werd deze factuur in twee bedragen van elk € 50.000,- voldaan via de privébankrekening van [betrokkene 2]. Dit bedrag van € 100.000,- was kort daarvoor, namelijk op 1 mei 2015, contant op de bankrekening van [A] B.V. (hierna: de Holding), een bedrijf van deze [betrokkene 2], gestort en vervolgens doorgeboekt naar zijn privérekening. [betrokkene 2] is door de politie gehoord en heeft bevestigd dat hij de Mercedes heeft betaald, maar dat de vader in deze auto rijdt en de auto op zijn naam heeft staan. De zoon heeft in zijn verhoor van 9 september 2015 bij de politie verklaard dat de Mercedes via zijn vader is geregeld en dat deze auto niet van hem is.

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klaagster en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, nu het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het voorwerp zal worden verbeurd verklaard. De officier van justitie heeft betoogd dat de herkomst van het aankoopbedrag uiterst verdacht is en heeft dan ook verzocht het klaagschrift ongegrond te verklaren.

De rechtbank overweegt het volgende.

(…)

Uit de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het - onder verwijzing naar de hiervoor genoemde relevante feiten - niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voorwerp zal verbeurd verklaren. Immers, de omstandigheden waaronder de auto is aangekocht en de herkomst van het aankoopbedrag zijn gezien de hiervoor omschreven omstandigheden uiterst verdacht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.”

6.1. Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden heeft zij, gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure en het voorlopige karakter van de in de beklagprocedure te nemen beslissingen, zonder meer kunnen oordelen dat zij over voldoende informatie beschikte voor de beoordeling van het beklag.

6.2. Het tweede middel faalt eveneens.

7. Geen van de voorgestelde middelen vormt aanleiding voor cassatie. Bovendien kunnen de middelen mijns inziens met een aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarbij is een beroep gedaan op HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2129 en HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0539.

2 Vgl. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1478 rov. 4.3 en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:580, rov. 2.4.1.

3 Zie de conclusie van AG Knigge voorafgaand aan HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2880 (80a RO) onder 4.7.

4 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.9 en 2.11.