Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:917

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-08-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
18/03033
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1936, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Machtiging voortgezet verblijf. Alcoholverslaving; comorbiditeit? Uitleg van "(andere) psychische stoornissen" (HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372). Voldoende grondslag voor vaststelling dat er naast alcoholverslaving ook sprake is van schizofrenie? Causaal verband tussen de stoornis(sen) en het gevaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/03033

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 10 augustus 2018

Conclusie inzake:

[betrokkene]

(hierna: betrokkene),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg

tegen

De Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze zaak heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verleend voor vier maanden. In cassatie is met name aan de orde de vraag of de rechtbank op deugdelijke gronden heeft aangenomen dat bij betrokkene, die een alcoholverslaving heeft, sprake is van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 5 april 2018 ingekomen ter griffie van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, verzocht een machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voort te zetten (art. 15 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift waren gevoegd (i) een geneeskundige verklaring van 27 maart 2018, afgegeven door geneesheer-directeur [betrokkene 1] , die betrokkene daartoe heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2] , (ii) de wettelijke aantekeningen en (iii) een behandelplan, beide opgesteld door psychiater [betrokkene 3] .

1.2

Op 13 april 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft gehoord: betrokkene, zijn advocaat en verpleegkundig-specialist [betrokkene 4] .

1.3

De rechtbank heeft op 13 april 2018 ter zitting mondeling uitspraak gedaan en een machtiging verleend tot voortgezet verblijf voor de duur van vier maanden (tot en met 12 augustus 2018). Deze beslissing is vastgelegd in een ‘proces-verbaal van mondelinge uitspraak’. Daarnaast is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt van het verhandelde ter zitting. De rechtbank was van oordeel dat bij betrokkene sprake is van een stoornis in de zin van de Wet Bopz en dat die stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken:

“(…) Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie en middelengebruik. De verwijzing van de raadsvrouw naar de jurisprudentie [lees: van, A-G] de Hoge Raad inzake verslaving gaat te dezen niet op nu bij betrokkene sprake is van een combinatie van genoemde stoornissen.

Ten gevolge van deze stoornissen bestaat het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en bestaat gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

De rechtbank is van oordeel dat het gevaar niet kan worden afgewend op basis van vrijwillig verblijf, nu betrokkene geen medewerking wil verlenen aan de voor hem noodzakelijk geachte vervolgbehandeling in verband met zijn verslavingsproblematiek. Aan het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw om het verzoek af te wijzen, gaat de rechtbank om die reden voorbij.

Indien de machtiging niet wordt verleend, moet worden gevreesd dat betrokkene zich aan de behandeling zal onttrekken en de instelling zal verlaten. In dat geval is het risico dat het hiervoor omschreven gevaar zich daadwerkelijk zal voordoen. (…)”

1.4

Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onder verwijzing naar een beschikking van Uw Raad van 23 september 20051 klaagt het middel dat het oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘stoornis van de geestvermogens’ als bedoeld in art. 15 Wet Bopz, en het vereiste causaal verband met het te duchten gevaar, althans dat de rechtbank haar vaststelling op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd. Voor zover naar het oordeel van de rechtbank sprake is van comorbiditeit2 van stoornissen, te weten naast middelengebruik (alcohol) ook schizofrenie, welke betrokkene de gevaarvolle daden (mede) doet veroorzaken, klaagt het middel dat dit oordeel geen steun vindt in de gedingstukken en zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

2.2

In de toelichting op de klachten stelt het middel het volgende voorop (punt 1.2 t/m 1.6):

(i) in de geneeskundige verklaring staat onder 3c dat de psychiater tot de volgende diagnose is gekomen: “Verslavingsproblematiek van alcohol bij een man bekend met psychische3 kwetsbaarheid.”;

(ii) in het behandelplan en in de wettelijke aantekeningen staat onder het kopje ‘Beschrijvende diagnose’: “Mogelijk is er sprake van schizofrenie gedesorganiseerd type en amfetamine en alcoholmisbruik.”;

(iii) in de wettelijke aantekeningen staat onder het kopje ‘Beloop’: “Verslavingsproblematiek lijkt op de voorgrond waarbij gedurende de klinische opname verschillende keren onttrekking van de afdeling om alcohol te nuttigen.”;

(iv) in het behandelplan en in de wettelijke aantekeningen wordt als classificatie volgens de DSM vermeld: ‘Schizofrenie’. In de geneeskundige verklaring is deze classificatie niet opgenomen. In die verklaring heeft de psychiater onder 3c als diagnoses aangekruist: ‘overige (incl. ongespecificeerde) psychische stoornissen’ en ‘stoornissen door gebruik van middelen’, waarbij laatstgenoemde diagnose als de belangrijkste is aangemerkt;

(v) verpleegkundig-specialist [betrokkene 4] heeft ter zitting verklaard dat de diagnose ‘schizofrenie’ ook in het dossier had moeten zijn aangekruist. Nu uit het proces-verbaal van de zitting niet blijkt of dit zijn eigen mening is of dat hij een bericht van een psychiater (medical expert) doorgeeft, kan aan deze verklaring geen waarde worden toegekend.

2.3

Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en jurisprudentie neemt het middel in punt 1.9 t/m 1.11 het volgende tot uitgangspunt:

(i) indien, zoals in deze zaak, de psychiater naast een stoornis in het gebruik van een middel nog een andere psychische stoornis vaststelt, dan dient de rechter in zijn beschikking aan te geven of de geestvermogens door de verslaving of door de andere psychische stoornis worden gestoord; daarvoor is de medische expertise nodig van een psychiater die dient aan te geven wat primair aanwezig is: de psychiatrische stoornis dan wel de verslavingsproblematiek;

(ii) in het geval van betrokkene hebben de medisch deskundigen duidelijk de alcoholverslaving op de voorgrond geplaatst;4

(iii) een verslaving is pas dan onder de Wet Bopz te brengen indien daardoor de geestvermogens ernstig gestoord zijn geraakt;

(iv) vaste rechtspraak is dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst;5

(v) uit deze rechtspraak volgt dat comorbiditeit (slechts dan) niet noodzakelijk is indien de verslaving de hiervoor beschreven graad van ernst heeft bereikt;

(vi) wil een rechter kunnen vaststellen dat het (te vrezen) gevaar in overwegende mate voortvloeit uit de hiervoor genoemde ernstige cognitieve beperkingen, dan zal hij zich ook hier moeten bedienen van medische expertise, hetgeen betekent dat de psychiater afdoende moet beschrijven hoe ernstig de stoornis en de gevolgen ervan zijn en dat daarnaast de cognitieve schade moet worden onderzocht.6

2.4

Het middel toetst vervolgens in punt 1.12 de inhoud van de overgelegde stukken aan de hiervoor weergegeven uitgangspunten. Het middel stelt dat de geneeskundige verklaring niets vermeldt over de mate, ernst en gevolgen van de bij betrokkene vastgestelde cognitieve beperking en dat daaruit evenmin kan worden afgeleid dat de verslavingsproblematiek van alcohol een dermate ernstige stoornis is dat zij de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. Volgens het middel valt uit de geneeskundige verklaring en de overige stukken die bij het inleidend verzoek zijn overgelegd niet (zonder meer) af te leiden dat de verslavingsproblematiek van alcohol betrokkene geheel in zijn macht heeft en zijn denken, willen en handelen in overheersende mate beheersen. Dat sprake is van een psychische stoornis als bedoeld in art. 15 Wet Bopz vindt volgens het middel daarom onvoldoende steun in de geneeskundige verklaring. Volgens het middel valt uit de overgelegde stukken evenmin met voldoende mate van zekerheid een andere psychische stoornis vast te stellen, zoals de door de rechtbank vastgestelde schizofrenie, die betrokkene de gevaarvolle daden (in overwegende mate) doet veroorzaken. Ter toelichting wijst het middel erop dat psychiater [betrokkene 2] “niet verder komt dan - naast de belangrijkste stoornis door gebruik van middelen - nog eens een kruisje te zetten bij overige (incl. ongespecificeerde) psychotische stoornissen, waaraan hij blijkens zijn toelichting slechts de term ‘psychotische kwetsbaarheid’ verbindt”7. Het middel stelt dat dat “nauwelijks meer is dan een gewone psychische kwetsbaarheid, die ook in deze verzwaarde vorm bij nagenoeg iedere verslaafde zal worden aangetroffen.” Het middel stelt verder dat in het behandelplan en in de wettelijke aantekeningen slechts over ‘mogelijke schizofrenie’ wordt gesproken, maar dat alleen de mogelijkheid daarvan niet voldoende kan zijn. De door de rechtbank gedane vaststelling dat bij betrokkene naast middelengebruik sprake is van schizofrenie vindt, aldus nog steeds het middel, daarom niet zonder meer steun in de gedingstukken. Het middel stelt tot slot dat het te duchten gevaar (dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat en het gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen) duidelijk aan de verslavingsproblematiek en niet aan een andere stoornis lijkt te zijn gerelateerd. Verwezen wordt in dat verband naar de geneeskundige verklaring, waarin staat dat betrokkene in dronken toestand overlast veroorzaakt, bij de daarop volgende arrestatie een politiebus heeft gesloopt en agressief naar een agent is geweest.8

2.5

Voor een machtiging tot voortgezet verblijf vereist de Wet Bopz een stoornis van de geestvermogens die de betrokken patiënt gevaar doet veroorzaken, welk gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 lid 2 Wet Bopz in verbinding met de artikelen 1 en 2 Wet Bopz). De enkele constatering dat een persoon aan een psychische ziekte lijdt is niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘stoornis van de geestvermogens’. De ‘geestvermogens’, bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz zijn in de parlementaire geschiedenis omschreven als: “de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen”. Zij worden bepaald door biologische, psychische en sociale factoren.9 Van een ‘ziekelijke stoornis’ van deze geestvermogens is sprake zodra deze tijdelijk of blijvend gestoord raken.10 Het vaststellen van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens vergt een medisch onderzoek door een deskundige (psychiater). De eis van psychiatrisch onderzoek wordt zowel in de Wet Bopz als in de rechtspraak van het EHRM over de toepassing van art. 5, lid 1 onder e, EVRM gesteld.11

2.6

In de hiervoor in 2.1 genoemde beschikking van 23 september 2005 stelde het cassatiemiddel de vraag aan de orde of, en zo ja, onder welke voorwaarden een alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol kan worden beschouwd als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz. Uw Raad overwoog daaromtrent als volgt (onderstreping mijnerzijds, A-G):

“3.3.1 (…) Voorts is met betrekking tot verslavingen in deze nadere memorie van antwoord vermeld (…):

“Alhoewel verslavingen een sterke psychische lichamelijke afhankelijkheid van de gebruikte stof meebrengen, leidt niet elke verslaving tot een stoornis van de geestvermogens. Gedurende de periode waarin het gebruikte middel werkzaam is kan echter een zodanige aantasting van de fysiologische integriteit van de hersenen optreden, dat van een stoornis van de geestvermogens moet worden gesproken. Zo’n situatie doet zich voor bij gebruik van heroïne of andere hard drugs en bij ernstige vormen van alcoholmisbruik. Alsdan bestaat een ernstige belemmering van het denken, willen en doelgericht handelen.

Daarnaast kunnen ernstige en langdurige verslavingen een toestand doen ontstaan, waarin het voelen en doelgericht handelen met name ook buiten het terrein van de verslaving ernstig worden aangetast. Uit deze toestand zullen meeromvattende gedragsstoornissen voortvloeien, die niet beperkt blijven tot de periode waarin het middel werkzaam is.”

3.3.2

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat naar de bedoeling van de wetgever ingeval van ernstige alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol sprake kan zijn van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz, zodat de daarin voorziene maatregelen kunnen worden getroffen indien ook aan de overige daartoe gestelde vereisten is voldaan. Bij dit laatste is in het bijzonder van belang dat de stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 2 lid 2 Wet Bopz). Een individuele beoordeling aan de hand van de geneeskundige verklaring is steeds vereist (nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II 1980-1981, 11 270, nr. 17, blz. 25):

“De rechter zal voor elk individueel geval opnieuw hebben vast te stellen of reeds van een zodanige stoornis sprake is dat de betrokkene in overwegende mate onder invloed van die stoornis tot zijn gevaarvolle handelen komt.

Dat de ter beschikking staande mogelijkheden tot intramurale hulpverlening door het ontwerp als het ware bij voorrang zouden worden toebedeeld aan de groep ernstig verslaafde patiënten, is dan ook niet juist. Op een zelfde wijze als voor andere categorieën patiënten en aan de hand van dezelfde criteria wordt slechts de mogelijkheid van een dwangopneming (en van daarmede gepaard gaande intramurale hulpverlening) geopend voor ernstig verslaafden. De totstandkoming van een rechterlijke machtiging is ook voor hen individueel bepaald.”

3.3.3

Ook thans huldigt de regering het standpunt dat in bepaalde gevallen ernstige verslaving kan worden aangemerkt als een geestesstoornis in de zin van de Wet Bopz en dat, wanneer tevens sprake is van gevaar veroorzaakt door die geestesstoornis de Wet Bopz toepassing kan vinden (antwoord van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij de evaluatie van de Wet Bopz, Kamerstukken II 2004-2005 25 763 en 28 950, nr. 5, blz. 4).

3.3.4

Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 2.3 en 2.4 vermelde gegevens blijkt dat in de psychiatrie de opvatting wordt verdedigd dat verslaving een chronische psychiatrische ziekte is, terwijl tevens erop wordt gewezen dat bij verslaafden dikwijls sprake is van naast de verslaving bestaande of daardoor veroorzaakte andere psychische stoornissen. Deze inzichten rechtvaardigen echter op zichzelf niet een ruimere toepassing van de in de Wet Bopz voorziene maatregelen dan de wetgever blijkens het vorenstaande voor ogen stond en de regering ook thans voor ogen staat. Daarbij is in aanmerking te nemen dat mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming vereist is dat - behoudens in noodsituaties - telkens door een persoonlijk voorafgaand onderzoek door een specialist wordt vastgesteld dat de stoornis en het daardoor veroorzaakte gevaar van zodanige aard en ernst zijn dat vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is. In gevallen van alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol en andere middelen waarvan het gebruik tot verslaving kan leiden, dient bij het vorenstaande nog in aanmerking te worden genomen dat het hier veelal gaat om verschijnselen van chronische aard, zodat een daarop gebaseerde vrijheidsbeneming naar haar aard eveneens van lange duur zou kunnen zijn. Daaraan doet niet af dat in de praktijk ook kan worden volstaan met een kortdurende vrijheidsbeneming teneinde aan een crisissituatie het hoofd te bieden.

3.3.5

Tegen de achtergrond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Aangezien, zoals hiervoor vermeld, telkens per individueel geval op basis van een objectief medisch onderzoek moet worden beoordeeld of vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is, kan niet in het algemeen worden gezegd dat de aanwezigheid van het syndroom van Korsakov is vereist voor het oordeel dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens, noch dat die diagnose op zichzelf daartoe voldoende is.

3.4.1

Indien het bestreden oordeel van de rechtbank aldus moet worden gelezen dat een alcoholverslaving nimmer een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz kan opleveren, geeft dat oordeel, gelet op het hiervoor overwogene, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.4.2

Indien het oordeel van de rechtbank in die zin moet worden verstaan dat een (ernstige) alcoholverslaving wel een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz kan opleveren, maar dat in het onderhavige geval geen sprake is van daarmee gepaard gaande (andere) psychische stoornissen als hiervóór in 3.3.5 bedoeld, behoefde dat oordeel in het licht van de gedingstukken nadere motivering, die in de bestreden beschikking evenwel ontbreekt. (…)”

2.7

Langemeijer en Dijkers stellen dat uit het in rov. 3.3.5 tussen haakjes plaatsen van het woord “(andere)” kan worden opgemaakt dat comorbiditeit, in dit geval: de samenloop van alcoholafhankelijkheid met een andere geestesziekte, niet noodzakelijk is indien de verslaving de in die rechtsoverweging beschreven graad van ernst heeft bereikt.12 Sinds 2005 heeft de Hoge Raad zich in een reeks beschikkingen uitgesproken over toepassing van deze maatstaf.13

2.8

Langemeijer wijst erop dat door ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg de vroegere scheiding tussen de verslavingszorg (maatschappelijk werk) en de gezondheidszorg (in de eerste lijn de huisarts, in de tweede lijn de psychiater als medisch specialist) is vervaagd. De hulpverlening aan verslaafden is voor een belangrijk deel in de sfeer van de geestelijke gezondheidszorg gekomen.14 In de inmiddels in het Staatsblad verschenen Wet verplichte ggz (Wvggz)15 wordt de term ‘psychische stoornis’ gebruikt.16 De wet bevat evenwel geen wettelijke omschrijving van dit begrip.17 In de toelichting op het aanvankelijke wetsvoorstel heeft de regering met de term ‘psychische stoornis’ aansluiting gezocht bij de classificaties van de DSM (toen nog: DSM IV), een gezaghebbende handleiding voor psychiaters. Deze classificaties omvatten ook de alcoholverslaving. Volgens de memorie van toelichting moet de stoornis dermate ernstige vormen aannemen dat zij betrokkene zodanig in zijn greep heeft dat ernstige schade voor hemzelf of voor zijn omgeving ontstaat of dreigt te ontstaan. In de memorie van toelichting werd gewezen op een ontwikkeling van het begrip ‘stoornis’ in de tijd:

“Aangezien tegenwoordig verslaving als een ziekte wordt opgevat en ook meer geneeskundige verklaringen voor persoonlijkheidsstoornissen worden uitgeschreven, is het oorspronkelijke onderscheid dat de wetgever aanbracht tussen echte psychiatrische ziektebeelden zoals psychotische aandoeningen en andere stoornissen vervaagd. Dit hangt ook samen met het ruimere arsenaal aan interventies op het terrein van de zorg die op grond van het wetsvoorstel mogelijk zijn.”18

2.9

Langemeijer stelt vervolgens dat deze ontwikkeling het voor een rapporterende psychiater en ook voor de rechter lastig maakt om de ‘vertaalslag’ te maken van de psychiatrische kwalificatie naar de (beperkter) juridische kwalificatie ‘stoornis van de geestvermogens’ in de Wet Bopz. In een recent artikel schrijft Reijntjes-Wendenburg het volgende:19

“De wetsgeschiedenis maakt niet duidelijk waarom is nagelaten om te vergen dat de cognitieve vermogens (denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen) ernstig beperkt of verstoord zijn geraakt. Door de formulering ‘ernstige vormen’ lijkt men voor de psychiater en rechter een grotere beoordelingsruimte te hebben willen scheppen. In het model van de geneeskundige verklaring kan volgens mij een vakje met die criteria worden opgenomen, zodat de psychiater alleen maar hoeft aan te kruisen waarop de betrokkene scoort. Het is vervolgens aan de rechter om van geval tot geval te bepalen of van een ‘ernstige vorm’ sprake is. Die kwalificatie wordt dan niet louter gerechtvaardigd doordat aan ten minste zes van de elf DSM-criteria is voldaan. Juist daarom is het nodig dat de rechter dit uitgebreider gaat motiveren dan tot nu toe werd gevergd.

Het is aan de Hoge Raad om te toetsen of voor de kwalificatie ‘ernstige vormen’ voldoende juridische grond voorhanden is en of de gegeven motivering begrijpelijk is. Dat eerste zal ongetwijfeld afhangen van de combinatie van criteria waarop betrokkene scoort, nu zij afzonderlijk de kwalificatie ‘ernstig’ niet kunnen dragen. Dus: meer ruimte voor de rechter, maar hogere motiveringseisen. In zoverre valt inderdaad een koerswijziging te verwachten, maar echt spectaculair kan die niet worden genoemd. Doorslaggevend blijft immers dat de stoornis de betrokkene het stuur over zijn leven heeft doen kwijtraken.”

2.10

Het middel keert zich in de kern tegen het oordeel dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz. Ik acht het zinvol om op dat punt de inhoud van de bij het inleidend verzoekschrift overgelegde stukken en de stellingen ter zitting van 13 april 2018 weer te geven.

2.11.1

In de geneeskundige verklaring heeft psychiater [betrokkene 2] onder 3a (“Op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten oordeelt u dat betrokkene lijdt aan een stoornis van geestvermogens?”) het volgende geschreven:

“(…) 3. Hij is bekend met middelenmisbruik en psychotische decompensaties. 4. Hij gebruikt tijdens de huidige opname olanzapine 30 mg, daarmee is het psychisch functioneren verbeterd. 5. Betrokkene bagatelliseert alcoholgebruik, daarom weigert hij hiervoor behandeld te worden bij verslavingszorg. 6. (…)”

2.11.2

Op basis van het door hem gedane onderzoek komt [betrokkene 2] in 3c tot de diagnose “Verslavingsproblematiek van alcohol bij een man bekend met psychotische kwetsbaarheid”. Hij heeft vervolgens als diagnoses aangekruist: “5. stoornissen door gebruik van middelen” en “8. Overige (incl. ongespecificeerde) psychotische stoornissen”. Als belangrijkste diagnose heeft [betrokkene 2] aangekruist “stoornissen door gebruik van middelen”. Onder 3d (“Waarom oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn?”) schrijft [betrokkene 2] dat de psychotische kwetsbaarheid al langdurig bestaat, dat het alcoholgebruik wordt gebagatelliseerd, dat inzicht is beperkt, dat de noodzaak voor behandeling daarmee afwezig is en dat dus gedragsverandering niet zal optreden.

2.11.3

In de wettelijke aantekeningen schrijft psychiater [betrokkene 3] onder meer het volgende:

Beloop:

Patiënt was sinds medio dec. 2017 opgenomen op de HIC Doetinchem met een RM art. 2. Gezien werd een stabiel psychiatrisch toestandsbeeld bij gebruik van antipsychotica. Verslavingsproblematiek lijkt op de voorgrond waarbij gedurende de klinische opname verschillende keren onttrekking van de afdeling om alcohol te nuttigen. Gereguleerd gebruik bleek niet mogelijk. Gezien werd een toename aan agitatie en verbale agressie richting omgeving wanneer alcohol genuttigd werd.

Tevens werd bij langdurigere onttrekking richting Rotterdam gezien dat patiënt tot twee maal toe in hechtenis werd genomen bij maatschappelijke onrust. Hierbij ook verbale agressie. Tijdens de laatste onttrekking naast maatschappelijke onrust en tevens agressie tegen materiaal en persoon richting politie.

Beschrijvende diagnose:

37-jarige alleenwonende man, heeft een latrelatie. Kortgeleden verhuisd, is nog niet volledig ingeburgerd in Aalten. Mogelijk is er sprake van schizofrenie gedesorganiseerd type en amfetamine en alcohol-misbruik. Somatisch geen bijzonderheden bekend. Er zijn problemen op het gebied van werk, dagbesteding, inkomen en sociale omgeving.

Classificatie volgens DSM:

295.90 Schizofrenie

V71.09 Geen diagnose op as II

100 Geen diagnose/factor op As IV aanwezig

GAF-score: (V)45 (H)45”

2.11.4

In het behandelplan wordt hetgeen in de wettelijke aantekeningen staat, herhaald. In het behandelplan schrijft [betrokkene 3] verder onder meer het volgende:

“Patiënt is zorgmijdend waardoor de behandeling niet van de grond komt.

Doel 1 : Diagnostiek en zorginventarisatie

Toelichting: Door zijn medicatieontrouw en voortgaande gebruik van alcohol en drugs veroorzaakt hij overlast in zijn omgeving. Hij verwaarloost de woning en buurtbewoners gaan gebukt onder de, vooral nachtelijke, overlast. Er is sprake van maatschappelijke teloorgang.

Door zijn stoornis komt patiënt in aanzienlijke problemen. Hij dreigt zijn woning kwijt te raken en raakt verder in een sociaal isolement.

Een ambulant behandeltraject is gezien de ervaringen van de afgelopen tijd niet haalbaar. Hij komt afspraken niet na en is niet medicatietrouw. Daarnaast bagatelliseert hij zijn middelenmisbruik.

Door een rechterlijke machtiging is een klinische behandeling gedurende langere tijd mogelijk en is er meer tijd om ook ontwenning van alcohol en middelen mogelijk te maken. Daarnaast biedt dit de gelegenheid om te observeren hoe patiënt functioneert wanneer hij enige tijd geen middelen heeft gebruikt. Ontwenning van de middelen en een betere therapietrouw zijn van belang om gevaar in de toekomst af te wenden.”

2.11.5

In het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2018 staat, voor zover van belang, het volgende:

“De betrokkene door de rechter ondervraagd - voert het woord:

(…) Psychisch ben ik wel stabiel en ben ik niet met alcohol bezig.

De rechter constateert dat de verslavingsproblematiek het grootste probleem is, en vraagt [betrokkene 4] of betrokkene in deze instelling dan wel op zijn plek is.

[betrokkene 4] voert hierop het woord:

De afgelopen periode waren er veel wisselingen in het leven van betrokkene. Er ontstond veel maatschappelijke onrust door de psychiatrische problemen en het middelengebruik. Het einde van de relatie leidde tot nog meer problemen en ook overlast. Er moet meer aandacht komen voor de verslavingsproblematiek van betrokkene.

Betrokkene reageert hierop:

Ik greep naar de alcohol vanwege het verdriet dat ik had. Ik wil graag een eigen plek. (…)

De rechter vraagt aan betrokkene of hij agressief wordt als hij veel alcohol heeft gebruikt.

Betrokkene geeft aan dat dit niet het geval is, behalve als hij in zijn vrijheid wordt ingeperkt.

De rechter vraagt [betrokkene 4] of hij bij betrokkene bereidheid ziet tot vrijwillig verblijf in de instelling.

[betrokkene 4] voert wederom het woord:

(…) Nu betrokkene psychiatrisch stabiel is, zie ik geen weerstand om hier te verblijven, maar de vervolgstappen die moeten worden gemaakt zijn op vrijwillige basis niet mogelijk. (…)

De rechter constateert de aanwezigheid van het middelengebruik en de psychiatrische stoornissen zoals aangegeven in het dossier.

[betrokkene 4] merkt op dat schizofrenie ook in het dossier aangekruist had moeten zijn.

Betrokkene voert wederom het woord:

(…) Het alcoholprobleem valt ook mee, want als dat probleem zo groot zou zijn, dan zou ik in de aan mij gegeven vrijheden ook gelijk naar de alcohol grijpen, maar dat is niet zo.

De rechter constateert dat er verslavingsaanpak nodig is, en dat er ook bereidheid is tot vrijwillig verblijf in de huidige instelling. (…)

De raadsvrouw merkt op dat de verslaving ontbreekt in de stukken en dat er geen verslaving aan de orde is die tot de toepassing van de wet BOPZ kan leiden. De verslaving beheerst het leven van betrokkene niet.

[betrokkene 4] voert hierop het woord:

De zucht naar alcohol is zeker aanwezig. We zien verbale dreiging om vervolgens alcohol te kunnen bemachtigen. Ook nu de psychiatrische stoornis goed wordt behandeld, blijft de zucht naar alcohol bestaan. Het is de combinatie van alcohol en schizofrenie.

De raadsvrouw voert hierop het woord:

Primair bepleit ik dat de zaak moet worden aangehouden, omdat de geneeskundige verklaring niet aan de eisen voldoet. Bijvoorbeeld 3a, de geestesstoornis blijkt niet. (…) De hele diagnose is onduidelijk, er is te weinig basis om iemand voor een jaar op te sluiten. Het gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen zie ik niet. De feiten zijn niet onderbouwd, evenals de verslaving.

Subsidiair bepleit ik dat het gevaar op vrijwillige basis kan worden afgewend. Betrokkene erkent de schizofrenie maar dit is niet de reden van de opname. De reden van de opname is de vermeende alcoholverslaving. Er is nu een psychiatrisch stabiel toestandsbeeld. Er is dus geen verslaving in de zin van de wet BOPZ. In het verleden zijn er ook rechterlijke machtigingen verleend, maar er zijn ook mensen die er een andere levensstijl op na houden, een andere levensstijl is geen reden om de aanwezigheid van een geestesstoornis aan te nemen. (…)”

2.12

De rechtbank heeft overwogen dat uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat bij betrokkene sprake is van ‘schizofrenie’ en ‘middelengebruik’. In de overgelegde geneeskundige verklaring wordt de diagnose ‘schizofrenie’ evenwel niet aangekruist of genoemd. In de wettelijke aantekeningen en het behandelplan staat dat bij betrokkene mogelijk sprake is van schizofrenie. Dit is derhalve niet vastgesteld. Ter zitting heeft verpleegkundig specialist [betrokkene 4] verklaard dat de diagnose ‘schizofrenie’ ook in het dossier had moeten zijn aangekruist. Het proces-verbaal vermeldt evenwel niets over de achtergrond van die verklaring. Ook is niet duidelijk of [betrokkene 4] genoemde verklaring namens een psychiater heeft afgelegd. Wel heeft de raadsvrouwe van betrokkene blijkens het proces-verbaal ter zitting verklaard dat betrokkene schizofrenie erkent. Alleen de psychiaters [betrokkene 2] en [betrokkene 3] kunnen rechtens als “medical experts” worden aangemerkt. In het licht van hun bevindingen kunnen bij het oordeel van de rechtbank “dat gebleken is bij betrokkene sprake is van schizofrenie” derhalve vraagtekens worden gesteld.

2.13

[betrokkene 2] heeft in de geneeskundige verklaring aangekruist dat bij betrokkene sprake is van zowel een stoornis door het gebruik van middelen als van (een) overige psychotische stoornis(sen). [betrokkene 2] heeft aangegeven dat de stoornis door middelengebruik naar zijn mening de belangrijkste is. Dat de alcoholverslavingsproblematiek overheersend is kan voorts worden afgeleid uit de door [betrokkene 3] opgestelde stukken, de verklaringen ter zitting van verpleegkundig specialist [betrokkene 4] en de constatering door de rechter zelf ter zitting “dat de verslavingsproblematiek het grootste probleem is”. Uit de bestreden beschikking kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de rechtbank van oordeel is dat de geestvermogens van betrokkene met name, zo niet uitsluitend, door overmatig gebruik van alcohol worden verstoord. De andere door de rechtbank genoemde stoornis, schizofrenie, wordt in de beschikking en in de overige stukken niet (nader) beschreven en het bestaan bij betrokkene ervan is blijkens het voorgaande ook allerminst zeker. Ook het oorzakelijk verband tussen die door de rechtbank aanwezig geoordeelde stoornis en de geconstateerde gevaren (gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat, gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen en gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen) wordt niet nader beschreven en staat allerminst vast. Het bovenstaande geldt ook voor de door [betrokkene 2] bij betrokkene aanwezig geoordeelde ‘overige psychotische stoornissen’, die de rechtbank overigens niet noemt en nader uitwerkt.

2.14

Met betrekking tot het middelengebruik zelf merk ik tot slot het volgende op. Een in algemene bewoordingen gestelde motivering, welke naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting verwijst, voldoet slechts aan de wettelijke motiveringseisen indien uit de inhoud van deze stukken zonder nadere redengeving begrijpelijk is wat de rechtbank voor ogen heeft gestaan en waarop zij haar beslissing heeft gegrond. Waar het op aankomt, is of de uit de stukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan.20 De enkele verwijzing door de rechtbank naar de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting verklaart naar mijn mening niet of, en zo ja, op grond waarvan, de rechtbank in dit geval heeft aangenomen dat sprake is van een stoornis van een zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen van betrokkene daardoor zo ingrijpend wordt beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar als het ware niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Uit de hiervoor in 2.11.1 t/m 2.11.5 weergegeven passages blijkt van een dergelijke situatie mijns inziens niet, dan wel in elk geval niet direct.

2.15

Tegen de achtergrond van de hiervoor aangehaalde rechtspraak geeft het bestreden oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘stoornis van de geestvermogens’ en het vereiste oorzakelijk verband met het te duchten gevaar, hetzij heeft de rechtbank de vaststelling van een stoornis van de geestvermogens ontoereikend gemotiveerd. Uit de verwijzing naar de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt niet dat de stoornissen die de rechtbank vaststelt de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheersen. Zonder nadere redengeving is niet begrijpelijk wat de rechtbank voor ogen heeft gestaan en waarop zij haar beslissing heeft gegrond. De uit de stukken naar voren komende feiten zijn mijns inziens onvoldoende sprekend om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan.

2.16

In het licht van het voorgaande is het middel gegrond. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 april 2018 en tot terugwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/35 m.nt. W. Dijkers.

2 Comorbiditeit is het tegelijkertijd voorkomen van twee of meer aandoeningen of stoornissen bij één persoon.

3 In de geneeskundige verklaring staat overigens: “psychotische” kwetsbaarheid.

4 Het middel verwijst in dat verband naar de wettelijke aantekeningen, blz. 1 (zie 2.2 onder (iii) hiervóór), en de geneeskundige verklaring van 27 maart 2018, onder 3c.

5 Verwezen wordt naar HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. Legemaate, BJ 2005/35 m.nt. W. Dijkers.

6 Het middel verwijst naar HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:461, JVggz 2017/16 m.nt. W. Dijkers.

7 Het middel verwijst naar de geneeskundige verklaring van 27 maart 2018 onder 3c en 3d.

8 Geneeskundige verklaring van 27 maart 2018, onder 4a.

9 Kamerstukken II 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 12.

10 Kamerstukken II 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 13.

11 EHRM 24 oktober 1979, ECLI:NL:XX:1979:AC6700, NJ 1980/114, par. 39 (Winterterp/Nederland).

12 Zie de Conclusie van plv. P-G Langemeijer vóór HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630, onder 2.2, en de noten van Dijkers onder HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, BJ 2007/44, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, JVggz 2014/37 en HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:461, JVggz 2017/16.

13 HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3320, BJ 2007/43, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, JVggz 2014/37 m.nt. W. Dijkers en HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:461, JVggz 2017/16 m.nt. W. Dijkers. Zie over deze uitspraken recent: C. Reijntjes-Wendenburg, Verslaving: Van BOPZ naar VGGZ, Ars Aequi mei 2018, blz. 371-373. Zie ook R. Keurentjes, Alcoholverslaving en de Wet Bopz. De juridische (on)mogelijkheden tot behandelen van verslaafde patiënten, Trema 2013/5, blz. 173-177 en W.J.A.M. Dijkers, SDU-Commentaar Bopz, art. 2, par. C 2.4.8.

14 Zie de Conclusie van plv. P-G Langemeijer vóór HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630, onder 2.3. Zie over de ontwikkeling de door hem genoemde vindplaatsen.

15 Stb. 2018/37. Tegelijkertijd zijn de Wet forensische zorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten aangenomen. De Wvggz zal vermoedelijk op 1 januari 2020 in werking treden en de Wet Bopz vervangen.

16 Kamerstukken I, 2016-2017, 32 399, nr. A (herdruk); zie onder meer art. 5:9.

17 Zie de Conclusie van plv. P-G Langemeijer vóór HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630, onder 2.3, en C. Reijntjes-Wendenburg, Verslaving: Van BOPZ naar VGGZ, Ars Aequi mei 2018, blz. 373.

18 Kamerstukken II, 2009-2010, 32 399, nr. 3, blz. 11-12 en 15-16. Zie daarover ook de conclusie vóór HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:2014:2937, alinea 2.3.

19 C. Reijntjes-Wendenburg, Verslaving: Van BOPZ naar VGGZ, Ars Aequi mei 2018, blz. 373.

20 Vaste rechtspraak; zie o.m. HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7233, NJ 1998/221 m.nt. J. de Boer.