Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:912

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
17/05858
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1875
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over bewijs van 'levensgezel' i.d.z.v. art. 304 onder 1e Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05858

Zitting: 28 augustus 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 15 november 2017 wegens “mishandeling van zijn levensgezel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde straffen, een en ander als in het vonnis vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van “zijn levensgezel” in de zin van art. 304 Sr onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2. Het hof heeft het vonnis waartegen beroep was ingesteld behoudens de strafoplegging bevestigd.

3.3. Ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 23 september 2016 te Apeldoorn, zijn levensgezel, [betrokkene 1] , heeft mishandeld door [betrokkene 1] meerdere malen met kracht, met de vuisten in het gezicht te stompen.”

3.4. In het in zoverre door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank daartoe – met overname van voetnoten – het volgende overwogen:

“2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. De politie krijgt op 23 september 2016 omstreeks 23.00 uur een melding van het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn dat er een mishandeling heeft plaatsgevonden bij een patiënte die een dag daarvoor was bevallen van haar kind. Toen verbalisanten omstreeks 23.45 uur in contact kwamen met de patiënte zagen zij dat zij letsel in haar gezicht had. Haar bovenlip en de rechterkant van haar gezicht waren gezwollen.2 Het letsel is vastgelegd op foto’s die in het dossier zijn gevoegd.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft daartoe gewezen op de verklaring van verdachte dat aangeefster het letsel bij zichzelf heeft veroorzaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte op 23 september 2016 in het ziekenhuis in Apeldoorn ruzie kregen, nadat aangeefster tegen verdachte had gezegd dat ze niet met hem wilde trouwen vanwege zijn agressieve buien. Ook haar vader was het niet eens met een huwelijk en aangeefster wilde dat verdachte eerst in therapie zou gaan. Verdachte accepteerde dit niet en werd boos. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte helemaal doordraaide en dat ze lange tijd ruzie hebben gehad op de ziekenhuiskamer. Eerst waren ze alleen en later waren de zus van verdachte en haar vriend er ook bij. Toen aangeefster zei dat ze de politie ging bellen stompte verdachte haar in haar gezicht. Ze weet niet hoe vaak hij stompte. Verdachte is kickbokser geweest en hij heeft harde vuisten. Als hij slaat, slaat hij hard. Ze voelde pijn, een branderig gevoel en ze zag bloed. Verdachtes zusje en haar vriend deden niets. Ze zeiden alleen dat verdachte weg moest gaan. Verdachte pakte de autosleutels van aangeefster (haar mobiel had hij al gepakt) en wat geld uit haar portemonnee en ging weg. Voordat hij wegging zei verdachte tegen haar dat ze tegen de verpleging moest zeggen dat ze zichzelf had geslagen. Aangeefster heeft door de mishandeling pijn aan haar gezicht en aan haar hoofd.

Nadat het gebeurd was heeft aangeefster de verloskundigen gebeld met de ziekenhuistelefoon. Zij heeft ook haar moeder gebeld en gezegd dat ze geslagen is door verdachte. Haar zus heeft toen naar haar telefoonnummer gebeld en kreeg verdachte aan de lijn, omdat die de telefoon van aangeefster had meegenomen. Verdachte heeft tegen haar zus gezegd dat hij aangeefster geslagen had en dat ze naar haar zus toe moest gaan omdat er veel bloed was.4

Getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard dat ze op het moment van het incident twee kamers verderop als kraamverzorgster aan het werk was. Ze werd gebeld door aangeefster. Aangeefster huilde en vroeg of ze direct wilde komen. Op de gang zag ze verdachte, zijn zus en haar vriend staan. Verdachte zag er opgefokt uit, hij stond daar met wilde ogen. Toen ze de kamer van aangeefster binnenkwam zag ze dat aangeefster een dik oog had, dat haar jukbeen was opgezet en dat ze een dikke bovenlip had. Ook had ze bloed in haar gezicht. Getuige is direct naar haar kantoor gegaan en heeft de beveiliging gewaarschuwd. Toen ze op de gang kwam zag ze dat verdachte, zijn zus en haar vriend weg waren.5

De getuige [getuige 2] , kraamverzorgster, heeft onder meer verklaard dat ze haar collega [getuige 1] (rechtbank: [getuige 1] ) hoorde zeggen dat zij, [getuige 2] , naar de kamer van aangeefster moest gaan omdat deze net klappen had gehad van haar vriend. [getuige 2] is de kamer opgelopen en zag aangeefster in bed zitten. Ze zag dat ze onder het bloed zat en dat haar neus bloedde. Ze hoorde aangeefster zeggen dat ze ruzie had gekregen met verdachte en dat hij haar meerdere klappen had gegeven.6

Getuige [getuige 3] (zus van aangeefster) heeft verklaard dat ze die avond belde met haar zusjes telefoonnummer en verdachte aan de lijn kreeg. Die zei: ‘je moet naar je zusje gaan. Ik heb haar geslagen en ze zit helemaal onder het bloed’. Verdachte zei: ‘het komt door jouw vader, omdat hij mij had uitgescholden. Het werd zwart voor mijn ogen en daarom heb ik [betrokkene 1] geslagen. Ik weet niet wat ik deed.’

’s Nachts is [getuige 3] naar het ziekenhuis gegaan en heeft van aangeefster gehoord dat verdachte haar geslagen had omdat hij boos was over berichten van hun vader.7

Verdachte heeft verklaard dat toen aangeefster in het ziekenhuisbed lag er over en weer is geslagen en dat hij zo boos werd dat het hem zwart voor ogen werd. Omdat hij niet meer wist wat hij moest doen, heeft hij vervolgens de autosleutels gepakt, geld uit de portemonnee gehaald, de mobiel gepakt en is hij weggegaan.8

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het bij aangeefster geconstateerde letsel is ontstaan doordat verdachte aangeefster meermalen met kracht met de vuist in haar gezicht heeft geslagen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster, zoals die hiervoor is weergegeven, geloofwaardig. Die verklaring vindt niet alleen steun in de verklaring van verdachte dat er over en weer — dus aangeefster ook door hem — is geslagen, maar ook in de verklaring van de zus van aangeefster, dat verdachte haar telefonisch heeft verteld dat hij aangeefster had geslagen en dat aangeefster bloedde. De verklaring van aangeefster vindt voorts steun in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] die aangeefster en verdachte vrijwel direct na de mishandeling hebben gezien.

In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank de andersluidende verklaring van verdachte dat het letsel is ontstaan door klappen die aangeefster zichzelf heeft gegeven niet geloofwaardig acht. Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaring van verdachte steun vindt in de verklaring van de zus van verdachte, die eveneens heeft verklaard dat aangeefster zichzelf met vuisten in het gezicht sloeg. Die verklaring stemt echter niet overeen met die van verdachte, zodat de rechtbank ook die verklaring niet geloofwaardig acht. De zus van verdachte heeft verklaard dat verdachte op het moment dat aangeefster zichzelf sloeg in paniek was en daarom door haar vriend naar buiten werd gebracht en niet meer in de ziekenhuiskamer is geweest. Zij is naar de badkamer gelopen en zag bij terugkomst dat aangeefster zichzelf een bloedneus had geslagen. Die bloedneus was er niet voordat zij naar de badkamer liep. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat aangeefster hysterisch werd en zichzelf tot bloedens toe in het gezicht sloeg en verdachte aangeefster vastpakte (en heeft geslagen) om haar rustig te krijgen.”

3.5.

Het middel klaagt in het bijzonder dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan volgen dat tussen de verdachte en de aangeefster ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een zodanig nauwe en persoonlijke betrekking van een zekere dichtheid dat laatstgenoemde kon worden aangemerkt als de levensgezel van de verdachte.

3.6.

Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring gebezigde begrip ‘(zijn) levensgezel’ dient in het onderhavige geval te worden opgevat in de betekenis die dat begrip toekomt in (onder meer) art. 304, aanhef en onder 1o Sr, alwaar aan het bestaan van een dergelijke relatie strafverzwaring wordt verbonden bij de diverse vormen van mishandeling. De toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima) houdt onder meer in:

"Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.

Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:

- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding

- de duur van de gemeenschappelijke huishouding

- of er een relatie van affectieve aard is, en met name

- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen." (Kamerstukken II, 2002-2003, 28484, nr. 5, p. 5)9

3.7.

Om die nauwe lotsverbondenheid aan te nemen is meer nodig dan de vaststelling dat er sprake is van een knipperlichtrelatie.10 Ook een verklaring dat er sprake was van een relatie tussen de verdachte en de aangeefster heeft de Hoge Raad meermaals als onvoldoende aangemerkt om aan de in het voorgaande bedoelde aard en hechtheid van de betrekking te kunnen voldoen.11

3.8.

Uiteraard moet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden opgemaakt dat de tussen de verdachte en het slachtoffer van de mishandeling bestaande band voldoet aan de eisen die voortvloeien uit bewezenverklaarde bestanddeel ‘levensgezel.’ Dat is niet wezenlijk anders als het een zgn. Promis-vonnis of arrest betreft. De bewijsvoering in een dergelijk vonnis komt er op neer – zoals de Hoge Raad het omschreef in het Promis II-arrest12 – “dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in een terstond uitgewerkt arrest zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij het Hof heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. In beginsel is die werkwijze niet in strijd met art. 359, derde lid, Sv. De eis dat de redengevende feiten en omstandigheden in het (terstond uitgewerkte vonnis of arrest) voorkomen wordt daarbij dus wel gesteld. Het kan dus niet zo zijn, dat die redengevende feiten en omstandigheden eerst door raadpleging van de onderliggende stukken, waarnaar - doorgaans in voetnoten – in die bewijsredenering wordt verwezen ‘boven water’ komen. Die eis lijkt niet zo problematisch, maar het ‘gevaar’ dat bij hantering van de Promis-methode op de loer ligt is dat de schrijver én de lezer zich door de weergave van het bewijs een (goed)lopend verhaal laat meeslepen en de juridische scherpte die ook nog steeds wordt vereist uit het oog verliest.13 Dat zich in de onderhavige zaak dat verschijnsel heeft voorgedaan lijkt mij niet onaannemelijk.
In het onderhavige geval kan uit de bewijsoverwegingen in het (in zoverre bevestigde) Promis-vonnis van de rechtbank met betrekking tot de verhouding tussen de verdachte en de aangeefster bijvoorbeeld wel worden opgemaakt dat de verdachte met de aangeefster wilde trouwen en dat de bewezenverklaarde feiten plaatsvonden naar aanleiding van de ruzie die ontstond toen de aangeefster aangaf dat zij wenste dat de verdachte eerst in therapie zou gaan wegens zijn agressieve buien. Maar een voorgenomen huwelijk, als daarvan in het onderhavige geval gelet op die daaraan verbonden voorwaarde al kan worden gesproken, zou ik toch niet op één lijn willen stellen met een reeds bestaande relatie tussen de verdachte en de aangeefster die qua aard en hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Meer gegevens over de aard en hechtheid van de relatie is uit de bewijsoverweging niet te destilleren. Daardoor schiet het bewijs tekort.14

3.9.

Het oordeel van het hof dat de aangeefster ten tijde van het bewezenverklaarde feit als ‘levensgezel’ in de zin van art. 304 Sr moest worden aangemerkt, kan aldus niet zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid. Het middel klaagt hierover terecht.

3.10.

Mijns inziens kan cassatie niet achterwege blijven aangezien niet gezegd kan worden dat het daartoe vereiste belang ontbreekt. Het hof heeft namelijk de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf met een maand verhoogd en er in de strafmotivering blijk van gegeven daarbij in het bijzonder in aanmerking te hebben genomen dat de verdachte in het ziekenhuis zijn levenspartner, kort na de geboorte van haar zoon, heeft mishandeld. De bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid – mishandeling van de levensgezel - heeft dus klaarblijkelijk ook het daaraan verbonden effect gehad. 15

3.11.

Het middel slaagt.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie, eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2016472708, gesloten op 9 december 2016 te Apeldoorn en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 28

3 Foto’s letsel aangeefster, p. 30-31

4 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 1] , p. 32-35

5 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 80

6 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 41

7 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 78 en 79

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 96-97

9 Zie ook HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113, rov. 3.3.2.

10 Conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1076, onder punt 4, zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113, onder punt 20 en 21.

11 HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, NJ 2013/523, rov. 3.3 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104, rov. 4.5, zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113, onder punt 20 en 21. Daarentegen: HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1943 (niet gepubl.), waar het cassatieberoep afstuitte op 90a RO.

12 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424. Vgl. ook HR 20 april 2010, ECLI:NK:HR:2010:BL5628.

13 Een ander gevaar, waar de Hoge Raad in het in de vorige voetnoot genoemde Promis II-arrest op wijst is “dat niet alle onderdelen van de bewezenverklaring genoegzaam worden gemotiveerd, doordat die redenering te zeer wordt afgestemd op hetgeen de verdachte tegen het hem gemaakte verwijt heeft ingebracht”.

14 Daarbij merk ik ‘hors concours’ nog op dat de aangifte van het slachtoffer waarnaar de rechtbank in voetnoot 4 verwijst – welke verwijzing vier pagina’s betreft - ook geen naar mijn mening buiten discussie staand uitsluitsel bevat over de aard van de relatie. De – uitzonderlijke – situatie dat op die wijze het bewijsgebrek vanwege een belangredenering niet tot cassatie behoeft te leiden doet zich dus niet voor. Vgl. het tweede overzichtsarrest m.b.t. art 80a RO, HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, rov. 2.5.3.

15 Anders dan het geval was in HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:112, rov. 3.5 en 4.3. Vgl. mijn ambtgenoot Bleichrodt in zijn conclusie van 27 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:267, onder 24. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1076, onder 4.