Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:89

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
16/05198
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG. Valsheid in geschrift, art. 225 Sr. Middel over bevestigen/vernietigen faalt. Overweging over opzet op valsheid in geschrift omdat verdachte niet alleen had kunnen maar ook moeten zien dat de wergeversverklaringen onjuist waren ingevuld geeft blijk van onjuiste maatstaf voor opzet dan wel is onbegrijpelijk. Vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/05198

Zitting: 6 februari 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 12 oktober 2016 het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 juni 2015 (gedeeltelijk) bevestigd en voor een deel van de tenlastegelegde feiten vrijgesproken. De rechtbank heeft de verdachte wegens onder meer “opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd”, veroordeeld. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, met aftrek. Tot slot heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard, een en ander zoals bij het arrest is bepaald.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/05521. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Hiertoe heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Het beroep richt zich kennelijk niet tegen de door het hof gegeven vrijspraken van hetgeen was tenlastegelegd onder feiten 3 en 4 op de dagvaarding met parketnummer 05-862933-13.

  4. De middelen klagen (onder meer) over de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof, reden waarom ik deze eerst opneem.

4.1. Het hof heeft ten laste van de verdachte het volgende bewezenverklaard:

“zij in de periode van 18 juli 2011 tot en met 19 augustus 2011, te Utrecht en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

- een model-werkgeversverklaring d.d. 19 juli 2011, afgegeven door BV [A] ten behoeve van [medeverdachte] , en/of

- een model-werkgeversverklaring d.d. 19 juli 2011, afgegeven door BV [A] ten behoeve van [verdachte] ,

zijnde een model-werkgeversverklaring een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware(n) die model-werkgeversverklaring(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin, dat zij en/of zijn mededader(s) die model-werkgeversverklaring(en) hebben heeft gevoegd of hebben heeft doen voegen bij de stukken voor de aanvraag van een hypothecaire lening op het pand [a-straat 1] te Apeldoorn, en bestaande die valsheid hierin, dat in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

- in de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [medeverdachte] was vermeld dat geen sprake was van directeur- en/of aandeelhouderschap, en/of

- in de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [verdachte] was vermeld dat sprake was van een dienstverband tussen B V [A] enerzijds en [verdachte] anderzijds, waarbij [verdachte] de functie van directrice zou uitoefenen, en/of

- de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [medeverdachte] en/of de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [verdachte] was/waren ondertekend door [betrokkene 3] namens de werkgever.

Het hof heeft aan de bewezenverklaring de volgende (nadere) bewijsoverweging gewijd:

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter ten aanzien van de bewijsmotivering en de vindplaatsen van het bewijs op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de laatste alinea op pagina 12 van het vonnis met betrekking tot de overweging tot bewijs van het feit met parketnummer 05-780027-15. Voorts wordt het vonnis aangevuld met een aanvullende bewijsoverweging met betrekking tot de feiten 3 en 4 op de dagvaarding met parketnummer 05-862933-13 en het feit op parketnummer 05-780027-15.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op deze onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

(….)

Aanvullende bewijsoverweging met betrekking tot parketnummer 05-780027-15

De advocaat-generaal acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging stelt dat er salarisbetalingen zijn gedaan waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een dienstverband.

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen als opgenomen in het vonnis van de rechtbank het feit bewezen. Op de werkgeversverklaringen is informatie ingevuld die niet overeenkomt met de werkelijkheid.

Om te kunnen aannemen dat een overeenkomst een privaatrechtelijke dienstbetrekking doet ontstaan, is onder meer vereist dat uit die overeenkomst een verplichting voortvloeit tot het persoonlijk verrichten van arbeid. Uit de verklaringen van medewerkers, onder meer [betrokkene 1] en [betrokkene 2] komt naar voren dat verdachte geen werkzaamheden heeft verricht voor BV [A] en/of [B] . Daarnaast kan uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] worden afgeleid dat er geen sprake was van een dienstbetrekking, maar dat het salaris dat werd betaald moest worden aangemerkt als een verkapte vergoeding voor (betaling van de goodwill voor) de oude vennootschap. Op het moment dat verdachte de werkgeversverklaring bij de ondertekende hypotheekofferte voegde had zij niet alleen kunnen maar ook moeten zien dat de verklaringen onjuist waren ingevuld. Door toch de werkgeversverklaringen bij de offerte te voegen heeft verdachte naar het oordeel van het hof met opzet gebruik gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift.

Anders dan de rechtbank acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de ondertekening van die werkgeversverklaringen door [betrokkene 3] heeft bijgedragen aan de valsheid van die geschriften.

Het hof acht niet bewezen dat sprake is van medeplegen nu niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .”

De (nadere) bewijsmotivering van de rechtbank, met overname voetnoten, houdt – voor zover relevant – het volgende in:

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding onderzoek

Op 29 juli 2013 is namens [C] BV aangifte gedaan van verduistering van één dan wel meerdere vorderingenportefeuilles. Naar aanleiding daarvan is een onderzoek gestart onder de naam ‘Katwijk’.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 van parketnummer 05/862933-13 en het ten aanzien van parketnummer 05/780027-15 tenlastegelegde.

(…)

Het standpunt van de verdediging

(…)

Ook ten aanzien van parketnummer 05/780027-15 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft in dit verband betoogd dat het enkele feit dat de Kamer van Koophandel andere gegevens vermeldt dan de werknemersverklaring niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat de werkgeversverklaring valselijk is ingevuld. Uit de stukken blijkt dat vanuit RAI salarisbetalingen zijn gedaan aan [medeverdachte] en aan verdachte. Daaruit volgt dat sprake is van een dienstverband, althans salarisbetalingen zoals vermeld op de werkgeversverklaringen. De vraag is volgens de raadsman of de inhoud van de werkgeversverklaring vals is nu [betrokkene 3] formeel niet tot tekenen bevoegd was. Hij tekende in opdracht van de wel bevoegde [betrokkene 4] .

Beoordeling door de rechtbank

(…)

Parketnummer 05/780027-15

Naar aanleiding van een aanvraag om een hypothecaire lening is op 18 juli 2011 door de Direktbank Vastgoed Hypotheken, gevestigd te Utrecht, een offerte uitgebracht aan verdachte en [medeverdachte] voor een eerste hypothecaire inschrijving op het kantoorpand gelegen aan de [a-straat 1] te Apeldoorn. Volgens de offerte dienden - voor zover in dit verband van belang - werkgeversverklaringen te worden overgelegd van verdachte en van [medeverdachte] . De offerte is door verdachte en [medeverdachte] voor akkoord ondertekend.2

Ten behoeve van verdachte en [medeverdachte] zijn op 19 juli 2011 werkgeversverklaringen opgesteld die namens de werkgever in Apeldoorn zijn ondertekend door [betrokkene 3] .

Volgens de werkgeversverklaringen is BV [A] te Apeldoorn de werkgever van verdachte en van [medeverdachte] . Op beide formulieren is bij de vraag of de werknemer directeur/aandeelhouder is, het hokje “nee” aangekruist. Verder is op beide formulieren aangekruist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of een aanstelling in vaste dienst. Bij [medeverdachte] is als functie ingevuld dat hij werkt als adviseur, bij verdachte is ingevuld dat zij werkt als directrice algemeen.3

Getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte] in zijn aanwezigheid de hypotheekofferte hebben getekend en dat de werkgeversverklaringen toen al klaar lagen.4

Op 19 augustus 2011 is op naam van verdachte en [medeverdachte] een hypotheek van € 360.000,- verleend inzake het pand [a-straat 1] te Apeldoorn.5

Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 14 november 2011 komt naar voren dat [medeverdachte] vanaf 15 oktober 2010 directeur en enig aandeelhouder was van BV [A] en dat verdachte vanaf 15 oktober 2010 lid was van de Raad van Commissarissen.

[betrokkene 4] heeft verklaard dat haar vader ( [medeverdachte] ) een eigen incasso vennootschap heeft gehad in Apeldoorn aan de [a-straat 1] met de naam [A] en dat hij van dat bureau nog steeds bestuurder is. [B] is op 1 juni 2010 opgericht omdat haar vader aangaf te willen stoppen en zijn werkzaamheden aan haar te willen overdragen.6

Dit beeld komt ook naar voren in verklaringen van personeelsleden die hebben gewerkt bij BV [A] . Zo heeft getuige [betrokkene 1] verklaard dat hij werkzaam was bij BV [A] en dat deze eind 2009/begin 2010 is overgegaan naar [B] . Ze gingen verhuizen naar [b-straat] . Vanaf dat moment was [betrokkene 4] de directeur en eindverantwoordelijk.7

[betrokkene 3] heeft Verklaard dat hij [betrokkene 4] sinds juli 2010 kent en dat zij toen directeur was van [B] . Hij heeft geen werkzaamheden verricht voor [B] en was daartoe óok niet gevolmachtigd.8

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte en hij salaris kregen omdat de onderneming aan [betrokkene 4] was overgedaan voor één euro. De salarisbetalingen moesten worden aangemerkt als een verkapte verkrijgingsprijs van de oude vennootschap.9

Uit de verklaringen van meerdere medewerkers komt naar voren dat verdachte in de ten laste gelegde periode geen werkzaamheden verrichtte voor BV [A] en/of [B] . Zo heeft [betrokkene 1] , van 12 augustus 1998 tot 1 oktober 2013 werkzaam voor BV [A] en/of [B] , heeft verdachte nooit zien werken bij BV [A] en/of [B] .10 Ook [betrokkene 2] vanaf maart 2010 werkzaam bij [B] , heeft verklaard dat verdachte geen werkzaamheden verrichtte op kantoor11.”

5 Het eerste middel

5.1.

Het eerste middel behelst de klacht dat het hof voor wat betreft de bewezenverklaring van het feit met parketnummer 05-780027-15 ten onrechte, althans onbegrijpelijk, het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd.

5.2.

Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 423 lid 1 Sv, laatstelijk gewijzigd bij de Wet stroomlijnen hoger beroep,12 bepaalt dat de appelrechter het vonnis van de rechter in eerste aanleg (gedeeltelijk) kan bevestigen of (gedeeltelijk) kan vernietigen. Indien het hof het vonnis bevestigt kan dat hetzij geheel, hetzij met geheel of gedeeltelijke overneming van de door de rechter in eerste aanleg gebezigde gronden hetzij met aanvulling of verbetering van die gronden.13 Uit de bewoordingen van art. 423 lid Sv blijkt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds bevestiging van de beslissingen van de rechter in eerste aanleg en bevestiging van de gronden voor die beslissingen, oftewel de motivering daarvan.14 Blijkens bestendige rechtspraak zijn de bewijsmiddelen onderdeel van de gronden waarop de beslissing steunt.15 De invoering van de Wet stroomlijnen hoger beroep riep voor de rechtspraktijk vragen op. Derhalve heeft de Hoge Raad bij arrest van 13 juli 2010 hoofdlijnen geschetst voor de wijze waarop art. 423 Sv kan worden toegepast. Voor zover voor de onderhavige zaak relevant luiden die als volgt:

“2.8.2.

Een vonnis dient te worden vernietigd indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv genomen beslissingen. Dat zijn de beslissingen inzake de geldigheid van de inleidende dagvaarding, de bevoegdheid van de eerste rechter tot kennisneming van de zaak, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel de aanwezigheid van redenen voor schorsing van de vervolging, en voorts de beslissingen over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte alsmede de oplegging van straf en/of maatregel.

Een vonnis waarmee de appelrechter zich wat betreft de gronden niet kan verenigen, leent zich voor bevestiging, zij het met aanvulling of verbetering van die gronden. Daarmee wordt gedoeld op de motivering van de beslissingen, zoals nader geregeld in art. 359, art. 359a, derde lid, en art. 360 Sv.

2.8.3.

Een klassiek uitgangspunt is voorts dat bevestiging van een vonnis slechts mogelijk is indien het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gevoerd met inachtneming van alle daarvoor geldende procedureregels. Naar huidige opvatting is dat uitgangspunt echter vatbaar voor relativering aangezien niet elk verzuim dwingt tot vernietiging van het vonnis. In verband met de huiver voor bevestiging van een vonnis vanwege vormverzuimen die zijn begaan gedurende de behandeling van de zaak in de eerste aanleg, verdient opmerking (a) dat de memorie van toelichting met juistheid vermeldt dat zulke verzuimen bij een voortbouwend appel doorgaans door de behandeling in appel zijn hersteld en daarom nadien niet meer relevant zijn, en (b) dat ingeval cassatieberoep is ingesteld, vernietiging van het arrest en het daarbij bevestigde vonnis veelal niet aan de orde is op de grond dat over het vormverzuim hetzij bij de behandeling van de zaak in hoger beroep hetzij in cassatie niet is geklaagd dan wel dat de betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad.

2.8.4.

Zoals hiervoor onder 2.6 reeds is opgemerkt, is de rechtspraktijk ermee gediend dat de appelrechter tot uitdrukking brengt in welk opzicht en om welke reden het vonnis niet vatbaar is voor (integrale) bevestiging.

2.9.

Uit het voorgaande volgt dat de Wet stroomlijnen hoger beroep mede ertoe strekt dat een vonnis vaker dan voorheen wordt bevestigd. De rechtspraktijk moet trachten daaraan gevolg te geven. Nog steeds geldt echter dat een vernietiging van het vonnis is aangewezen indien en voor zover het Hof wat betreft op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen, tot een ander oordeel komt dan de eerste rechter. Dat betekent voor de onderhavige zaak dat na een wijziging zoals het Hof hier heeft aangebracht in de bewezenverklaring van het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde, een vonnis in dat opzicht niet vatbaar is voor bevestiging. De middelen klagen daarover echter niet.”16

In aanvulling hierop geldt nog dat kennelijke schrijffouten in (onder meer) de bewezenverklaring in hoger beroep verbeterd kunnen worden of verbeterd worden gelezen, maar slechts indien dit geen ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is inhoudt.17

5.3.

In het onderhavige geval heeft het hof geoordeeld dat de rechter in eerste aanleg “ten aanzien van de bewijsmotivering en de vindplaatsen van het bewijs op de juiste gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, (…).” Vervolgens kom te hof echter met een ‘eigen’ bewezenverklaring, wat – dat geef ik de steller van het middel toe - het zicht op de precieze bedoeling van het hof vertroebelt. Anders dan de steller van het middel lijkt echter mij dat deze overweging in samenhang met de verdere processuele afwikkeling van de zaak door het hof moet worden beschouwd. Daaruit blijkt niet dat het hof alle beslissingen als bedoeld in art. 358 Sv bevestigt, maar dat het de gronden, te weten de bewijsmotivering, daaronder begrepen de bewijsmiddelen,18 van de rechtbank (deels) overneemt en bovendien aanvult. In ’s hofs overweging, inhoudende“[g]ezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op deze onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan” ligt mijn inziens vervolgens besloten dat het hof de beslissingen van de rechtbank in de zin van art. 358 jo. 348 en 350 Sv heeft vernietigd, voor zover het de beslissingen betreft die het hof zelf in zijn arrest heeft ‘overgedaan’. Voor zover het hof overweegt dat de rechtbank “(…) op de juiste wijze heeft beslist” moet dat gezien het voorgaande als een kennelijke misslag worden aangemerkt. De in de toelichting op het middel verwoorde klacht dat het hof, anders dan de rechtbank, medeplegen niet bewezen acht, mist bovendien feitelijke grondslag omdat ook de rechter in eerste aanleg blijkens het vonnis van 19 juni 2015, waar ik hier kortheidshalve naar verwijs, het medeplegen niet heeft bewezenverklaard maar (eveneens) vrijsprak van het “tezamen en in vereniging” handelen. Ten overvloede merk ik op dat het hof heeft verzuimd expliciet aan te geven hoe de door de rechtbank gegeven kwalificatie van het als parketnummer 05/780027-15 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit in hoger beroep dient te worden verwerkt. Gelet op de opbouw van het arrest meen ik echter dat deze door het hof kennelijk bedoeld is over te nemen uit het vonnis van de rechtbank. Daarover klaagt het middel echter niet.

5.4.

Het middel faalt.

6 Het tweede middel

6.1.

Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer van de verdediging inhoudende dat – samengevat – de verdachte geen opzet had op het gebruik maken van de werkgeversverklaringen onterecht, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

6.2.

Blijkens de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting gehechte pleitnotitie heeft de verdediging aldaar – voor zover relevant – het volgende aangevoerd:

“4. In het onderhavige pleidooi is hetgeen in eerste aanleg is opgemerkt ten aanzien van de verdenking van schuldwitwassen en -heling integraal opgenomen, inclusief de nummering. Dit teneinde de procedure in hoger beroep zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Voor de overzichtelijkheid is het gedeelte uit de eerste aanleg cursief weergegeven. De verdediging verzoekt u voor ‘rechtbank’ ‘Hof te lezen. De gevoerde verweren worden wel integraal opnieuw gevoerd en indien door uw Hof gewenst zal de verdediging die ook volledig opnieuw voorhouden.

(…)

Parketnummer 05/780027-15

32. Onder dit parketnummer, wordt aan cliënte tenlastegelegd dat zij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste werkgeversverklaring ten behoeve van het verkrijgen van een hypotheek op het pand aan de [a-straat 1] te Apeldoorn. Die valsheid zou eruit hebben bestaan dat ten aanzien van [medeverdachte] was vermeld dat geen sprake was van een directeur en/of aandeelhouderschap, dat van cliënte was vermeld dat sprake was van een dienstverband bij RAI in de functie van directrice en dat de werkgeversverklaring was ondertekend door [betrokkene 3] .

33. Ook in dit geval blijkt uit de verschillende verklaringen die zijn afgelegd dat de overdracht van dit pand, alsmede de hypotheek die daarvoor is aangevraagd, is verzorgd door [medeverdachte] . Cliënte heeft daarbij geen andere bemoeienis gehad dan het ondertekenen van documenten.

Niet alleen [medeverdachte] en cliënte zelf verklaren hierover, ook de tussenpersoon [betrokkene 5] , heeft onlangs nog verklaard dat het initiatief tijdens de bespreking met [medeverdachte] en cliënte bij [medeverdachte] lag. Hij verklaart:

“ [betrokkene 6] deed wat [medeverdachte] wilde dat zij deed”. Weliswaar wist cliënte dat de bespreking ging over een hypotheekaanvraag voor het pand aan de [a-straat 1] te Apeldoorn, echter zij had daarin geen ander aandeel dan te doen wat [medeverdachte] haar vroeg.

34. Het verwijt aan cliënte is dat een werkgeversverklaring, welke gebruikt wordt voor de aanvraag van de hypotheek, ten bewijzen van het inkomen van de hypotheekaanvrager, in strijd met de waarheid is ingevuld. De verdediging is van oordeel dat de informatie op deze werkgeversverklaringen, in het licht van het doel van deze werkgeversverklaringen geen valse inhoud bevat.

35. Uit de werkgeversverklaring blijkt immers, zowel voor cliënte als voor [medeverdachte] van een dienstverband bij RAI met het bijbehorende salaris. Een en ander wordt bevestigd door de destijds recente loonstroken die gevoegd zijn bij deze werkgeversverklaringen. Hoewel mogelijk uit het register van de kamer van koophandel anders blijkt, kan de vraag gesteld worden welke informatie de juiste is. Het zou immers goed kunnen dat verzuimd is wijzigingen aan te brengen in het register van de kamer van koophandel in plaats van dat sprake is van valse informatie in de werkgeversverklaringen.

36. Het doel van deze werkgeversverklaringen is vaststellen dat sprake is van een dienstverband waaruit voldoende inkomsten gegenereerd worden om de hypotheekverplichtingen te kunnen dragen. Zoals uit de rest van het dossier blijkt zijn inderdaad salarisbetalingen gedaan vanuit RAI aan zowel [medeverdachte] als cliënte. Daaruit volgt dat sprake is van een dienstverband, althans salarisbetalingen zoals vermeld op de werkgeversverklaringen.

37. Het enkele feit dat de kamer van koophandel andere gegevens vermeld dan deze werkgeversverklaring houdt niet noodzakelijkerwijs in dat de werkgeversverklaring valselijk is ingevuld. Zeker niet gelet op de overige inhoud van het dossier.

38. Ten aanzien van het ondertekenen van de verklaring door [betrokkene 3] geldt dat hij formeel niet bevoegd was tot het ondertekenen van deze verklaring. De vraag is echter of daarmee de inhoud van de verklaring vals is. Het ondertekenen van de verklaring door [betrokkene 3] had als praktische oorzaak dat de wel bevoegde [betrokkene 4] , zijnde de echtgenote van [betrokkene 3] daags voor het tekenen van de werkgeversverklaring was bevallen. In haar kraambed heeft zij haar echtgenoot verzocht de werkgeversverklaring te ondertekenen. In normaal Nederlands; zij had op dat moment wel iets anders aan haar hoofd. Hoewel [betrokkene 3] derhalve formeel niet bevoegd was tot het ondertekenen, deed hij dit in opdracht van de wel bevoegde [betrokkene 4] .

39. Gelet op al het voorgaande verzoekt de verdediging u cliënte van dit tenlastegelegde feit vrij te spreken. Mocht u de verdediging daarin niet volgen en tot een veroordeling komen dan verzoekt de verdediging u bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat, hoewel dan formeel sprake is van een vals geschrift, de inhoud daarvan op zichzelf niet heeft geleid tot benadeling van de bank. De in de werkgeversverklaring genoemde gelden kwamen immers wel degelijk binnen bij cliënte en haar ex-man en de verplichtingen vanuit de hypotheek zijn dan ook nagekomen tot het moment dat [medeverdachte] werd aangehouden.

40. Door het uitblijven van betalingen is de bank overgegaan tot executoriale verkoop van het pand, waarbij het volledige hypotheekbedrag is voldaan middels de verkoopopbrengsten van het pand. Van enig nadeel bij de bank is derhalve geen sprake geweest. Alhoewel dat de eventueel door u vast te stellen strafbaarheid van het feit niet wegneemt, is dit naar de mening van de verdediging wel van invloed op de strafwaardigheid, hetgeen van invloed moet zijn op de strafmaat.

15. De verdediging is in hoger beroep gekomen van de veroordeling van dit feit. In de appelschriftuur van de verdediging is al aangegeven dat cliënte zich op het standpunt stelt dat zij geen opzet heeft gehad op de valse inhoud van het geschrift en dat haar feitelijke betrokkenheid bij het geschrift onvoldoende is om bewezen te achten dat zij van dit valse geschrift gebruik heeft gemaakt.

16. Over dit feit zijn bij de raadsheer-commissaris een aantal getuigen gehoord die het standpunt van cliënte naar het oordeel van de verdediging onderschrijven. Uit de verklaringen van [medeverdachte] en [betrokkene 3] volgt de gang van zaken aangaande de totstandkoming van de werkgevers verklaringen waar het in deze om gaat. Daaruit volgt ten eerste dat cliënte daarbij geen enkele betrokkenheid heeft gehad en ten tweede dat [betrokkene 3] wel degelijk bevoegd was om de werkgeversverklaringen te ondertekenen.

17. Het eerste punt behoeft geen nadere uitleg. Cliënte is eenvoudigweg op geen enkele wijze betrokken geweest bij het invullen en ondertekenen van de werkgeversverklaringen. Er is geen enkel bewijsmiddel voor het tegendeel.

18. Het tweede punt volgt uit de verklaringen van [betrokkene 3] . Op het moment dat [medeverdachte] bij hem en zijn vrouw kwam om de werkgeversverklaringen te laten invullen, was zijn vrouw net bevallen. Het mag een ongelukkig moment genoemd worden, maar de verklaringen moesten die dag worden ingevuld. [medeverdachte] duldde geen tegenspraak, zo verklaart hij zelf bij de raadsheer-commissaris. Omdat [betrokkene 4] op dat moment door een controle door de verloskundige zelf niet in staat was de verklaring in te vullen heeft zij haar man gevraagd dat te doen. Daarmee is sprake van een mandaat bij [betrokkene 3] om de werkgeversverklaringen in te vullen. Wat hij vervolgens heeft gedaan is niets anders dan het overschrijven van de gegevens op de loonstroken die door [medeverdachte] werden voorgehouden. Meer behelst het invullen van een werkgeversverklaring ook niet. De gegevens van de loonstrook worden overgenomen op de werkgeversverklaring.

19. Daarmee is ook direct de vraag aan de orde of de werkgeversverklaring als vals kan worden beschouwd. Die is immers het gevolg van de loonstrook, welke over het algemeen als betrouwbaar mag worden verondersteld, want afgegeven door een salarisadministrateur op grond van de gegevens die de werkgever verstrekt. Als de werkgeversverklaring hier vals is, dan is de loonstrook dat ook en verlegd het (overigens niet ten laste gelegde) probleem zich naar de loonstrook.

20. Hoe dan ook, [betrokkene 3] was wel degelijk bevoegd de werkgeversverklaring in te vullen vanwege het mandaat dat hij kreeg van de, wel bevoegde, [betrokkene 4] .

21. De volgende vraag is wat cliënte nu precies gedaan heeft met die werkgeversverklaring en of zij opzet heeft gehad op de eventuele valsheid daarvan. Uit de verklaring van de intermediair in deze, [betrokkene 5] , zoals afgelegd bij de raadsheer-commissaris volgt dat zij met die werkgeversverklaring helemaal niets heeft gedaan. Alle contacten van [betrokkene 5] over de hypotheekaanvraag zijn gelopen via [medeverdachte] . Cliënte wist weliswaar dat er een pand zou worden aangekocht en dat daar een hypotheek voor werd aangevraagd, maar van de specifieke inhoud van de werkgeversverklaring was zij niet op de hoogte. Zij heeft slechts de hypotheekofferte ondertekend. Daarmee dient zij formeel ook de werkgeversverklaring in, maar de vraag is of zij daarmee opzet had op de valse inhoud daarvan.

22. Nergens blijkt dat cliënte de inhoud van die werkgeversverklaring kende. En zelfs als dat zo was, dan was die in overeenstemming met de loonstroken die daaraan ten grondslag lagen, welke loonstroken in overeenstemming waren met de salarisbetalingen die werden gedaan. Cliënte haf in dat alles geen inzicht omdat [medeverdachte] dat regelde, maar zelfs als ze er onderzoek naar had gedaan, was daar niet uit naar voren gekomen dat er sprake was van een valse inhoud. Ook [betrokkene 5] heeft in die zin verklaard. Hij verklaart dat hij de inhoud van de werkgeversverklaring controleert in die zin dat hij controleert of de gegevens overeen komen met de loonstroken of de bancaire bijschrijvingen. Bovendien controleert ook de geldverstrekker nog of een en ander klopt. Dat laatste is van belang omdat de hypotheek is vertrekt en er dus geen onregelmatigheden zijn geconstateerd door de geldverstrekker. Hoe had cliënte dat dan moeten doen? Dat kon niet omdat de werkgeversverklaring in overeenstemming was met de loonstroken en salarisbetalingen.

23. Zoals [betrokkene 5] verklaart, was cliënte niet bij gesprekken die over de werkgeversverklaring zijn gevoerd. Op grond van de inhoud van het dossier kan zelfs niet worden vastgesteld dat cliënte wist van het feit dat deze bij de hypotheekofferte werden gevoegd en zelfs als dat zo zou zijn geweest, kan niet worden vastgesteld dat cliënte kennis droeg van de vermeende valse inhoud van die stukken.

24. Uit het voorgaande volgt dat cliënte niet op de hoogte was van de inhoud van de werkgeversverklaring en al helemaal niet bij de totstandkoming daarvan betrokken was. De hele hypotheekofferte is tot stand gekomen door gesprekken tussen [medeverdachte] en [betrokkene 5] . Cliënte heeft weliswaar de hypotheekofferte ondertekend, maar daarbij geen acht geslagen op de inhoud van de werkgeversverklaring. Zij heeft dan ook geen opzet gehad op, de eventuele valse inhoud daarvan en zij had die valsheid ook niet kunnen ontdekken, nu die in overeenstemming is met de aan de werkgeversverklaring ten grondslag liggende loonstroken. In zoverre is haar positie niet anders dan die van [betrokkene 5] , welke de hypotheekofferte uiteindelijk heeft ingestuurd aan de Direktbank.

25. Heeft cliënte dan wellicht willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij met het ondertekenen van de hypotheekofferte in de bijlagen valse stukken meezond? Nee, gelet op de betrokkenheid van haar echtgenoot en een intermediair mag de kans niet als aanmerkelijk worden beschouwd dat er valse stukken zouden worden aangeleverd. Al was het maar vanwege de controle die ook de bank daar nog op uitoefent. Van die kans is zij zich in ieder geval niet bewust geweest, gelet op het al eerder aangehaalde vertrouwen dat zij had en gerechtvaardigd had op dat moment, in haar echtgenoot.

26. Gelet op al het voorgaande dient cliënte ook van dit feit derhalve te worden vrijgesproken.”

6.3.

Het middel valt blijkens de toelichting uiteen in twee deelklachten.

In de eerste plaats wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte de werkgeversverklaringen ‘heeft gevoegd of heeft doen voegen bij’ de lening. Hierover kan ik kort zijn. Uit de door het hof bevestigde bewijsvoering van de rechtbank volgt dat de rechtbank de bewezenverklaring dat de verdachte de werkgeversverklaringen “heeft gevoegd of heeft doen voegen” (onder meer) heeft afgeleid uit de verklaring van getuige [betrokkene 5] . Deze hield in dat verdachte in zijn bijzijn de hypotheekofferte heeft ondertekend en dat de werkgeversverklaringen toen “al klaar lagen.” Daaruit heeft het hof, in navolging van de rechtbank, kunnen afleiden dat de verdachte, toen zij de hypotheekofferte ondertekende, tevens de daarvoor benodigde werkgeversverklaringen bij die offerte heeft gevoegd. Ik meen dat zonder die aan de offerte ten grondslag liggende stukken een hypotheek doorgaans niet kan worden verleend. Gezien het voorgaande is het oordeel van het hof niet onjuist, noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. De deelklacht faalt.

In de tweede plaats wordt – samengevat – geklaagd dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, het opzet heeft bewezenverklaard. Voor een bewezenverklaring van art. 225 lid 2 Sv, voor zover voor de onderhavige zaak relevant, is vereist dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst. Dit betekent dat het opzet gericht moet zijn op het vals of vervalst zijn van het stuk. Voor een bewezenverklaring is voorwaardelijk opzet voldoende.19 Hiervoor is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden.20 Uit de toelichting op het middel blijkt dat in het bijzonder wordt geklaagd dat het hof voor de bewezenverklaring van opzet een verkeerde maatstaf heeft toegepast door als volgt te overwegen: “Op het moment dat verdachte de werkgeversverklaring bij de ondertekende hypotheekofferte voegde had zij niet alleen kunnen maar ook moeten zien dat de verklaringen onjuist waren ingevuld. Door toch de werkgeversverklaringen bij de offerte te voegen heeft verdachte naar het oordeel van het hof met opzet gebruik gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift.” De daarin vervatte maatstaf ‘kunnen maar ook moeten zien’ past, zoals het middel terecht betoogt, bij een culpoos delict.21 Ook uit de (deels) door het hof bevestigde (promis)bewijsvoering van de rechtbank kan niet zonder meer volgen dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de bedoelde werkgeversverklaringen,22 mede gelet op hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd. Gezien het voorgaande heeft het hof de verkeerde maatstaf toegepast, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk. Deze deelklacht slaagt.

6.4.

Het middel slaagt.

7 Het derde middel

7.1.

Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft verworpen het verweer van de verdediging inhoudende dat er geen valse en/of onjuiste informatie was vermeld op de in de tenlastelegging genoemde werkgeversverklaringen.

7.2.

Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Voor de strafbaarstelling als bedoeld in art. 225 lid 2 Sr is volgens bestendige jurisprudentie vereist dat de gebruiker het valse stuk bezigt ter misleiding van derden.23 Voor beantwoording van de vraag of een stuk vals is kunnen twee soorten valsheid worden onderscheiden. Enerzijds kan er sprake zijn van materiele valsheid, waarbij wordt beoogd het stuk te doen voorkomen alsof het afkomstig is van een ander dan de werkelijke schrijver. Daarnaast kan er sprake zijn van intellectuele valsheid, hetgeen er – kort gezegd – op neer komt dat de inhoud van het stuk in strijd is met de waarheid.24 Ook het verzuimen gegevens op te nemen of het weglaten van (specifieke) gegevens kan valsheid in geschrift opleveren.25

7.3.

Blijkens de aan het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotitie, die hiervoor onder 6.2 voor zover relevant is opgenomen en waar ik hier kortheidshalve naar verwijs, heeft de verdediging in hoger beroep (onder meer) bepleit dat hetgeen in de werkgeversverklaringen is opgenomen niet vals is. Het hof heeft dat (uitdrukkelijk onderbouwd) verweer verworpen. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat op de model-werkgeversverklaringen (samengevat) staat dat de verdachte en haar medeverdachte geen directeur/aandeelhouder zijn en dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd/vaste aanstelling genoten. Voorts staat voor de medeverdachte aangegeven dat hij als adviseur werkzaam is en voor verdachte dat zij als directrice algemeen werkzaam is. Blijkens de door het hof bevestigde vaststellingen van de rechtbank strookt het voorgaande niet met de werkelijkheid, daar (onder meer) uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de medeverdachte als directeur en enig aandeelhouder geregistreerd stond en verdachte als lid van de Raad van Commissarissen. Uit de verklaring van de medeverdachte blijkt bovendien dat hij zijn onderneming heeft overgedragen aan verdachte, in welk verband de aan hem gedane (salaris)betalingen begrepen dienen te worden. Voorts verklaren meerdere medewerkers dat verdachte nooit werkzaamheden voor de onderneming heeft verricht.

In de eerste plaats ligt in ’s hofs overwegingen besloten dat het verweer dat de model-werkgeversverklaringen niet vals zijn omdat de registratie bij de Kamer van Koophandel niet correct zou zijn, niet aannemelijk is.26 Bovendien blijkt uit ’s hofs bewijsvoering dat de medeverdachte heeft verklaard dat hetgeen hij als salaris ontving aan te merken was als te ontvangen bedragen voor de overgedragen onderneming. Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft het hof kennelijk geconcludeerd dat de medeverdachte juist wel directeur/aandeelhouder was, reden waarom het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de voor de medeverdachte afgegeven werkgeversverklaring niet strookte met de werkelijkheid. Tevens blijkt uit verklaringen van getuigen dat de verdachte nooit werkzaamheden heeft verricht voor de onderneming. Mede in aanmerking genomen dat ook de verdachte bij de Kamer van Koophandel in een andere hoedanigheid stond geregistreerd dan op de werkgeversverklaring stond aangegeven heeft het hof kennelijk geconcludeerd dat de vermelding op de werkgeversverklaringen dat de verdachte een dienstverband had waaruit zij salaris ontving niet strookte met de werkelijkheid, reden waarom ook die werkgeversverklaring als vals is aangemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd.

7.4.

Het middel faalt.

8. Het eerste en het derde middel falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan, het tweede middel is gegrond.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover aan het cassatieberoep onderworpen en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , verbalisant van de Nationale Politie, Eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2013107525, gesloten op 13 september 2014, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Offerte van Direktbank Vastgoed Hypotheken, p. 5390, 5392-5393.

3 Werkgeversverklaringen, p. 5396-5397.

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 5] , p. 6267.

5 Hypotheekakte, p. 6303.

6 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 4] , p. 0967-0968

7 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , p. 0842.

8 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 3] , p. 5676.

9 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , p. 1118.

10 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , p. 0842.

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2] , p. 0856.

12 Stb. 2006, 470. Inwerking getreden op 1 maart 2007.

13 Vlg. H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, Alphen aan de Rijn: Tjeenk Willink, 1983, p. 170-176.

14 A.E. Harteveld, Bevestigen of vernietigen, in: Liber Amicorum D.H. de Jong, Pet af, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 101-103.

15 HR 21 december 1948, NJ 1949, 135.

16 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256.

17 Vlg. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191 en HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6511.

18 Krabbe 1983, p. 174.

19 Vlg. Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, commentaar bij art. 225 Sr, aantekening 6.1 (actueel tot 14 januari 2017).

20 HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973.

21 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, § IV.5.2 (online via Kluwer Navigator).

22 De onderhavige zaak verschilt in dit verband van HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2591 met bijbehorende conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (PHR:2016:1134) waarin het (voorwaardelijke) opzet uit de bewijsmiddelen af te leiden viel.

23 Vlg. onder meer HR 14 januari 1918, NJ 1918, p. 196, HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4886 en Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, commentaar bij art. 225 Sr, aantekening 6.1 (actueel tot 14 januari 2017).

24 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, commentaar bij art. 225 Sr, aantekening 4.3 (actueel tot 14 januari 2017).

25 HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354 en Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, commentaar bij art. 225 Sr, aantekening 4.1 en 4.3 (actueel tot 14 januari 2017).

26 In die zin vergelijkbaar HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1021 en de bijbehorende conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (PHR:2016:436).