Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:881

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-02-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
16/03498
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2002
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Telen en bewerken van hennep in woning (art. 3.B Opiumwet) en diefstal d.m.v. braak van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij (art. 311.1.5 Sr). 1. Ontvankelijkheid OM in h.b. ex art. 416.3 Sv. Bevat schriftuur OvJ ’grieven’ in de zin van art. 410.1 Sv? 2. Slagende bewijsklachten.

Ad 1. Opvatting dat onder ‘grieven’ a.b.i. art. 410.1 Sv uitsluitend kunnen worden begrepen bezwaren die zich direct richten tegen in e.a. gewezen vonnis, is onjuist. Gelet op wetgeschiedenis kunnen onder 'grieven' a.b.i. art. 410.1 Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in e.a. als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Gelet hierop getuigt ‘s Hofs oordeel dat door OvJ in schriftuur aangevoerde omstandigheid, te weten dat sprake is van verwevenheid van strafzaken tegen verdachte en tegen medeverdachte vanwege samenhang in waardering van verklaringen, duidelijk maakt wat de inzet van h.b. is en derhalve een 'grief' in de zin van art. 410.1 Sv oplevert, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

Ad 2. Aangezien bewezenverklaring, inhoudende dat verdachte opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bewerkt, en voorts elektriciteit heeft "weggenomen", niet z.m. kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/03499P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03498

Mr. A.J. Machielse

Zitting: 20 februari 2018

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 1 juli 2016 voor: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur.

2. Mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een cassatieschriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste en het tweede middel keren zich tegen de beslissing van het Hof dat het OM in zijn hoger beroep ontvankelijk is en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De kern van het bezwaar van de steller van de schriftuur is dat het hof ten onrechte in de inhoud van de appelschriftuur van het OM een of meer grieven heeft gelezen. Wat in de appelschriftuur is neergelegd is van voorwaardelijke aard, zodat bij gebreke van werkelijke actuele grieven niet is voldaan aan de eisen die aan het hoger beroep van het OM worden gesteld in het eerste lid van artikel 410 Sv.

3.2. De appelschriftuur van de officier van justitie, die betrekking heeft op parketnummer 13/736009-13 (strafzaak en ontnemingsvordering), begint met het weergeven van de beslissing van de rechtbank en wijst op de samenhang tussen de zaak van verdachte en de strafzaak tegen [betrokkene 1]2, die het wenselijk maakt de zaken in hoger beroep gelijktijdig aan het hof voor te leggen. Vervolgens wordt de tenlastelegging weergegeven. Daarna is in de appelschriftuur het volgende te lezen:

"Motivering

Aanleiding

De politie is op 17 november 2013 naar de woning aan de [a-straat 1] gegaan na meldingen van omwonenden over een wietlucht.

In de woning werd inderdaad een kwekerij aangetroffen.

[verdachte] was degene die in de woning, toebehorende aan zijn stiefvader [betrokkene 1], verbleef.

[verdachte] stelt dat de kwekerij van zijn stiefvader is en dat hij hem af en toe hielp met het verzorgen van de plantjes. Hij hoefde geen huur te betalen voor de woning.

[betrokkene 1] verklaart zowel bij de politie als ter zitting dat hij niets weet van de kwekerij en dat het allemaal het werk is van zijn stiefzoon. Hij verklaart verder dat hij af en toe in de woning kwam, onder andere om post op te halen, maar dat hij verder niets heeft geroken. Dat heeft de rechtbank niet aannemelijk geacht gelet op het feit dat hij er geregeld kwam, dat zelfs omwonenden het roken en gelet op de verklaring van [verdachte].

Behandeling ter terechtzitting

De rechtbank heeft beide verdachten veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en daarbij aangenomen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] € 3000,- bedroeg (voordeel behaald door het niet te hoeven betalen van huur).

Het voordeel van [betrokkene 1] is geschat op € 64.975,-.

Daarnaast hebben beiden een werkstraf opgelegd gekregen.

De rechtbank heeft derhalve aan [betrokkene 1] een grotere rol toebedeeld in de kwekerij en de verdeling van de opbrengst dan aan [verdachte]. [betrokkene 1] heeft tegen dit vonnis appèl ingesteld.

Conclusie

Ik ben van mening dat deze zaken zo nauw met elkaar verweven zijn, met name gelet op het feit dat zij elkaar aanwijzen als de eigenaar van de kwekerij, dat zij gelijktijdig aan het Hof dienen te worden voorgelegd.

Met CONCLUSIE, dat het Gerechtshof het vonnis vernietigt en opnieuw recht doet.

Deze schriftuur bevat alle grieven en de motivering daarvan."

Deze schriftuur is ondertekend door de officier van justitie en gedateerd op 24 augustus 2015.

3.3.

Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juni 2016 houdt onder meer het volgende in:

“De advocaat-generaal draagt de zaak voor en merkt op dat het Openbaar Ministerie hoger beroep heeft ingesteld. Hij voert aan:

In de appelschriftuur lees ik niet dat er bezwaren tegen het vonnis zijn. Het appel kan derhalve als niet ingesteld worden aangemerkt.

De voorzitter maakt melding van de inhoud van de volgende bij het hof ingekomen stukken:

- een appelschriftuur van het Openbaar Ministerie van 24 augustus 2015;

- een schrijven van de verdediging van 10 november 2014.

(...)

De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering, inhoudende niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep, voor en legt die aan het hof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging:

Ik verzoek het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren.

De appelschriftuur voegt niets toe en ik heb evenmin gehoord waarom het vonnis onjuist zou zijn. In het kader van een economische procesvoering is een appel dat niets toevoegt niet opportuun.”

3.4.

In het daaropvolgend arrest heeft het hof het volgende opgenomen:

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard omdat de schriftuur van de zijde van het Openbaar Ministerie geen grieven tegen het vonnis bevat en hij, alhoewel ook hij redelijke grond ziet de zaken in hoger beroep gelijktijdig te behandelen, tegen het vonnis geen bezwaren heeft.

Het hof overweegt als volgt. Het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep is niet bij akte beperkt en ligt dus in beginsel ten volle aan het hof voor. In de op 24 augustus 2015 bij het hof ingekomen schriftuur hoger beroep is opgenomen dat de zaken van de verdachte en zijn medeverdachte zo nauw met elkaar zijn verweven, met name gelet op het feit dat zij elkaar aanwijzen als de eigenaar van de hennepkwekerij, dat zij gelijktijdig aan het hof dienen te worden voorgelegd. De schriftuur is afgesloten met de zinsnede dat de schriftuur alle grieven en de motivering daarvan bevat. De inhoud van de appelschriftuur moet zo worden begrepen, dat het hoger beroep is ingesteld teneinde te voorkomen dat, indien het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank komt, in beide zaken een veroordeling uitblijft. Dit moet worden aangemerkt als grieven in de zin van artikel 410, derde lid, Wetboek van Strafvordering en het Openbaar Ministerie is mitsdien ontvankelijk in het hoger beroep."

3.5.

Verdachte zelf heeft geen hoger beroep ingesteld. In de straf- en ontnemingszaak tegen de medeverdachte (zie voetnoot 2) hebben medeverdachte en de officier van justitie hoger beroep ingesteld. De appelschriftuur van de officier van justitie in de onderhavige zaak bevat geen grieven tegen het vonnis. Kennelijk houdt de officier van justitie rekening met de mogelijkheid dat in de appelzaken van de medeverdachte het hof tot een andere waardering komt dan de rechtbank en aan de medeverdachte een geringere rol toekent dan de rechtbank heeft gedaan en daarentegen de rol die verdachte heeft gespeeld bij de hennepkwekerij van groter gewicht oordeelt. Kennelijk gaat het in de zaken tegen verdachte en zijn medeverdachte om communicerende vaten in die zin, dat het zwaartepunt in de strafrechtelijke verantwoordelijkheid komt te liggen bij de medeverdachte als de rechter geloof hecht aan de verklaringen van verdachte, en andersom. Het hof heeft daarin het belang gezien van het appel van de officier van justitie.

3.6.

De eerste volzin van het eerste lid van artikel 410 Sv houdt in dat de officier van justitie binnen 14 dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indient op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. Het derde lid van artikel 416 Sv bepaalt dat, indien van de zijde van het OM geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 Sv is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Deze bepalingen zijn ingevoerd bij Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470 (stroomlijnen hoger beroep). In de Memorie van toelichting schrijft de Minister dat het redelijk is om de officier van justitie die appel instelt te verplichten een schriftelijke appelmemorie in te dienen:

“Artikel 410 van het Sv wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw). Het ligt in de rede, dat de officier van justitie voor het instellen van appèl en het opstellen van zijn appèlmemorie overleg voert met de Advocaat-generaal in het ressortsparket. Hierdoor kan de kwaliteitstaak van de Advocaat-generaal beter invulling krijgen (zie ook C. P. M. Cleiren, Een tweede kans voor de tweede lijn. Het waarborgen van de juridische kwaliteit als opdracht voor het ressortsparket en de AG, in TREMA, 2005/1, p. 1–9).

Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming.” 3

En:

“Het wetsvoorstel geeft de rechter in hoger beroep nog wel de ruimte om ambtshalve toch tot behandeling van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep over te gaan, ook al zijn schriftelijke grieven niet of niet tijdig ingediend. Het is dan aan de rechter te bepalen of dan wel andere gevolgen aan het vormverzuim moeten worden verbonden.” 4

En:

“Het enkele ingebreke blijven van de officier van justitie bij de schriftelijke opgave van grieven is een vormverzuim dat zal kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep.” 5

Wanneer de officier zou nalaten een schriftuur houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis in te dienen is er sprake van een vormverzuim.6 In het Verslag stelden enige kamerleden de vraag of de Regering het OM niet teveel ruimte bood. Vergeetachtigheid lijkt te worden beloond. Het gaat om een professionele rechtsbeoefenaar aan wie bepaaldelijk eisen kunnen worden gesteld. Kortom: geen grieven, geen appel.7 De Minister antwoordde dat invoering van een verplichting om grieven in te dienen op straffe van niet-ontvankelijkheid van het appel zou neerkomen op het invoeren van een grievenstelsel. Zo een verplichting zou onvoldoende recht doen aan de volledige eigen verantwoordelijkheid van de strafrechter voor een juiste beantwoording van de kernvragen van het strafgeding. De strafrechter heeft een eigen verantwoordelijkheid en speelt een actieve rol. Daarmee zou het moeilijk te verenigen zijn dat de rechter pas aan zijn onderzoek zou kunnen toekomen als grieven zijn ingediend. De Minister vervolgt dan aldus:

“Het voorgaande laat twee dingen onverlet. Ten eerste dat in het wetsvoorstel de indiening van een schriftuur door het OM is vormgegeven als een wettelijke verplichting, waarvan niet-nakoming een vormverzuim oplevert.

Ten tweede dient de rechter van zijn ambtshalve onderzoeksvrijheid met beleid gebruik te maken opdat, zoals deze leden zelf aangeven, het recht van hoger beroep niet te vrijblijvend wordt.” 8

In de Memorie van antwoord aan de Eerste Kamer schreef de Minister in antwoord op vragen van leden van deze Kamer naar de impact van de invoering van een soort grievenstelsel, dat de voorstellen van de regering geen grievenstelsel inhouden in die zin dat de appellant op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep een schriftuur zou moeten indienen en dat de rechter in hoger beroep geen onderzoek zou mogen doen buiten de aangevoerde grieven om:

“Het gerechtshof kan dus wel degelijk op punten acht slaan waarover geen grief is geformuleerd, zelfs als in het geheel geen schriftuur is ingediend.” 9

3.7.

De Hoge Raad heeft zich deze wetsgeschiedenis ter harte genomen. Dat een appelschriftuur van het OM niet binnen de 14 dagen na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de rechtbank is ontvangen leidt niet automatisch tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van het OM. Aldus oordeelde de Hoge Raad in een zaak waarin het hof voorop had gesteld dat het aan de rechter is om te beslissen wat het gevolg moet zijn van het niet-indienen van de schriftuur, bedoeld in artikel 410 Sv. Het hof had voorts overwogen dat de inhoud van de schriftuur genoegzaam duidelijk maakt op welke gronden het OM bij het hof in hoger beroep was gekomen en dat een te late indiening van de schriftuur voor het hof geen beletsel vormde voor een adequate voorbereiding van de behandeling ter zitting. Tot slot vond het hof dat het belang van de strafzaak zodanig is dat dat behoort te prevaleren boven het belang van sanctionering van het gewraakte verzuim. De Hoge Raad overwoog:

"2.6. Mede in het licht van de wetsgeschiedenis geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent het te hanteren toetsingskader bij de beantwoording van de vraag welke gevolgen dienen te worden verbonden aan het niet (tijdig) indienen van een appelschriftuur door het openbaar ministerie.

Voor zover het middel klaagt dat het Hof in zijn beoordeling ten onrechte niet het belang van de verdediging heeft betrokken steunt het op de stelling dat "in het onderhavige geval de verdediging daadwerkelijk hinder [heeft] ondervonden" door de te late indiening van de appelschriftuur. Die klacht faalt, reeds omdat niet blijkt dat die stelling in feitelijke aanleg is betrokken. Voor een onderzoek daarnaar is in cassatie geen plaats." 10

In 2010 bracht de Hoge Raad wat nadere verfijning aan. Eerst herhaalde hij dat het derde lid van artikel 416 Sv niet alleen van toepassing is indien geen schriftuur wordt ingediend maar ook als een schriftuur niet tijdig is ingediend. Voorts merkte de Raad op dat uit de tekst noch uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat de rechter uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de officier van justitie kan uitspreken. Een niet-ontvankelijkverklaring kan ook na dat onderzoek worden gegeven. Tot slot overwoog de Hoge Raad in deze zaak, waarin het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard in zijn appel:

"2.7.2. De beantwoording van de vraag of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om een appelschriftuur in te dienen, is in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Het oordeel van het Hof, daarop neerkomend, dat het belang van het ingestelde beroep in het onderhavige geval niet vergt dat een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in het beroep achterwege dient te blijven, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk." 11

Ik wijs voorts op HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0079 waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof dat een geschrift met de titel 'Appelschriftuur' gelet op de inhoud daarvan niet als een appelschriftuur van het OM in de zin van artikel 410 Sv was aan te merken, niet onbegrijpelijk oordeelde, evenmin als de conclusie die het hof daaraan verbond, te weten de niet-ontvankelijkverklaring van het OM. De Hoge Raad benadrukte nogmaals het autonome karakter van de beoordeling en weging van de feitenrechter.12

3.8.

Het voorgaande leidt mij tot de conclusie dat, ongeacht of het hof ten onrechte het geschrift van de officier van justitie als een schriftuur, houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 Sv, heeft aangemerkt, het aan het hof heeft vrijgestaan om het OM in het hoger beroep te ontvangen gelet op het feit dat de beslissing die het hof diende te nemen op het hoger beroep van de medeverdachte repercussies zou kunnen hebben voor de strafrechtelijke positie van verdachte.

Beide middelen falen.

4.1.

Het derde en vierde middel klagen over het bewijs van respectievelijk feit 1 en feit 2. De gebezigde bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 niet dragen. Ten onrechte heeft het hof de verklaringen van verdachte ongeloofwaardig geacht en aan de verklaringen van de medeverdachte wel geloof gehecht. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

4.2.

Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"feit 1:

hij in de periode 1 maart 2011 tot en met 17 november 2011 te Amsterdam Zuidoost, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt, in een pand aan [a-straat 1], een hoeveelheid van in totaal 288 hennepplanten;

feit 2:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2011 tot en met 17 november 2011 te Amsterdam Zuidoost, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, 56.812 kHw, toebehorend aan Liander N.V., gevestigd te Lelystad, waarbij hij, verdachte, het weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door het aanbrengen van een illegale elektriciteitsaansluiting die buiten de meter om een in die woning aanwezige en in werking zijnde hennepplantage van elektriciteit voorzag."

4.3.

Deze bewezenverklaring is voorafgegaan van een bewijsoverweging met de volgende inhoud:

"Na een anonieme melding, waarin is aangegeven dat een flinke wietlucht rond het pand [a-straat 1] te Amsterdam Zuidoost hing, en de waarneming van een warmtebron bij hetzelfde pand zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het pand binnengetreden. Op de trap roken zij niet alleen de hen bekende henneplucht, maar zagen zij ook hennepresten. Bij de deur van de woning stonden twee vuilniszakken met daarin aarde en plantenresten. Op de eerste verdieping werd vervolgens een in werking zijnde hennepkwekerij, verdeeld over twee afgesloten ruimtes, aangetroffen. De verdachte was tijdens het binnentreden in het pand aanwezig. Hij heeft bij de politie verklaard dat zijn stiefvader de medeverdachte [betrokkene 1], het pand huurde en dat [betrokkene 1] hem ongeveer een jaar om niet in de woning heeft laten verblijven.

In de hennepkwekerij zijn sporen veiliggesteld, in beslag genomen en onderzocht. Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat vingerafdrukken van de verdachte zijn aangetroffen op een van de assimilatielampen die boven de planten hingen, alsmede op een stuk tape op een doos met daarin piepschuim platen.

Op basis van de in de woning aangetroffen witte, op kalk gelijkende aanslag op het grondzeil en de irrigatiebuizen, stofaanslag op de deursponningen, hennepaanslag op de deurposten, hennepschaartjes en verlichtingsschakelaars, en (zeer) vervuilde koolstoffilters meldt Liander in de aangifte dat er vermoedelijk sprake is geweest van tenminste drie eerdere oogsten.

[betrokkene 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij het pand sinds ongeveer vijf jaren huurde, maar dat hij voornamelijk in de woning van zijn (thans ex-)partner in Almere verbleef. Ongeveer tweemaal per maand kwam hij in de woning in Amsterdam Zuidoost. Wanneer hij enkel de post kwam halen, zoals het geval was een dag voor de ontmanteling van de kwekerij, bleef hij op de begane grond. Hij ging wel eens naar het toilet op de eerste verdieping, maar meestal liep hij naar het woongedeelte op de tweede verdieping. Hij heeft tot slot verklaard niets af te weten van de hennepkwekerij en nooit een wietlucht in de woning te hebben geroken.

De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd. Op 17 november 2011 heeft hij bij de politie verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat zich in de woning een hennepkwekerij bevond, dat deze kwekerij van zijn stiefvader was en dat hij de planten niet heeft verzorgd. Tijdens het verhoor op 18 november 2011 heeft hij verklaard dat hij wel eens heeft geholpen: hij heeft wel eens gepompt en samen met een ander geknipt, en af en toe heeft hij wat geld van [betrokkene 1] ontvangen. Voorts heeft hij verklaard dat de kwekerij nog niet was opgebouwd op het moment dat hij de woning betrok, maar dat alle spullen er al wel stonden, dat er zeker eenmaal is geoogst en dat het voor hem duidelijk was dat de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat er naar zijn idee tweemaal is geoogst.

Gelet op de aangetroffen situatie ter plaatse, bovengenoemde verklaringen van [betrokkene 1] en de omstandigheid dat vingerafdrukken van de verdachte op twee verschillende plaatsen in de hennepkwekerij zijn aangetroffen, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, zijn de verklaringen van de verdachte, die erop neerkomen dat hij slechts zijdelings bij de kwekerij betrokken is geweest, niet geloofwaardig. Het hof gaat ervan uit dat hij degene is geweest die de kwekerij heeft ingericht of doen inrichten, de hennep heeft geteeld en de elektriciteit heeft gestolen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

Nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat de verdachte de feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zal hij van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken."

4.4.

Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een aanvulling verkort arrest waarin verwezen wordt naar de bewijsmiddelen in het vonnis waarvan beroep onder het kopje "5. Bewijs", welke bewijsmiddelen het hof nog heeft aangevuld met drie processen-verbaal van bevindingen, houdende de resultaten van dactyloscopisch onderzoek. De rechtbank had verdachte veroordeeld voor 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en C, van de Opiumwet gegeven verbod, en 2: Medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

4.5.

Ik stel voorop dat de stelling die in het middel wordt betrokken, inhoudende dat het hof de verklaringen van [betrokkene 1] wel geloofwaardig heeft geoordeeld, wordt gelogenstraft door het feit dat het hof [betrokkene 1] op 1 juli 2016 heeft veroordeeld voor 1 subsidiair: Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

4.6.

Het hof heeft het bewijs van feit 1 onder meer gebaseerd op de verklaringen van verdachte, waarin is opgenomen dat hij heeft geholpen met klusjes aan de hennepplantage en dat hij wel eens heeft geknipt en gepompt. Voorts heeft het hof relevant geacht dat vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen op een stuk uitgeknipte aluminium lampenkap van de assimilatielampen en op een stuk tape, waarvan het hof vermeldt dat die tape was bevestigd op een doos met daarin piepschuimplaten, maar van welke tape geen spoor is te vinden in de gebezigde bewijsmiddelen behoudens dat op een stuk tape vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen.

4.7.

Wat dus vaststaat is dat in de woning waar verdachte woonde een hennepkwekerij is aangetroffen, dat verdachte daar wetenschap van had en wel eens heeft geholpen met klusjes en wel eens heeft geknipt en gepompt. Het aantreffen van een dactyloscopisch spoor op een uitgeknipte lampenkap voegt daar nauwelijks iets aan toe. Naar mijn mening zou de vastgestelde bijdrage van verdachte aan de hennepkwekerij hoogstens als medeplichtigheid kunnen worden aangemerkt maar niet als een betrokkenheid van een zodanige intensiteit en zeggenschap dat verdachte als solopleger kan worden aangewezen. Het bewijs van feit 2 is naar mijn oordeel eveneens ontoereikend. Vaststaat dat de meter is gesaboteerd en dat er elektriciteit is gestolen ten behoeve van de kwekerij, maar van enigerlei bemoeienis van verdachte kan uit de bewijsvoering niet blijken.13

Het derde en vierde middel komen mij voor gegrond te zijn.

5. De middelen 1 en 2 falen. Zij kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het derde en vierde middel lijken mij terecht te zijn voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die overigens tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaken nr. 16/03498 en 16/03499 (beide inzake [verdachte]) hangen samen. In beide zaken wordt vandaag conclusie genomen.

2 Als ik me niet vergis heeft het hof ook op 1 juli 2016 arrest gewezen in de zaak tegen deze medeverdachte (ECLI:NL:GHAMS:2016:2821). Het hof heeft hem veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk. Ook in die zaak heeft de officier van justitie klaarblijkelijk een appelschriftuur ingediend, die dezelfde strekking en inhoud heeft als de appelschriftuur die in de onderhavige zaak is toegekomen. Ook heeft het hof op 1 juli 2016 arrest gewezen in de ontnemingszaak tegen deze medeverdachte en de vordering afgewezen omdat het hof de medeverdachte enkel voor medeplichtigheid tot het telen van hennep heeft veroordeeld en het hof het niet aannemelijk acht dat veroordeelde uit die hennepteelt voordeel heeft behaald (ECLI:NL:GHAMS:2016:2822).

3 Kamerstukken II 2005/06, 30320, 3, p. 10-11.

4 Ibidem, p. 36.

5 Ibidem, p. 39.

6 Ibidem, p. 51; Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2005/06, 30320, 6, p. 4.

7 Kamerstukken II 2005/06, 30320, 5, p. 4.

8 Kamerstukken II 2005/06, 30320, 6, p. 4.

9 Kamerstukken I 2005-/06, 30320, C, p. 2.

10 HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4078.

11 HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0910.

12 Zie ook HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709 r.o. 2.4.4; HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2340.

13 Vgl. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:189.