Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:876

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
17/04112
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2152
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de vraag of hennepzaden onder het bereik van art. 11a Opiumwet kunnen vallen. De AG is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat de Hoge Raad het cassatieberoep dient te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04112 B

Zitting: 2 oktober 2018

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, heeft bij beschikking van 8 augustus 2017 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op hennepzaden, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3 Het beklag en het oordeel van de rechtbank daarover

3.1.

In deze zaak gaat het om de inbeslagneming op grond van art. 94 Sv onder de klager van een hoeveelheid hennepzaden. De inbeslagneming vond plaats in het kader van een verdenking van betrokkenheid bij het telen van hennep en de voorbereiding daarvan. Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van de hennepzaden en daarin is het volgende aangevoerd:

‘’(…) Deze hennepzaden zijn echter niet vatbaar voor inbeslagneming in de zin van art. 94 Sv., omdat zij niet kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, terwijl evenmin verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Immers, het bezit van hennepzaden is ingevolge lijst II van de Opiumwet niet strafbaar, nu volgens die lijst onder hennep moet worden verstaan: “elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden”. Nog daargelaten of hennepzaden voorwerpen en stoffen zijn in de zin van art. 11 a Opiumwet, er zijn onvoldoende aanwijzingen dat deze zaden zijn bestemd voor grootschalige of bedrijfsmatige teelt van hennep, zodat ook art. 11 a Opiumwet geen toepassing kan vinden;

Omdat deze hennepzaden niet vatbaar zijn voor inbeslagneming in de zin van art. 94 Sv. en omdat er geen sprake is van beslag als bedoeld in art. 94 a Sv., moeten deze hennepzaden aan klager worden teruggegeven; (…)’’

3.2.

Volgens het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 25 juli 2017 is namens de klager daarnaast het volgende naar voren gebracht:

‘’(…) De klager voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ongeveer 40 jaar geleden ben ik met hennepzaden in aanraking gekomen. Als je toen een zakje wiet kocht, zaten er hennepzaden bij in. Dat leverde mij een hobby op. Ik schijn er goed in te zijn en ik vind het hartstikke leuk om te doen. Ik heb dat sindsdien altijd als hobby gehad. Als u mij zou vragen welke waarde de zaden zouden vertegenwoordigen, dan zou ik u het antwoord schuldig moeten blijven. Als ik een zakje wiet bij de coffeeshop haalde, dan werden de zaadjes juist altijd weggegooid. Ik bewaarde de zaadjes omdat het een hobby van mij is. Er is een aantal zaden in beslag genomen, waarvan een gedeelte eigenlijk weggegooid zou moeten worden, maar ook een gedeelte waar ik mee gewerkt heb.

De rechter vraagt klager wat hij van het standpunt van het openbaar ministerie - dat de hennepzaden de hennepteelt bevorderen - vindt, waarop klager antwoordt, zakelijk weergegeven:

Dat is vreemd. Ik heb een aantal invallen gehad omdat ik een growshop heb gehad in [plaats]. Toen werd er een aantal spullen meegenomen, maar de zaden werden nooit meegenomen: Nu ineens worden de zaden wel meegenomen. Het lijkt alsof het een opgezet plan was om de zaden weg te halen. Die growshop heb ik al een jaar of vijf niet meer. Ik heb de zaden sinds oktober 2015 niet meer. Er zit een behoorlijk aantal jaren werk in de zaden.

De klager antwoordt op de vraag van de raadsman of klager nog steeds voor zichzelf kweekt, zakelijk weergegeven:

Op dit moment niet. Als de zaden weer worden vrijgegeven ga ik er graag weer mee verder. Daar heb ik mijn zaadjes voor nodig. Het is een hobby voor eigen gebruik. Ik verkoop de zaden niet aan hennepkwekers. Ik heb vaker met dit bijltje gehakt ten aanzien van politie en justitie. Dit is gebeurd omdat ik in de growshopwereld heb vertoefd. Ik ben in cassatie tegen de taakstraf die het Hof mij heeft opgelegd.

(…)

De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik wil graag drie punten aanvoeren. Ten eerste heeft deze zaak een principieel karakter. Het zaad waar het om gaat staat niet op de lijst in bijlage 2 van de Opiumwet. De zaden worden zelfs met zoveel woorden uitgezonderd. In beginsel vallen hennepzaden dus niet onder de reikwijdte van de Opiumwet, dus kunnen de zaden niet verbeurd worden verklaard. De invoering van artikel 11a Opiumwet bracht hier echter verandering in. Het artikel is bedoeld om het faciliteren van hennepteelt strafbaar te stellen. De vraag is echter of hennepzaden wel onder dit verbod vallen. Ten tweede zijn hennepzaden geen stoffen of voorwerpen in de zin van artikel 11a Opiumwet. Het woord “zaad” veronderstelt iets wat levend is en een stof of voorwerp is dat niet. Ik stel mij daarom op het standpunt dat de zaden niet onder artikel 11a Opiumwet vallen. Ook in de wetsgeschiedenis komt zaad niet voor. De wetgever heeft bij de invoering van het growshopverbod iets laten liggen waar in de praktijk wel behoefte aan is. Het growshopverbod is een gebrekkig wetgevend product. Er is niks geschreven over zaden, maar wel over filters, lampen etc. en dat zijn dus wel voorwerpen of stoffen. Tot slot wil ik aanvoeren, indien u van mening bent dat het hennepzaad wel onder de reikwijdte van de Opiumwet valt, dat het growshopverbod enkel betrekking heeft op de uitoefening van een beroep of bedrijf of een grote hoeveelheid. In casu had cliënt de zaden niet in dat kader voorhanden. Er is geen sprake van grootschaligheid. De wetsgeschiedenis is daar heel duidelijk over. Het wetsvoorstel beoogt een betere strafrechtelijke aanpak van de beroeps hennepteelt en de grote hoeveelheid. Van een grote hoeveelheid is geen sprake, want op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen staan slechts twee koffers, één doos en drie zakjes zaden. Als er grootschalig of bedrijfsmatig zou zijn gehandeld dan zouden er ook andere voorwerpen op de beslaglijst moeten staan. Er staan slechts voorwerpen op die je niet voor een grootschalige of beroepsmatige kweek aanwezig hebt, maar enkel voor je hobby. Samenvattend is primair en subsidiair mijn standpunt dat hennepzaden niet onder de Opiumwet en het growshopverbod vallen. Cliënt mocht deze zaden voorhanden hebben. Hij heeft ze niet verkocht, want ze waren puur voor eigen gebruik. Zijn hobby is om een diversiteit aan planten te kweken. De bedoeling was om mooie soorten en rassen te maken en die dan uit te proberen door ze te roken. Er is geen juridische grond om het beslag op de zaden te laten voortduren. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat de rechter later de zaden zal verbeurdverklaren. (…)’’

3.3.

De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daarbij, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘’Overwegingen

Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.

De raadsman van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat hennepzaden in beginsel niet vallen onder de Opiumwet omdat deze worden uitgezonderd op lijst II behorende bij de Opiumwet. Daarnaast is het de vraag of hennepzaden onder het verbod in artikel 11a van de Opiumwet vallen. Tenslotte heeft de raadsman van klager aangevoerd dat er geen andere goederen zijn aangetroffen die de hennepteelt kunnen bevorderen en dat er daardoor onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze zaden zijn bestemd voor grootschalige of bedrijfsmatige teelt van hennep, zodat artikel 11a Opiumwet geen toepassing kan vinden.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave en daartoe aangevoerd dat klager wordt verdacht van betrokkenheid bij het telen van hennep en hennepstekken. Voorts wordt hij, gelet op het aantreffen van een groot aantal hennepkwekerij-gerelateerde goederen, verdacht van het voorbereiden van hennepteelt (artikel 11a).

Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen de teruggave van de hennepzaden aan klager. De rechtbank overweegt dat, gezien het feit dat klager wordt verdacht van het voorbereiden van hennepteelt in combinatie met de hoeveelheid in beslag genomen hennepzaden en de andere in beslag genomen goederen, waaronder een elektrische weegschaal, 2 brokken hashish van in totaal 250 gram en een grote hoeveelheid (verschillende maten) gripzakjes, in geval van bewezenverklaring verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de hennepzaden mogelijk is. Hierdoor dient het beslag voort te duren omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, hetgeen in beslag is genomen zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. Het klaagschrift zal derhalve ongegrond worden verklaard.’’

4 Het middel

4.1.

Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag en valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het verweer dat hennepzaad is uitgezonderd van lijst II behorende bij de Opiumwet en hennepzaad ook niet is aan te merken als ‘stoffen’ of ‘voorwerpen’ als bedoeld in art. 11a Ow. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van de rechtbank dat de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de hennepzaden niet hoogst onwaarschijnlijk is, onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel zijn de hennepzaden en de andere inbeslaggenomen voorwerpen niet bestemd voor de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. Dit klemt te meer aangezien door de klager is aangevoerd dat het bewaren van de hennepzaden een hobby was en dat zij niet werden verkocht aan hennepkwekers.

4.2.

Uit namens mij ingewonnen inlichtingen bij de Dienst Domeinen is gebleken dat thans nog beslag rust op de hennepzaden en dat het gaat om meerdere zakjes en dozen met hennepzaad. Het dossier leert dat het gaat om naar schatting totaal 5000 hennepzaden.1 De rechtbank heeft vastgesteld dat de hennepzaden op 13 oktober 2015 op grond van art. 94 Sv in beslag zijn genomen onder de klager en dat de klager daar geen afstand van heeft gedaan. In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.2 Het belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.3

4.3.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende relevant. Hennepzaad is blijkens de definitie van ‘hennep’ op lijst II behorende bij de Opiumwet (Ow) uitgezonderd van de lijst van stoffen waarvoor de verboden handelingen van artikel 3 Ow gelden en kan als zodanig dus worden aangemerkt als een legaal product.4 Hennepzaad wordt immers ook gebruikt voor andere doeleinden dan die van de (illegale) cannabisteelt, bijvoorbeeld voor het telen van hennep ten behoeve van het maken van olie en voor het gebruik als vogelvoer, visvoer en humaan voedingsmiddel (superfood).5 Per 1 maart 2015 zijn echter handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de handel in en productie of teelt van middelen vermeld op lijst II – waaronder hennep – strafbaar gesteld in het nieuwe art. 11a Ow.6 Dit artikel luidt als volgt:

‘’Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.’’

4.4.

Bij de invoering van het nieuwe art. 11a Ow richtte de wetgever zich met name op de voorbereiding van illegale hennepteelt, dat wil zeggen het bevorderen van de beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt als bedoeld in art. 11 lid 3 en lid 5 Ow.7 Of sprake is van bedrijfsmatige hennepteelt in de zin van art. 11 lid 3 Ow wordt onder meer beoordeeld aan de hand van de indicatoren in bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet.8 Als grote hoeveelheid in de zin van art. 11 lid 5 Ow wordt blijkens art. 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit aangemerkt 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet.9 Art. 11a Ow heeft dus geen betrekking op het bevorderen van de ‘hobbykweker’.

4.5.

Op vragen van Kamerleden antwoordde de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie Van der Steur dat sinds de invoering van het nieuwe art. 11a Ow ook hennepzaden onder de reikwijdte van de strafwet kunnen vallen, onder meer indien men die zaden voorhanden heeft ten behoeve van de illegale grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt. Uit het enkele feit dat hennepzaden in de wetsgeschiedenis van art. 11a Ow niet worden genoemd, kan volgens de Minister niets worden afgeleid. Dit omdat de wel genoemde voorwerpen steeds bij wijze van voorbeeld zijn genoemd zonder dat de indruk is gewekt van een uitputtende opsomming.10

4.6.

Het oordeel van de Minister komt mij juist voor. De stelling dat stoffen en voorwerpen als bedoeld in art. 11a Ow niet “levend” kunnen zijn, vindt noch in de tekst van het artikel, noch in de geschiedenis ervan steun. De ratio legis pleit evenmin voor een dergelijke uitleg. Integendeel, zou ik zeggen. Anders zou ook het verhandelen van hennepstekjes buiten het bereik van art. 11a Ow vallen.

4.7.

Wat betreft de eerste deelklacht ligt in het oordeel van de rechtbank besloten dat hoewel hennepzaden zijn uitgezonderd van lijst II van de Opiumwet, zij wel als stoffen of voorwerpen in de zin van art. 11a Ow kunnen worden aangemerkt. Gelet op bovenstaande getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en in aanmerking genomen dat art. 359 lid 2 Sv niet van toepassing is in een beklagprocedure was de rechtbank niet gehouden haar oordeel daaromtrent nader te motiveren.11 De eerste deelklacht faalt.

4.8.

Dan blijft over de klacht dat de hennepzaden en de andere inbeslaggenomen voorwerpen niet bestemd zouden zijn voor de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, zodat het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal overgaan, onbegrijpelijk is. In dat verband is, zoals de steller van het middel aanvoert, relevant dat de klager tijdens de raadkamerbehandeling onder meer heeft verklaard dat het bewaren van de hennepzaden een hobby was en dat zij niet werden verkocht aan hennepkwekers.

4.9.

Ik stel voorop dat de beklagrechter niet te ver op het oordeel van de later oordelende strafrechter mag vooruitlopen. Alleen als het hoogst onwaarschijnlijk is dat die strafrechter zal oordelen dat de hennepzaden en andere inbeslaggenomen voorwerpen bestemd waren voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt kan de beklagrechter in hetgeen de klager met betrekking tot de bestemming van de zaden heeft aangevoerd, reden vinden om het beklag gegrond te verklaren.12 Wel nu, de rechtbank heeft acht geslagen op de (grote) hoeveelheid inbeslaggenomen zaden en op de andere inbeslaggenomen goederen (de weegschaal, de hashish en de gripzakjes), die als aan de hennepteelt en aan de handel in de producten daarvan gerelateerde goederen kunnen worden aangemerkt. Gelet daarop kan ik het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal volgen, niet onbegrijpelijk vinden. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd. De tweede deelklacht faalt derhalve eveneens.

5. Het middel faalt. De tweede deelklacht kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal politie d.d. 2 juni 2016, p. 15.

2 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8.

3 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.9.

4 Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 3014, p. 3. Hennep wordt op lijst II als volgt gedefinieerd: ‘’elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’’.

5 Zie bijvoorbeeld Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 3014, p. 3.

6 Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt, Stb. 2014, 444 en Stb. 2014, 489.

7 Kamerstukken II 2010/11, 32842, 3, p. 1-3.

8 Stcrt. 2015, 5391.

9 Besluit van 9 december 2002, Stb. 2002, 624, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 29 oktober 2012, Stb. 2012, 550, i.w.tr. op 8 januari 2013.

10 Zie de beantwoording van vragen door de Minister, Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 3014, p. 2.

11 Vgl. HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2281.

12 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.2.; Vgl. HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2006.