Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:782

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-05-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
18/00254
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1218, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Arbeidsrecht; Wwz. Doorbetaling loon na terecht ontslag op staande voet? In behandeling nemen niet nodig vanwege uitspraak (vandaag) in de zaak met nummer 17/04244.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/204
Verrijkte uitspraak

Conclusie

18/00254

Mr. R.H. de Bock

22 mei 2018

Conclusie als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv t.a.v. prejudiciële vragen in de zaak:

Amsterdam Meat Company Ameco BV.

tegen


[verweerder]

1. Bij tussenuitspraak van 16 januari 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:115) heeft het gerechtshof Amsterdam in een appelprocedure, gericht tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2016, geconstateerd dat verschillend wordt gedacht over de vraag of in een situatie waarin het hof van oordeel is dat een door de kantonrechter vernietigd ontslag op staande voet wél terecht is gegeven, de werknemer – die na de vernietiging van het ontslag niet is toegelaten tot het werk – recht heeft op loon over de periode vanaf het ontslag op staande voet tot aan het moment dat het hof in hoger beroep de arbeidsovereenkomst beëindigt. Meer in het bijzonder wordt verschillend gedacht over de vraag of het niet verrichten van de arbeid door de werknemer in deze situatie, een omstandigheid vormt als bedoeld in artikel 7:628 lid 1 BW, namelijk een oorzaak die in beginsel in redelijkheid niet voor rekening van de werkgever behoort te komen.
Het hof heeft zijn voornemen kenbaar gemaakt prejudicieel hierover vragen aan de Hoge Raad te stellen. Het hof heeft partijen op de voet van art. 392 lid 2 Rv gelegenheid gegeven zich hierover uit te laten.1

2. Bij tussenarrest van 17 april 2018 (niet gepubliceerd) heeft het gerechtshof Amsterdam de volgende vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:


“1. Dient na een ontslag op staande voet vanwege een door het hof in tegenstelling tot de kantonrechter aangenomen dringende reden aan de kant van de werknemer, de werkgever het loon in beginsel integraal door te betalen vanaf datum ontslag?

2. Dient voor de beoordeling van die verplichting van de werkgever getoetst te worden aan het bepaalde in artikel 7:627 en 7:628 BW en welke betekenis komt daarbij toe aan het door het hof geoordeelde bestaan van een dringende reden?

3. Dient voor de beoordeling nog een onderscheid te worden gemaakt tussen de periode tot aan de datum van de uitspraak van de kantonrechter en de periode nadien tot aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het hof?

4. Kan of dient de omstandigheid dat het hof het bestaan van een dringende reden heeft aangenomen nog van invloed (te) zijn op de eventuele loonmatiging als bedoeld in artikel 7:680a BW?

5. Biedt de omstandigheid dat het hof het bestaan van een dringende reden heeft aangenomen nog een basis om met toepassing van art. 6:248 lid 2 BW de gehele loonvordering af te wijzen?”

3. Op de voet van art. 393, lid 1 en lid 8, Rv, in verbinding met art. 3.3.6.1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2017/5928), heeft de Hoge Raad mij in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. In dit stadium wordt slechts getoetst of de door het gerechtshof gestelde vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing en of deze vragen van voldoende gewicht zijn om beantwoording door de Hoge Raad te rechtvaardigen.

4. Door partijen is onderkend dat over de kwestie die in de prejudiciële vragen aan de orde wordt gesteld, ook reeds een zaak aanhangig is bij de Hoge Raad (namelijk de zaak met nummer 17/04244).2 Ameco stelde voor de uitkomst van die procedure af te wachten alvorens de onderhavige prejudiciële te stellen. [verweerder] refereerde zich op dit punt aan het standpunt van het hof. Het hof heeft geen aanleiding gezien om de voorstelde vragen niet aan de Hoge Raad voor te leggen.

5. Op zichzelf zijn de gestelde vragen van voldoende gewicht om beantwoording door de Hoge Raad te rechtvaardigen en lenen zij zich voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Maar gelet op de reeds aanhangige zaak met nummer 17/04244, waarin alle onderwerpen die in de vragen aan de orde worden gesteld ook ter beoordeling voorliggen en waarin ik op 25 mei 2018 zal concluderen, adviseer ik de prejudiciële vragen niet in behandeling te nemen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Bij arrest van 30 januari 2018.

2 Zie de akte uitlaten van 27 maart 2018 van [verweerder] , onder punt 2, alsmede de brief van Ameco van 23 februari 2018.