Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:771

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
17/02128
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Vertaling van de mededeling a.b.i. art. 366, vierde lid, Sv. Samenhang met 17/04932.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02128

Zitting: 10 juli 2018

(bij vervroeging)

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 2 september 2004 wegens “mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (17/04932). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld.1 Namens hem heeft mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Alvorens het middel te bespreken, verdient de vraag naar de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn cassatieberoep de aandacht.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van belang, het volgende in:

(i) Op de terechtzittingen in eerste aanleg van 21 januari 1998 en 14 april 1998 zijn de verdachte en zijn raadsman verschenen. Op de (laatste inhoudelijke) terechtzitting in eerste aanleg van 16 februari 2000 is de verdachte niet verschenen. De uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman is wel verschenen. De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld wegens mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

(ii) Op 9 maart 2000 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

(iii) De dagvaarding van de verdachte om in hoger beroep te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 19 augustus 2004 is op 7 juli 2004 op de griffie van de rechtbank Amsterdam betekend.2 Uit de stukken uit het (toenmalig) GBA-register en de betekeningsakte blijkt dat de verdachte ten tijde van de (poging tot) betekening ingeschreven stond op een niet bestaand adres. Uit de stukken valt voorts af te leiden dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep niet was gedetineerd.

(iv) Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2004 is de verdachte niet verschenen. De niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman van verdachte is wel ter terechtzitting verschenen. Tegen de verdachte is verstek verleend. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, waarna het onderzoek is afgesloten. Het hof heeft op 2 september 2004 uitspraak gedaan. Het hof heeft de verdachte wegens mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, veroordeeld (parketnummer 23-001196-01).

(v) De verdachte heeft op 2 juli 2016 in persoon de veroordeling inzake parketnummer 23-001196-01 uitgereikt gekregen door middel van het formulier “akte van uitreiking (mededeling van een niet onherroepelijk vonnis, arrest of uitspraak)” (hierna: de mededeling). Aan die akte zit een formulier gehecht waarin de rechter die het arrest heeft gewezen, de dagtekening van het arrest, de kwalificatie van het feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop dat feit zou zijn begaan en de (bekende) personalia van de verdachte staan vermeld. Bij die stukken bevindt zich bovendien een kopie van een (geldig) legitimatiebewijs van de verdachte.

(vi) De verdachte heeft op 30 maart 2017 tegen de uitspraak van 2 september 2004 met parketnummer 23-001196-01 cassatieberoep ingesteld door middel van een “formulier Hoger Beroep” houdende een verklaring aangewende rechtsmiddelen als bedoeld in art. 451a, tweede lid, Sv.

6. Ingevolge art. 432, eerste lid, Sv geldt als uitgangspunt dat het cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak dient te worden ingesteld indien – samengevat – de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend, de verdachte op de terechtzitting is verschenen of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Uit het tweede lid van dat artikel blijkt dat in andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde gevallen cassatie dient te worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is. Art. 366, eerste lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv eveneens in hoger beroep toepasselijk is, bepaalt dat de officier van justitie mededeling doet van een arrest dat de beslissing van het hof op grond van – voor zover relevant – art. 351 Sv bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken. Dit dient zo spoedig mogelijk aan de verdachte te worden betekend. De mededeling strekt ertoe om de bij verstek veroordeelde verdachte in staat te stellen een beslissing te nemen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel. Met de betekening in persoon vangt eveneens de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel aan. Uit art. 366, derde lid, Sv jo. art. 415 Sv volgt dat de mededeling vermeldt: de rechter die het arrest heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van plaats en tijdstip waarop het zou zijn begaan en – voor zover dit in het arrest staat vermeld – personalia van de verdachte.

7. In de schriftuur wordt betoogd dat de mededeling van het arrest niet voldoet aan de eisen zoals vermeld in art. 366, derde lid, Sv. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Uit hetgeen zoals hiervoor onder 5. in punt (v) staat opgenomen blijkt immers dat op de aan de akte van uitreiking gehechte mededeling van het arrest de gegevens zoals bedoeld in art. 366, derde lid, Sv staan vermeld.

8. Voorts voert de steller van het middel aan dat aan de verdachte, in strijd met art. 366, vierde lid, Sv, geen schriftelijke vertaling van de mededeling van het arrest is verstrekt.

9. In dit verband kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 366, vierde lid, Sv luidt:

“Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal verstrekt.”

Dit artikellid is ingevoerd bij wet van 28 februari 20133 en in werking getreden op 1 oktober 2013.4 Deze wet strekte tot de implementatie van Richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (hierna: de richtlijn).5 Art. 3 van die richtlijn – voor zover relevant - luidt:

“1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.

2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.

(…)

4. Onderdelen van essentiële processtukken die niet relevant zijn om de verdachte of beklaagde in staat te stellen van de zaak tegen hem kennis te laten nemen, hoeven niet te worden vertaald.

(…)

7. Als uitzondering op de in de leden 1, 2, 3 en 6 opgenomen algemene regels kan, in plaats van een schriftelijke vertaling een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken worden verstrekt, op voorwaarde dat deze mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat.

8. Van het in dit artikel bedoelde recht op vertaling van processtukken kan alleen afstand worden gedaan, als de verdachte of beklaagde vooraf juridisch advies heeft gekregen of anderszins volledig is geïnformeerd over de gevolgen van deze afstand en als de afstand op ondubbelzinnige wijze en vrijwillig is gedaan.

9. Vertaling die overeenkomstig dit artikel wordt verstrekt, is van voldoende kwaliteit om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen.”

10. Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie blijkt over de vertaling van de vonnismededeling als bedoeld in art. 366, vierde lid, Sv het volgende:

“Wanneer schriftelijk vonnis wordt gewezen (meervoudige strafkamer), heeft de verdachte ingevolge de richtlijn recht op een schriftelijke vertaling van de relevante onderdelen van het vonnis. In de huidige Nederlandse systematiek (artikel 365, derde lid, Sv) wordt de verdachte slechts een afschrift van het vonnis verstrekt wanneer hij daarom heeft verzocht. Alleen wanneer de verdachte niet bij de uitspraak aanwezig was en niet wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaatsvinden, wordt de verdachte door het openbaar ministerie in kennis gesteld van een beknopte weergave van het vonnis (de vonnismededeling, artikel 366 Sv). De beknopte weergave van het vonnis stelt de veroordeelde in staat te beslissen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel. Voorgesteld wordt ter implementatie van de richtlijn de genoemde artikelen 365 en 366 Sv aan te passen.6

De artikelsgewijze toelichting in de memorie van toelichting vermeldt voorts:

Onderdelen U (artikel 365) en V (artikel 366)

Zoals in paragraaf 3.3. van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is aangegeven, heeft de verdachte recht op een vertaling van de relevante onderdelen van het vonnis. De in de onderdelen U en V voorgestelde wijzigingen strekken tot implementatie hiervan. In artikel 365, derde lid, is geregeld dat aan de verdachte een afschrift van het vonnis wordt verstrekt, indien hij daarom verzoekt. Artikel 366 Sv regelt dat de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig was en kort gezegd niet wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaatsvinden, door het openbaar ministerie in kennis wordt gesteld van een beknopte weergave van het vonnis door middel van een vonnismededeling die aan hem wordt betekend. De vonnismededeling bevat die onderdelen uit het vonnis die de verdachte in voldoende mate op de hoogte stellen van wat voor zijn besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep van belang is (HR 7 december 2004, LJN AR3278). Omdat de ratio van de vonnismededeling is de verdachte in kennis te stellen van het tegen hem gewezen vonnis met het oog op de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, blijft een vonnismededeling achterwege indien de verdachte van de gehele tenlastelegging in eerste aanleg is vrijgesproken. Daartegen staat voor de verdachte immers geen rechtsmiddel open. Naast enkele feitelijke gegevens zoals de naam van de rechter, de dagtekening van het vonnis en de personalia van de verdachte, indien deze in het vonnis zijn vermeld, dient de vonnismededeling de volgende gegevens te bevatten:

–de beslissing op de formele vragen, indien daartoe aanleiding bestaat (nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie);

–de beslissing met betrekking tot het tenlastegelegde feit (veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging);

–de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit met het tijdstip waarop en de plaats waar het is gepleegd;

–indien een straf of maatregel is opgelegd, de opgelegde straf of maatregel met de wettelijke bepalingen waarop deze is gestoeld.

Voorgesteld wordt in artikel 366 Sv te bepalen dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, hem een schriftelijke vertaling van de vonnismededeling in een voor hem begrijpelijke taal wordt verstrekt. Aldus wordt de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig was en die niet wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaats vinden, in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de relevante onderdelen van het vonnis.

Ten aanzien van de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig was, maar die wel wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaatsvinden, geldt artikel 365 Sv. De verdachte kan verzoeken om een afschrift van het vonnis. Voorgesteld wordt hieraan toe te voegen dat de verdachte die om een afschrift van het vonnis verzoekt en de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, schriftelijk mededeling wordt gedaan van de relevante onderdelen van het vonnis in een voor hem begrijpelijke taal. Bij de vraag welke onderdelen van het vonnis als relevant moeten worden aangemerkt, is aansluiting gezocht bij de hierboven genoemde inhoudelijke onderdelen die ingevolge artikel 366 Sv moeten worden opgenomen in een vonnismededeling. Dat zijn immers de elementen uit het vonnis die relevant worden geacht voor de besluitvorming omtrent het instellen van een rechtsmiddel. Wanneer de verdachte reeds op grond van artikel 366 Sv een beknopte schriftelijke weergave van het vonnis in een voor hem begrijpelijke taal is verstrekt, kan de verstrekking van een vergelijkbaar document op basis van artikel 365 Sv achterwege blijven. Zoals aangegeven in het algemeen deel van deze memorie van toelichting, zijn wij van mening dat het verstrekken van een schriftelijke vertaling van de relevante onderdelen van het vonnis ook achterwege kan blijven, indien de verdachte bij de uitspraak aanwezig was en deze op de voet van artikel 362, derde lid, Sv voor hem is vertolkt. In dat geval is hij immers mondeling op de hoogte gesteld van de inhoud van het vonnis en kan met toepassing van de uitzondering in artikel 3, zevende lid, van de richtlijn, een schriftelijke vertaling achterwege blijven.

(…)

In de context van het schriftelijke vonnis gaat het om de vraag welke onderdelen van het vonnis relevant zijn om de verdachte in staat te stellen van het tegen hem gewezen vonnis kennis te nemen en – hoewel de richtlijn daarover niet spreekt – een beslissing te nemen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel. Zoals in het voorgaande is aangegeven, stellen wij voor om bij de bepaling wat als «relevante onderdelen» van het schriftelijke vonnis kunnen worden aangemerkt, aansluiting te zoeken bij de informatie die is opgenomen in een zogenoemde vonnismededeling (artikel 366 Sv). Zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de relevante jurisprudentie met betrekking tot artikel 366 Sv volgt dat de verdachte wordt geacht in staat te zijn op basis van de in die mededeling opgenomen informatie een beslissing te nemen over het instellen van een rechtsmiddel. Naar onze mening is dit een uitstekend aanknopingspunt voor de vaststelling van de onderdelen uit het schriftelijke vonnis die als relevant zijn aan te merken en derhalve moeten worden vertaald. Niet goed valt in te zien waarom deze informatie, die voldoende wordt geacht voor een Nederlands sprekende verdachte om een beslissing te nemen over het instellen van een rechtsmiddel, onvoldoende zou zijn wanneer het gaat een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. Daar komt bij dat in de praktijk de raadsman veelal de verdachte zal adviseren over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel.”7

Uit het voorgaande volgt dat de mededeling als bedoeld in art. 366, eerste lid, Sv, ingevolge art. 3 van de richtlijn kan worden aangemerkt als een processtuk dat dient te worden vertaald indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, zodat de verdachte in staat wordt gesteld kennis te nemen van de relevante onderdelen van het vonnis. Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie van art. 366, vierde lid, Sv blijkt dat dit dient om de verdachte in staat te stellen een beslissing te kunnen nemen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel.8

11. Gelet op de nationaliteit van de verdachte en de omstandigheid dat uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 19 augustus 2004 blijkt dat voor de behandeling in hoger beroep een tolk is opgeroepen, rijst het ernstige vermoeden dat de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst. Uit de op grond van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad verzonden stukken in cassatie blijkt niet dat van de mededeling als bedoeld in art. 366, eerste en derde lid, Sv een schriftelijke vertaling is verstrekt. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat dit niet is geschied.9 Evenmin kan uit de stukken volgen dat de verdachte op een eerder moment wegens een andere omstandigheid van het arrest van het hof op de hoogte is geraakt. Dat betekent dat de verdachte in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de wetgever bij art. 366, vierde lid, Sv, zoals hiervoor onder 10. geciteerd, heeft beklemtoond dat deze bepaling ertoe strekt de verdachte in staat te stellen te beslissen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel.

12. De verdachte kan in het licht van het voorafgaande in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

13. Gelet op het voorafgaande, kan ik kort zijn over het in de cassatieschriftuur voorgestelde middel, dat de klacht behelst dat het hof heeft verzuimd het verkort arrest in strijd met art. 365a, tweede lid, Sv aan te vullen met de bewijsmiddelen. Bij de stukken in cassatie bevindt zich een brief van het hof Amsterdam van 7 september 2017. Uit die brief blijkt (samengevat) dat is geoordeeld dat het cassatieberoep vermoedelijk niet-ontvankelijk is, omdat het cassatieberoep tardief zou zijn aangewend. Om die reden zijn noch de bewijsmiddelen noch de redengevende feiten en omstandigheden in (aanvullingen op) het arrest van 2 september 2004 opgenomen. Daarmee heeft het hof in strijd met art. 365a, tweede lid, Sv verzuimd het verkort arrest aan te vullen met de bewijsmiddelen. Dat verzuim leidt tot nietigheid.10

14. Het middel slaagt.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij de stukken in cassatie bevindt zich een “formulier hoger beroep” met vermelding van het parketnummer (23-001196-01) en datum (2 september 2004) van de veroordeling in hoger beroep door het hof te Amsterdam zoals onder 1. van deze conclusie is vermeld en een verklaring van de verdachte dat hij “hoger beroep” wenst in te stellen. Deze verklaring kan aldus worden begrepen dat daarmee de wens cassatieberoep in te stellen tot uitdrukking wordt gebracht.

2 Uit de stukken in cassatie blijkt overigens dat de dagvaarding eerst op 22 juni 2004 op de griffie is betekend, omdat uit het GBA-register bleek dat van de verdachte geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend was. Daarna is op 28 juni 2004 (alsnog) getracht om de dagvaarding te betekenen op het in het GBA-register bekende (maar kennelijk niet bestaande) adres, hetgeen leidde tot de betekening op de griffie op 7 juli 2004.

3 Stb. 2013, 85.

4 Stb. 2013, 268.

5 PbEU L 280.

6 Kamerstukken II, 2011-2012, 33 355, nr. 3, p. 14-15.

7 Kamerstukken II, 2011-2012, 33 355, nr. 3, p. 36-38.

8 Deze ratio gold overigens ook al voor de invoering van art. 366, vierde lid, Sv. Vlg. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3961 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (PHR:2005:AU3961) met verwijzing naar EHRM 19 december 1989, NJ 1994, 26 (Kamasinski v. Oostenrijk). In die zaak werd echter door het Hof vastgesteld dat de verdachte had moeten begrijpen dat hem mededelingen werden gedaan over het jegens hem gewezen strafvonnis, omdat hem (kennelijk) mondeling daarvan mededeling was gedaan. Gelet op art. 3, zevende lid, van de richtlijn zou – mits voldoende feitelijk vastgesteld – een mondelinge mededeling de in de richtlijn vervatte rechten niet schenden. Voor een dergelijke mondelinge mededeling zijn in de onderhavige zaak echter geen aanwijzingen. Zie ook Melai/Groenhuijsen, het Wetboek van Strafvordering, commentaar op art. 366 Sv, aant. 6.

9 Vlg. in dit verband HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:136 en mijn conclusie voorafgaand aan dat arrest (PHR:2014:2823).

10 HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2980, NJ 2006/433.