Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:761

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
17/03287
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1120
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Reeks vermogensdelicten. Falende bewijsklachten m.b.t. opzet en poging gekwalificeerde diefstal. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/03212; 17/03475; 17/03477 en 17/03479.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03287

Mr. A.J. Machielse

Zitting: 29 mei 2018 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 22 juni 2017 voor 2: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, 3: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, en 4: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 123 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk en tot een taakstraf van 60 uur. Het hof heeft aan de voorwaardelijke veroordeling een bijzondere voorwaarde verbonden zoals in het arrest weergegeven.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof zonder daarvoor in het bijzonder de redenen te geven is afgeweken van een onderbouwd standpunt, erop neerkomende dat er geen bewijs was voor een begin van uitvoering van gekwalificeerde diefstal (feit 2). De toelichting verwijst naar de pleitnota van hoger beroep, waarin is betoogd dat nergens blijkt dat het opzet was om diefstal te plegen. Er is een ruit ingegooid maar er zijn geen spullen verdwenen en daarom kan ook sprake zijn van een vernieling.

3.2. Als feit 2 (zaak: Groene Zoom 73) heeft het hof bewezenverklaard dat:

"hij op 29 november 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [a-straat], weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn, verdachtes, en/of zijn mededaders gading, toebehorende aan [betrokkene 1], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of er geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader een of meer (delen van) (stoep)tegels door een ruit/raam van voornoemde woning heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid"

3.3. Het hof heeft uit het vernietigde vonnis de inhoud van de bewijsmiddelen 4 tot en met 19 overgenomen met een kleine aanvulling die in dit verband niet relevant is. Het hof heeft geen inhoudelijke bewijsoverweging in zijn arrest gewijd aan de veronderstellingen van de verdediging die nu als onderbouwd standpunt worden geserveerd, maar heeft wel een overweging in zijn arrest opgenomen met betrekking tot het verweer dat verdachten onrechtmatig zijn aangehouden. Die overweging werpt licht op de omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden en daarom geef ik haar hier weer:

"Blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1700-2014482233-2 werden de verbalisanten omstreeks 21.17 uur naar de [a-straat 1] gestuurd in verband met de melding door een buurvrouw, die glasgerinkel in de achtertuin van de buren had gehoord. Omstreeks 21.21 uur waren de verbalisanten ter plaatse. Een van de verbalisanten zag ter hoogte van de achtertuin van nummer 81 twee jongens lopen. Verder liep er niemand in de omgeving. Gevraagd naar hun aanwezigheid aldaar gaven – naar later bleek de verdachte en zijn medeverdachte – beiden, ieder voor zich, niet met elkaar overeenkomende antwoorden, waarop naar hun identiteitsbewijs is gevraagd. De verbalisant sloeg vervolgens aan op de naam van de medeverdachte, nu hij eerder die dag een briefing had gekregen waarbij een aandachtsvestiging op de naam van die medeverdachte met betrekking tot woninginbraken kenbaar werd gemaakt. De verbalisant heeft de verdachte en de medeverdachte daarop staande gehouden. Navraag bij de wachtcommandant leverde op dat zowel de verdachte als de medeverdachte antecedenten hadden op het gebied van diefstallen en inbraken. Via de portofoon hoorde de verbalisant dat in de woning aan de [a-straat 2] een raam was verbroken en dat het duidelijk was dat het om een poging woninginbraak ging."

3.4. Ter terechtzitting van de rechtbank van 27 mei 2016 is verdachte verschenen maar heeft zich met betrekking tot de beschuldiging van feit 2 beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van het gerechtshof van 12 januari 2017 is verdachte verschenen en heeft toen verklaard dat hij ten onrechte is veroordeeld. Toen verdachtes strafzaak op 8 juni 2017 in hoger beroep ten principale werd behandeld is verdachte niet meer verschenen maar heeft hij zijn advocaat gemachtigd de verdediging te voeren.

3.5. De bewijsmiddelen 4 tot en met 8 hebben betrekking op deze zaak. Bewijsmiddel 4 houdt de aangifte in. Bewijsmiddel 5 bevat de inhoud van een proces-verbaal van de politie. Op zaterdag 29 november 2014 omstreeks 21:17 uur werd glasgerinkel gemeld aan de [a-straat] te Rotterdam. Op het voetgangerspad dat langs de achtertuinen loopt liepen twee jongens, verdachte en [betrokkene 2], die zeiden daar gewoon wat rond te lopen en zo naar een vriend te gaan die in de buurt woont. Nadere gegevens over die vriend konden zij of wilden zij niet geven en hun verklaringen spoorden niet met elkaar. Verbalisanten werden ingelicht dat de afgelopen weken regelmatig werd ingebroken in die wijk met als modus operandi het ingooien van ruiten met een steen. Verdachten zijn toen aangehouden. Bewijsmiddel 6 bevat de verklaring van een getuige die op 29 november 2014 omstreeks 20:55 uur keer of vier of vijf een soort gewrik of gebonk hoorde en daarna tweemaal glasgerinkel. De tweede keer was het een geluid alsof er in één keer een hele ruit uit werd gegooid. Toen is de politie gewaarschuwd. Bewijsmiddel 7 heeft betrekking op het onderzoek naar schoensporen die bij de hoekwoning [a-straat 2] zijn aangetroffen. Deze schoensporen matchen met de schoenen die verdachten aan hadden in die zin dat de schoensporen mogelijk zijn veroorzaakt door de schoenen van beide verdachten.

3.6. De politie heeft vastgesteld dat in de wijk waartoe de [a-straat] behoort inbrekers actief waren die met stenen ruiten ingooiden. Toen glasgerinkel werd gemeld trof de politie in de onmiddellijke omgeving de twee verdachten aan. Een redelijke verklaring voor hun aanwezigheid op het paadje dat langs de achtertuinen liep konden zij niet geven. Bijzonder is ook nog dat de schoensporen bij de woning zodanige kenmerken vertonen dat één set sporen aan het schoeisel van de ene verdachte en een ander set sporen aan het schoeisel van de andere verdachte kunnen worden gelinkt.

3.7. Het hof heeft op grond van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring kunnen komen. Het hof hoefde, gelet op de schimmigheid van de verklaringen van verdachten geen nadere aandacht te besteden aan de vage hypothesen die door de verdediging zijn gesuggereerd.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs van feit 3. Dat zou niet kunnen volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen. Onduidelijk is of het WhatsAppverkeer betrekking heeft op de inbraak aan [b-straat] dan wel aan de [c-straat].

4.2. Het hof heeft als feit 3 (zaak: [b-straat 1]) bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 19 december 2014 tot en met 21 december 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan [b-straat] weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn, verdachtes, en/of zijn mededaders gading, toebehorende aan [betrokkene 3], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak, met één of meer van zijn mededader(s) een deur en/of slot van voornoemde woning heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid"

4.3. De bewijsmiddelen 9 tot en met 15 hebben betrekking op dit feit. Blijkens de pleitnota van hoger beroep heeft de advocaat van verdachte aangevoerd dat ook op de [c-straat] een inbraak werd gepleegd en dat het ook om die inbraak zou kunnen gaan. Het hof heeft dienaangaande overwogen:

"Het hof overweegt ten aanzien dat de door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario's dat deze niet (voldoende) zijn onderbouwd en ook niet aannemelijk zijn geworden; dit geldt temeer daar de verdachte of dergelijke scenario's met betrekking tot feit 3 niet zelf heeft verklaard."

4.4. De uitleg van de steller van het middel van de zin in bewijsmiddel 10 "Al deze woningen zijn goed te zien vanaf de straatkant", omdat deze ook zo geïnterpreteerd kan worden dat ook de woningen aan de [c-straat] goed in het zicht liggen, komt mij uitermate krampachtig voor gelet op de gehele zinsconstructie.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is af te leiden dat op 21 december 2014 medeverdachte [medeverdachte 4] omstreeks 18.44 uur UTC, wat neerkomt op 19.44 uur plaatselijke tijd2 een waarschuwing stuurt naar de telefoon van verdachte dat er iemand aankomt. Omstreeks 20.00 uur wordt er melding gedaan van vier of vijf verdachte personen in [b-straat]. De politie arriveert dan om 20.15 uur.

De plaatsing in de tijd van de verschillende gebeurtenissen kan de conclusie van het hof dat het gaat om de inbraak in [b-straat] dragen. Er kan in deze zaak nauwelijks van een alternatief scenario worden gesproken en het zwijgen van verdachte heeft de beslisruimte van het hof bepaald niet verkleind.

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaken met de nummers 17/03212 ([medeverdachte 1]), 17/03287 ([verdachte]), 17/03475 ([medeverdachte 5]), 17/03477 ([medeverdachte 3]) en 17/03479 ([medeverdachte 4]) hangen samen. In al deze zaken wordt heden geconcludeerd.

2 De steller van het middel gaat ervan uit dat de waarschuwing door [medeverdachte 4] om 17.44 uur is verstuurd, maar geeft daarmee blijk van een verkeerd begrip van de UTC. Raadpleging van https://www.timeanddate.com/worldclock/difference.html?p1=1440 leert dat de wintertijd in Amsterdam UTC plus 1 uur is en niet min 1 uur. In bewijsmiddel 12 is het verband tussen UTC en plaatselijke tijd niet helder weergegeven.