Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:759

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
16/05942
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1821
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Appeltermijn. Kon het Hof uit reclasseringsrapport afleiden dat sprake was van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak verdachte bekend is a.b.i. art. 408 lid 2 Sv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05942

Zitting: 10 juli 2018

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2013 in de zaak met parketnummer 09-766066-13 waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. Anders dan het hof heeft aangenomen, zo vat ik de toelichting samen, zou het hoger beroep tijdig zijn ingesteld. En de niet-ontvankelijkverklaring is ontoereikend gemotiveerd.

  4. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:

‘In eerste aanleg is de verdachte bij verstek veroordeeld, terwijl het hof het, gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt, ervoor houdt dat de inleidende dagvaarding haar niet in persoon is uitgereikt. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte anderszins vooraf van de dag van de terechtzitting in eerste aanleg op de hoogte was. Gelet op het bepaalde in artikel 408, lid 2, moest het hoger beroep tegen het bestreden vonnis derhalve worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid had voorgedaan waaruit bekendheid met het vonnis voortvloeide.

Het hof leidt uit de rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014 af dat de verdachte in of rond juli 2014 telefonisch contact heeft gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van een werkstraf van 240 uur, uit te voeren bij de Kringloop Gouda. Blijkens dit schrijven gaat het om het vonnis van 22 augustus 2013 met parketnummer 09-766066-13. De verdachte heeft tijdens het telefoongesprek te kennen gegeven dat zij niet zeker wist of zij zou reageren op de oproepen van de reclassering omdat zij de rest van haar leven anders wel in België zou blijven om zo een straf te ontlopen.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat tijdens het telefoongesprek in juli 2014 niet is gesproken over het vonnis van 22 augustus 2013 en dat de verdachte alleen wist van een openstaande werkstraf van 30 uren. Het hof acht dit gelet op de rapportage van de Reclassering niet aannemelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, blijkens de justitiële documentatie van de verdachte, de werkstraf van 30 uur die de verdachte kennelijk bedoelt, bijna twaalf jaar daarvoor, bij vonnis van 19 augustus 2002, is opgelegd en daarvan ook niet blijkt uit de rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte in of rond juli 2014 over zodanige gegevens beschikte dat er sprake is van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat zij bekend was met het vonnis van 22 augustus 2013.

Nu namens de verdachte pas op 6 april 2016 hoger beroep is ingesteld, heeft zij dat niet tijdig gedaan en zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.’

5. Uit de eerst geciteerde volzin blijkt dat het hof het ervoor houdt dat de inleidende dagvaarding niet in persoon is uitgereikt. Die zin behoeft in verband met het vervolg enige toelichting. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2016 blijkt ‘dat het hof het ervoor houdt, mede gelet op de door de raadsman bij schriftuur overgelegde stukken, dat de inleidende dagvaarding niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt.’ In de appelschriftuur, die zich bevindt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, betoogt de raadsman dat de op 16 juli 2013 aan de [a-straat 1] te Gouda uitgebrachte dagvaarding, anders dan de akte van uitreiking inhoudt, niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt, maar aan haar broer. Ter onderbouwing is een ‘attest van woonplaatshistoriek’ van 8 april 2016 bijgevoegd, inhoudende dat de verdachte vanaf 25 februari 2008 op verschillende adressen in België stond ingeschreven. Ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding zou dat geweest zijn aan de [b-straat 1] te Menen. Voorts heeft de raadsman bij de appelschriftuur een kopie van het paspoort van de verdachte aangeleverd waaruit zou volgen dat de handtekening daarop niet overeenkomt met die op de akte van uitreiking behorende bij de ‘in persoon uitgereikte’ dagvaarding. Een en ander verklaart waarom het hof het ervoor houdt dat de inleidende dagvaarding niet in persoon is uitgereikt. Die vaststelling van het hof wordt (uiteraard) niet bestreden, zodat daar in cassatie van moet worden uitgegaan.

6. Het hof is er vervolgens van uitgegaan dat art. 408, tweede lid, Sv van toepassing was: hoger beroep kon worden ingesteld ‘binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’. En het hof zag (kort gezegd) in het telefoongesprek dat de verdachte met de reclassering had een dergelijke omstandigheid. Tegen die vaststelling richt het middel zich. Uit het rapport dat van dat gesprek is opgemaakt zou blijken dat de verdachte ‘geenszins althans geenszins correct is geïnformeerd over het zgn verstekvonnis’.

7. Van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, is volgens Uw Raad sprake ‘als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep’.1 Vereist is derhalve niet dat de verdachte met alle onderdelen van de einduitspraak bekend is.2 Maar de informatie over de opgelegde straffen en maatregelen moet (in beginsel) kloppen. In HR 10 juni 1969, NJ 1970/33 was aan de verdachte een verstekmededeling betekend, inhoudend dat hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien weken met ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden, waarvan vier weken voorwaardelijk. In werkelijkheid was hij veroordeeld tot een rijontzegging van een jaar en zes maanden (en een gevangenisstraf van tien weken waarvan vier voorwaardelijk). Uw Raad was van oordeel dat deze betekening niet kon worden aangemerkt als een ‘omstandigheid, waaruit voortvloeit dat het vonnis den verdachte bekend is’ in de zin van het toenmalige art. 408 onder b Sv.3

8. Vereist is niet dat wordt vastgesteld dat de verdachte nadat hij met het vonnis op de hoogte is geraakt wist dat daar nog hoger beroep tegen openstond. In HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22, een zaak die in verschillende opzichten vergelijkbaar is met de onderhavige, was de verdachte, die de opgelegde werkstraf niet had uitgevoerd, aangehouden ter executie van de vervangende hechtenis. Zijn raadsman had de volgende dag, op 15 april 2005, een brief naar het openbaar ministerie gestuurd waarin werd gesproken over het parketnummer van de zaak alsmede de opgelegde straf. Hij verzocht daarin in het bezit gesteld te worden van het uitreikingsblad omdat de verdachte volhield ‘volstrekt onbekend te zijn met de kwestie’. Uiteindelijk had de raadsman, die de verzochte informatie op 3 mei 2005 ontving, pas op die dag hoger beroep ingesteld. A-G Knigge oordeelde dat het middel slaagde: ‘Tot de essentiële informatie waarover de verdachte moet beschikken wil hij zich een oordeel kunnen vormen over de wenselijkheid van het instellen van hoger beroep, hoort mijns inziens ook uitsluitsel over de vraag of het vonnis al dan niet onherroepelijk is’ (onder 16). Uw Raad verwierp het cassatieberoep. ’s Hofs oordeel dat de verdachte op 15 april 2005 over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, gaf volgens Uw Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

9. Vereist is evenmin dat de verdachte door justitie met de einduitspraak op de hoogte is geraakt. In HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028, NJ 2009/429 had de verdachte, die ten tijde van de veroordeling in eerste aanleg in het buitenland verbleef, ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij op enig moment in het jaar 2002 een krantenknipsel had ontvangen waarin informatie stond over de veroordeling in eerste aanleg. Daarin werd onder meer de gevangenisstraf vermeld die de rechtbank hem had opgelegd. Ook had de verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij naar aanleiding van het krantenknipsel op enig moment in 2002 contact had opgenomen met zijn raadsman, die hem desgevraagd de consequentie van de veroordeling had uitgelegd. ’s Hofs oordeel dat de verdachte op enig moment in het jaar 2002, na kennisneming van dat krantenknipsel en het daaropvolgende contact met zijn raadsman over de consequentie van de veroordeling, over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, gaf volgens Uw Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

10. Dat de verdachte in de betreffende zaak behalve met het krantenknipsel ook met het parketnummer op de hoogte was, blijkt niet. Dat is kennelijk niet (altijd) doorslaggevend, en dat komt mij juist voor.4 Het gaat in de kern om wetenschap van de veroordeling alsmede de straffen en maatregelen die daarbij zijn opgelegd. Ook uit andere rechtspraak kan worden afgeleid dat Uw Raad in het bijzonder hecht aan informatie over de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en).5 Tegelijk is het ook niet zo dat uit dit arrest kan worden afgeleid dat Uw Raad aan de enkele omstandigheid dat de verdachte met de bij een veroordeling opgelegde straffen en maatregelen op de hoogte raakt, de consequentie verbindt dat de appeltermijn is gaan lopen. Uw Raad noemt in HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028, NJ 2009/429 (aansluitend bij wat het hof heeft vastgesteld) ook het contact met de raadsman, na kennisneming van het krantenknipsel.

11. Het maakt derhalve in beginsel niet uit langs welke weg de verdachte met de veroordeling op de hoogte is geraakt. De bron van de informatie doet wel ter zake als vast staat dat de verdachte het hoger beroep te laat heeft ingesteld, en – in verband met eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding – de vraag rijst of dat het gevolg is van foutieve ambtelijke informatie. Illustratief is HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0984, NJ 1998/482. In deze zaak, waarin de inleidende dagvaarding in persoon was uitgereikt, was de verdachte door de politierechter bij verstek veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk. Het hoger beroep werd niet binnen veertien dagen na het vonnis ingesteld. Namens de verdachte is in appel aangevoerd dat een medewerkster van de reclassering bij het parket van de officier van justitie voor hem heeft geïnformeerd naar de uitspraak. Daar zou haar zijn verteld dat hij ‘tot dienstverlening was veroordeeld’. Op grond daarvan besloot hij (aanvankelijk) te berusten in de uitspraak. Het hof had de verdachte desalniettemin niet-ontvankelijk verklaard: het risico van het achteraf onjuist blijken van de informatie zou op de verdachte rusten. Die beslissing hield in cassatie geen stand. Als de foutieve mededeling binnen de beroepstermijn zou zijn gedaan door een ambtenaar van het parket, dan had het hof de verdachte niet – zonder meer – niet-ontvankelijk behoren te verklaren in het hoger beroep.6 Bij de vaststelling of van een ‘omstandigheid’ in de zin van art. 408, tweede lid, Sv sprake is, gaat het er niet om of een ambtenaar een fout heeft gemaakt, maar of de verdachte op de hoogte is gesteld ‘van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep’.

12. Vereist lijkt ook niet – de steller van het middel lijkt daar wel van uit te gaan — dat de informatie de verdachte op schrift bereikt. In HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1160, NJ 2017/354 m.nt. Kooijmans had het hof vastgesteld dat een verbalisant getracht had de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter aan de verdachte uit te reiken. Maar dat was niet gelukt, omdat de verdachte weigerde het stuk in ontvangst te nemen. Daarna had de verbalisant de inhoud medegedeeld aan de verdachte. Gelet daarop getuigde ’s hofs oordeel dat zich een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg tevoren aan de verdachte bekend was (art. 408, eerste lid, sub c Sv) niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het ligt in de rede dat dit niet anders is bij een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak aan de verdachte bekend is (art. 408, tweede lid, Sv).

13. Al met al stelt ons Wetboek van Strafvordering geen strenge eisen aan de verstrekking van informatie op basis waarvan de appeltermijn gaat lopen. Vereist is bijvoorbeeld niet dat het vonnis in persoon aan de verdachte betekend wordt. En uit wet en rechtspraak volgt ook niet dat de verdachte ermee op de hoogte gebracht moet worden dat hij nog hoger beroep kan aanwenden.7 Dat de politie, zoals de steller van het middel opmerkt, het verstekvonnis in de regel in persoon betekent en de verdachte daarbij op de hoogte stelt van de mogelijkheid van hoger beroep, impliceert niet dat dit een rechtsregel is.

14. Dat op beide punten andere keuzes gemaakt kunnen worden, blijkt uit het Duitse recht. Paragraaf 35 Strafprozeßordnung (StPO) luidt:

‘1. Entscheidungen, die in Anwesenheit der davon betroffenen Person ergehen, werden Ihr durch Verkündung bekanntgemacht. Auf verlangen ist ihr eine Abschrift zu erteilen.

2. Andere Entscheidungen werden durch Zustellung bekanntgemacht. Wird durch die Bekanntmachung der Entscheidung keine Frist in Lauf gesetzt, so genügt formlose Mitteilung.

3. Dem nicht auf freiem Fuß Befindlichen ist das zugestellte Schriftstück auf Verlangen vorzulesen.’

15. Uit het tweede lid kan worden afgeleid dat alle rechterlijke beslissingen waaraan beroepstermijnen verbonden zijn en die niet in het bijzijn van de verdachte bekend zijn gemaakt, aan hem dienen te worden betekend.8 Van een ‘formlose Mitteilung’ door een ‘Urkundsbeamte’ of een derde kan gelet op het tweede lid van paragraaf 35 StPO bij deze beslissingen geen sprake zijn. Voorts volgt uit paragraaf 35a (Rechtsmittelbelehrung) dat de verdachte bij mondelinge mededeling van de rechterlijke beslissing of bij betekening van het vonnis wordt voorgelicht over een openstaand rechtsmiddel:

‘Bei der Bekanntmachung einer Entscheidung, die durch ein befristetes Rechtsmittel angefochten werden kann, ist der Betroffene über die Möglichkeiten der Anfechtung und die dafür vorgeschriebenen Fristen und Formen zu belehren. Ist gegen ein Urteil Berufung zulässig, so ist der Angeklagte auch über die Rechtsfolgen des § 40 Abs. 3 und der §§ 329, 330 zu belehren. Ist einem Urteil eine Verständigung (§ 257c) vorausgegangen, ist der Betroffene auch darüber zu belehren, dass er in jedem Fall frei in seiner Entscheidung ist, ein Rechtsmittel einzulegen.9

16. Voor een wat strakkere normering van mededelingen die meebrengen dat rechtsmiddeltermijnen gaan lopen valt veel te zeggen uit oogpunt van eerlijkheid van procesvoering. Als de verdachte in eerste aanleg bij verstek is berecht nadat de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend, kan het hoger beroep de fresh determination opleveren waar de verdachte in deze situatie in beginsel recht op heeft.10Uit rechtspraak van het Europees Hof inzake het aanwezigheidsrecht kan worden afgeleid dat ‘to inform someone of a prosecution brought against him is a legal act of such importance that it must be carried out in accordance with procedural and substantive requirements capable of guaranteeing the effective exercise of the accused’s rights; vague and informal knowledge cannot suffice’.11Het ligt alleen al tegen deze achtergrond in de rede om eisen te stellen aan de informatie die na een verstekberechting waar de verdachte niet van afwist, meebrengt dat de appeltermijn gaat lopen. Vague and informal knowledge over de veroordeling bij verstek en ontoereikende informatie over het openstaande rechtsmiddel zouden er niet toe moeten kunnen leiden dat de mogelijkheid van een fresh determination wordt prijsgegeven.

17. In een aantal uitspraken die het EHRM tegen België heeft gewezen lijkt deze opvatting bevestiging te vinden. In EHRM 24 mei 2007, Da Luz Domingues Ferreira v. België, appl. no. 50049/99 (alleen in het Frans gepubliceerd) werd de veroordeling in appel betekend aan de verdachte ‘sans indication des formalités à respecter pour former opposition’ (rov. 20). Dat verzet werd als tardief ingesteld niet-ontvankelijk verklaard (rov. 32). Het EHRM stelde in zijn overwegingen onder meer vast: ‘La Cour constate toutefois que le requérant n'a pas été informé, lors de la signification de l'arrêt du 30 juin 1994, des formalités à respecter pour former opposition’ (rov. 58). En kwam tot het oordeel dat art. 6, eerste lid, EVRM geschonden is: ‘la Cour considère que le refus par la cour d'appel de Liège de rouvrir une procédure qui s'est déroulée par défaut en présence d'éléments montrant sans équivoque que l'accusé souhaitait faire valoir son droit de comparaître a privé le requérant du droit d'accès à un tribunal’ (rov. 59). Deze uitspraak werd later bevestigd in EHRM 29 juni 2010, Hakimi v. België, appl. no 665/08. Daarin overweegt het EHRM: ‘Toutefois, indépendamment de toutes ces considérations, l'élément marquant en l'espèce est que la signification de l'arrêt au requérant ne portait pas mention du délai d'opposition’ (rov. 36).

18. Het Belgische Hof van Cassatie wees in laatstgenoemde zaak vervolgens een aanvraag tot heropening toe.12 In het betreffende arrest overwoog het:

Eerste middel.

De eiser voert aan dat artikel 6.1 EVRM vereist dat de akte van betekening van het bij verstek gewezen veroordelend arrest, melding maakt van het recht om verzet aan te tekenen alsook van de termijn om dat recht uit te oefenen.

Wanneer de betekening van het bij verstek gewezen arrest geen melding maakt van het recht om verzet aan te tekenen en evenmin van de termijn om dat recht uit te oefenen, kan het verzet dat te laat is aangetekend niet onontvankelijk worden verklaard wegens laattijdigheid, op straffe van de veroordeelde het recht op toegang tot een rechterlijke instantie te ontzeggen.

Het arrest van 9 maart 2007 dat het tegendeel beslist, schendt artikel 6.1 EVRM, volgens de uitlegging die het Europees Hof eraan geeft in zijn arrest van 29 juni 2010.

Het middel is gegrond.’

19. Dat met het oog op rechten van de verdediging andere keuzes gemaakt kunnen worden dan die welke in art. 408, tweede lid, Sv besloten liggen, blijkt ook uit het Kaderbesluit tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces.13 Dat kaderbesluit bracht onder meer mee dat in het Kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel een artikel 4bis is ingevoegd.14 Dat artikel maakt duidelijk dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel in beginsel kan weigeren ‘indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid’. Een uitzondering geldt in de eerste plaats (a) als in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat de betrokkene tijdig ‘persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces’ en ‘ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt’. Een uitzondering geldt voorts (onder meer) indien in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld (c) dat ‘de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep (…) i) uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist; of ii) niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend’. En een uitzondering geldt ook indien in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld (d) dat ‘de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar: i) hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en ii) dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel’. Ook in deze systematiek van weigeringsgrond met uitzonderingen kan de gedachte herkend worden dat het in de rede ligt de betrokkene te informeren over zijn recht op hoger beroep voordat de beroepstermijn gaat lopen.15

20. Het is overigens niet zo dat de redelijkheid van de gedachte dat een beroepstermijn pas gaat lopen als de verdachte die onkundig was van de berechting er weet van heeft dat hij in beroep kan gaan, pas door rechtspraak van het EHRM en voornoemd kaderbesluit onder de aandacht is gebracht. De Hullu wijdde in 1989 in zijn dissertatie een paragraaf aan voorwaarden voor een verantwoorde keuze tussen het berusten in een uitspraak of het aanwenden van een rechtsmiddel.16 Daarin liet hij zien hoe het voorschrift dat de rechter verplicht de verdachte te informeren over een gewoon rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat, in 1886 na enige tegenstand in ons strafprocesrecht is opgenomen. Hij besprak vervolgens dat het Openbaar Ministerie, hoewel de wet daar niet toe verplichtte, op de formulieren die voor verstekmededelingen gebruikt worden enige informatie over openstaande rechtsmiddelen is gaan verstrekken. En hij ging daarna in op een destijds geldende richtlijn voor de politie waaruit voortvloeide dat slechts aan de verdachte die niet bereid was aan de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis mee te werken informatie werd verstrekt over de mogelijkheid om een gewoon rechtsmiddel in te stellen. Hij vond deze handelwijze ‘niet billijk’; ‘(v)oor rechtsmiddelen is essentieel dat er een keuzevrijheid wordt geboden met een zekere overpeinzingstijd voor een weloverwogen keuze’.17

21. Of de wetgever het in verband met de toepassing van art. 408, tweede lid, Sv van belang vindt of ook informatie is verstrekt over het open staan van een rechtsmiddel is niet helemaal duidelijk. In de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel dat tot een wijziging van de bepaling heeft geleid die begin jaren ‘90 zijn beslag kreeg, is wel een aanwijzing in die richting te vinden: ‘Voorts wijs ik op het feit dat de gebruikte dagvaardings-, oproepings- en aanzeggingsformulieren melding maken van het feit dat als regel het openstaande rechtsmiddel binnen veertien dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld. Iedere burger wordt geacht te weten dat rechtsmiddelen aan termijnen zijn gebonden. Het ligt voor de hand te verwachten dat daarover iets in het uitgereikte formulier vermeld staat. Van de verdachte mag in redelijkheid worden verwacht dat hij het formulier op dit punt naleest en, indien hij er niet uitkomt, bij een advocaat of een bureau voor rechtshulp navraag doet’.18 Daaruit spreekt de gedachte dat de termijnstelling van art. 408 Sv aanvaardbaar is tegen de achtergrond van een praktijk waarin de verdachte over openstaande rechtsmiddelen en termijnen wordt geïnformeerd. Daarmee is echter niet gezegd dat de wetgever de verstrekking van die informatie ziet als een eis die in de wet besloten ligt. Wel kan uit diezelfde memorie van toelichting worden afgeleid dat de regeling van art. 408 Sv er toe strekt ‘te voorkomen dat de verdachte buiten zijn schuld te laat het openstaande rechtsmiddel heeft ingesteld.’19

22. Ik keer terug naar de onderhavige strafzaak. Het hof heeft de in art. 408, tweede lid, Sv bedoelde omstandigheid afgeleid uit een reclasseringsrapportage van 12 augustus 2014. Het desbetreffende rapport bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het is gevoegd als bijlage bij een brief van het CJIB aan de officier van justitie van 15 september 2014 met het onderwerp ‘Voorstel omzetting taakstraf naar vervangende hechtenis’, inhoudende dat de verdachte in de zaak met parketnummer 09-766066-13 de opgelegde taakstraf niet heeft uitgevoerd. De bijgesloten ‘informatie betreffende de veroordeelde en de bijbehorende zaak’ houdt onder meer in dat het vonnis van de politierechter van 22 augustus 2013 in de zaak met genoemd parketnummer op 6 september 2013 onherroepelijk is geworden. De eveneens bijgesloten rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014 houdt onder meer in, met weglating van abusievelijk geplaatste leestekens:

‘Parketnummer : 09.766066-13

Vonnisdatum : 22-08-2013

Strafoplegger : Politierechter Den Haag

Opgelegd aantal uren : 240 uur

(…)

Naam werkstrafproject : Kringloop Gouda

(…)

3 juni 2014

Wij kregen onderhavige zaak, voorzien van parketnummer 09.7666066-13, overgedragen vanuit de werkstrafunit in Breda. Wij hebben vervolgens telefonisch contact opgenomen met betrokkene, welke woonachtig is in België. Betrokkene meldde dat ze in augustus doordeweeks fulltime beschikbaar zou zijn voor de uitvoering van haar werkstraf. Betrokkene gaf hierbij haar adressen door. Betrokkene gaf te kennen dat ze niet zeker wist of ze zou reageren op de oproepen omdat ze de rest van haar leven anders wel in België zou blijven om zo een openstaande straf te ontlopen.

(…)

Wij nodigden betrokkene schriftelijk uit voor een kennismakingsgesprek op 8 juli. Betrokkene verscheen zonder kennisgeving niet op deze afspraak.

(…)

Conclusie:

Wij hebben betrokkene gesproken op 3 juni en haar vervolgens meerdere malen uitgenodigd zonder succes. Wij hebben de werkstraf van betrokkene uiteindelijk stopgezet en haar de mogelijkheid gegeven om contact met ons op te nemen. Gezien het feit dat betrokkene niet reageert op onze brieven en zelf geen contact opneemt, sturen wij de werkstraf als niet uitvoerbaar retour.’

23. Door het hof is vastgesteld, en dat wordt in cassatie niet bestreden, dat in of rond juli 2014 telefonisch contact is geweest tussen een medewerker van de reclassering en de verdachte. Het hof leidt uit de rapportage af dat dit telefonisch contact betrekking heeft gehad op de uitvoering van een werkstraf van 240 uur, uit te voeren bij de kringloop Gouda. De politierechter had de verdachte op 22 augustus 2013 een werkstraf van 240 uur opgelegd. Het hof gaat vervolgens in op de tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging betrokken stelling dat tijdens het telefoongesprek niet is gesproken over het vonnis van 22 augustus 2013 en dat de verdachte enkel wist van een openstaande werkstraf van 30 uur. Het hof acht dit gelet op de rapportage van de reclassering niet aannemelijk. En neemt daarbij in aanmerking dat de werkstraf van 30 uur blijkens de justitiële documentatie van de verdachte bijna twaalf jaar daarvoor is opgelegd.

24. Naar het mij voorkomt is ’s hofs oordeel dat uit de reclasseringsrapportage volgt dat de verdachte in het betreffende telefoongesprek op de hoogte is gebracht met een werkstraf van 240 uur niet onbegrijpelijk. De duur van deze werkstraf staat in de rapportage. De rapportage vermeldt ook dat de ‘strafoplegger’ de politierechter Den Haag was, de vonnisdatum 22 augustus 2013, de naam van het werkstrafproject Kringloop Gouda en het parketnummer 09.766066-13. Mede tegen deze achtergrond komt ook ’s hofs feitelijke oordeel dat gelet op de rapportage van de reclassering niet aannemelijk is dat de verdachte alleen wist van een veel eerdere veroordeling tot 30 uur werkstraf niet onbegrijpelijk voor.

25. Uit ’s hofs vaststellingen volgt niet dat aan de verdachte in het betreffende telefoongesprek verteld is dat zij nog hoger beroep kon instellen. Dat zij is gebeld door de reclassering, met het oog op de uitvoering van een werkstraf, is een sterke aanwijzing dat zij daar niet mee op de hoogte is gebracht. Tot tenuitvoerlegging van de werkstraf wordt immers pas overgegaan als het vonnis onherroepelijk is (art. 557 Sv en art. 22c, derde lid, Sr). Het verloop van het gesprek, voor zover dat uit het verslag kenbaar is, wijst er ook op dat enkel over het (niet) uitvoeren van de werkstraf is gesproken. Uit het bestreden arrest en de onderliggende stukken wordt voorts aannemelijk dat en waarom de reclassering ervan uit is gegaan dat de veroordeling in eerste aanleg onherroepelijk was. Zoals eerder aangegeven leek het er aanvankelijk op dat de inleidende dagvaarding in persoon was uitgereikt.20

26. Ik zal niet bepleiten dat in art. 408, tweede lid, Sv bij de huidige stand van zaken een eis van ‘Rechtsmittelbelehrung’ moet worden ingelezen. De tekst van het artikellid en de uit Kamerstukken blijkende opvattingen van de wetgever wijzen in andere richting. In de rechtspraak van het EHRM zijn elementen aan te wijzen die erop duiden dat artikel 6 EVRM (in sommige gevallen) eist dat informatie over het recht op een rechtsmiddel wordt verschaft voordat het recht op dat rechtsmiddel verloren kan gaan; met name beide uitspraken tegen België zijn daarbij van belang. Maar dat zijn geen uitspraken van de Grote Kamer en het zijn geen uitspraken waarin een verdragsschending door Nederland vastgesteld is. Denkbaar is dat de bijzondere omstandigheden van het geval een rol hebben gespeeld; beide verdachten zaten bijvoorbeeld vast toen hen de — ontoereikende — informatie werd verstrekt. In het Kaderbesluit tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces kan een aanwijzing worden gezien dat art. 408, tweede lid, Sv niet (meer) aansluit bij wat in Europa communis opinio is, maar het kaderbesluit dwingt evenmin tot het terzijde stellen van de eerdere opvattingen van de wetgever.

27. Ik meen echter dat in de specifieke omstandigheden van dit geval ’s hofs kennelijke oordeel dat de verdachte in het telefoongesprek met de reclassering op de hoogte is gesteld van datgene wat voor haar van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep niet zonder meer begrijpelijk is. Hierbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat in het desbetreffende telefoongesprek is gesproken over de uitvoering van een werkstraf, terwijl uit de gedingstukken volgt dat de reclassering ervan uitging dat die veroordeling onherroepelijk was geworden. Het gesprek met de verdachte vond aldus kennelijk plaats in het kader van de executie van die straf.21 De informatie over de veroordeling is daarmee verstrekt onder omstandigheden die aannemelijk maken dat de verdachte in de veronderstelling is komen te verkeren dat de veroordeling onherroepelijk was. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte tijdens het telefoongesprek te kennen heeft gegeven dat ‘zij de rest van haar leven anders wel in België zou blijven om zo een straf te ontlopen.‘ Dat duidt erop dat de verdachte inderdaad in de veronderstelling verkeerde dat de veroordeling niet meer ongedaan kon worden gemaakt door het instellen van hoger beroep. Het risico dat de verdachte bij het verstrekken van informatie over de veroordeling (door een overheidsinstantie) op het verkeerde been is gezet over het al dan niet openstaan van hoger beroep is al met al zo reëel, dat het vervolgens niet binnen veertien dagen instellen van dat rechtsmiddel niet voor de verantwoordelijkheid van de verdachte kan worden gebracht. Er is een zekere gelijkenis met de situatie waarin de verdachte niet op de hoogte is gebracht met de straf die daadwerkelijk is opgelegd.22 In beide gevallen is de verdachte niet op de hoogte gesteld ‘van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep’.

28. Wellicht ten overvloede kan worden aangestipt dat de onderhavige zaak naar het mij voorkomt in een aantal opzichten verschilt van het hiervoor besproken HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22. In die zaak was sprake van een verdachte waarvan de raadsman op de dag na zijn aanhouding ter executie van de vervangende hechtenis, en dus terwijl (naar achteraf bleek) de termijn voor het instellen van hoger beroep nog liep, informatie opvroeg die van belang was in verband met de onherroepelijkheid van het vonnis.23 Dat Uw Raad aan die betrokkenheid van de raadsman waarde hechtte, kan worden afgeleid uit de overweging waarmee het cassatieberoep wordt verworpen. In ’s hofs oordeel lag besloten ‘dat de omstandigheid dat de raadsman, hoewel rekening diende te worden gehouden met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was, ervoor heeft gekozen niet terstond hoger beroep in te stellen, maar de schriftelijk gevraagde nadere inlichtingen van het Openbaar Ministerie af te wachten, voor risico van de verdachte dient te komen’. En uit deze overweging volgt ook nog een tweede verschilpunt. Er diende rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was. Daarbij is van belang dat het hof had vastgesteld dat tussen de raadsman en het openbaar ministerie een briefwisseling is geweest ‘over de vraag of het vonnis onherroepelijk was’. In de onderhavige strafzaak is niet vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het telefoongesprek met de reclassering of kort nadien contact had met een raadsman. Het voert naar mijn mening te ver om gelet op inhoud en strekking van het telefoongesprek van deze verdachte te verwachten dat zij rekening hield met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was. Tegelijk kan uit het arrest van 11 december 2007 worden afgeleid, in dat opzicht ligt het wellicht meer in lijn met de conclusie van A-G Knigge dan op het eerste gezicht lijkt, dat Uw Raad er belang aan hecht of de verdachte (en zijn raadsman) rekening moest(en) houden met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was, al eist Uw Raad niet dat daarover uitsluitsel aan de verdachte is gegeven voor de appeltermijn gaat lopen.

29. Gelet op het voorgaande meen ik dat het middel slaagt.

30. Er speelt in deze zaak ook nog iets anders. De steller van het middel meldt dat het hoger beroep op 6 april 2016 is ingesteld door de advocaat van de verdachte ‘nadat hem uit de informatie die [verdachte] hem na aanhouding in het kader van de Belgische overleveringswet gegeven heeft (…) gebleken was dat het vonnis op grond waarvan het OM aan België om overlevering gevraagd had, bij verstek gewezen was’. Dat duidt erop dat tegen de verdachte een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Daarop wijst ook wat de raadsman eerder al in de appelschriftuur vermeldde: ‘Op 31 maart 2016 werd [verdachte] aangehouden op grond van het zgn Europees Aanhoudingsbevel welke werd uitgevaardigd ter executie van het vonnis van de Politierechter van de Rechtsbank Den Haag van 22 augustus 2013.’ Dat de verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, komt ook in de toelichting op het middel zijdelings aan de orde (zie hierna, onder 33). Mede in dat licht kan de vraag rijzen of het eerder genoemde artikel 4bis van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel, dat een weigeringsgrond met uitzonderingen bevat in het geval de veroordeling is gewezen na een verstekberechting, in casu mogelijk relevant was in verband met het bepalen van de appeltermijn.

31. Het Europees aanhoudingsbevel bevindt zich niet bij de stukken van het geding. De gang van zaken rond dat Europees aanhoudingsbevel blijkt ook niet uit de stukken van het geding. Daarom heb ik informatie opgevraagd bij het Landelijk Parket.24 Uit de antwoorden blijkt dat op 29 februari 2016 een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd tegen de verdachte, omdat zij nog 120 dagen hechtenis diende te ondergaan vanwege de veroordeling in de onderhavige strafzaak. Op 31 maart 2016 ontving de officier van justitie die het bevel had uitgevaardigd van de Belgische autoriteiten bericht dat de verdachte op 30 maart 2016 omstreeks 17.00 uur was aangehouden en op 31 maart 2016 onder voorwaarden in vrijheid was gesteld in het kader van de overleveringsprocedure. Op 3 mei 2016 is de uitvaardigende officier van justitie vervolgens benaderd met vragen van de Belgische autoriteiten waaruit viel af te leiden dat er twijfel was gerezen over de betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter van 22 augustus 2013. Gelet op de ontstane twijfel over de betekening en dus over de onherroepelijkheid heeft de uitvaardigende officier van justitie vervolgens besloten om het Europees aanhoudingsbevel in te trekken. Die intrekking vond plaats op 4 mei 2016. De verdachte is derhalve in het kader van deze strafzaak niet overgeleverd door de Belgische autoriteiten.

32. Tegen deze achtergrond komt het mij voor dat het Europees aanhoudingsbevel in deze strafzaak niet relevant is voor het bepalen van de appeltermijn. Er doet zich niet de situatie voor dat de verdachte door België aan Nederland is overgeleverd op basis van een Europees aanhoudingsbevel dat uitging van een onherroepelijk vonnis, terwijl feitelijk sprake was van een verstekberechting waarbij België overlevering had kunnen weigeren als Nederland niet de mogelijkheid van een nieuwe berechting in hoger beroep had geboden.

33. Dat de verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, komt in de toelichting op het middel nog zijdelings aan de orde. De steller van het middel wijst ‘op art. 408 lid 3 Sv op grond waarvan art. 408 lid 2 Sv niet van toepassing is, kennelijk omdat in een dergelijk geval de termijn loopt vanaf de datum waarop het vonnis ter hand is gesteld’. Naar het mij voorkomt leest de steller van het middel eerstgenoemd artikellid verkeerd. Art. 45b Overleveringswet maakt duidelijk dat in geval het vonnis nog niet in persoon aan de verdachte is betekend, de officier van justitie die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd de verdachte tegen wie dat bevel is uitgevaardigd op diens verzoek onverwijld een afschrift van het vonnis verstrekt. Art. 408, tweede lid, Sv is in dit geval niet van toepassing, zo bepaalt het artikel vervolgens. Dat wordt nog eens herhaald in art. 408, derde lid, Sv. Deze bepalingen strekken, zo maakt de parlementaire behandeling van de wet die tot de invoeging van deze artikelen heeft geleid duidelijk, ter uitvoering van een bepaling uit het Kaderbesluit die de verdachte het recht geeft om te verzoeken om ‘een afschrift van het vonnis te ontvangen alvorens te worden overgeleverd’. De overhandiging van het vonnis aan de betrokkene geschiedt, zo bepaalt het Kaderbesluit, ‘louter ter kennisgeving’ en ‘is niet te beschouwen als officiële betekening van het vonnis en doet geen termijnen voor het aantekenen van verzet of hoger beroep ingaan’.25 Artikel 408, derde lid, Sv strekt er zo bezien juist toe om zeker te stellen dat de overhandiging van het afschrift niet (opnieuw of reeds) een termijn voor het instellen van hoger beroep doet aanvangen.26

34. Als gezegd, het eerste middel slaagt.

35. Het tweede middel klaagt dat het hof er in het bestreden arrest ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de inleidende dagvaarding die men getracht heeft te betekenen aan de verdachte, nietig is. Het hof zou in strijd hebben gehandeld met zijn verplichting om de geldigheid van de dagvaarding in eerste aanleg te onderzoeken.

36. Het middel miskent naar het mij voorkomt de volgorde waarin het hof de vragen die bij de berechting van een strafzaak in hoger beroep aan de orde zijn, heeft te beantwoorden. De vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep komt aan de orde voor de vraag naar de geldigheid van de inleidende dagvaarding (vgl. art. 422 Sv).

37. Het tweede middel faalt.

38. Het derde middel klaagt dat het hof in het proces-verbaal van 12 oktober 2016 niet goed en zelfs onjuist heeft weergegeven wat de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht.

39. Uit de wettelijke regeling volgt dat de griffier het proces-verbaal van de terechtzitting houdt (art. 326 Sv). De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van een omstandigheid, verklaring of opgave aantekening zal worden gedaan. Gelijke aantekening geschiedt op verzoek van de verdachte (of diens raadsman, art. 331 Sv). Het proces-verbaal is overeenkomstig art. 327 Sv door de voorzitter en de griffier vastgesteld en ondertekend. Deze wettelijke regeling is ook in hoger beroep van toepassing (art. 415 Sv). Voor een controle van de juistheid van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd is – evidente misslagen daargelaten – in cassatie geen plaats.27 Van zo’n evidente misslag is hier geen sprake.

40. Los daarvan is het belang van de steller van het middel bij deze klacht mij niet duidelijk geworden. De steller legt geen verband tussen eventuele onjuistheden in het proces-verbaal en nadeel dat dientengevolge door de verdachte geleden zou zijn.

41. Het derde middel faalt.

42. Het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

43. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. onder meer HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578 m.nt. Van Veen, rov. 4.6; HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22, rov. 3.4.2; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3353, NJ 2016/11, rov. 2.3 en HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, NJ 2018/264, rov. 2.4.

2 Vgl. ook reeds HR 25 maart 1952, NJ 1953/109 en HR 10 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8910, NJ 1992/341.

3 Tot een ander oordeel kwam Uw Raad in HR 3 juli 1989, nr. 85.586, DD 90.011 en HR 15 juni 1993, nr. 94.313, DD 93.476 (de mededeling van de verkeerde datum van het vonnis stond er in die zaken niet aan in de weg dat sprake was van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is). Zie ook HR 10 januari 1989, nr. 83.843, DD 89.214 (waarin de vraag voorlag of de mededeling waarin het vonnis van de Kantonrechter niet geheel juist was weergegeven - de boetes waren opgeteld met vermelding van één van de drie overtreden wetsbepalingen - de verjaring had gestuit).

4 Wel cruciaal was het in HR 25 mei 1993, nr. 93.915, DD 93.429, waarin in de verstekmededeling één van de twee parketnummers was weergegeven waar de veroordeling betrekking op had, ‘zodat de verdachte op grond daarvan er niet mee bekend kon zijn dat bij meergenoemd vonnis meer zaken waren afgedaan’. Wetenschap van alleen een parketnummer en het betrokken parket is in ieder geval onvoldoende (HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3278, NbSr 2005/23).

5 Vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3353, NJ 2016/11, rov. 2.4; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131, rov. 2.5. Ook de omstandigheid dat in het vonnis de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf is gelast is van belang; vgl. HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578 m.nt. Van Veen, rov. 4.6.

6 Vgl. in dit verband ook HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1439, NJ 2009/322 m.b.t. een mededeling van de reclassering dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden. Deze mededeling was gebaseerd op een verzoek van de officier van justitie om een voorlichtingsrapport uit te brengen.

7 Dat is wel vereist als de verdachte bij de uitspraak aanwezig is. Artikel 364, eerste lid, Sv bepaalt: ‘Indien de verdachte bij het uitspreken van het vonnis tegenwoordig is, geeft de voorzitter hem mondeling kennis van het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat, en van de termijn, waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend’.

8 De ‘Zustellung’ is geregeld in par. 37 e.v. StPO.

9 In Meyer-Goßner/Schmitt, Strafprozessordnung, Becksche Kurz-Kommentare, 60. Auflage, aant. 7 bij Par. 35a, wordt opgemerkt: ‘Bei Zustellung einer Entscheidung wird schriftlich belehrt, und zwar entweder in der Entscheidung selbst oder durch Beifügung eines Merkblatts’. Zie ook Beck’scher Online-Kommentar StPO/Larcher, Par. 35 Bekanntmachung, Rn. 11 und 12 (https://beck-online.beck.de/). Overigens wordt zelfs in de context van de ‘formlose Mitteilung’ niet met een eenvoudige mondelinge mededeling genoegen genomen (Münchener Kommentar StPO/Valerius 1. Auflage 2014, StPO Par 35, Rn. 26). Vgl. over de Duitse regeling ook A.G. Mein en M.M. Egelkamp, De betekening en executie van verstekvonnissen; Een onderzoek naar de knelpunten in de praktijk, 2005, p. 41-45 (www.wodc.nl).

10 Vgl. EHRM 12 februari 1985, Colozza v. Italië, appl. no. 9024/80, NJ 1986/685, rov. 29.

11 Vgl. onder meer EHRM 1 maart 2006, Sejdovic v. Italië, appl. no. 56581/00, NJ 2006/661 m.nt. Schalken, rov. 99.

12 Hof van Cassatie 23 februari 2011, nr. 161 (te vinden via https://justitie.belgium.be/nl/rechterlijke_orde/hoven_en_rechtbanken/hof_van_cassatie/documenten/arresten_van_cassatie). Zie daaromtrent ook Ph. Traest, Het stelsel van de rechtsmiddelen in België, Preadvies Nederlands-Vlaamse vereniging voor Strafrecht, WLP, Nijmegen 2012, p. 121.

13 Kaderbesluit 2009/299/JBZ van 26 februari 2009.

14 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002.

15 Zie ook art. 45a Overleveringswet, waarin deze bepaling is geïmplementeerd. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat Kaderbesluit 2002/584/JBZ geen gevolgen heeft voor de rechtsgeldigheid van de betekening van dagvaardingen in Nederlandse strafzaken; zie HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:976, NJ 2017/251.

16 Vgl. Over rechtsmiddelen in strafzaken, Arnhem 1989, p. 333 e.v.

17 A.w., p. 340.

18 Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 29.

19 Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 27. Vgl. ook G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, 2014, p. 897-898, die opmerken dat de regel van art. 408 lid 4 Sv ‘strookt met de gedachte dat moet worden voorkomen dat de verdachte in onwetendheid de gelegenheid te appelleren laat lopen’. Zie ook HR 23 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6470, NJ 1979/307 m.nt. Mulder.

20 Blijkens de gedingstukken is ook de griffier van de rechtbank Den Haag daarvan uitgegaan. Bij de gedingstukken bevindt zich een notitie d.d. 7 april 2016 van de griffier, inhoudende dat in deze zaak geen ‘proces-verbaal met aantekening mondeling vonnis’ is opgemaakt omdat de verdachte, gelet op art. 408 Sv ‘evident niet-ontvankelijk’ is. Daarbij wordt vermeld dat de dagvaarding op 16 juli 2013 in persoon is betekend.

21 Zie in dit verband art. 9 en 10 Besluit tenuitvoerlegging taakstraffen.

22 Vgl. het eerder genoemde HR 10 juni 1969, NJ 1970/33.

23 In HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028, NJ 2009/429 was – zo zagen wij – ook sprake van betrokkenheid van een raadsman.

24 Ik heb daarbij betrokken dat termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen ‘van openbare orde’ zijn. Vgl. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. Schalken, rov. 2.3. Daarbij speelt hier ook het door art. 6 EVRM gegarandeerde aanwezigheidsrecht.

25 Zie art. 4bis lid 2 Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32 188, nr. 4, p. 2 (waar in dit verband abusievelijk wordt gesproken over art. 2 lid 2 Kaderbesluit 2009/299/JBZ) en nr. 3, p. 6 (transponeringstabel).

26 Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32 188, nr. 3, p. 4; Corstens en Borgers, a.w., p. 898, noot 64.

27 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, 2015, p. 191-192 en 197-199.