Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:756

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-06-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
17/03224
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1842, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Vervolg op HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317, NJ 2014/248. Verzekeringsrecht (oud). Brandverzekering bedrijfspand. Merkelijke schuld (art. 294 (oud) WvK). Brandstichting? Door verzekerde of derde? Bewijswaardering. Gezag van gewijsde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/03224

mr. W.L. Valk

Zitting: 22 juni 2018

Conclusie inzake:

1. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.

2. Aegon Schadeverzekering N.V.

3. ASR Schadeverzekering N.V.

4. Reaal Schadeverzekeringen N.V.

5. Allianz Benelux N.V.

Tegen

1. [verweerster 1]

2. [verweerder 2]

3. [verweerster 3]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als verzekeraars respectievelijk de erven [betrokkene 1] .

Deze zaak betreft de procedure na verwijzing na het arrest van uw Raad van 21 juni 2013 in de zaak met nummer 10/04461 (ECLI:NL:HR:2013:BZ8317). Het middel bevat diverse motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof. Dat oordeel komt er kort gezegd op neer dat hoewel niet kan worden uitgesloten dat wijlen [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) brand heeft gesticht in zijn bedrijfspand te Venray, het evenmin is uitgesloten dat de brand is aangestoken door een onbekend gebleven derde en dat de verzekeraars bij die stand van zaken niet zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht. In het middel lijkt mede een klacht omtrent de omvang van de rechtsstrijd na verwijzing besloten te liggen.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

1.1.1.

[betrokkene 1] was directeur en enig aandeelhouder van de beheer- en beleggingsmaatschappij [A] B.V. (hierna: [A] ). [A] had twee werkmaatschappijen: [B] B.V. (hierna: [B] ) en [C] B.V. (hierna: [C] ).

1.1.2.

Op 25 augustus 1999 heeft een brand gewoed in het bedrijfspand van [betrokkene 1] te Venray. [betrokkene 1] , [B] en [C] hadden het pand, de in het pand aanwezige inventaris en goederen, en de bedrijfsschade door brand verzekerd bij verzekeraars. Verzekeraars hebben vergoeding van de schade geweigerd omdat volgens hen sprake is van merkelijke schuld van [betrokkene 1] als bedoeld in art. 294 (oud) WvK. Verzekeraars hebben zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene 1] de brand zelf heeft aangestoken.

1.1.3.

[betrokkene 1] , [B] en [C] hebben [A] een last gegeven om op eigen naam, maar voor rekening en risico van [B] en [C] , de rechten voortvloeiend uit de opstal-, inventaris- en goederenverzekering geldend te maken.

1.1.4.

Nadat [A] , [B] en [C] failliet zijn verklaard, heeft de curator alle vorderingen op verzekeraars uit hoofde van de inventaris- en goederenverzekering en uit hoofde van de bedrijfsschadeverzekering gecedeerd aan [betrokkene 1] .

1.1.5.

[betrokkene 1] is op 19 juni 2010 overleden. Zijn erfgenamen, [verweerster 1] , [verweerder 2] en [verweerster 3] , hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

1.2.

Met betrekking tot het pand waarin de brand heeft gewoed staat het volgende vast:2

1.2.1.

Het pand bestaat uit een driehoekig kantoordeel met daarachter een rechthoekige loods. Er zijn vanuit het kantoor een aantal deuren die toegang geven tot de loods. Aan de ene kant van de loods bevindt zich een magazijn en aan de andere kant een werkplaats, van elkaar gescheiden door een ongeveer drie meter breed gangpad.

1.2.2.

De verschillende zijdes van het pand worden hierna aangeduid aan de hand van de windrichting. De kantoorzijde is de noordzijde, de magazijnzijde van de loods is de oostzijde en de werkplaatszijde van de loods is de westzijde. De loods heeft twee roldeuren, een aan de westzijde en een aan de zuidzijde (aan het eind van het gangpad). Daarnaast bevindt zich in de loods een vluchtdeur naar buiten.

1.2.3.

De indeling is in een door [betrokkene 2] (werkzaam bij de Technische Buitendienst van Nationale Nederlanden) opgesteld en op 23 september 1999 uitgebracht rapport nader als volgt omschreven (p. 2):

‘Het betrof een bedrijfsgebouw met daarin een kantoorruimte bestaande uit twee verdiepingen en een bedrijfshal. Kantoor en bedrijfsgedeelte waren van elkaar gescheiden door een gemetselde brandmuur.

Het kantoorpand, gesitueerd aan de voorzijde van het gebouw (...).

De bedrijfshal was gesplitst (door stellingen) in een werkplaats en een magazijn. In het magazijn was een houten verdiepingsvloer aangebracht. Op de verdieping waren twee kamers voor opslag van de administratie en van de kantoorartikelen. Verder waren er stellingen met daarin voornamelijk opslag van kunststof leidingen en toebehoren zoals afsluiters en koppelstukken.

In een van de stellingen vond ook de opslag plaats van lijmen, oplosmiddelen, verf en 2 componenten harsen die werden gebruikt bij de montage van leidingsystemen.’

1.2.4.

[betrokkene 3] (werkzaam bij [D] B.V., welk bureau door Stad Rotterdam Verzekeringen was ingeschakeld) heeft in zijn rapport van 20 oktober 1999 over de indeling van de bedrijfshal het volgende genoteerd (p. 3):

‘De bedrijfshal is een rechthoekige ruimte. Gezien vanuit het kantoor is rechts de hal ingericht als werkplaats [westzijde]. Het linkerdeel is in gebruik als magazijn [oostzijde]. Hier [boven het magazijn] is een houten verdiepingsvloer gelegd op houten vloerbalken. (...) De verdieping is eveneens in gebruik als opslagruimte en kan middels een trapopgang in het magazijn (gelegen bij de noordwand van het magazijn, hof) worden betreden.

Werkplaats en magazijn worden gescheiden door een circa drie meter brede, vrije ruimte (gang), met aan weerszijden magazijnstellingen. De vloer van de begane grond bestaat uit klinkers, gebed in zand. In de bedrijfshal zijn twee overheaddeuren en een nooddeur. In het dak zijn lichtstraten boven de werkplaats en het magazijn.’

1.3.

Met betrekking tot de toedracht van de brand staat het volgende vast:3

1.3.1.

Op 25 augustus 1999 omstreeks 17.00 uur waren [betrokkene 1] en twee medewerkers ( [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) in het pand aanwezig. [betrokkene 5] heeft om ongeveer 16.55 uur een afsluitronde gedaan; hij heeft daarbij niets bijzonders opgemerkt of geroken. Nadat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] tussen 17.05 uur en 17.10 uur het pand hebben verlaten, is [betrokkene 1] alleen achtergebleven. [betrokkene 1] was toen op de vaste telefoon in gesprek met Ballast Nedam. Dat gesprek duurde van 16.46 uur tot 17.10.54 uur.

1.3.2.

Om 17.15.32 uur heeft [betrokkene 1] met zijn mobiele telefoon naar huis gebeld. Dit gesprek is geregistreerd door de zendmast op de Maasheseweg 79 en vervolgens door de zendmast op Maasheseweg 89a.

1.3.3.

Om 17.19 uur is er bij de alarmcentrale een zogeheten ‘sabotagemelding’ van de alarminstallatie van [betrokkene 1] binnengekomen.

1.3.4.

De brand is door een voorbijganger ( [betrokkene 6] ) opgemerkt. Hij heeft om 17.19.50 uur de alarmlijn 112 gebeld. Hij heeft op 30 augustus 1999 ten overstaan van de onderzoeker van verzekeraars ( [betrokkene 7] ) verklaard:

‘Schuin links van mij lag een bedrijfspand. (...) Ik zag op dat moment donkergrijze dikke rookwolken. Deze wolken verdunden echter vrij snel in de wind en in de richting van de A73,

(...)

Die rook kwam vanuit het dak en naar mijn idee was de gehele loods al gevuld met rook. Ik ging daar vanuit omdat uit meerdere plaatsen rondom de dakrand van de loods, rook kwam. Die rook kwam er langzaam uit. Het kwam voornamelijk uit de achterste helft van de loods.

(...) Ik belde direct het alarmnummer 112. (...)

Ik legde mijn fiets op de grond en ben direct naar het kantorengedeelte gelopen.

(...) Ik zocht het nummer van het gebouw.

Bij het kantorengedeelte zag ik geen nummer staan. Daarop ben ik naar de zijkant van de loods gelopen. Dat is de kant waar een grote roldeur zit.

(...) Op dat moment viel het mij op dat de rook een stuk minder was geworden. Het was inmiddels lichtgrijze rook geworden en de rookwolken waren een stuk minder dik. Dat was slechts enige seconden nadat ik de brand had ontdekt.’

1.3.5.

Omstreeks 17.22 uur is bij de brandweer te Venlo de melding binnengekomen van de brand. De brandweer was rond 17.30 uur ter plaatse. Eén van de brandweerlieden ( [betrokkene 8] ) heeft ten overstaan van [betrokkene 7] op 3 september 1999 de volgende verklaring afgelegd:

‘Ter plaatse gekomen werd een eerste verkenning uitgevoerd door de bevelvoerder (...). Alle deuren van het gebouw bleken op slot te zijn.

Zelf was ik als eerste aanwezig bij de voordeuren van het kantoor gebouw. Deze deur was afgesloten, zoals ik kon voelen. Ik heb daarop met een koevoet het grote raam van de deur ingeslagen. Via die weg heb ik vervolgens met mijn collega’s het pand met perslucht betreden. Ik heb helemaal niets horen piepen van een alarminstallatie of iets dergelijks. (...)

Het hele kantoorgedeelte was rookvrij (...).

Uiteindelijk kwam ik bij de begane grondverdieping bij de toegangsdeur van het magazijn uit. Deze deur zat wel dicht, maar was niet op het slot afgesloten. Dat weet ik 100% zeker. Deze deur heb ik niet hoeven forceren.

Vervolgens ben ik via die deur de loods ingelopen en heb ik geprobeerd de brandhaard te zoeken. Binnen was het helemaal zwart en ik hoorde het vuur knetteren. De vuurhaard kon ik niet ontdekken. Ik zag geen vuur, alles zat onder de rook.

Aan de hand van het gevoel waar de meeste hitte zat, ben ik die richting uitgelopen. Dat was vanaf de magazijndeur gezien aan de linkerkant, schuin links [de westzijde].

In de loods stond een grote auto geparkeerd. Wij zijn daarop aan de voorkant van de auto langs gelopen. Op dat moment voelde ik een zeer grote hittestraling, maar zag nog steeds geen vlammen.

Het was vanwege die hitte onverantwoord om verder te gaan. Vervolgens ben ik via de magazijndeur weer teruggelopen.

(...)

Daarna zijn wij na geruime tijd naar boven gegaan via de trap in de hal en om te kijken of er een doorslag was naar het kantoor gedeelte. Die (...) vonden wij uiteindelijk in de kantine. De keukendeur naar het magazijngedeelte was dicht, maar niet op slot. Deze deur was warm.

Die deur heb ik geopend en op dat moment zag ik een redelijke vuurzee. Dat vuur bevond zich direct links om de hoek van de deur. Mogelijk was dat vuur aangestraald, althans dat idee heb ik ervan. Voor zover ik in korte tijd kon waarnemen, bevonden zich daar een kerstboom en allerlei kerstartikelen.

Er was inmiddels in de loods een ventilator ingezet om de rook uit de hal te verdrijven en om enig zicht op de loods te kunnen verkrijgen. Inmiddels was de lichtkoepel al uit de loods gebrand. Ik zag toen vanuit mijn richting en vanuit de deuropening, vlammen aan de zijde van de achterste wand [de zuidzijde].’

1.3.6.

Brandweercommandant Oosterhout heeft het verloop van de brand, de inzet van de brandweer en zijn bevindingen geschetst in een bespreking op 1 november 1999 met [betrokkene 1] en diens brandtechnisch adviseur [betrokkene 9] . Een en ander is neergelegd in een verslag:

De verkenning/waarnemingen

Dhr. Oosterhout was zelf als eerste ter plaatse. Bij aankomst nam hij heftige rookontwikkeling waar, er was nog geen sprake van een uitslaande brand. De toegangen tot het pand waren alle gesloten.

De hitte aftekening in de verf van de buitengevel was voor het eerst zichtbaar boven de roldeur in de zijgevel van de loods [zuidzijde]. Recht boven de roldeur en links boven de roldeur (van buitenaf gezien) verkleurde de verf duidelijk het eerste. Op grond hiervan werd vrij vroeg in de brand een brandhaard vermoed achter of links van de roldeur in de zijgevel Tijdens de brand zijn foto’s gemaakt waarop die eerste verkleuring duidelijk zichtbaar is.

Tijdens de inzet is de lichtstraat in het dak van de hal bezweken waardoor rook en warmte konden ontwijken. Dit gebeurde niet direct in het begin van de inzet. Een nadere tijdsaanduiding kan hiervoor niet worden gegeven.

In een later stadium zijn in de achtergevel [oostzijde] duidelijke verkleuringen waargenomen die wezen op de brand tegen de achtergevel. Deze verkleuringen zaten op de begane grond ter hoogte van gangpaden 2 (opslag elektriciteitskabel tegen de achtergevel) en 4 (opslag tyleenslang tegen de achtergevel). De gangpaden zijn genummerd vanuit de kantoren.

Ca. 60 minuten na het begin van de inzet heeft zich links achterin de hal een instorting voorgedaan. Dit betrof de verdiepingsvloer waarop projectopslag en kantooropslag waren gevestigd.

Inzet gericht op het behoud van de kantoren.

Na de eerste verkenning buitenom het pand heeft hij besloten om in eerste instantie een inzet te plegen op de scheiding tussen loods en de kantoren met als doel om in elk geval de kantoren te behouden. (...)

Inzet op de loods

In tweede instantie is de tweede tankautospuit ingezet met 2 stralen lage druk bij de roldeur aan de kopse kant (...) van de loods [westzijde]. Na het openen van de roldeur werden, vanwege de dichte rook nog geen vlamverschijnselen waargenomen. Een vuurhaard werd vermoed verderop in de loods. Door inzet van de twee stralen lage druk is uitbreiding van de brand tegen gegaan danwel is de brand teruggedrongen in het achterste deel van de loods [oostzijde].

In derde instantie is een derde straal lage druk van de 2e tankautospuit ingezet bij de roldeur aan de zijkant van de loods [zuidzijde]. Na het openen van de roldeur is deze straal ingezet ter aanvulling van de 2 eerder ingezette stralen en is daarmee het insluiten van de brandhaard voltooid. Het voertuig dat achter de roldeur stond geparkeerd is door de brandweer naar buiten getrokken.

In 4e instantie is een derde tankautospuit (...) ingezet aan de achterzijde van de loods [oostzijde] waar bomen en struiken vlam dreigden te vatten. Deze tankautospuit is ingezet op het koelen van de achter- en zijkanten. In de nablusfase heeft deze autospuit het verwijderen van de achterwanden begeleid.

Plaats van ontstaan en mogelijke oorzaken.

Op grond van de waarnemingen van de brandweer bestaat het vermoeden dat de brand is ontstaan rechts in de hal bij de roldeur in de zijgevel [zuidzijde]. Over een mogelijke oorzaak van de brand heeft de brandweer geen vermoedens.’

1.4.

Tussen partijen zijn meerdere procedures gevoerd over de vraag of verzekeraars gehouden zijn om de schade als gevolg van de brand te vergoeden.

1.5.

Op verzoek van [A] heeft de rechtbank Den Haag bij beschikking van 2 mei 2001 twee deskundigen benoemd teneinde te kunnen bepalen wat de oorzaak van de brand is geweest. Het gaat om J.A. Fonk, branddeskundige, en Y.E. Suurenbroek, brandweerofficier. Deze deskundigen hebben gezamenlijk R.M. Wisse (adviseur bodemverontreiniging van ingenieursbedrijf Oranjewoud), aangezocht als derde deskundige. De deskundigen hebben ieder een eigen onderzoek uitgevoerd:

a. Fonk heeft geconcludeerd dat de brand waarschijnlijk is ontstaan op een laag niveau, dat een technische oorzaak van de brand niet mogelijk is en dat de oorzaak moet worden gezocht in het ter plaatse brengen van vuur.

b. Suurenbroek heeft geconcludeerd dat de oorzaak van de brand niet eenduidig is vast te stellen. Er zijn volgens hem vele mogelijkheden als brandoorzaak te bedenken. Het is volgens hem niet uit te sluiten dat de brand is ontstaan door een technische oorzaak, maar het is ook mogelijk dat de brand door een onbekend gebleven derde is gesticht.

c. Wisse heeft zich beperkt tot de beoordeling van de monsterneming, het laboratoriumonderzoek en de interpretatie daarvan door verzekeraars. Hij heeft geconcludeerd dat een en ander kwalitatief aanzienlijk beter had gekund. Wisse heeft de indruk dat de onderzoekers te gemakkelijk zijn uitgegaan van ‘dit is de brandhaard en het moet wel aangestoken zijn’, waardoor een slordige, niet sterke bewijsvoering is ontstaan inzake brandstichting, en in het bijzonder het daartoe gebruiken van benzine als brandversneller.

1.6.

In een door [A] tegen verzekeraars aangespannen kortgedingprocedure heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 22 augustus 2002 bepaald dat verzekeraars voorschotten op de verzekeringsuitkering aan [betrokkene 1] (€ 136.000,—), en aan [B] en [C] (€ 225.000,—) dienden te betalen. Verzekeraars hebben aan dit vonnis voldaan. Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 november 2005 is dit kortgedingvonnis vernietigd, zodat de rechtsgrond voor de betalingen is komen te vervallen.4

1.7.

[A] heeft daarnaast een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin de rechtbank Den Haag bij tussenvonnis van 18 februari 2004 heeft geoordeeld dat verzekeraars voorshands zijn geslaagd in het bewijs dat sprake was van brandstichting door [betrokkene 1] . [A] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs dat brandstichting niet de oorzaak van de brand is en dat [betrokkene 1] de brand niet zelf heeft gesticht. [A] is tegen dit oordeel in hoger beroep gegaan, maar het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 februari 2006 het tussenvonnis van 18 februari 2004 bekrachtigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen. Bij vonnis van 13 september 2006 heeft de rechtbank verzekeraars ontslag van instantie verleend in verband met het faillissement van [A] .

1.8.

De onderhavige procedure bestaat uit twee afzonderlijke procedures die thans gevoegd worden behandeld. In de ene procedure hebben verzekeraars terugbetaling gevorderd van de door hen betaalde voorschotten aan [betrokkene 1] , [B] en [C] . Verzekeraars hebben voorts gevorderd [betrokkene 1] uit hoofde van onrechtmatige daad te veroordelen het aan [B] en [C] betaalde voorschot te vergoeden (hierna: zaak-28).5 In de andere procedure heeft [betrokkene 1] gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat verzekeraars zijn gehouden dekking te verlenen (hierna: zaak-26).6

1.9.

In zaak-28 heeft de rechtbank op 15 maart 2006 vonnis gewezen. De rechtbank heeft de vordering van verzekeraars tot het terugbetalen van de door hen betaalde voorschotten toegewezen, op de grond dat het kortgedingvonnis van 22 augustus 2002 dat verzekeraars verplicht tot het betalen van deze voorschotten inmiddels bij arrest van 29 november 2005 door het hof was vernietigd. De rechtbank zag geen aanleiding om [betrokkene 1] uit onrechtmatige daad te veroordelen het aan [B] en [C] betaalde voorschot te vergoeden omdat naar het oordeel van de rechtbank niet vaststond dat sprake was van brandstichting door [betrokkene 1] .

1.10.

In zaak-26 heeft de rechtbank op 16 april 2008 vonnis gewezen. De rechtbank heeft de door [betrokkene 1] gevorderde verklaring voor recht afgewezen, zonder [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen (tegen)bewijs te leveren.

1.11.

De verzekeraars hebben hoger beroep ingesteld van het vonnis in zaak-28; [betrokkene 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in zaak-26. Het hof heeft op 16 maart 2010 in beide zaken tussenarrest gewezen. Het hof heeft geoordeeld dat aan het hiervoor genoemde tussenvonnis van 18 februari 2004 en het arrest van 28 februari 2006 (vergelijk onder 1.7 hiervoor) gezag van gewijsde toekwam en dat de in die procedure uitgesproken voorshands bewezenverklaring op grond van art. 236 Rv bindende kracht heeft. Het hof heeft daarom (zowel in zaak-28 als in zaak-26) geoordeeld dat voorshands is bewezen dat brandstichting de oorzaak van de brand is en dat [betrokkene 1] de brand zelf heeft gesticht. [betrokkene 1] is daarnaast in beide zaken toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Het hof heeft voorts in beide zaken tussentijds cassatieberoep opengesteld. [betrokkene 1] heeft cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het hof in zaak-28 en in zaak-26.

1.12.

Bij arrest van 21 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ8317, bij uw Raad bekend onder zaaknummer 10/04461) heeft uw Raad geoordeeld dat het hof in beide zaken ten onrechte heeft geoordeeld dat gezag van gewijsde toekomt aan het tussenvonnis van 18 februari 2004 en het arrest van 28 februari 2006. Het arrest in zaak-28 is vernietigd. Het cassatieberoep in zaak-26 is verworpen, omdat [betrokkene 1] door het hof overeenkomstig zijn betoog in hoger beroep toegelaten is tot tegenbewijs. Beide zaken zijn ter verdere behandeling en beslissing terugverwezen naar het hof.

1.13.

In het verwijzingsgeding heeft het hof op 11 april 2017 in beide zaken arrest gewezen. Het hof heeft onder meer als volgt geoordeeld:

a. De oorzaak van de brand is voor onderzoekers moeilijk met zekerheid vast te stellen. Het ligt (niettemin) op de weg van verzekeraars om te bewijzen dat het door hen geschetste scenario (verkort weergegeven dat [betrokkene 1] tussen 17.10 en 17.15 uur in de gelegenheid was naar het magazijn te lopen en met behulp van daar aanwezige motorbenzine de brand te stichten7) zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Voor het antwoord op de vraag of verzekeraars in dat bewijs zijn geslaagd is niet alleen van belang de mate van waarschijnlijkheid dat het door hen geschetste scenario heeft plaatsgevonden, maar ook de mate van onwaarschijnlijkheid dat de brand door een andere oorzaak is ontstaan (onder 2.12).

b. Het hof ziet aanleiding veronderstellenderwijs ervan uit te gaan dat sprake is van brandstichting door middel van motorbenzine (onder 2.13).

c. [betrokkene 1] is weliswaar in de gelegenheid geweest de brand te stichten, maar niet staat vast dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan (onder 2.18).

d. Het moet ervoor worden gehouden dat de brand gesticht kan zijn door een derde, die tijdens kantooruren het pand door de voordeur heeft betreden en na het stichten van de brand het pand door de vluchtdeur heeft verlaten (onder 2.23).

e. Bij deze stand van zaken zijn verzekeraars niet geslaagd in het bewijs van hun stelling dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht (onder 2.24).

1.14.

Bij procesinleiding van 7 juli 2017 hebben verzekeraars – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof in het verwijzingsgeding. De erven [betrokkene 1] hebben een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna nog van re- en dupliek is gediend.

2 Opmerkingen vooraf over de gefourneerde dossiers

2.1.

Voordat ik het middel behandel, probeer ik eerst het een en ander op te helderen met betrekking tot de gedingstukken in de feitelijke instanties.

2.2.

Van belang is in de eerste plaats dat de partijen in de procedure na terugverwijzing met betrekking tot de gedingstukken in zaak-26 en zaak-28 hebben afgesproken dat alle processtukken en producties behorende tot de ene zaak zullen worden geacht ook te zijn overgelegd in de andere zaak en andersom.8

2.3.

Van de zijde van de erven [betrokkene 1] zijn in cassatie uitsluitend de processtukken van het geding na verwijzing gefourneerd, zodat wat betreft de gedingstukken vóór verwijzing uitsluitend het van de zijde van verzekeraars gefourneerde dossier beschikbaar is.

2.4.

In het van de zijde van verzekeraars gefourneerde dossier valt op dat in zaak-28 onder meer een tweetal ordners met in totaal 23 producties zijn gefourneerd, in de door verzekeraars bij hun dossier gevoegde inventarislijst vermeld onder nummers 19A en 19B. Uit die inventarislijst lijkt op het eerste gezicht te volgen dat deze producties horen bij de memorie van antwoord van de zijde van [betrokkene 1] in zaak-28 van 6 september 2007. Die memorie is immers gefourneerd onder nummer 19, terwijl de ordners zijn gefourneerd onder nummers 19A en 19B. De producties behoren echter bij de memorie van grieven van de zijde van verzekeraars in zaak-28 van 8 februari 2007. Ik leid dat af uit de volgende omstandigheden:

 aan de memorie van antwoord van de zijde van [betrokkene 1] in zaak-28 van 6 september 2007 zijn reeds elf producties gehecht (genummerd 1 tot en met 11) en in de memorie wordt naar deze elf producties verwezen;

 bij akte houdende uitlating producties van de zijde van verzekeraars in zaak-28 van 15 november 2007 hebben verzekeraars uitsluitend gereageerd op de elf aan de memorie van antwoord gehechte producties en niet op de 23 producties die in de twee ordners zijn opgenomen;

 blijkens het proces-verbaal van comparitie van partijen in zaak-26 en zaak-28 van 2 juni 2015 in de procedure na verwijzing heeft het hof partijen verzocht in onderling overleg in beide zaken een lijst op te stellen met ‘een opsomming van de tot op heden in elke zaak gewisselde processtukken en een opsomming van de bij elk afzonderlijk processtuk behorende producties, waarbij de nummers of letteraanduidingen van de producties gelijk dienen te zijn aan de eerder gebruikte aanduidingen in de processtukken.’ Nadien heeft een aktewisseling plaatsgevonden. Bij productie 8 van de akte na comparitie van de zijde van verzekeraars van 21 juli 20159 is een inventarislijst in het geding gebracht. Uit deze inventarislijst volgt dat bij de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28 23 producties in het geding zijn gebracht; de omschrijving in de lijst stemt overeen met de producties in de twee ordners. Bij antwoordakte na comparitie van 4 augustus 201510 is namens de erven [betrokkene 1] ingestemd met de door verzekeraars in het geding gebrachte inventarislijst.

2.5.

Tot slot merk ik nog op dat het middel bij verwijzingen naar gedingstukken steeds verwijst naar de nummering in de bedoelde inventarislijst (en vermeldt of het betreffende gedingstuk is ingediend in zaak-26 of zaak-28). Het middel vermeldt niet altijd de data waarop het betreffende stuk in het geding is gebracht. In verband met de omstandigheid dat de nummering in de inventarislijst van verzekeraars niet kenbaar is voor de erven [betrokkene 1] , zal ik hierna bij de behandeling van het cassatieberoep in voetnoten de gedingsstukken meer volledig aanduiden.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het middel bestaat uit drie onderdelen en een voortbouwklacht.

3.2.

Het eerste onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen. Al deze subonderdelen zijn gericht tegen een of meer van de volgende rechtsoverwegingen van het arrest van het hof:

Brandstichting door een derde?

2.19

De erven [betrokkene 1] hebben aangevoerd dat het mogelijk is dat de brand door een derde is gesticht. Zij hebben gesteld dat het mogelijk is dat een onbekende derde vóór sluitingstijd door de hoofdingang is binnengegaan. Het was op de dag van de brand warm weer en de deuren stonden open. Verzekeraars hebben dit niet bestreden, maar hebben aangevoerd dat deze derde het pand na de brandstichting niet meer heeft kunnen verlaten, omdat alle deuren naar buiten waren afgesloten. De erven [betrokkene 1] hebben dit op hun beurt betwist. Zij voeren aan dat er twee mogelijkheden waren het pand te verlaten:

a. In de zuidelijke wand van de loods bevond zich een opening die volgens de erven [betrokkene 1] groot genoeg was voor een persoon om het pand te betreden en te verlaten zonder gebruikmaking van de deuren. Volgens de getuigenverklaring van [betrokkene 9] ten overstaan van het hof ging het om een spleet van op het breedste punt 80 cm. en met een hoogte van ruim anderhalve meter. Die spleet was volgens de erven [betrokkene 1] reeds voorafgaand aan de brand aanwezig.

b. Een eventuele brandstichter heeft het pand kunnen verlaten via de vluchtdeur aan de linkerzijde (noordoostzijde) van de loods. Het is niet mogelijk deze deur van de buitenzijde te openen, maar de deur kon wel van de binnenzijde, zonder sleutel, worden geopend door middel van een rolslot, aldus de erven [betrokkene 1] .

2.20

Ter zake van de eerste optie, de spleet, hebben verzekeraars onder meer betwist dat deze spleet reeds voorafgaand aan de brand aanwezig was. Verzekeraars stellen dat de spleet tijdens of vlak na de brand is ontstaan, bijvoorbeeld als gevolg van blus- of ruimingswerkzaamheden. Tussen partijen staat vast dat de locatie van de spleet ten tijde van de brand enigszins aan het zicht was onttrokken, zowel aan de binnenzijde (omdat er stellingen voor stonden), als aan de buitenzijde (waar een container stond). De omstandigheid dat de brandweer en de politie bij een eerste inspectie van het pand de spleet niet hebben opgemerkt, betekent daarom nog niet dat deze spleet pas tijdens of na de brand is ontstaan. Naar het hof begrijpt, zijn partijen het erover eens dat de stellingkasten aan de binnenzijde en de container aan de buitenzijde de doorgang wel bemoeilijkten maar niet onmogelijk maakten.

2.21

Zowel een deskundige van verzekeraars ( [betrokkene 3] , rapport 19 april 2000, p. 31) als een deskundige van de erven [betrokkene 1] ( [betrokkene 10] , tweede rapport, p. 7) heeft zich uitgelaten over het tijdstip van het ontstaan van de spleet. Op basis van een aantal foto’s schrijft [betrokkene 3] dat de direct bij de spleet aanwezige pvc regenpijp slechts aan één zijde enige hitteschade heeft opgelopen. Als de opening ten tijde van de brand al aanwezig was geweest, zou men verwachten dat de pijp meer zou zijn aangetast, omdat rook en vlammen dan door dat gat naar buiten konden ontsnappen, aldus [betrokkene 3] . [betrokkene 10] stelt daar tegenover dat het juist logisch is dat de wandplaten rondom de spleet vergelijkbare hittepatronen vertonen als de platen elders. De hitte-inwerking kwam van binnen uit en het is volgens [betrokkene 10] waarschijnlijk dat de opening als trekgat voor de toevoer van verse lucht heeft gefungeerd, waardoor er nauwelijks rook naar buiten kwam zodat dus nauwelijks extra schade is opgetreden. Het hof kan zonder nadere deskundige voorlichting niet vaststellen of de theorie van [betrokkene 3] , dan wel de theorie van [betrokkene 10] juist is. Het hof zal deze kwestie echter verder in het midden laten, omdat – zoals hieronder uiteen gezet zal worden – er van moet worden uitgegaan dat een onbekende brandstichter het pand via de vluchtdeur heeft kunnen verlaten.

2.22

Ter zake van de vluchtdeur is in de dossiers het volgende te vinden.

a. Imhoff heeft in zijn rapport van 23 september 1999 (p. 4) opgemerkt:

“Deur 4

Betreft een vluchtdeur die alleen vanuit het magazijn normaal geopend kan worden. Ter hoogte van het slot heeft de brandweer geprobeerd de deur van buitenaf te forceren. Dat is niet gelukt. De deur is later van binnenuit geopend.”

b. [betrokkene 3] heeft in zijn rapport van 20 oktober 1999 (p. 6) het volgende geschreven:

“Deuren bedrijfshal

In de hal zijn twee overheaddeuren waarvan één met een loopdeur en een nooddeur. De nooddeur is voorzien van een insteekcilinderslot met panieksluiting (indien de nachtschoot in werking is, kan het slot worden geopend door de klink naar beneden te drukken). Aan de zijde van de hal is derhalve een klink. Aan de buitenzijde is enkel een cilinder.”

c. [betrokkene 5] heeft in een (aanvullend) interview van 27 augustus 1999 ten overstaan van de politie de afsluitronde die hij op de dag van de brand heeft gedaan, nader toegelicht. Hij zegt hierover (voor zover relevant):

“[De beide roldeuren in de loods] zaten op slot, doch zijn van binnenuit eenvoudig te openen middels draaiknoppen. Hoe dat bij vluchtdeur (...) is, weet ik niet. Deze heb ik trouwens niet gecontroleerd, want daar stond een grote bak voor, die de hele vluchtdeur a.h.w. aan het zicht onttrok.”

d. [betrokkene 10] heeft in zijn rapport van 7 maart 2000 (p. 19) gereageerd op de bevindingen van Imhoff en heeft naar voren gebracht dat de vluchtdeur van binnenuit eenvoudig met de hand kon worden geopend, zodat de dader deze als vluchtdeur heeft kunnen gebruiken.

e. Hierop heeft [betrokkene 3] in zijn aanvullend rapport van 19 april 2000 het volgende tegenin gebracht (p. 32):

“Op het moment van de brand was de deur aan halzijde met een kunststof bak gebarricadeerd. De brandweer heeft deze bak ter blussing verwijderd en buiten gezet. Over deze bak heeft getuige [betrokkene 5] eveneens verklaard dat deze bak daar stond.”

2.23

[betrokkene 1] heeft op pagina 40 van de memorie van antwoord in de zaak die thans zaaknr. 200.145.828/01 heeft, de stelling ingenomen dat de omstandigheid dat de deuren op de dag van de brand gesloten zijn geweest, nog niet wil zeggen dat er niet toch ongemerkt een derde in het magazijn terecht komt op een onbewaakt ogenblik. Voor de vluchtdeur stond weliswaar een kunststof bak doch niet is gebleken dat met enige belemmering toch door de vluchtdeur naar buiten kon worden gegaan, aldus [betrokkene 1] . Verzekeraars hebben deze stelling niet weersproken. Het hof heeft in het dossier ook geen aanwijzingen (bijvoorbeeld in het fotomateriaal) aangetroffen op grond waarvan het aannemelijk is dat de vluchtdeur zodanig was gebarricadeerd, dat het voor een dader redelijkerwijs niet mogelijk was hierdoor te ontsnappen. Het moet er dus voor worden gehouden dat de brand gesticht kan zijn door een derde, die tijdens kantooruren het pand door de voordeur heeft betreden en na het stichten van de brand het pand door de vluchtdeur heeft verlaten.

Slotsom

2.24

Het hof komt tot de volgende slotsom. Hoewel op grond van het in dit arrest besproken feitenmateriaal niet kan worden uitgesloten dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht, is het ook niet uitgesloten dat de brand is aangestoken door een onbekend gebleven derde. Bij die stand van zaken zijn verzekeraars niet geslaagd in het bewijs van hun stelling dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht.’

3.3.

Subonderdeel 1.1 betoogt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rechtsoverweging 2.19 dat verzekeraars niet hebben bestreden dat het op de dag van de brand warm weer was en dat de deuren open stonden. Verzekeraars hebben dit volgens het subonderdeel wel degelijk bestreden. Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42, sub e. Het subonderdeel vervolgt dat het oordeel van het hof te minder begrijpelijk is in het licht van de eerste volzin van rechtsoverweging 2.23, waar het hof overweegt dat [betrokkene 1] zelf de stelling heeft ingenomen dat de omstandigheid dat de deuren op de dag van de brand gesloten zijn geweest, nog niet wil zeggen dat er niet toch ongemerkt een derde in het magazijn terecht komt op een onbewaakt ogenblik. Het subonderdeel vervolgt dat in het licht van het voorgaande evenzeer onbegrijpelijk is hetgeen het hof in rechtsoverweging 2.23 overweegt, dat een derde op een onbewaakt ogenblik ongemerkt door de voordeur kan zijn binnengekomen, nu immers juist uit de verklaring van [betrokkene 5] blijkt dat ook die deur de gehele dag op slot zat.

3.4.

Mijns inziens slagen deze klachten niet. Ik werk dit hieronder uit.

3.5.

Het hof is veronderstellenderwijs uitgegaan van het scenario dat in het magazijn brand is gesticht (rechtsoverweging 2.13) en heeft vervolgens onder meer onderzocht of een derde dit kan hebben gedaan. Bij dit laatste rijzen een aantal vragen, waarvan in verband met de klacht de belangrijkste zijn: (1) op welke wijze kan een derde het pand zijn binnengekomen, (2) op welke wijze kan een derde na binnenkomst in het pand vervolgens in het magazijn zijn gekomen en (3) op welke wijze kan een derde na brandstichting het pand hebben verlaten. De aangevallen overweging van het hof ziet op eerstbedoelde vraag en komt erop neer dat een onbekende derde vóór sluitingstijd door de hoofdingang het pand kan hebben betreden.

3.6.

Het subonderdeel beroept zich in de eerste plaats op de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42, sub e. Ik citeer die passage in zijn verband:

‘42. De later bedachte stelling, dat een brandstichter zich kan hebben laten insluiten en reeds vóór het vertrek van [betrokkene 1] op de eerste etage brand zou hebben gesticht, hetgeen bijzonder onwaarschijnlijk is.

a. De pakkans van de brandstichter is dan bijzonder groot.

b. [betrokkene 5] heeft om 16.55 uur een controleronde gemaakt en daarbij niets bijzonders opgemerkt (proces-verbaal, proces-verbaal, blz. 75 e.v.).

c. Op de eerste verdieping is er geen brand gesticht.

d. Elk motief voor brandstichting bij een derde ontbreekt, die [betrokkene 1] ook niet heeft kunnen aangeven.

e. De deuren van het pand zijn die dag gesloten geweest.

[betrokkene 5] : “Die deuren zaten toen, 25 augustus 1999 op slot. De buitendeuren zijn die dag niet open geweest. Ik heb bij vertrek gevoeld of ze op slot zaten en dat was het geval.

f. Het binnentreden in een pand met benzine door een derde op klaarlichte dag is bovendien bijzonder onwaarschijnlijk.

g. De brandstichter zou geen vluchtroute hebben gehad.

Opm: De vluchtdeur was niet bereikbaar door de aanwezigheid van een kunststof bak, die later door de brandweer is verwijderd (rapport [betrokkene 2] , blz. 24; rapport [D] , blz. 32).’11

Het komt er dus op neer dat verzekeraars een hele reeks van vraagtekens hebben geplaatst bij het scenario van brandstichting door een derde. Mijns inziens is weinig duidelijk op welke van de drie hiervoor bedoelde vragen de stelling van verzekeraars sub e dat de deuren van het pand gesloten waren moet worden betrokken. De klacht van het subonderdeel betrekt de stelling op de eerstbedoelde kwestie (hoe kan een derde het pand zijn binnengekomen), maar vanzelfsprekend is die lezing allerminst. De memorie van grieven citeert een deel van de verklaring van [betrokkene 5] . Die verklaring luidt meer volledig als volgt, waarbij ik cursiveringen toevoeg:

‘Wat ik kan vertellen over de sleutels van het bedrijf. Ik ben niet in het bezit van een moedersleutel van het bedrijf. Ik heb een sleutel waarbij ik mij toegang kan verschaffen tot het bedrijf via de voordeur van het kantoor. Deze sleutel past ook op de sloten van de deuren die toegang geven vanaf het magazijn naar het kantoor. Deuren aan de buitenzijde van het magazijn, dus die twee grote roldeuren en daarin een loopdeur kan ik aan de buitenzijde niet openen. Met inbegrip van de nooddeur in het magazijn.

Aan de binnenzijde kan ik zonder sleutel die deuren afsluiten met een hendel. Die deuren zaten toen, 25 augustus 1999 op slot. De buitendeuren zijn die dag niet open geweest. Ik heb bij vertrek gevoeld of ze op slot zaten en dat was het geval. Met die sleutel heb ik op andere plaatsen geen toegang.’

Mijns inziens kan er moeilijk twijfel over bestaan dat [betrokkene 5] zowel met de herhaalde aanduiding ‘die deuren’ als met ‘de buitendeuren’ niet het oog had op de hoofdingang, maar op de deuren aan de buitenzijde van het magazijn, namelijk twee grote roldeuren en een loopdeur. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof in de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42, sub e niet heeft gelezen dat verzekeraars hebben bestreden de stelling van de erven [betrokkene 1] dat het warm weer was en dat de deuren van de hoofdingang openstonden. Eventueel laat de overweging van het hof zich ook zo verantwoorden, dat voor zover verzekeraars met hun stelling dat de deuren van het pand gesloten zijn geweest al mede het oog hadden op de hoofdingang en op de vraag hoe een derde het pand kan zijn binnengekomen, die stelling naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd (want uitsluitend gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 5] , die niet over de hoofdingang spreekt).

3.7.

Het subonderdeel beroept zich in de tweede plaats op de eerste volzin van rechtsoverweging 2.23, waar het hof overweegt dat [betrokkene 1] zelf de stelling heeft ingenomen dat de omstandigheid dat de deuren op de dag van de brand gesloten zijn geweest, nog niet wil zeggen dat er niet toch ongemerkt een derde in het magazijn terecht komt op een onbewaakt ogenblik.

3.8.

Rechtsoverweging 2.23 staat vooral in de sleutel van de hiervoor onder 3.5 als derde aangeduide vraag, namelijk hoe een derde het pand na brandstichting kan hebben verlaten. Die vraag had het hof in rechtsoverweging 2.19 benoemd als de centrale kwestie in het standpunt van verzekeraars. In de eerste volzin van rechtsoverweging 2.23 ziet het hof echter kort ook de onder 3.5 als tweede aangeduide vraag onder ogen, dus de kwestie op welke wijze een derde na binnenkomst in het pand vervolgens in het magazijn kan zijn gekomen. Althans, zo lees ik het arrest van het hof. Hoe dan ook, die volzin heeft niet betrekking op de vraag hoe een derde het pand kan zijn binnenkomen. De klacht berust op een onjuiste lezing van ’s hofs arrest. Enige tegenspraak tussen rechtsoverweging 2.19 en rechtsoverweging 2.23 doet zich niet voor.

3.9.

De laatste klacht richt zich tegen de conclusie die het hof in de laatste volzin van rechtsoverweging 2.23 trekt, namelijk dat het er voor moet worden gehouden dat de brand gesticht kan zijn door een derde die tijdens kantooruren het pand door de voordeur heeft betreden. De klacht beroept zich op de verklaring van [betrokkene 5] . Hiervoor is al gebleken dat die verklaring niet ziet op de voordeur maar op de deuren aan de buitenzijde van het magazijn. ’s Hofs overweging is niet onbegrijpelijk.

3.10.

Onder 1.2 betoogt het middel dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 2.21 tot en met 2.24, dat niet kan worden uitgesloten dat de brand is gesticht door een derde die het pand door de vluchtdeur heeft kunnen verlaten. Dit, in de eerste plaats, omdat ten onrechte eraan voorbij wordt gezien dat verzekeraars onderbouwd hebben gesteld dat de feiten uitwijzen dat die route op de dag van de brand niet is gebruikt.12 Meer in het bijzonder hebben verzekeraars het volgende betoogd:

a. er stond een kunststof bak vóór de vluchtdeur die de doorgang barricadeerde,

b. die bak is pas na de brand door de brandweer verwijderd ter blussing,

c. de bak is derhalve niet – al eerder – door een derde verwijderd om door de vluchtdeur het pand te verlaten,

d. de brandweer heeft alle deuren, en dus ook de betreffende vluchtdeur, gesloten aangetroffen.13

Het middel vervolgt dat het oordeel van het hof in de tweede plaats onbegrijpelijk is voor zover het hof met rechtsoverweging 2.23 heeft willen overwegen dat de vluchtdeur ook gebruikt kon worden zonder de kunststof bak te verschuiven. Het eerste argument van het hof dat de verzekeraars niet hebben weersproken dat er ondanks de kunststof bak met enige belemmering toch door de vluchtdeur naar buiten kon worden gegaan, miskent volgens het subonderdeel dat de verzekeraars wél en bij herhaling hebben gesteld dat de vluchtdeur ‘niet bereikbaar’ was door de aanwezigheid van de kunststof bak.14 Het tweede argument van het hof dat het in het dossier geen aanwijzingen heeft aangetroffen op grond waarvan het aannemelijk is dat de vluchtdeur zodanig was gebarricadeerd dat het voor een dader redelijkerwijs niet mogelijk was hierdoor te ontsnappen, ziet volgens het subonderdeel eraan voorbij dat uit de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 3]15 duidelijk blijkt dat die kunststof bak de hele vluchtdeur aan het zicht onttrok én de deur door die bak was ‘gebarricadeerd’. Dat laatste blijkt ook uit de door het hof hier niet geciteerde, maar door de verzekeraars wel aangehaalde, verklaring van Imhoff in zijn rapport van 19 april 2000.16 In het licht van deze, op het punt van de mogelijkheid van een vluchtweg essentiële verklaringen, die niet anders zijn te begrijpen dan dat de vluchtdeur was geblokkeerd, heeft het hof niet tot de slotsom kunnen komen dat een onbekende derde ‘met enige belemmering’ tóch door de deur kon, aldus het subonderdeel.

3.11.

Dit subonderdeel betreft dus ’s hofs overwegingen omtrent de onder 3.5 als derde aangeduide vraag, namelijk hoe een derde na brandstichting het pand kan hebben verlaten.

3.12.

De klacht dat het oordeel van het hof eraan voorbij ziet dat verzekeraars onderbouwd hebben gesteld dat de feiten uitwijzen dat die route via de vluchtdeur op de dag van de brand niet is gebruikt omdat – kort gezegd – een kunststof bak de deur barricadeerde, miskent dat het hof dit betoog heeft gepasseerd in rechtsoverweging 2.23. Daar oordeelt het hof immers dat voor de vluchtdeur weliswaar een kunststof bak stond, maar dat niet is gebleken dat met enige belemmering toch door de vluchtdeur naar buiten kon worden gegaan. Het hof vervolgt dat verzekeraars deze stelling niet hebben weersproken en ook dat het hof in het dossier geen aanwijzingen (zoals fotomateriaal) heeft aangetroffen op grond waarvan het aannemelijk is dat de vluchtdeur zodanig was gebarricadeerd, dat het voor een dader redelijkerwijs niet mogelijk was hierdoor te ontsnappen.

3.13.

Een vraagteken valt te plaatsen bij de overweging van het hof dat verzekeraars niet hebben betwist dat niet is gebleken dat (ondanks de kunststof bak) toch door de vluchtdeur naar buiten kon worden gegaan. Verzekeraars hebben immers betoogd dat de vluchtdeur niet bereikbaar was door de aanwezigheid van de kunststof bak.17 In dat betoog kan bezwaarlijk iets anders worden gelezen dan de stelling dat de aanwezigheid van de kunststof bak het gebruik van de vluchtdeur uitsloot. Verzekeraars hebben echter geen belang bij de hiertegen gerichte klacht omdat het hof óók overweegt dat het in het dossier geen aanwijzingen heeft aangetroffen dat de vluchtdeur zodanig was gebarricadeerd dat het redelijkerwijs niet mogelijk was hierdoor te ontsnappen. In die overweging ligt een afwijzing van het betoog van verzekeraars besloten.

3.14.

De overweging van het hof dat het in het dossier geen aanwijzingen heeft aangetroffen dat de vluchtdeur zodanig was gebarricadeerd dat het redelijkerwijs niet mogelijk was hierdoor te ontsnappen is niet onbegrijpelijk. Ten betoge van het tegendeel hebben verzekeraars naar de volgende bronnen verwezen:

a. De in rechtsoverweging 2.22 onder c van het arrest van het hof aangehaalde verklaring van [betrokkene 5] : hieruit volgt dat [betrokkene 5] de vluchtdeur niet heeft gecontroleerd omdat daar een grote bak voor stond die de deur aan het zicht onttrok.

b. Het in rechtsoverweging 2.22 onder 3 van het arrest van het hof aangehaalde rapport van [betrokkene 3] : hieruit volgt dat de deur met een kunststof bak was gebarricadeerd.

c. Het rapport van Imhoff van 19 april 2000, p. 24 onderaan (akte overlegging producties in depot in zaak-26 gedateerd 16 mei 2007):

‘Op de bijgevoegde foto’s (...) is deze deur zichtbaar. I tegenstelling tot de bewering van CL. is dit geen normale af te sluiten deur. De deur is niet voorzien van een rolslotcilinder maar van een normale insteekcilinder. (...). Verder heeft de deur aan de buitenzijde een klink. Voor wat betreft dit laatste is door mij in het rapport de opmerking “normaal” gebruikt. In de slotkast zijn twee schoten zichtbaar waarmee deze deur wordt vergrendeld. (...). Aan de binnenzijde van de deur zijn beide schoten te ontgrendelen door middel van het naar beneden bewegen van de klink. Derhalve kan deze deur als vluchtdeur worden gebruikt omdat alle vergrendelingen, zowel dag als nachtschoot, zonder sleutel van binnenuit ontgrendeld kunnen worden.

Het gebruik van deze deur als vluchtdeur was ernstig bemoeilijkt. Ten tijde van de brand was deze deur aan de binnenzijde gebarricadeerd met een kunststof bak. Deze bak is later door de brandweer verwijderd en naar buiten geplaatst. Deze bak stond tegen de buitengevel ten tijde van het onderzoek. Een en ander werd ter plaatse bevestigd door het aanwezig personeel.’

Uit deze bronnen valt af te leiden dat op de dag van de brand (inderdaad) een kunststof bak voor de vluchtdeur stond, die het gebruik van deze deur ernstig heeft bemoeilijkt. Het oordeel van het hof luidt echter dat niet is gebleken dat het daardoor redelijkerwijs onmogelijk is geworden via de vluchtdeur te ontsnappen. De bedoelde bronnen sluiten die mogelijkheid inderdaad niet uit. De klacht faalt.

3.15.

Onder 1.3, en dan met name in voetnoot 14 van het middel, richt het middel zich om te beginnen tegen de laatste zin van rechtsoverweging 2.7. Rechtsoverweging 2.7 luidt:

‘2.7 Het hof merkt op dat tot nu toe in geen van beide procedures een inhoudelijk oordeel is gegeven over de vraag of verzekeraars (voorshands) zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht. In beide procedures is tot nu toe immers – kort gezegd – uitgegaan van het voorshandse bewijsoordeel dat is gegeven in de procedure tussen [A] en verzekeraars. Dit betekent dat de vraag of verzekeraars zijn geslaagd in het bewijs thans ten volle op tafel ligt.’

Het subonderdeel betoogt dat voor zover het hof met deze laatste zin heeft beoogd te zeggen dat in zaak-26 niet éérst beoordeeld zou moeten worden of de erven [betrokkene 1] voldoende tegenbewijs hebben geleverd tegen het voorshandse vermoeden dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht, dat oordeel onjuist en onbegrijpelijk is, nu in zaak-26 geldt dat voorshands vaststaat dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht, en dat [betrokkene 1] tegenbewijs mag leveren. Hoewel het middel geen klacht richt tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 2.12, dat het op de weg van verzekeraars ligt om te bewijzen dat het door hen geschetste scenario (dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht) zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, ga ik ervan uit dat een dergelijke klacht in het middel gelezen moet worden nu dit oordeel in rechtsoverweging 2.12 voortbouwt op het oordeel in rechtsoverweging 2.7 dat de vraag of verzekeraars zijn geslaagd in het bewijs thans ten volle op tafel ligt.

3.16.

De klacht, die dus de opmerkelijke vorm van een voetnoot draagt, is niet uitgewerkt. Lees ik de klacht welwillend, dan houdt ze verband met het volgende. In de procedure vóór verwijzing heeft het hof bij arresten van 16 maart 2010 op de navolgende manier geoordeeld dat het voorlopig bewijsoordeel in het tussenvonnis van 18 februari 2004 en het arrest van 28 februari 2006 (vergelijk onder 1.7 hiervoor) gezag van gewijsde heeft, zodat ook in de onderhavige procedure heeft te gelden dat voorshands, behoudens tegenbewijs, is bewezen (i) dat brandstichting de oorzaak van de brand is en (ii) dat [betrokkene 1] de brand zelf heeft gesticht (cursiveringen door mij toegevoegd):

– In zaak-28:

‘15. Met betrekking tot de vraag of [betrokkene 1] de brand heeft gesticht overweegt het hof als volgt. In het arrest van dit hof van heden in de zaak tussen [betrokkene 1] en Fortis c.s. (zaaknummer 200.012.026/01) overweegt het hof dat eerdergenoemd tussenvonnis van de rechtbank van 18 februari 2004 en eerdergenoemd arrest van dit gerechtshof van 28 februari 2006 beide in kracht van gewijsde zijn gegaan en dat de beslissingen in die uitspraken, voor zover deze de rechtsbetrekking in geschil betreffen, ingevolge artikel 236 Rv bindende kracht hebben in genoemde procedure tussen [betrokkene 1] en Fortis c.s. Daarbij ging het met name om het (door dit hof bekrachtigde) oordeel van de rechtbank in het vonnis van 18 februari 2004 dat voorshands, behoudens tegenbewijs, is bewezen (1) dat brandstichting de oorzaak van de brand is en (2) dat [betrokkene 1] de brand zelf heeft gesticht.

16. (...) In verband hiermee overweegt het hof dat bij de onderhavige procedure tussen NN c.s. en [betrokkene 1] , evenals bij eerdergenoemde procedure tussen [betrokkene 1] en Fortis c.s., dezelfde (materiële) partijen zijn betrokken als bij de (met ontslag van instantie geëindigde) procedure tussen [A] (als lasthebber van [betrokkene 1] , [B] en [C] ) en Fortis c.s. Voorts is de genoemde voorshands bewezenverklaring een beslissing die de rechtsbetrekking in het onderhavige geschil betreft en die is vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis c.q. arrest. Hieruit volgt voor de onderhavige procedure dat genoemde voorshands bewezenverklaring op grond van artikel 236 Rv bindende kracht heeft en dat het beroep van NN c.s. op onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] slaagt, tenzij [betrokkene 1] voldoende tegenbewijs bijbrengt tegen de voorshands bewezen geachte stelling van NN c.s. dat hij de brand heeft gesticht.’

– In zaak-26:

‘10. Het hof overweegt dat eerdergenoemd tussenvonnis van de rechtbank van 18 februari 2004 en eerdergenoemd arrest van dit gerechtshof van 28 februari 2006 beide in kracht van gewijsde zijn gegaan. Voorts overweegt het hof dat vaststaat dat bij de procedure tussen [A] (als lasthebber van [betrokkene 1] , [B] en [C] ) en Fortis c.s. dezelfde (materiële) partijen betrokken waren en dezelfde rechtsbetrekkingen in geschil waren als in de onderhavige procedure tussen [betrokkene 1] en Fortis c.s. Dit betekent dat beslissingen in de genoemde uitspraken, voor zover deze de rechtsbetrekking in geschil betreffen, ingevolge artikel 236 Rv bindende kracht hebben in de onderhavige procedure.

11. Geen van partijen heeft een klacht gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het bestreden vonnis dat voorshands, behoudens tegenbewijs, is bewezen (1) dat brandstichting de oorzaak van de brand is, en (2) dat [betrokkene 1] zelf de brand heeft gesticht. Voorts is niet in geschil dat het hierbij gaat om een rechtsbetrekking in geschil, zodat aan deze beslissing, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.13 van het bestreden vonnis heeft overwogen, in de onderhavige procedure bindende kracht toekomt. Het gaat daarmee thans alleen om de vraag of de rechtbank [betrokkene 1] in de onderhavige procedure al dan niet had moeten toelaten tot het leveren van tegenbewijs. In verband daarmee overweegt het hof als volgt.’

3.17.

Tegen beide arresten heeft [betrokkene 1] cassatieberoep ingesteld. Onderdeel II van het middel richtte zich tegen de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen van het hof. De klacht was dat het oordeel van het hof onjuist was omdat de procedure die heeft geleid tot het tussenvonnis van 18 februari 2014 en het arrest van 28 februari 2006 door ontslag van instantie was geëindigd, zodat het desbetreffende vonnis en arrest niet in kracht van gewijsde zijn gegaan.18

3.18.

Bij arrest van 21 juni 2013 heeft uw Raad hierover geoordeeld dat de klacht gegrond is, nu een ontslag van instantie, evenals een verval van instantie, tot gevolg heeft dat de gehele instantie vervalt, inclusief eventuele tussenuitspraken en de daarin vervatte bindende eindbeslissingen. Nu in de procedure tussen [A] en verzekeraars ontslag van instantie is verleend voordat einduitspraak was gedaan, is het tussenvonnis volgens uw Raad in die zaak niet in kracht van gewijsde gegaan maar vervallen. In dat lot deelt het in het tussentijdse appel gewezen tussenarrest van het hof. Aan deze uitspraken komt dus geen gezag van gewijsde toe.

3.19.

Over de klacht in zaak-26 oordeelt uw Raad vervolgens nader:

‘De gegrondheid van de klacht kan in de zaak 200.012.026/01 echter niet tot cassatie leiden. Het hof heeft [betrokkene 1] in die zaak – overeenkomstig zijn betoog in hoger beroep dat hij behoorde te worden toegelaten tot het tegenbewijs waartoe [A] in het tussenvonnis en het tussenarrest was toegelaten – alsnog tot dat tegenbewijs toegelaten. Waar [betrokkene 1] op dit punt door het hof in het gelijk is gesteld, heeft hij in die zaak geen belang bij de klacht.’

3.20.

De onderhavige klacht komt er in deze lezing in de kern op neer dat deze laatste beslissing van uw Raad en de daaruit voortvloeiende verwerping van het cassatieberoep tot gevolg heeft dat in de procedure na verwijzing in zaak-26 heeft te gelden dat het tussenvonnis van 18 februari 2014 en het arrest van 28 februari 2006 gezag van gewijsde hebben en dat daarom voorshands, behoudens tegenbewijs, is bewezen (a) dat brandstichting de oorzaak van de brand is, en (b) dat [betrokkene 1] zelf de brand heeft gesticht. Dit terwijl anderzijds in zaak-28 –op grond van de vernietiging bij het arrest van uw Raad in die zaak – heeft te gelden dat het tussenvonnis van 18 februari 2014 en het arrest van 28 februari 2006 géén gezag van gewijsde hebben en dat ieder oordeel omtrent het bewijs nog open lag.

3.21.

De aldus begrepen klacht berust op een hopeloos formele opvatting van het cassatieprocesrecht en behoort daarom te falen. De betekenis voor het geding na verwijzing van de beslissing van uw Raad dat de klacht van [betrokkene 1] niet tot cassatie kan leiden omdat hij bij de klacht geen belang heeft, moet door uitleg worden vastgesteld.19 In redelijkheid kan die uitleg niet zijn dat in zaak-26 van het gezag van gewijsde van het tussenvonnis van 18 februari 2014 en van het arrest van 28 februari 2006 moet worden uitgegaan. Dat kan in de eerste plaats niet omdat uw Raad heeft beslist dat dit gezag van gewijsde niet bestaat, omdat het ontslag van instantie ertoe heeft geleid dat het vonnis en arrest niet in kracht van gewijsde zijn gegaan. Die uitleg is in de tweede plaats niet redelijk omdat zij ertoe zou leiden dat een onbegrijpelijke tegenstelling bestaat in de beide door het hof gevoegd te behandelen zaken omtrent geheel dezelfde vraag.

3.22.

Het middel vervolgt, nog steeds onder 1.3, dat het impliciete oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 2.21 tot en met 2.24 dat de erven [betrokkene 1] (in zaak-26) voldoende tegenbewijs hebben geleverd tegen het voorshandse vermoeden dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht en het expliciete oordeel dat de verzekeraars (vervolgens) niet zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Hetgeen het hof overweegt in rechtsoverwegingen 2.21 tot en met 2.24 is volgens het subonderdeel voor dat (impliciete) oordeel niet toereikend. Het hof overweegt daar namelijk slechts dat (i) een derde ‘op een onbewaakt ogenblik’ naar binnen zou hebben kunnen glippen ‘door de voordeur’ en (ii) ‘met enige belemmering’ door de vluchtdeur naar buiten had kunnen gaan en – dus – ‘niet kan worden uitgesloten’ dat de brand is gesticht door een onbekend gebleven derde, aldus het subonderdeel. Deze ‘gemeenplaats’, is evenwel ontoereikend in het licht van het betoog van de verzekeraars dat dat scenario als reële mogelijkheid valt uit te sluiten, althans veel minder waarschijnlijk is dan brandstichting door [betrokkene 1] die zowel de gelegenheid als een motief tot brandstichting had (rechtsoverwegingen 2.13 en 2.13).20

3.23.

Ik stel voorop dat deze klacht voortbouwt op de onjuiste gedachte dat het hof in de procedure na verwijzing (in zaak-26) nog had moeten uitgaan van het voorlopig bewijsoordeel dat voorshands, behoudens tegenbewijs, is bewezen (a) dat brandstichting de oorzaak van de brand is, en (b) dat [betrokkene 1] zelf de brand heeft gesticht, vergelijk onder 3.15 e.v. hiervoor. Integendeel heeft te gelden dat het hof vrij was in zijn bewijswaardering.

3.24.

Ook overigens faalt de klacht. Verzekeraars proberen uw Raad te verleiden tot een oordeel over een kwestie die bij uitstek is aan de rechter die over de feiten oordeelt, namelijk de waardering van bewijs. Uit de overwegingen van het hof volgt dat voor het hof brandstichting door een derde een niet uit te sluiten scenario is. Dat is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat verzekeraars niet zijn geslaagd in het bewijs dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft deze laatste beslissing niet alleen gegrond op zijn aanname dat brandstichting door een derde niet is uit te sluiten, maar ook op zijn oordeel dat omtrent het scenario dat [betrokkene 1] zelf de brand heeft gesticht niet meer kan worden vastgesteld dan dat [betrokkene 1] daartoe weliswaar in de gelegenheid is geweest maar dat niet vaststaat dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan (rechtsoverweging 2.24 in verband met rechtsoverwegingen 2.18 en 2.12). Het is duidelijk dat de verzekeraars niet van de onschuld van [betrokkene 1] overtuigd zijn, maar dat is uiteraard niet bepalend. Uitgangspunt is dat verzekeraars de bewijslast dragen. Direct bewijs voor brandstichting door [betrokkene 1] ontbreekt. Hij had voor die brandstichting slechts gelegenheid en eventueel een motief. Aldus is het voorhanden indirecte bewijs voor brandstichting door [betrokkene 1] uitgesproken mager. Daarbij past dat het hof geen hoge eisen heeft gesteld aan het alternatieve scenario van brandstichting door een derde en dat voor het hof volstond dat dit scenario niet valt uit te sluiten.

3.25.

De door het subonderdeel aangeduide stellingen onder a tot en met e zijn geen essentiële stellingen waarop het hof afzonderlijk diende te responderen. Al deze stellingen komen erop neer dat het scenario van brandstichting door een derde zeer onwaarschijnlijk is, dan wel dat het scenario van brandstichting door [betrokkene 1] niet onaannemelijk is. Enigszins harde aanwijzingen betreffen die stellingen echter niet. In het gemotiveerde, andersluidende oordeel van het hof ligt de verwerping van de bedoelde stellingen besloten. Met betrekking tot de stelling onder a – dat de deuren van het pand volgens de verklaring van [betrokkene 5] gesloten waren en dat braaksporen ontbreken – verwijs ik bovendien naar de bespreking van subonderdeel 1.1: [betrokkene 5] heeft niet verklaard dat alle deuren van het pand gesloten waren, maar slechts dat dit gold voor de deuren aan de buitenzijde van het magazijn.

3.26.

Onderdeel 2 bestaat uit twee subonderdelen die zich richten tegen een of meer van de volgende rechtsoverwegingen:

‘2.16 Verzekeraars hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat [betrokkene 1] het alarm niet heeft ingeschakeld en daarover heeft gelogen toen hij werd ondervraagd door de onderzoekers van verzekeraars en door de politie. Verzekeraars leiden hieruit af dat [betrokkene 1] iets te verbergen had en dat het aannemelijk is dat hij de brandstichting heeft willen verhullen. De erven [betrokkene 1] hebben dit betwist. Volgens hen kan niet meer worden vastgesteld wat er precies is gebeurd met het alarm, omdat verzekeraars na de brand verzuimd hebben het alarm tijdig uit te lezen. Verder hebben zij aangevoerd dat [betrokkene 1] enkel heeft verklaard dat hij het alarm heeft ingeschakeld en dat hij toen een akoestisch signaal heeft waargenomen. Het is volgens hen niet bekend of hij toen een ononderbroken signaal (gebruikelijk bij normale uitloop), dan wel pulserend signaal heeft gehoord. Het ononderbroken signaal klinkt overigens pas enige tijd nadat het alarm is ingeschakeld; als men snel wegloopt, hoort men dit signaal niet, aldus de erven [betrokkene 1] . Verzekeraars hebben de door de erven [betrokkene 1] geopperde scenario’s en verklaringen weersproken. Volgens hen is [betrokkene 1] tegenover de onderzoekers heel stellig geweest in zijn verklaring dat hij het alarm had ingeschakeld. Bovendien zijn de piepjes van het alarm bij een juiste dan wel foutieve inschakeling gemakkelijk uit elkaar te houden en waren deze piepjes bij [betrokkene 1] bekend, aldus verzekeraars.

2.17

Naar het oordeel van het hof is de kwestie van de alarminstallatie – uiteindelijk – niet direct relevant voor de vraag of bewezen is dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht. Aan verzekeraars kan worden toegegeven dat als vast zou komen te staan dat [betrokkene 1] heeft gelogen over het inschakelen van de installatie, dat wellicht een aanwijzing zou kunnen zijn dat hij de brand heeft gesticht. Echter, achteraf kan niet meer worden vastgesteld of [betrokkene 1] moedwillig een onjuiste verklaring heeft afgelegd of dat hij zich heeft vergist. Bovendien komt het voor risico van verzekeraars dat niet meer kan worden vastgesteld of [betrokkene 1] een (mislukte) poging heeft gedaan om het alarm in te schakelen, zeker als juist zou zijn de stelling van [verweerster 1] dat het aan verzekeraars is te wijten dat de alarminstallatie na de brand niet meer kon worden uitgelezen. Het is mogelijk dat als gevolg van het niet tijdig uitlezen bewijs verloren is gegaan, maar zelfs dat valt niet met zekerheid te zeggen.

2.18

De slotsom is dat [betrokkene 1] weliswaar in de gelegenheid is geweest de brand te stichten, maar dat niet vast staat dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.’

3.27.

Onder 2.1 betoogt het middel dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 2.16 tot en met 2.18 dat de kwestie van de alarminstallatie niet direct relevant is voor de vraag of bewezen is dat [betrokkene 1] de brand heeft gesticht, omdat achteraf niet meer kan worden vastgesteld of [betrokkene 1] moedwillig een onjuiste verklaring heeft afgelegd of dat hij zich heeft vergist. Dat [betrokkene 1] is overleden en na verwijzing dus niet meer onder ede kon worden gehoord, laat volgens het subonderdeel onverlet dat de verzekeraars hebben aangevoerd dat uit diens verklaringen blijkt dat hij zich destijds niet heeft vergist en dat hij een leugenachtige verklaring heeft afgelegd.21 Het subonderdeel vervolgt dat de verzekeraars in dit verband de volgende (in hun visie: essentiële) stellingen hebben geformuleerd:

a. [betrokkene 1] heeft tegenover de politie op 30 augustus 1999 (dus krap vijf dagen na de brand) verklaard dat hij het alarm heeft ingeschakeld en daarbij het normale geluidssignaal heeft gehoord.22

b. Dit is feitelijk onmogelijk, omdat:

 Uit onderzoek is gebleken dat het alarm tot 17:19 uur goed functioneerde. Toen is in de centrale immers nog een sabotagemelding geregistreerd. Indien [betrokkene 1] voordien – zoals hij heeft gesteld om 17:10 uur – het alarm zou hebben ingeschakeld, zou daarvan door registratie zijn gebleken. Een registratie ontbreekt echter,23 waaruit blijkt dat [betrokkene 1] het alarm niet kan hebben ingeschakeld.

 Na de sabotagemelding kan het systeem niet meer worden ingeschakeld en volgen bij een poging tot inschakelen dus géén inschakeltonen, hetgeen door [betrokkene 1] is bevestigd.24 In dit geval kan [betrokkene 1] dus geen inschakeltonen hebben gehoord.

 Indien het systeem tijdens het inschakelen een afwijking zou hebben gedetecteerd, zou een serie afwijkende geluiden zijn gevolgd, die [betrokkene 1] tijdens de afgelegde demonstratie bleek te (kunnen) herkennen, maar die hij zoals hij bij de demonstratie heeft aangegeven op de dag van de brand niet heeft gehoord.25

c. [betrokkene 1] en zijn erven hebben in deze procedure geprobeerd zijn eerdere verklaringen af te zwakken, in die zin dat niet duidelijk zou zijn wat [betrokkene 1] heeft gehoord en hij mogelijk slechts heeft willen verklaren dat hij de ‘piepjes’ heeft gehoord die de eerste dertig seconden zouden klinken vóórdat een sabotagemelding te horen zou zijn, omdat hij die niet heeft afgewacht.26 Uit de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring bij de demonstratie blijkt echter onmiskenbaar dat hij heeft verklaard dat hij de tonen heeft gehoord die horen bij het inschakelen van het systeem, dat die geluidssignalen zijn gecontroleerd en dat een vergissing met betrekking tot het geluidssignaal dat [betrokkene 1] heeft verklaard te hebben gehoord, is uitgesloten.27

Het subonderdeel vervolgt dat nu het hof niet op deze stellingen heeft gerespondeerd, zijn overweging dat achteraf niet meer kan worden vastgesteld of [betrokkene 1] moedwillig een onjuiste verklaring heeft afgelegd of dat hij zich heeft vergist, niet naar de eis der wet met voldoende redenen is omkleed.

3.28.

Ook in dit verband geldt dat de waardering van bewijs aan de feitenrechter is overgelaten en in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. Het oordeel van het hof dat achteraf niet meer kan worden vastgesteld of [betrokkene 1] moedwillig een onjuiste verklaring heeft afgelegd of dat hij zich heeft vergist, is niet onbegrijpelijk. Een afleiding van leugenachtigheid uit indirecte aanwijzingen, zonder dat [betrokkene 1] nog als getuige met die indirecte aanwijzingen kan worden geconfronteerd, zou verregaand zijn geweest. Het hof ging dat klaarblijkelijk té ver. Dat behoefde geen nadere motivering dan door het hof gegeven.

3.29.

Onder 2.2 richt het middel zich tegen de overweging van het hof in rechtsoverweging 2.17 dat mogelijk doordat de verzekeraars het geheugen van het alarmsysteem niet tijdig hebben uitgelezen bewijs verloren is gegaan. Dat betreft echter een overweging ten overvloede zoals reeds blijkt uit het woord waarmee de overweging begint (‘Bovendien’). De klachten behoeven daarom geen bespreking.

3.30.

Onderdeel 3 is gericht tegen rechtsoverwegingen 2.19 tot en met 2.21 (hiervoor onder 3.2 reeds geciteerd) met betrekking tot de mogelijkheid dat een spleet in de zuidelijke wand van de loods een toe- en uitgang voor een eventuele derde-brandstichter is geweest. De steller van het middel ziet onder ogen dat het hof die mogelijkheid in het midden heeft gelaten (zodat ’s hofs oordeel op dit punt zijn beslissing niet draagt), maar formuleert niettemin een klacht omdat na cassatie en verwijzing de kwestie opnieuw aan de orde kan komen. Waar de voorgaande klachten alle falen, hebben verzekeraars bij het onderdeel geen belang.

3.31.

Onderdeel 4 behelst een voortbouwklacht die in het lot van de andere onderdelen deelt.

3.32.

De slotsom is dat alle klachten falen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het arrest van het hof van 11 april 2017 onder 2.1.

2 Vergelijk het arrest van het hof van 11 april 2017 onder 2.2.

3 Vergelijk het arrest van het hof van 11 april 2017 onder 2.3.

4 Vergelijk het arrest onder 2.4 (ii).

5 Deze procedure wordt ook in de gedingstukken aangeduid als zaak-28, of als 200.145.828/01 naar het zaaknummer waaronder het hof na terugverwijzing deze procedure heeft behandeld.

6 Deze procedure wordt ook in de gedingstukken aangeduid als zaak-26, of als 200.012.026/01 naar het zaaknummer waaronder het hof na terugverwijzing deze procedure heeft behandeld.

7 Vergelijk onder 2.8 van het arrest.

8 Vergelijk het arrest van het hof van 11 april 2017, onder 2.6.

9 Deze akte is genomen in zowel zaak-26 als zaak-28.

10 Idem.

11 De verklaring van [betrokkene 5] is overgelegd in zaak-26 bij akte overlegging producties in depot van 16 mei 2007. Als productie B bij die akte zijn processen-verbaal van de politie te Venray in het geding gebracht; de bedoelde verklaring van [betrokkene 5] is te vinden op pagina 0000072.

12 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42 sub g; het arrest van het hof onder 2.22 sub e, waar het aanvullend rapport van [betrokkene 3] van 20 oktober 1999 wordt aangehaald; de akte houdende uitlating producties van verzekeraars van 15 november 2007 in zaak-28, onder 8, waar verwezen wordt naar productie 8 bij de memorie van grieven in zaak-28 van 8 februari 2007 (vergelijk onder 2.4 hiervoor), onder 3 tot en met 13 (p. 3 tot en met p. 12).

13 Het middel verwijst naar het arrest van het hof onder 2.3 sub (vi); de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 41; de pleitnotities van verzekeraars van 23 november 2016 in zaak-26 en zaak-28, onder 23 en 37 sub c.

14 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42 sub g, ‘Opm’; de akte houdende uitlating producties van de verzekeraars van 15 november 2007 in zaak-28 onder 8, waar verwezen wordt naar productie 8 bij de memorie van grieven in zaak-28 van 8 februari 2007 (vergelijk onder 2.4 hiervoor), onder 8.

15 Het middel verwijst naar rechtsoverweging 2.22 sub c en e van het arrest van het hof.

16 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42 sub g, ‘Opm’ en productie F (p. 24) bij de akte overlegging producties in depot in zaak-26 gedateerd 16 mei 2007 (het rapport van [betrokkene 2] d.d. 19 april 2000).

17 Vergelijk memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42 sub g, ‘Opm’.

18 Arrest van uw Raad van 21 juni 2013, onder 5.2.1.

19 Dat in geval van vernietiging door uw Raad uitleg van het arrest uitwijst hoever die vernietiging zich uitstrekt, is vaste rechtspraak. Vergelijk Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/331.

20 Het middel verwijst naar rechtsoverweging 2.8 van het arrest van het hof; de memorie van antwoord in zaak-26 van 24 februari 2009 onder 11 en voetnoot 25; pleitnotities van verzekeraars van 23 november 2016 in zaak-26 en zaak-28, onder 48, waar verwezen wordt naar het rapport van Fonk (terug te vinden als productie L bij de akte overlegging producties in depot in zaak-26 van 16 mei 2007 (p. 3)); de akte houdende uitlating producties in zaak-28 van 15 november 2007 onder 8, waar verwezen wordt naar productie 8 bij de memorie van grieven in zaak-28 van 8 februari 2007 (vergelijk onder 2.4 hiervoor), onder randnummer 12.

21 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28 onder 53 tot en met 57.

22 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28 onder 55 en de verklaring van [betrokkene 1] (akte overlegging producties in depot in zaak-26 van 16 mei 2007, productie B, p. 260): ‘Ik weet zeker dat ik het alarm op woensdag 25-08 heb ingeschakeld. (...) Zoals ik altijd doe, heb ik de code van het alarm ingetoetst. Daarbij heb ik een pieptoon gehoord, zoals gebruikelijk is. Vervolgens heb ik het pand verlaten via de voordeur (de hoofdingang).’

23 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28 onder 55 en de pleitnotities van verzekeraars van 23 november 2016 in zaak-26 en zaak-28 onder 38 sub a en e.

24 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28 onder 55 en de verklaring van [betrokkene 1] (akte overlegging producties in depot in zaak-26 van 16 mei 2007, productie B, p. 47: ‘De storingsmonteur heeft mij tevens uitgelegd dat wanneer een alarmmelding ingeschakeld is het alarmsysteem eigenlijk niet ingeschakeld kan worden. Het gehele alarmsysteem is dan n.l. niet in ruststand waarbij doormelding van inschakeling via het modem niet zal plaatsvinden. Tevens vertelde deze monteur dat het wel vaker voorkwam dat mensen denken dat het systeem ingeschakeld is, maar om hiervan daadwerkelijk zeker te zijn moet je wachten tot het BAR-display is uitgeteld. Na het uittellen van dit display volgen altijd twee korte pieptonen en pas daarna wordt het modem aangestuurd.’).

25 Het middel verwijst naar de pleitnotities van verzekeraars van 23 november 2016 in zaak-26 en zaak-28 onder 38 sub e en het rapport van [betrokkene 11] (rechtsoverweging 2.9 van het arrest, derde gedachtestreepje).

26 Het middel verwijst onder meer naar rechtsoverweging 2.16.

27 Het middel verwijst naar de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28 onder 55 en het rapport van [betrokkene 11] .