Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:734

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
17/00973
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2196
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over strafmotivering (art. 359, zesde lid, Sv). Ambtshalve opmerking over uitwerking van het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00973

Zitting: 3 juli 2018 (bij vervroeging)

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 13 februari 2017 met overneming van gronden bevestigd het vonnis van 3 februari 2016 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, waarbij de verdachte blijkens een stempelvonnis als bedoeld in art. 378a, eerste lid, Sv wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S. van den Berg, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof – dat het vonnis van de politierechter met overneming van gronden heeft bevestigd – in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

4. De rechtbank heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

“De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging. Zij is samen met haar vriendin naar de stad gegaan en beiden hadden een geprepareerde tas bij zich. Hieruit blijkt dat er berekenend te werk is gegaan. Deze werkwijze dient in de op te leggen straf tot uitdrukking te worden gebracht. Voorts neemt de politierechter in aanmerking dat verdachte in 2014, dus nog niet zo lang geleden, is veroordeeld voor winkeldiefstal. Alles overwegende acht de politierechter de eis van de officier van justitie passend en gerechtvaardigd.”

5. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het in art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv opgenomen vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.1

6. De hiervoor onder 4 weergegeven en door het hof bevestigde strafmotivering van de rechtbank bevat, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het hof heeft in zijn overwegingen immers niet uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (deels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en heeft aldus niet in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk hebben bepaald. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.2 Ten overvloede merk ik op dat de omstandigheid dat de politierechter de eis van de officier van justitie passend en gerechtvaardigd heeft geacht, terwijl de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf elders in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter is weergegeven3, dat niet anders maakt.4

7. Het middel slaagt.

8. Ambtshalve wijs ik nog op het volgende. Het mondelinge vonnis van de politierechter is overeenkomstig art. 378, tweede lid, Sv in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 3 februari 2016 aangetekend. Dat vonnis is evenwel slechts gedeeltelijk aangetekend5, terwijl in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 3 februari 2016 is opgenomen dat “de aantekening mondeling vonnis”, waarmee wordt bedoeld het zogeheten stempelvonnis als bedoeld in art. 378a, eerste lid, Sv, “aan dit proces-verbaal [is] gehecht en wordt geacht hiervan deel uit te maken”. Daarmee hebben de politierechter en, door het vonnis van de politierechter te bevestigen, het hof miskend dat genoemd stempelvonnis op grond van art. 378a, vijfde lid, Sv is vervallen ten gevolge van het aantekenen van het mondeling vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting. Resteert een incompleet overeenkomstig art. 378, tweede lid, Sv in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 3 februari 2016 aangetekend vonnis. Het voorgaande leidt mij tot de slotsom dat het bestreden arrest, waarbij het vonnis is bevestigd, niet in stand kan blijven en dat de zaak moet worden teruggewezen naar het hof.

9. Een andere grond die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437.

2 Vgl. bijv. HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2495 en HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:152.

3 In het proces-verbaal van de terechtzitting vóór de aantekening van het mondeling vonnis.

4 Vgl. HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2491.

5 Niet opgenomen daarin zijn bijv. de kwalificatie, de toegepaste artikelen en de strafoplegging. Zie Regeling aantekening mondeling vonnis door de politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996, Stcrt. 1996, 197, art. 1, onder d, e, f en h.