Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:729

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-05-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
16/04955
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1057
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen (poging) gekwalificeerde diefstallen. Woninginbraken. 1. Klachten m.b.t. bewijsmotivering. 2. Bewijsklacht medeplegen poging woninginbraak. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04955

Zitting: 22 mei 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 29 september 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1.“diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming” en 2. “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”1, veroordeeld tot zesendertig maanden gevangenisstraf.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C. Grijsen en mr. R. van Leusden, beiden advocaat te Almere, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de feiten, meer in het bijzonder dat het hof: a) als schakel in de bewijsconstructie de zgn. “Maastrichtse zaak” gebruikt, terwijl de verdachte voor die “Maastrichtse zaak” niet onherroepelijk is veroordeeld, b) het telefoonnummer eindigend op 224 ten tijde van de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte koppelt en c) de woninginbraak bewezenverklaard in feit 1 onder 3 onder dezelfde modus operandi (Zoetermeer) heeft gebracht.

3.1. Ten laste van verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard2 dat:

1. “hij in de periode van 18 september 2014 tot en met 29 september 2014 te Deventer en Tilburg en Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen, te weten:

1) op 18 september 2014 te Deventer uit een woning gelegen aan de [a-straat 1], een paspoort en een creditcard, toebehorende aan [betrokkene 1] en

2) op 19 september 2014 te Tilburg uit een woning gelegen aan de [b-straat 1], sieraden toebehorende aan [betrokkene 2] en

3) op 29 september 2014 te Zoetermeer uit een woning gelegen aan [c-straat 1], sieraden en een geldbedrag van 1900 euro, toebehorende aan [betrokkene 3] ,

waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak op een cilinderslot van een toegangsdeur van voornoemde woningen (Deventer en Tilburg) en door middel van inklimming via een raam van voornoemde woning (Zoetermeer).”

2. “hij in de periode van 17 september 2014 tot en met 30 september 2014 te Ede en Amersfoort en Enschede en Eindhoven en Ti el en Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning weg te nemen, een of meer geldbedrag(en) en/of goed(eren) van hun gading,

1) op 17 september 2014 te Ede uit een woning gelegen aan de [d-straat 1], toebehorende aan [betrokkene 4] en

2) op 17 september 2014 te Amersfoort uit een woning gelegen aan de [e-straat 1], toebehorende aan [betrokkene 5] en

3) op 18 september 2014 te Enschede uit een woning gelegen aan de [f-straat 1], toebehorende aan [betrokkene 6] en

4) op 23 september 2014 te Eindhoven, uit een woning gelegen aan de [g-straat 1], toebehorende aan [betrokkene 7] en

5) op 26 september 2014 te Tiel, uit een woning gelegen aan de [h-straat 1], toebehorende aan [betrokkene 8] en

6) op 30 september 2014 te Lelystad, uit een woning gelegen aan de [i-straat 1], toebehorende aan [betrokkene 9],

en zich daarbij de toegang tot voornoemde woningen te verschaffen door middel van braak, naar voornoemde woningen zijn toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) door middel van de zogenaamde “kerntrekmethode” een cilinderslot van een toegangsdeur van voornoemde woningen heeft/hebben geforceerd en voornoemde woningen is/zijn binnengegaan en vervolgens voornoemde woningen heeft/hebben doorzocht.”

3.2. De bewijsconstructie laat zich als volgt samenvatten:

Op 1 oktober 2014 wordt in België een Citroen 3 aangetroffen. De auto beschikt over een ‘track and trace’-systeem. Daarmee kan de (historische) positie van de auto worden uitgelezen. De politie was op zoek naar deze auto in verband met een poging woninginbraak net over de grens in Maatricht. Daarvoor werd de auto al in de gaten gehouden en is gezien dat de auto is gestopt in de wijk waar de woninginbraak is gepleegd en waarbij twee verdachten zijn overlopen. Dat bleken verdachte en medeverdachte [medeverdachte] te zijn die tijdens de vlucht de auto hebben achtergelaten. De auto bleek te zijn gehuurd door de broer van deze medeverdachte, vanaf 17 september 2014. Tussen 17 september 2014 en het aantreffen van de auto op 1 oktober 2014 zijn de bewezenverklaarde feiten gepleegd. Door middel van het ‘track and trace’-systeem kan de auto worden gekoppeld aan diverse inbraken en pogingen daartoe. De vraag waarvoor het hof ook stond is of de auto vervolgens aan deze verdachte kan worden gekoppeld. Dat is volgens het hof het geval, mede omdat een telefoonnummer, waarvan het hof heeft vastgesteld dat verdachte zich daarvan heeft bediend in de buurt van een (poging tot) inbraak werd uitgepeild, ofwel de verdachte rond het plegen van een feit is gezien (in gezelschap van de medeverdachte [medeverdachte]) op camerabeelden van tankstations in de omgeving of stad waar is ingebroken3 of een poging daartoe is begaan. Voorts kon uit het ‘track and trace’- systeem worden afgeleid dat de auto ’s ochtends naar de straat waar verdachte woont is gereden en dat in één geval de verdachte belt met de medeverdachte en zegt dat hij ‘m zo ziet en de auto onderweg gaat naar de straat waar de verdachte woont (feit 1, Tilburg). Uit de verschillende aangiftes volgt dat in nagenoeg alle gevallen braak is gepleegd aan het cilinderslot van een deur (de kerntrekmethode).

3.3. De eerste klacht. Het “Maastrichtse feit” speelt inderdaad een belangrijke rol wat de bewijsvoering betreft. Van belang is dat is gezien dat op die dag de auto een wijk inreed, daar werd geparkeerd, de verdachte en zijn medeverdachte meerdere rondjes door de wijk liepen en dat is gezien dat ze op de vlucht sloegen, kennelijk omdat ze werden overlopen bij een poging woninginbraak en dat bij deze inbraak het cilinderslot was verwijderd.

3.4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2016 volgt dat aan het dossier is toegevoegd een emailbericht van 9 november 2016 met als bijlage het proces-verbaal van de politie met nummer 201410579 in deze “Maastrichtse zaak” en het arrest van het Hof waarbij de verdachte op 29 juni 2015 is veroordeeld voor deze poging tot woninginbraak.

3.5. Deze stukken maakten derhalve deel uit van het onderhavige strafdossier. Over de observaties en vaststellingen zoals kennelijk door de politie in dit proces-verbaal zijn vastgelegd had de raadsvrouw zich uit kunnen laten. Wat betreft de vaststellingen van het (eerdere) hof in die Maastrichtse zaak: daarvan blijkt niet dat het hof deze in de bewijsconstructie een rol heeft laten spelen. Dat deze zaak toen nog niet onherroepelijk was4 en dat het hof daarom die vaststellingen bij de beoordeling van deze zaak niet had mogen betrekken kan daarom buiten bespreking blijven. Het hof heeft de redengevende feiten en omstandigheden klaarblijkelijk ontleend aan het proces-verbaal van de politie dat onderdeel uitmaakt van het dossier.

3.6. Daarnaast merk ik op dat de gang van zaken rond de Maastrichtse zaak al wordt genoemd in een proces-verbaal van de politie opgemaakt in oktober 2014, bijvoorbeeld bij feit 1 met betrekking tot de inbraak in Tilburg en bij feit 2 met betrekking tot de poging inbraak in Eindhoven en Tiel. Dat de verdediging, zoals gesteld, er niet op bedacht hoefde te zijn dat de feiten en omstandigheden uit Maastricht een rol zouden gaan spelen in de bewijsconstructie ligt in ieder geval niet aan een in een (te) laat stadium van het proces overgelegd stuk.

3.7. De tweede klacht in middel 1 richt zich tegen ’s hofs oordeel dat het telefoonnummer eindigend op 224 aan de verdachte is gekoppeld. Het hof heeft toegelicht dat en waarom het hof dat heeft gedaan. Zo werd bijvoorbeeld in met de telefoon gevoerde gesprekken van anderen de naam Smiley genoemd, welke naam als bijnaam van de verdachte staat geregistreerd, of kon worden vastgesteld dat als de gebruiker van dit nummer iets communiceerde dat erna ook werd waargenomen, bijvoorbeeld dat de verdachte naar Den Haag ging. Aan de begrijpelijkheid kan niet afdoen dat de verdachte (kennelijk) ook nog beschikte over een ander telefoonnummer (eindigend op 324). Illustratief daarvoor is bijvoorbeeld dat aan een van de nummers “[voornaam verdachte]” is gekoppeld. Dat kan er reeds op wijzen dat [voornaam verdachte] (voornaam verdachte) op meer nummers te bereiken was.

3.8. In deze deelklacht wordt ten slotte nog opgemerkt dat de telefoongegevens geen rol hebben gespeeld bij drie bewezenverklaarde strafbare feiten zodat ‘s hofs oordeel dat op basis van de locatie van het telefoonnummer eindigend op 224 de (pogingen tot) woningbraken bewezen kunnen worden verklaard voor die drie gevallen niet opgaat. Het gaat om de pogingen te Ede, Amersfoort en Eindhoven in feit 2. Ik loop ze langs.

3.9. Poging inbraak Ede op 17 september 2014. Het bewijs hiervoor bestaat uit de aangifte, de vastgestelde rijbewegingen en locaties van de huurauto, meer in het bijzonder dat is gereden naar de straat waar verdachte woont en daar ook weer terugkeerde en dat, gelet op de sms (dus speelt het telefoonnummer eindigend op 224 daar tóch een rol) een paal wordt aangestraald in Muiden, waaruit kan worden afgeleid dat verdachte, die beschikte over die telefoon en waarbij er van uit mag worden gegaan dat de verdachte die telefoon bij zich had, in ieder geval niet thuis was in Amsterdam.

3.10. Poging inbraak in Amersfoort. Deze vond plaats op dezelfde dag als de poging in Ede. Het hof bezigt daarvoor dezelfde bewijsmiddelen. Ik verwijs naar hetgeen ik hierboven heb opgemerkt.

3.11. Poging inbraak te Eindhoven in de Argostraat. De bewijsmotivering van dit feit komt terug bij het tweede middel. Daar zal ik ingaan op dit feit en de bewijsconstructie daarbij.

3.12. De derde deelklacht. Die houdt in dat sprake is van een afwijkende modus operandi bij de inbraak in Zoetermeer zodat deze niet op basis daarvan kan worden gekoppeld aan de verdachte. Bij deze inbraak is niet het cilinderslot eruit gehaald of gebroken. Daar zit de overeenkomsten met de andere zaken ook niet in. Wat wel overeenkomt is dat de auto met het ‘track and trace’- systeem weer vertrekt vanaf de straat van de medeverdachte, naar de straat van de verdachte rijdt, dat de auto wordt geparkeerd in de nabijheid van het adres waarop is ingebroken en daarna weer in de straat van de verdachte wordt gesitueerd, terwijl in de tussentijd de inbraak is ontdekt. Voorts wordt in de bewijsmotivering van dit feit meegenomen het aanstralen van een paal in Amsterdam in de ochtend, terwijl met dat telefoonnummer ten tijde van de inbraak in Zoetermeer een paal in Zoetermeer wordt aangestraald. Dit nummer, eindigend op 304, verplaatst zich kennelijk met de auto van Amsterdam naar Zoetermeer. De auto is later die avond (rond 18.30 uur) gecontroleerd en in de auto zijn de verdachte en de medeverdachte aangemerkt als de inzittenden. Het hof kent kennelijk dit nummer 304 aan de verdachten toe. Het nummer komt ook terug bij de bespreking van het tweede middel.

3.13. Het eerste middel faalt voor zover reeds besproken.

4. Het tweede middel klaagt over het bewezenverklaarde “medeplegen” van een van de bewezenverklaarde pogingen tot woninginbraak en wel die op de [g-straat 1] te Eindhoven. Uit de voor dat feit gebezigde bewijsmiddelen zou verdachtes betrokkenheid niet kunnen worden afgeleid.

4.1. De poging inbraak in Eindhoven vond plaats op 23 september 2014. Ook hier speelt het ‘track and trace’- systeem van de huurauto een belangrijke rol: eerst gaat de auto naar de straat waar verdachte woont en om 15.21 uur is de auto daar weer terug. Uit het proces-verbaal van de telefoongegevens blijkt dat het nummer bij de medeverdachte in gebruik (eindigend op 925) in de ochtend nog een zendmast in Amsterdam aanstraalde. Voorts blijkt het nummer eindigend op 304 in de middag een paal in Eindhoven aan te stralen. Dit nummer is bij de motivering van de inbraak in Zoetermeer ook als bewijsmiddel gebezigd. Het nummer is in ieder geval te koppelen aan de reisbeweging van de auto. Het nummer is niet terug te voeren op ofwel medeverdachte [medeverdachte], ofwel verdachte. Omdat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat het nummer dat tot de medeverdachte wordt gerekend (eindigend op 925) belt of sms’t met het nummer eindigend op 304, kan het zo zijn dat de medeverdachte [medeverdachte] over beide nummers beschikte. Dat kan in ieder geval niet uitgesloten worden. Op de camerabeelden bij een tankstation in Breda wordt kennelijk maar één persoon gezien, en die wordt geïdentificeerd als de medeverdachte [medeverdachte]. Het enige dat aan betrokkenheid van de verdachte doet denken is dat de auto net als bij andere feiten in de straat van de verdachte wordt gelokaliseerd in de ochtend en na afloop.

4.2. Nu het nummer niet zonder meer aan de verdachte kan worden gekoppeld en omdat uit de andere bewijsmiddelen voor dit feit niet blijkt dat er twee of meerdere personen zijn gezien in de auto of in de nabijheid of op de plaats delict kan het medeplegen naar mijn idee inderdaad niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Het voert m.i. te ver om onder de modus operandi te brengen dat de inbraken en de pogingen inbraak telkens door twee of meer verenigde personen wordt gepleegd; dat wordt door het hof ook niet benoemd bij de overeenkomsten tussen de strafbare feiten.

4.3. Aard en ernst van het bewezenverklaarde worden echter niet aangetast indien dit feit zou wegvallen. Er is ook geen benadeelde partij bij dit feit betrokken. Daarmee is het middel tevergeefs voorgesteld.

4.4. Ook het tweede middel kan niet tot cassatie leiden.

5. Beide middelen falen dus en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 AEH: gelet op de bewezenverklaring is “meermalen gepleegd” kennelijk vergeten.

2 Met onderstreping door mij, AEH, van de feiten waarover in de middelen met name wordt geklaagd.

3 In Enschede en Tilburg.

4 Inmiddels wel, door de uitspraak van de Hoge Raad op 4 oktober 2016, rolnr. 15/03476. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid RO ontleende motivering.