Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:722

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
17/01225
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1066
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Poging tot) afpersing in vereniging. Uos m.b.t. betrouwbaarheid verklaring aangever. HR: art. 80a RO. Samenhang met 17/01374.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01225

Zitting: 27 maart 2018

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 februari 2017, met aanvulling en verbetering van gronden, bevestigd het vonnis van 24 mei 2016 van de rechtbank Den Haag, waarbij de verdachte ter zake van “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/01374. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel bevat de klacht dat het hof in strijd met het in art. 359, tweede lid, Sv gegeven voorschrift het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verklaring van aangever [betrokkene 1] te onbetrouwbaar is om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 20 oktober 2015 te Lisse, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 310 euro, toebehorende aan [betrokkene 1] , welke bedreiging met geweld bestond uit het

- met z’n vieren langskomen bij [betrokkene 1] en

- om [betrokkene 1] heen gaan zitten en

- op dwingende toon tegen [betrokkene 1] zeggen: “luister vriend. Er moet nu echt betaald gaan worden” en “Jij zaterdag je telefoon uit, dan ben je er geweest” en “Nu. Het moet nu! Je moet nu betalen! 10! 10!” en

- maken van een schietbeweging met de hand en meteen daarna een geldbeweging en

- maken van een foto van de auto van [betrokkene 1] ;

en

hij in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 24 oktober 2015 te Lisse, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 10.000 euro, toebehorende aan [betrokkene 1] , welke bedreiging met geweld bestond uit het

- met z’n vieren langskomen bij [betrokkene 1] en

- om [betrokkene 1] heen gaan zitten en

- op dwingende/dreigende toon tegen [betrokkene 1] zeggen: “luister vriend. Er moet nu echt betaald gaan worden” en “Jij zaterdag je telefoon uit, dan ben je er geweest” en “Nu. Het moet nu! Je moet nu betalen! 10! 10!” en

- maken van een schietbeweging met de hand en meteen daarna een geld beweging en

- maken van een foto van de auto van [betrokkene 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

6. De bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmotivering naar Promis-model (met weglating van voetnoten):

“De verklaring van de aangever

Op vrijdag 23 oktober 2015 heeft [betrokkene 1] aangifte gedaan van afpersing door [medeverdachte] . Hij heeft verklaard dat hij op dinsdag 20 oktober 2015 omstreeks 17:40 uur samen met zijn vrouw in hun sportschool aan de [a-straat 1] te Lisse was. Hij zat samen met zijn vrouw aan een tafeltje met daaromheen zes stoelen. Plotseling kwam [medeverdachte] met drie mannen - een met een Turks uiterlijk, een met een Marokkaans uiterlijk en een negroïde man - de sportschool binnen. [medeverdachte] en de Turkse man gingen bij hen aan de tafel zitten. De negroïde man ging aan een tafeltje achter [medeverdachte] zitten en de Marokkaanse man bleef bij de deur staan. [medeverdachte] zat tegenover de aangever en zei: “luister vriend. Er moet nu echt betaald gaan worden”. Hij noemde een bedrag van 10 waarna hij bevestiging vroeg aan de Turkse jongen. De Turkse jongen bevestigde dit en herhaalde dit meerdere keren op een dreigende en agressieve toon. [medeverdachte] richtte zich meerdere keren naar de vrouw van de aangever en verontschuldigde zich naar haar, dat hij niet anders kon en dat het op deze manier opgelost moet worden. Het ene moment sprak hij vriendschappelijk en het andere moment kwam hij dreigend en agressief over. Het leek alsof het was ingestudeerd en dat [medeverdachte] “the good cop” was en de Turkse man “the bad cop”, aldus de aangever. De Turkse man zei: “jij zaterdag je telefoon uit, dan ben je er geweest”. [medeverdachte] leunde op een gegeven moment achterover en keek vragend naar de negroïde man achter hem en maakte met zijn hand een schietbeweging en meteen daarna een geldbeweging, waarop de negroïde man nee schudde. De Turkse man bleef hameren op de bedragen en zei: “ik moet nu 10!!”. De aangever zei dat hij dat niet had en niets ging betalen. [medeverdachte] en de Turkse man gingen staan, waarop hij ook ging staan. [medeverdachte] werd dreigend naar hem en de Turkse man zei steeds: “nu. Het moet nu! Je moet nu betalen! 10! 10!”. De aangever zei dat hij niets had en kreeg het gevoel dat ze hem wilden gaan slaan. De hele situatie heeft de aangever ervaren als heel bedreigend. Hij heeft toen 310 euro aan [medeverdachte] gegeven, waarop [medeverdachte] vroeg of dat alles was. De Turkse man begon meteen te roepen dat de rest zaterdag moest. Hij zei toen dat ze moesten vertrekken. De Turkse man zei nogmaals op een dreigende manier dat wanneer hij zaterdag zijn telefoon uit had, hij er geweest was. [medeverdachte] heeft gezegd dat ze de volgende dag (de rechtbank begrijpt: zaterdag 24 oktober 2015) “10” wilden hebben. Vervolgens zijn de vier mannen vertrokken. Hij zag dat ze bij de parkeervakken een foto maakten van zijn auto.

De verklaring van de getuige [getuige]

Op 23 oktober 2015 heeft [getuige] een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op 20 oktober 2015 in de sportschool van de aangever was en dat de aangever hem en de vrouw van de aangever heeft verteld dat hij werd bedreigd door mensen, die geld van hem wilden hebben. Om 17:30 uur ging hij naar huis en om 17:41 uur kreeg hij een WhatsApp-bericht van de vrouw van de aangever, waarin stond: “ze zijn er. Kom niet terug. 4 gasten echt eng. Help. Engerds, bedreigend”.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] en twee andere mannen op 20 oktober 2015 naar de sportschool van de aangever heeft gebracht, omdat de aangever geld was verschuldigd aan [medeverdachte] . [medeverdachte] had namelijk een incassoklus voor de aangever gedaan en daarvoor zou hij geld van hem krijgen. Dat had hij echter nog niet gekregen en daarom ging hij bij de aangever langs. [medeverdachte] heeft een gesprek gevoerd met de aangever. De aangever had het geld niet en daar zijn afspraken over gemaakt. Zaterdag zou de aangever het geld betalen. Hij is op zaterdag 24 oktober 2015 voor [medeverdachte] naar de sportschool gegaan, maar de aangever was er niet.

Bevindingen met betrekking tot 24 oktober 2015

Uit onderzoek naar de telefoongegevens van [medeverdachte] blijkt dat hij op 24 oktober 2015 om 14:51 uur heeft gebeld met ene [betrokkene 2] , die gebruik maakte van het telefoonnummer [06-001] . Deze persoon moest van [medeverdachte] naar de sportschool gaan, ‘diezelfde waar we geweest zijn’. Hierop heeft [medeverdachte] om 15:03 uur een sms-bericht naar [betrokkene 2] gestuurd met de tekst: ‘ [... 06-002] [a-straat 1] [plaats] ’. Om 17:10 uur heeft [betrokkene 2] een sms-bericht naar [medeverdachte] gestuurd met de tekst: ‘er is niemand’. Om 19:34 uur is [medeverdachte] gebeld door [betrokkene 2] , die heeft gezegd dat ‘die man’ daar niet was, dat het leeg was en hij naar boven is gegaan, maar dat ‘die kantoor’ op slot was. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer [06-001] .

Naar aanleiding van de bovengenoemde contacten heeft een observatieteam de sportschool van de aangever aan de [a-straat 1] te Lisse geobserveerd. Op 24 oktober 2015 werd door het observatieteam een voertuig, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] , gezien bij de sportschool. Het voertuig stond op naam van [betrokkene 2] . Deze vertelde de politie dat zijn zoon, de verdachte, veel gebruik maakt van die auto. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de auto met kenteken [AA-00-BB] elke dag gebruikt.”

7. Het hof heeft verder de volgende bewijsoverweging van de rechtbank overgenomen:

“Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de aangever onbetrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd. (…) Zowel de aangever als de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] op 20 oktober 2015 in de sportschool van de aangever was omdat hij geld van de aangever wilde hebben. Ook hebben beiden verklaard dat [medeverdachte] met drie anderen, onder wie de verdachte, in de sportschool was. Dat het gesprek voor de aangever bedreigend is geweest, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de aanwezigheid van vier mannen tegenover de aangever en zijn vrouw, het WhatsApp-bericht van de vrouw van de aangever aan [getuige] en de omstandigheid dat er is gezegd dat ze zaterdag (de rechtbank begrijpt: zaterdag 24 oktober 2015) terug zouden komen, zoals de aangever al in zijn aangifte van de vrijdag daarvoor (23 oktober 2015) heeft verklaard, wat ook daadwerkelijk is gebeurd. De verdachte is immers op die zaterdag bij de sportschool langsgegaan. (…)”

8. Voorts heeft het hof bij het bestreden arrest het volgende aan de hiervoor onder 7 weergegeven overweging van de rechtbank (na de eerste zin daarvan) toegevoegd:

“Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aangever [betrokkene 1] aantoonbaar onjuist heeft verklaard omtrent het geschil tussen hemzelf en medeverdachte [medeverdachte] . Het hof overweegt hieromtrent dat de precieze achtergrond van de gestelde betalingsverplichting van aangever aan de medeverdachte in het midden kan blijven. Het medeplegen van afpersing en een poging daartoe kan gelet op - kort gezegd - de concrete gebeurtenissen in en bij de sportschool op 15 (BFK: bedoeld is 20) en 24 oktober 2015 bewezen worden verklaard, ook wanneer de door aangever opgevoerde aanleiding hiertoe genuanceerd zou moeten worden.

De verklaring van aangever voor zover deze ziet op het bezoek van onder meer de verdachte aan de sportschool op 20 oktober 2015 acht het hof betrouwbaar, mede gelet op het feit dat deze verklaring op meerdere onderdelen wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte.”

9. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen. Die pleitaantekeningen houden onder meer in:

‘Onbetrouwbare aangifte/getuigenverklaring

De aangifte van [betrokkene 1] houdt het volgende in;

In juni 2015 werd hij meerdere malen gebeld door een persoon die later [medeverdachte] bleek te zijn. Deze [medeverdachte] had een probleem met ene [betrokkene 3] een cliënt van [betrokkene 1] die hij al zeven jaar lang 2 keer per maand traint. [medeverdachte] wil graag in contact komen met [betrokkene 3] . Hiertoe wordt er op zondag 27 september een afspraak gemaakt in bowlingcentrum [A] . Tijdens deze afspraak vraagt [medeverdachte] om de contactgegevens van [betrokkene 3] . [betrokkene 1] zegt dat hij geen contact gegevens heeft van [betrokkene 3] maar dat als hij hem ziet bij de training hij [betrokkene 3] zal vragen om met [medeverdachte] contact op te nemen. [betrokkene 1] verklaart tegen de politie wel een telefoonnummer van [betrokkene 3] te hebben; [06-003] maar dat is niet in gebruik.

De 2e ontmoeting vindt plaats op 5 oktober om 22;00 uur. [medeverdachte] is met dezelfde auto die wordt bestuurd door een onbekende persoon. [medeverdachte] stapt meteen in de auto van [betrokkene 1] . Het gesprek vindt vervolgens plaats in de auto van [betrokkene 1] . [medeverdachte] vraagt nu op dwingende toon dat er gewerkt is en dat er geld moet komen. Er wordt verder niets afgesproken en hij weet de boot af te houden.

Op 9 oktober vindt er wederom een afspraak plaats bij het bowlingcentrum [A] . Ook nu stapt [medeverdachte] meteen in de auto van [betrokkene 1] maar nu samen met een Turks uitziende jongen. [medeverdachte] begint direct te praten dat er 10.000,- betaald moet worden waarna de Turkse jongen de woorden van [medeverdachte] herhaalt. Hierna stappen ze weer uit. De sfeer was grimmig en ongemakkelijk.

Vervolgens schaft [betrokkene 1] een prepaid telefoon aan waarmee hij als zijnde [betrokkene 3] een sms stuurt naar [medeverdachte] met de mededeling dat hij volgende week in Nederland is.

Dinsdag 20 oktober stappen er na 17;30 uur ineens 4 mannen de sportschool van [betrokkene 1] binnen. Er wordt eerst gevraagd om 10.000,- vervolgens om 30.000,- en ook om 50.000,-. De turk zegt; jij zaterdag je telefoon uit, dan ben je er geweest. [medeverdachte] maakt terwijl hij naar de negroide man kijkt een pistoolbeweging en daarna een geld beweging waarna de donkere persoon nee schudt. Vervolgens geeft [betrokkene 1] 310 euro aan [medeverdachte] . De Turk roept meteen dat zaterdag de rest moet en zegt nogmaals dat als zaterdag de telefoon uit is hij er geweest is.

Uit het verdere politie onderzoek en het latere getuigenverhoor van [betrokkene 1] blijkt vervolgens dat deze aangifte uit de duim gezogen is.

Het is namelijk zeer aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] het hele verhaal dat [medeverdachte] met hem contact zocht om in contact te komen met [betrokkene 3] volledig verzonnen heeft. Niet tegenstaande het feit dat [betrokkene 3] 7 jaar lang twee keer per maand bij [betrokkene 1] trainde is het bestaan van [betrokkene 3] namelijk op geen enkele manier komen vast te staan. [betrokkene 1] heeft tot op de dag van vandaag nimmer contact gehad met [betrokkene 3] om over deze kwestie te spreken. Hij heeft hem nooit meer gesproken. [betrokkene 1] geeft in zijn aangifte een nummer door dat van [betrokkene 3] zou zijn; [06-003] . Nader onderzoek door de politie wijst uit dat dit het prepaid nummer is van [betrokkene 1] zelf! In zijn getuigenverklaring zegt [betrokkene 1] dat dit per vergissing is gebeurd hetgeen eveneens niet geloofwaardig is gezien de verklaring in zijn aangifte dat [betrokkene 3] een Maltees nummer heeft. Met die wetenschap kan het niet zo zijn dat hij “per ongeluk“ aan de politie een Nederlands telefoonnummer heeft gegeven met de opmerking dat dit nummer van [betrokkene 3] niet in gebruik is. In zijn getuigenverklaring afgelegd bij de R-C stelt [betrokkene 1] dat [betrokkene 4] van de politie (punt 14) [betrokkene 3] via facebook heeft geverifieerd. Ook daar blijkt niets van. De verdediging komt dan ook tot de slotsom dat [betrokkene 3] zijnde cliënt van [betrokkene 1] helemaal niet bestaat en ieder geval niets te maken heeft met [medeverdachte] . Veel aannemelijker is dat [betrokkene 1] via [betrokkene 5] [medeverdachte] heeft benaderd voor het incasseren van een factuur.

(…)

Conclusie moet dus niet alleen zijn dat [betrokkene 3] niet bestaat maar dat tevens de wijze waarop [betrokkene 1] met [medeverdachte] in contact is gekomen door hem verzonnen is. [betrokkene 1] heeft [medeverdachte] benaderd en niet andersom. Voorts stel ik vast dat de aangifte en de latere getuigeverklaring van [betrokkene 1] bij de R-C op veel punten niet overeen komen.

(…)

Conclusie moet zijn dat de aangifte van [betrokkene 1] op een aantal belangrijke onderdelen, zoals de aanleiding, zijn eigen rol en wie er betrokken was bij de vermeende afpersing, volledig verzonnen is. Zijn verklaringen op deze onderdelen vinden hun weerlegging in ander bewijs materiaal, vinden op geen enkel punt steun in het dossier en zijn op essentiële punten strijdig met zijn eigen getuigenverklaring bij de R-C. De aangifte en getuigenverklaring zijn dan ook zodanig onbetrouwbaar dat ze niet bruikbaar zijn voor het bewijs, ook niet deels en ik verzoek uw hof deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten. Er resteert dan onvoldoende bewijs voor een bewezenverklaring van het telastegelegde.’

10. Uit de toelichting op het middel volgt dat het ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt, inhoudende dat de verklaring van aangever [betrokkene 1] onbetrouwbaar is, naar het oordeel van de steller ontoereikend gemotiveerd is verworpen. De aangever zou hebben gelogen over de aanleiding, zijn eigen rol en andere betrokkenen bij de bewezen verklaarde afpersing. De enkele constatering dat de verdachte erkend heeft aanwezig te zijn geweest bij de ontmoeting in de sportschool en dat er over een betaling is gesproken zou (in dat licht) onvoldoende reden geven om aan te nemen dat de verklaring van aangever wel betrouwbaar is op het punt dat hij in woord en gebaar is bedreigd tijdens het bezoek van de verdachte aan de sportschool op 20 oktober 2015, zo begrijp ik.

11. Wat de beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal betreft geldt dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.1 Een motivering ingevolge artikel 359, tweede lid, Sv is echter wel vereist als de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal uitdrukkelijk onderbouwd is bestreden en dat bewijsmateriaal desalniettemin voor het bewijs wordt gebruikt.2 In het onderhavige geval is onder opgave van argumenten aangevoerd dat de verklaring van de aangever onbetrouwbaar is en niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Dat sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in de laatste volzin van art. 359, tweede lid, Sv staat daarmee wel vast. 3

12. Anders dan de steller van het middel meen ik evenwel dat dit verweer zijn weerlegging voldoende vindt in de hiervoor weergegeven (Promis) bewijsvoering en de aanvulling daarop in het bestreden arrest. Zo heeft het hof om te beginnen, in een aanvullende overweging, nadrukkelijk overwogen dat het medeplegen van afpersing en een poging daartoe gelet op de concrete gebeurtenissen in en bij de sportschool op 15 (bedoeld is kennelijk: 20) en 24 oktober 2015 bewezen kunnen worden verklaard, ‘ook wanneer de door aangever opgevoerde aanleiding hiertoe genuanceerd zou moeten worden’. Daaruit kan worden afgeleid dat het hof onder ogen heeft gezien dat de verklaring van aangever omtrent de aanleiding tot de ontmoeting op 20 oktober 2015 mogelijk niet geheel conform de waarheid is. Maar dat staat er niet aan in de weg dat het hof de verklaring van de aangever met betrekking tot het bezoek van onder meer de verdachte(n) aan de sportschool op 20 oktober 2015 en de daaruit volgende afpersing en de poging tot afpersing betrouwbaar acht.

13. Voor zover de steller van het middel betoogt dat het hof het ter terechtzitting gevoerde betrouwbaarheidsverweer enkel verwerpt op basis van de verklaring van de verdachte dat hij aanwezig was bij de ontmoeting in de sportschool en dat daar over een betaling is gesproken, miskent het dat het hof de verklaring van aangever betrouwbaar acht mede gelet op het feit dat deze verklaring op meerdere onderdelen wordt bevestigd door de verklaring van verdachte. Uit de - door het hof overgenomen - bewijsvoering van de rechtbank volgt dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangever [betrokkene 1] in de kern inhoudt dat [medeverdachte] op 20 oktober 2015 met drie mannen, waaronder een Turkse man, de sportschool binnenkwam, dat vervolgens door [medeverdachte] aangegeven werd dat de aangever een bedrag moest gaan betalen, dat de Turkse man dit meerdere keren herhaalde op een dreigende en agressieve toon, dat de aangever dit als bedreigend heeft ervaren, dat hij vervolgens [medeverdachte] 310 euro heeft gegeven en dat [medeverdachte] daarop heeft aangegeven dat de verdachten enkele dagen later “10” wilden hebben. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat die verklaring op meerdere onderdelen steun vindt in de overige gebezigde bewijsmiddelen. Zo vindt het bezoek van de mannen (waaronder verdachte) aan de sportschool, alsmede de omstandigheid dat [medeverdachte] geld wilde van de aangever, bevestiging in verdachtes tot het bewijs gebezigde verklaring. Daarnaast volgt het door de aangever beschreven bedreigende karakter van dat bezoek niet alleen uit het WhatsApp-gesprek van de vrouw van de aangever met de getuige [getuige] , maar ook uit de omstandigheid dat de mannen op de 20e aangaven enkele dagen later terug te zullen komen. Dat de verdachte op 24 oktober 2015 daadwerkelijk weer naar de sportschool is gegaan, vindt niet alleen steun in diens verklaring, maar ook in onderzoek van telefoongegevens en observaties.

14. Gelet op het voorgaande heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaring van de aangever, voor zover deze op het bezoek van de vier mannen aan de sportschool ziet, onbetrouwbaar zou zijn en niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

15. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3121, NJ 2003/553, m.nt. Buruma onder NJ 2003/552,, rov. 3.3.

2 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.1.

3 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.