Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:72

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
16/01541
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:376
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Afwijzing aanhoudingsverzoek door niet-gemachtigd raadsman. Verdachte is zonder opgave van redenen niet ttz. in h.b. verschenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01541

Zitting: 30 januari 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 16 maart 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een opgelegde voorwaardelijke straf.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof heeft verzuimd bij de beoordeling van het verzoek alle daartoe in aanmerking komende belangen af te wegen.

  4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
    (i) Nadat de inleidende dagvaarding op 24 augustus 2015 in persoon was uitgereikt aan de verdachte, zijn op de terechtzitting in eerste aanleg van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 september 2015 de verdachte en zijn raadsman verschenen. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van diezelfde datum veroordeeld wegens eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
    (ii) Op 16 september 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
    (iii) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 16 maart 2016, houdt in dat de appeldagvaarding op 26 januari 2016 is uitgereikt aan de griffier van het gerechtshof Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.

(iv) Een tweede akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding, vermeldt dat de dagvaarding op 30 januari 2016 tevergeefs is aangeboden op het adres dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg als zijn verblijfadres heeft opgegeven ([a-straat 1] te ’s-Gravenhage) en vervolgens op 10 februari 2016 is uitgereikt aan de griffier van het gerechtshof Den Haag. Voorts is op 10 februari 2016 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het voornoemde adres in Den Haag.
(v) Een derde akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding, houdt in dat de dagvaarding op 3 februari 2016 tevergeefs is aangeboden op het adres dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep heeft doen opgeven ([b-straat 1] te ’s-Gravenhage) en vervolgens op 15 februari 2016 is uitgereikt aan de griffier van het gerechtshof Den Haag omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts is op 15 februari 2016 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het voornoemde adres in Den Haag.
(vi) Een vierde akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding, houdt in dat de dagvaarding op 10 februari 2016 tevergeefs is aangeboden op het laatst opgegeven woon- of verblijfadres van de verdachte dat staat vermeld in de aan die akte gehechte ID-staat SKDB ([c-straat 1] te ’s-Gravenhage) en vervolgens op 22 februari 2016 is uitgereikt aan de griffier van het gerechtshof Den Haag omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts is op 22 februari 2016 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het voornoemde adres in Den Haag.
(vii) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 21 januari 2016, 10 februari 2016, 15 februari 2016 en 22 februari 2016 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij sinds 25 januari 20161 niet in de GBA stond ingeschreven (“Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”) en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [c-straat 1] te ’s-Gravenhage betreft (datum registratie 19 oktober 2015).
(viii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2016 houdt, voor zover van belang, in hetgeen hierna onder 5 is vermeld.
(ix) Na de afwijzing van het aanhoudingsverzoek heeft de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten en na kort onderling beraad terstond uitspraak gedaan.

5. Het hof heeft het in het middel bedoelde verzoek afgewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2016 houdt in dit verband het volgende in:

“De raadsman verzoekt het hof de behandeling van de zaak aan te houden en voert - daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld - het woord als volgt.
Ik heb vergeefs geprobeerd contact op te nemen met mijn cliënt teneinde zijn onderzoekswensen te bespreken en een volmacht te verkrijgen om namens hem het woord te voeren.
Daartoe heb ik onder meer diverse malen geprobeerd telefonisch contact te krijgen via de Reclassering en via GGZ Palier. Ik heb bij degene bij wie mijn cliënt onder behandeling is, ingesproken op het antwoordapparaat met het verzoek mij zo spoedig mogelijk terug te bellen. Mogelijk heeft zij meer informatie omtrent de verblijfplaats van mijn cliënt. Gelet op de strafeis van de advocaat-generaal, verzoek ik het hof de zaak aan te houden, teneinde mij in de gelegenheid te stellen om wederom telefonisch contact op te nemen met GGZ Palier om een eventueel verblijfadres te achterhalen, zodat ik alsnog door mijn cliënt gemachtigd kan worden.

De advocaat-generaal geeft te kennen dat, indien uit een telefonisch contact van de raadsman met GGZ Palier een andere woon-of verblijfplaats naar voren zou komen dan de adressen waarop reeds pogingen tot uitreiking van de dagvaarding is gedaan, hij zich niet verzet tegen aanhouding van de zaak.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor korte tijd, teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen telefonisch contact op te nemen met GGZ Palier. Na deze onderbreking wordt het onderzoek hervat en wordt de raadsman in de gelegenheid gesteld het woord te voeren.
De raadsman voert het woord als volgt.
Bij GGZ Palier heeft men bevestigd dat mijn cliënt in hun systeem staat en dus bij hen onder behandeling is. Omwille van de privacy wil men mij geen adresgegevens verstrekken en wil men zelfs niet zeggen of hij een woon- of verblijfplaats heeft. De behandelaar van de verdachte heb ik niet gesproken. Ik heb wederom ingesproken in het antwoordapparaat met een verzoek mij terug te bellen. Omdat de mogelijkheid om via deze weg in contact te treden met mijn cliënt nog openstaat, verzoek ik het hof nogmaals de behandeling van de zaak aan te houden, totdat ik meer duidelijkheid heb verkregen over het verblijfadres van de verdachte.
De advocaat-generaal verzet zich niet tegen aanhouding.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat.

De voorzitter stelt vast dat de verdachte op 16 september 2015 ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig is geweest en dat hij zijn raadsman heeft gemachtigd om op 16 september 2015 appel in te stellen.
Gelet op die omstandigheden is het naar het oordeel van het hof dan ook de verantwoordelijkheid van de verdachte om ervoor te zorgen dat hij bereikbaar is voor zijn raadsman, ofwel door te zorgen dat hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, dan wel door zelf regelmatig contact op te nemen met de raadsman omtrent de stand van zaken met betrekking tot zijn hoger beroep en/of de raadsman tijdig te machtigen het woord te voeren op de terechtzitting in hoger beroep.

Nu naast de betekening overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, eerste lid, b onder 3°, van het Wetboek van Strafvordering eveneens rechtsgeldige pogingen tot uitreiking van de dagvaarding hebben plaatsgevonden op alle adressen die als woon- of verblijfplaats van de verdachte zouden kunnen gelden en eveneens afschriften van die dagvaardingen per post naar die adressen zijn verzonden, is naar het oordeel van het hof alles in het werk gesteld wat redelijkerwijs verwacht mocht worden om de verdachte tijdig op de hoogte te stellen van de dag en het tijdstip van de terechtzitting van heden. Nu overigens niet blijkt van enig ander verblijfadres en daarvoor op grond van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht en ook overigens geen concrete aanwijzingen zijn, wijst het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling af.”

6. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting voor korte tijd onderbroken teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen telefonisch contact op te nemen met GGZ Palier. Voor zover het middel de klacht behelst dat het hof daarbij een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat het aanhoudingsverzoek alleen dan voor toewijzing in aanmerking zou komen indien de reclassering aan de raadsman zou meedelen dat de verdachte op het moment van de zitting een ander adres had dan de adressen waarop reeds is geprobeerd de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft zulks immers niet overwogen. In zoverre faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

7. Het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman van de verdachte tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv.2

8. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding (schorsing) van het onderzoek dient het hof een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.3

9. De steller van het middel bestrijdt niet dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor waarin de verdachte zonder opgave van reden niet ter terechtzitting is verschenen. Ook de raadsman tastte over de reden van de afwezigheid van zijn cliënt in het duister. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de lat voor het afwijzen van een aanhoudingsverzoek van de wel aanwezige raadsman onder deze omstandigheden niet hoog ligt. Daarbij speelt een rol dat van de verdachte die van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken, mag worden gevergd dat hij ook zelf stappen onderneemt om het aanwezigheidsrecht te effectueren. In gevallen waarin de verdachte van de zitting op de hoogte was maar zonder opgave van reden wegblijft, terwijl zijn raadsman wel ter terechtzitting verschijnt, kan bij de afwijzing van een aanhoudingsverzoek in de regel met een summiere motivering worden volstaan.4

10. Ook in gevallen waarin niet duidelijk is geworden of de verdachte wist dat er een zitting zou plaatsvinden, strandt een summier gemotiveerde afwijzende beslissing in cassatie zelden.5 Ik wijs in dit verband op een zaak waarin de raadsvrouwe tijdens de terechtzitting in hoger beroep naar voren had gebracht dat de verdachte er niet was en dat zij zich zorgen maakte. Zij voerde voorts aan dat de verdachte haar telefoon niet opnam, terwijl zij voorheen altijd goed bereikbaar was. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af, omdat naar zijn oordeel niet was gebleken dat de verdachte niet in staat was om bij de behandeling aanwezig te zijn. De Hoge Raad verwierp het hierover klagende middel met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.6 In een andere zaak had de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep tevergeefs getracht contact te krijgen met de verdachte en kenbaar gemaakt niet te weten of de verdachte op de hoogte was van de zitting, waarop hij om aanhouding verzocht. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af. Aan die afwijzende beslissing legde het hof ten grondslag dat de verdachte was opgeroepen op alle van hem bekende adressen, dat de raadsman had gepoogd contact te zoeken met de verdachte, maar dat de verdachte desondanks niet was verschenen en evenmin schriftelijk contact had gezocht over de zitting. Daarop overwoog het hof dat niet was gebleken dat de verdachte gebruik wenste te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Ook het cassatieberoep in deze zaak werd met toepassing van art. 81, eerste lid, RO verworpen.7

11. Mijn ambtgenoot Knigge heeft erop gewezen dat de Hoge Raad, waar het gaat om de bij de (afwijzende) beslissing op een aanhoudingsverzoek te maken belangenafweging, ‘niet scherp slijpt in gevallen waarin de verdachte zonder opgaaf van (geldige) redenen’ niet op de terechtzitting verschijnt. De belangenafweging kan in dat geval bijna steeds worden ingelezen in de afwijzing van het verzoek.8

12. Dat geldt ook voor de voorliggende zaak. Het hof heeft bij de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek betrokken dat enerzijds de justitiële autoriteiten alles in het werk hebben gesteld wat redelijkerwijs van hen verwacht mocht worden om de verdachte tijdig op de hoogte te stellen van de dag en het tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep om hem op die manier in staat te stellen zijn aanwezigheidsrecht te realiseren,9 terwijl anderzijds de verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen om zijn aanwezigheidsrecht te effectueren.10 Daaronder wordt volgens vaste rechtspraak ook begrepen dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman, opdat hij in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.11 Indien hij dat wenst, kan de verdachte ervoor zorgen dat hij bij zijn afwezigheid toch verdedigd wordt op grond van art. 279 Sv.12

13. Het hof heeft met zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat een geldige reden van verhindering niet aannemelijk is geworden en dat er geen grond is om het belang van de verdachte bij een berechting in zijn aanwezigheid zwaarder te doen wegen dan de belangen die met een spoedige berechting en een goede organisatie van de rechtspleging zijn gemoeid.13 Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De aan de appeldagvaarding van 26 januari 2016 gehechte ID-staat SKDB vermeldt overigens dat de verdachte sinds 2 november 2015 niet in de GBA stond ingeschreven (“Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”).

2 Zie ten aanzien de stadium waarin het aanhoudingsverzoek is gedaan de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 31 mei 2015, ECLI:NL:HR:2016:1010, NJ 2016/271, punt 10-16.

3 Vgl. HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2635, rov. 2.3, HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1286, rov. 2.3, HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:974, rov. 2.3, HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:826, rov. 2.3, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1406, rov. 2.3, HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3252, rov. 2.3, HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:270, rov. 2.3, HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614, rov. 2.4.1, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov. 2.3, HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351 m.nt. Schalken, rov. 2.6.2, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5709, NJ 2013/74, rov. 2.3, HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6732, NJ 2012/641, rov. 2.5, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, NJ 2012/325, rov. 2.3, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6482, rov. 2.3, HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, NJ 2011/48, rov. 2.3, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt. Schalken, rov. 2.3, HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1758, NJ 2005/416, rov. 3.3, HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 3.3, HR 2 maart 1999, NJ 1999/330, rov. 3, HR 26 januari 1999, NJ 1999/294, rov. 3.3, HR 16 januari 1990, NJ 1990/419, rov. 5.2 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 713-716.

4 Aldus mijn ambtgenoot Knigge. Hij verwijst naar verschillende arresten van de Hoge Raad, waarin zich onder meer de situatie voordeed waarin de raadsman van de verdachte niet wist waarom de verdachte niet ter terechtzitting was verschenen. Zie onderdelen 4.4 en 4.5 van zijn conclusie voor HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231, met verwijzingen naar onder meer HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5617 (HR: 81 RO), HR 14 januari 2009, nr. 08/01785 (niet gepubliceerd) (HR: 81 RO) en HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4220 (HR: 81 RO).

5 Zie in dit verband HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2473, HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4258 en HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:884 (art. 81 RO; niet gepubliceerd) en de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan dit arrest.

6 HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231. Zie voorts HR 4 september 2012, nr. 11/01258 (niet gepubliceerd) en HR 15 juni 2010, nr. 08/03260 (niet gepubliceerd).

7 Zie HR 4 september 2012, nr. 11/01258 (niet gepubliceerd).

8 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231 onder punt 4.15.

9 Zie B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 396-397.

10 HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138 (rov. 2.6.1), HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken (rov. 3.33), HR 15 september 1997, NJ 1998, 115 (rov. 5.3). Zie hierover ook G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 671.

11 Zie HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138 (rov. 2.6.1) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken (rov. 3.37).

12 Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 396.

13 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231.