Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:717

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
16/06232
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1055
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Veroordeling in h.b. wegens o.m. twee verkrachtingen en wederrechtelijke vrijheidsberoving na vrijspraak in e.a. Was Hof, dat verklaringen van aangeefsters A en B tot bewijs heeft gebezigd, ambtshalve verplicht hen ttz. als getuige te horen? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1015 m.b.t. gebruik voor bewijs van een ambtsedig p-v houdende de t.o.v. een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van een getuige i.h.l.v. recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM. Hof heeft vastgesteld dat de getuigen A en B t.o.v. de politie en in e.a. tegenover de RC verklaringen hebben afgelegd en dat zij consistent in hun lezing zijn gebleven. Tevens heeft Hof aangegeven in welke b.m. de verklaringen van deze getuigen steun vinden alsmede gemotiveerd waarom de door verdachte geschetste (alternatieve) scenario's niet aannemelijk zijn geworden. Voorts houdt het p-v van de tz. in h.b. in dat verdachte aldaar is verschenen en ook zijn raadsman aanwezig was. Het p-v houdt niet in dat aldaar door of namens verdachte is verzocht aangeefsters als getuigen op te roepen met het oog op het tlgd., zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een zodanig verzoek niet is gedaan. Evenmin heeft Hof ambtshalve de oproeping van aangeefsters als getuigen ttz. bevolen. ’s Hofs oordeel dat de door aangeefsters in het opsporingsonderzoek en in e.a. in aanwezigheid van de verdediging t.o.v. de RC afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/06232

Zitting: 17 april 2018 (bij vervroeging)

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 december 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens (zaak I onder 1 en zaak II-A onder 2) telkens “verkrachting”, (zaak I onder 2) “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven”, (zaak II-A onder 1) “diefstal”, (zaak II-B onder 1 primair) “poging tot zware mishandeling” en (zaak II-B onder 2) “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Tevens heeft het hof beslissingen genomen ter zake een aantal inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 5.808,21 en voor een bedrag van € 9.808,21 ten behoeve van [betrokkene 1] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.633,28 alsmede voor dat bedrag ten behoeve van [betrokkene 2] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. D.E. Wiersum, advocaat te Haarlem, bij schriftuur en aanvullende schriftuur, zes middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof het verzoek tot aanhouding op ontoereikende gronden heeft afgewezen, en zo dit anders zou zijn, dat het hof ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring voor het bewijs heeft gebezigd.

  4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2016 houdt op p. 7 - 9 over het verzoek tot aanhouding in:

“De raadsman verzoekt de voorzitter het woord te mogen voeren. Nadat hem dat is vergund deelt hij mede:

Ik verzoek u de zaak aan te houden. Cliënt weet vandaag minder dan hij in mijn beleving moet kunnen weten. Hij gaf mij aan dat hij aan het hyperventileren is. Hij kan zich niet concentreren. Een heel deel van wat er op de zitting gebeurt gaat langs hem heen, daarom kan hij vragen heel moeilijk beantwoorden. Hij geeft aan dat dit niet met een uur over is. Voor alle aanwezige partijen is dit erg vervelend, maar het is het belangrijkste dat het hof goed met cliënt kan praten.

De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter:

Het klopt dat ik hier last van heb. Als ik een aanval heb gehad, heb ik vaker last van hyperventilatie. Dit komt ook door de spanning. Ik vind het moeilijk om dit te verwoorden. Het komt niet dagelijks voor. Ik heb nu al twee weken een stootkuur. Ik gebruik prednison en nog een aantal medicijnen.

De voorzitter vraagt de verdachte of hij hier mogelijk op een volgende zittingsdag niet ook last van zal hebben.

De verdachte verklaart:

Als de stootkuur voorbij is dan gaat het meestal weer een paar maanden goed. Ik zit nu midden in een aanval die meermalen achter elkaar komt. Het hyperventileren kan 10 minuten tot een uur aanhouden, maar hierna komt de hoofdpijn. Ik heb nu tintelingen. Die hoofdpijn heb ik nu nog niet, maar ik weet uit ervaring dat die gaat komen.

De oudste raadsheer deelt mede dat hij eerder vandaag niet de indruk had dat de verdachte aan het hyperventileren was en dat hij uit eigen ervaring weet waar hij op moet letten.

De verdachte verklaart:

Voordat ik vanochtend binnenkwam had ik al twee keer mijn inhaler tegen mijn benauwdheid gebruikt. Dan ga ik mij concentreren op mijn ademhaling en dan krijg ik dus weer te veel zuurstof.

De raadsman deelt mede:

Ik heb zelf geen ervaring met COPD. Ik merk dat mijn cliënt ongelooflijk zit adem te halen naast mij en niet goed antwoord kan geven op de gestelde vragen. Los van het tijdsverloop en het onderwerp heb ik, op basis van eerdere gesprekken met hem, het idee dat het niet goed gaat nu.

De advocaat-generaal deelt, gevraagd naar haar standpunt, mede:

Bij een aanhoudingsverzoek moet een afweging worden gemaakt tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder verdachtes aanwezigheidsrecht, het belang van de verdachte en samenleving bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Ik wijs op de uitspraak die is gepubliceerd als NJ 1999/294.

Onder de belangen van de samenleving versta ik ook de belangen van de slachtoffers. Zoals blijkt uit de verklaringen van de slachtoffers valt deze zaak hen buitengewoon zwaar. Ik zie hierin een indringend belang voor afwijzing van het verzoek. Ik weeg het belang van de verdachte om zo fit en bij de les mogelijk te zijn mee, maar vind dat op grond van wat vandaag naar voren is gebracht onvoldoende vaststaat dat de verdachte dusdanig weinig van de zitting kan meekrijgen dat aanhouding aan de orde is. De verdachte heeft vandaag alleen aangegeven zich door het tijdsverloop weinig te kunnen herinneren. Het is de raadsman die komt met de verwijzing naar de COPD. Bovendien is dat een chronische ziekte. U kunt met de planning van een volgende zitting moeilijk rekening houden met de vraag of de verdachte dan al dan niet in een stootkuur zit. Als u de zitting vandaag aanhoudt, zouden we een volgend keer weer in dezelfde situatie kunnen zitten. Gelet op alle belangen die een rol spelen, vraag ik u het verzoek af te wijzen.

De voorzitter onderbreekt kort het onderzoek voor beraad.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof mede:

Het hof stelt het door de advocaat-generaal genoemde beoordelingskader voorop. Dat betekent dat het hof bij de te nemen beslissing een afweging heeft gemaakt tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte en - in dit geval, zo begrijpt het hof de raadsman - de (legitieme) wens daaraan effectief invulling te geven enerzijds, maar anderzijds ook het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Aangevoerd is dat de verdachte zich in verband met COPD- en hyperventilatieklachten onvoldoende kan concentreren op hetgeen zich op de zitting afspeelt. Het hof stelt vast dat de verdachte tijdens de eerdere ondervraging vandaag hiervan geen blijk heeft gegeven. Daarbij komt dat het hof zwaar tilt aan de andere belangen, zoals dat van de samenleving bij een spoedige berechting van de zaak, waarbij in mede aanmerking wordt genomen de tijd die sinds de tenlastegelegde feiten reeds is verstreken, en het belang van de benadeelde partijen c.q. slachtoffers die hier vandaag ook vertegenwoordigd zijn. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de tweede categorie van belangen dient te prevaleren, zodat het verzoek wordt afgewezen. Wel wil het hof in die zin rekening houden met de opgevoerde klachten van de verdachte dat de zitting op zijn teken zal worden onderbroken voor het nemen van rust.”

5. Zoals in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, heeft het hof bij de beoordeling van het verzoek om aanhouding de juiste maatstaf toegepast.

6. In aanmerking genomen dat het hof vaststelt dat de verdachte er tijdens de eerdere ondervraging geen blijk van heeft gegeven dat hij zich in verband met COPD- en hyperventilatieklachten onvoldoende kon concentreren op hetgeen zich op de zitting afspeelde, geeft het oordeel van het hof - anders dan het middel wil - geen blijk van onjuiste hantering van bedoelde maatstaf en is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd.

7. Gelet op genoemde vaststelling van het hof behoefde het hof niet te motiveren waarom het de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het bewijs heeft gebezigd.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel houdt in dat de artikelen 6 EVRM en 359 en 415 Sv zijn geschonden doordat het gerechtshof zonder het horen van aangeefsters en/of getuigen is gekomen tot een veroordeling in de zaken I en II-A hoewel de verdachte in eerste aanleg in die beide zaken werd vrijgesproken.

10. In de zaken I en II-A heeft het hof bewezenverklaard dat:

“Zaak I onder 1

hij op 10 augustus 2012 in de gemeente Amsterdam door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 1] , hebbende verdachte [betrokkene 1] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis in de vagina en de anus van [betrokkene 1] duwde/bracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- [betrokkene 1] met kracht bij haar nek heeft vastgepakt en vervolgens op de grond heeft geduwd en

- een mes op de keel van [betrokkene 1] heeft gezet en gehouden en

- tegen [betrokkene 1] dreigend heeft gezegd dat zij moest stoppen met schreeuwen en

- tegen [betrokkene 1] dreigend heeft gezegd, terwijl [betrokkene 1] werd gebeld door een vriendin en de telefoon opnam, 'Je gaat nu zeggen dat ik weg ben en dat alles oké is en dat ik net de deur uit ben' en

- [betrokkene 1] vervolgens heeft gedwongen een sms-bericht te versturen aan een vriendin met daarin de tekst dat alles goed was en

- tegen [betrokkene 1] heeft gezegd 'Ga liggen' en [betrokkene 1] met kracht in haar nek heeft geduwd waardoor [betrokkene 1] voorover op bed viel en

- [betrokkene 1] op haar rug heeft gedraaid en bovenop haar is gaan zitten en zijn mond op de mond van [betrokkene 1] heeft gedrukt en heeft getracht zijn tong in de mond van [betrokkene 1] te steken en hierbij dreigend tegen [betrokkene 1] heeft gezegd 'Kijk me aan!' en

- het shirt van [betrokkene 1] ruw omhoog heeft getrokken en de broek van [betrokkene 1] open heeft getrokken en met kracht de broek heeft uitgetrokken en de bh van [betrokkene 1] heeft losgemaakt en uitgetrokken en

- de schouders van [betrokkene 1] in het matras heeft geduwd en

- meermalen zijn penis in de vagina van [betrokkene 1] heeft geduwd en in ieder geval éénmaal zijn penis in de anus van [betrokkene 1] heeft geduwd en

- tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat zij tegen hem moest zeggen ' [verdachte] , je bent een klootzak' en

- een stofzuigerstang onder de deurknop van de kamer van [betrokkene 1] heeft gezet en

- tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat ze niet naar het toilet op de gang mocht gaan en dat ze maar in de wasbak moest plassen en dreigend tegen [betrokkene 1] heeft gezegd 'Dat kan je maar beter niet doen';

Zaak I onder 2

hij op 10 augustus 2012 in de gemeente Amsterdam opzettelijk [betrokkene 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- een stofzuigerstang onder de deurknop van de deur van de kamer van [betrokkene 1] te klemmen/zetten en

- tegen [betrokkene 1] te zeggen dat ze niet naar het toilet op de gang mocht gaan en dat ze maar in de wasbak (in de kamer) moest plassen en dreigend tegen [betrokkene 1] te zeggen 'Dat kan je maar beter niet doen';

Zaak II-A onder 1

hij op 10 augustus 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een autosleutel en een personenauto, merk Renault Clio ( [AA-00-DD] ), toebehorende aan [betrokkene 2] ;

Zaak II-A onder 2

hij op 10 augustus 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, door geweld of andere feitelijkheden [betrokkene 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 2] , hebbende verdachte

- meermalen zijn penis en/of vingers in de vagina van [betrokkene 2] gebracht en/of geduwd en/of gehouden en

- zijn tong en/of zijn vinger(s) in de mond van [betrokkene 2] gebracht en/of gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- onverhoeds de slaapkamer van [betrokkene 2] is binnengegaan en

- met zijn volle gewicht onverhoeds op [betrokkene 2] , die in bed lag, is gaan liggen/gesprongen en

- haar armen heeft vastgepakt en heeft vastgehouden, terwijl [betrokkene 2] trachtte los te komen en

- tegen [betrokkene 2] heeft gezegd dat ze haar kleding moest uitdoen en/of de kleding van [betrokkene 2] heeft uitgetrokken en

- het lichaam van [betrokkene 2] heeft omgedraaid zodat [betrokkene 2] op haar buik kwam te liggen en

- vervolgens haar armen met panty's heeft vastgebonden aan het bed en

- [betrokkene 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ben nu al zover. Ik weet dat het slecht is. Ik had een droom en nu moet ik het waarmaken. Ik ga je neuken" en "Ik kan nu niet meer terug" en "Ik wil dat je een paar dingen zegt. Ik wil dat je zegt dat ik het moet filmen. Voor de zekerheid", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- [betrokkene 2] gefilmd heeft met zijn, verdachtes, mobiele telefoon, waarbij [betrokkene 2] door verdachte gedwongen werd te zeggen: "film film me, ik wil dat je me nu neukt" en

- [betrokkene 2] op haar billen heeft geslagen en

- [betrokkene 2] aan haar haren heeft vastgepakt en heeft vastgehouden,

en aldus voor [betrokkene 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken;”

11. Met betrekking tot het bewijs heeft het hof overwogen:

“Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak I

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) betrouwbaar zijn en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. De door de verdachte opgevoerde alternatieve lezing dat sprake is geweest van seks met wederzijds goedvinden, acht de advocaat-generaal onaannemelijk.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daartoe is - onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 342, tweede lid, Sv - aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 1] in onvoldoende mate steun vinden in het overige bewijsmateriaal, terwijl het scenario van de verdachte, inhoudende dat sprake was van vrijwillige seks en dat hij op verzoek van [betrokkene 1] de deur met de stofzuigerstang heeft gebarricadeerd, door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Voor het geval dat het hof (a) de conclusie van de arts M. Hollmann dat de door haar bij [betrokkene 1] geconstateerde letsels goed passen bij de door laatstgenoemde opgegeven toedracht (p. 87) bij een bewezenverklaring betrekt of (b) het rugletsel dat [betrokkene 1] stelt te hebben bekomen relevant acht voor de beantwoording van de vraag of zij voor- of achterover van haar fiets is gevallen, heeft de raadsman - voorwaardelijk - verzocht M. Hollmann als deskundige te doen horen.

Oordeel van het hof

Inleiding

Het hof ziet zich, mede in het licht van de door de raadsman gevoerde bewijsverweren, gesteld voor de vraag of de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Deze vragen lenen zich met betrekking tot het in deze zaak onder 1 en 2 ten laste gelegde voor een gezamenlijke bespreking.

Verklaringen [betrokkene 1]

heeft op 10, 12 en 161 augustus 2012 en 1 november 2012 ten overstaan van de politie en op 17 december 2012 tegenover de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is - samengevat - de volgende.

Op 10 augustus 2012 heeft [betrokkene 1] , die een avond uit was met haar vriendinnen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , de verdachte even na 03:00 uur ontmoet nabij een bushalte in de omgeving van het Leidseplein. Nadat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] met de bus waren vertrokken, liep [betrokkene 1] naar haar fiets. De verdachte liep met haar mee en vroeg of hij mee kon rijden. Hoewel zij dacht dat haar bagagedrager het mogelijk niet zou houden, stemde zij ermee in de verdachte een lift te geven. Onderweg brak de bagagedrager. Daarbij bezeerde [betrokkene 1] , die achterop zat, haar rechter hand en haar onderrug. Vervolgens hebben beiden lopend hun weg vervolgd; de verdachte hield de fiets vast. Bij de woning van [betrokkene 1] - een studentenkamer - vroeg de verdachte of het goed was dat hij mee naar binnen ging om zijn telefoon op te laden. Hij zei ook dat hij binnen gedurende een half uur op de bus wilde wachten. Hij kwam dicht bij haar staan. [betrokkene 1] voelde zich ongemakkelijk en geïntimideerd, durfde geen ‘nee te zeggen’en wist niet goed hoe zij de verdachte weg moest krijgen. Toen is de verdachte mee naar binnen gelopen. Daar is [betrokkene 1] in een stoel gaan zitten. De verdachte is naast haar in die stoel gaan zitten. [betrokkene 1] wilde dat niet en stond op uit de stoel. Toen pakte de verdachte haar vast en probeerde haar terug te trekken. [betrokkene 1] rukte zich los en zei: “Niet doen”. Toen werd [betrokkene 1] op haar telefoon gebeld door haar vriendin [betrokkene 3] die vroeg of alles goed was. Nadat [betrokkene 1] antwoordde dat de verdachte er nog was, greep de verdachte haar in de nek, kneep haar hard en drukte het gesprek weg. [betrokkene 1] heeft toen geschreeuwd. De verdachte pakte haar daarop bij haar keel, duwde haar op de grond, hield een mes tegen haar keel en maande haar te stoppen met schreeuwen.

[betrokkene 1] zei dat zij geen lucht meer kreeg, waarna de verdachte zei: “Jij gaat nu je kop houden”. Hij drukte hard met het mes tegen haar wangen en kneep in haar wangen. Hij zei: “Als je nu niet doet wat ik zeg, ik zweer het, ik snij je keel door”. [betrokkene 3] belde op dat moment nogmaals. [betrokkene 1] moest vervolgens van de verdachte zeggen dat alles oké was en dat hij weg was. Hierop heeft zij nog een berichtje naar [betrokkene 3] gestuurd. Zij maakte daarin expres veel typfouten, in de hoop dat [betrokkene 3] daaruit zou opmaken dat er wel degelijk iets aan de hand was. Op instigatie van de verdachte zette [betrokkene 1] vervolgens haar telefoon uit. De verdachte heeft hierna de deur van de woning op slot gedraaid en de stofzuigerstang tussen de klink en de deur gezet. De verdachte zei [betrokkene 1] te gaan liggen en duwde haar vervolgens in haar nek voorover op het bed en verkrachtte haar eerst vaginaal en vervolgens anaal. Daarna moest zij plassen, maar omdat zij van de verdachte de kamer niet mocht verlaten, moest zij zich op de wasbak in haar kamer ontlasten. Vervolgens verkrachtte de verdachte haar nogmaals vaginaal. [betrokkene 1] probeerde hierop haar vagina af te vegen met toiletpapier dat bij de wasbak lag en plaste nog een keer op de wasbak. Daarna moest [betrokkene 1] weer bij de verdachte in bed komen liggen. De verdachte draaide haar op haar zij, waarbij [betrokkene 1] zag dat hij een condoom om zijn penis had. Vervolgens verkrachtte de verdachte haar wederom vaginaal. Toen de verdachte even later in slaap was gevallen heeft [betrokkene 1] haar telefoon gepakt en haar badjas aangetrokken en is zij barrevoets naar buiten gevlucht. Zij verschuilde zich achter een vrachtwagen en belde eerst naar [betrokkene 3] en daarna naar 112.

Het hof stelt vast dat [betrokkene 1] vanaf het eerste contact met de politie en bij alle latere verklaringen die zij heeft afgelegd, gewag heeft gemaakt van het dreigen door de verdachte, het gebruik van het mes en het tegen haar wil gemeenschap moeten hebben. Zij is op deze en andere essentiële onderdelen gedetailleerd en zeer consistent in haar lezing gebleken.

De geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] worden onderstreept door de toestand waarin zij zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. In het - om 6.42 uur - gevoerde gesprek met [betrokkene 3] heeft zij huilend en ‘heel erg’ in paniek verteld dat zij bij de keel was gegrepen en dat er een mes op haar gezicht was gezet. In het gesprek dat [betrokkene 1] om 6:46 uur met de telefonist van de Centrale Meldkamer van de politie heeft gevoerd, heeft zij huilend en hoorbaar in paniek melding gemaakt van de verkrachting. Kort hierop hebben politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [betrokkene 1] op straat aangetroffen, terwijl zij zeer angstig uit haar ogen keek, over haar hele lichaam trilde, haar gezicht nat was, haar ogen bloeddoorlopen waren van het huilen en haar make-up was uitgelopen. Bovendien was zij slechts gekleed in een badjas en stond zij op blote voeten. Uit deze laatste omstandigheden spreekt dat zij haar eigen woning met de grootst mogelijke spoed heeft willen verlaten.

Op grond van bovenstaande komt de verklaring van [betrokkene 1] over hetgeen op 10 augustus 2012 in de vroege ochtend is gebeurd authentiek op het hof over.

Bewijsminimum

Het hof stelt voorop dat het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, gelet op het tweede lid van artikel 342 Sv, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit zogenoemde bewijsminimum heeft betrekking op de verklaringen van getuigen afgelegd ter zitting, maar is eveneens van toepassing op getuigenverklaringen die zijn opgenomen in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Het hof begrijpt het verweer de raadsman aldus dat hij betoogt dat het bewijs dat de verdachte haar tot de seksuele handelingen die met haar zijn verricht heeft gedwongen en het bewijs van de wederrechtelijke vrijheidsberoving enkel zou kunnen worden gestoeld op haar eigen verklaringen.

Het hof onderschrijft dit standpunt niet. De verklaringen van [betrokkene 1] vinden in voldoende mate steun in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder:

1) de verklaringen van [betrokkene 3] , het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voomoemd en de transcriptie van het gesprek dat [betrokkene 1] heeft gevoerd met de telefonist van de Centrale Meldkamer van de politie, meer specifiek in hetgeen daaruit naar voren komt omtrent de toestand waarin [betrokkene 1] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten;

2) de weergave van de tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] gevoerde WhatsApp-gesprekken, waaruit het hof afleidt dat [betrokkene 1] niet wilde dat de verdachte met haar meeging naar haar woning, zij diens aanwezigheid in haar woning beangstigend vond en dat zij wilde dat hij weg zou gaan. Uit die weergave blijkt voorts dat [betrokkene 1] om 04:44:38 uur aan [betrokkene 3] heeft gemeld dat de verdachte weg is en haar om 04:45:08, 04:45:13 en 04:45:18 uur drie met typefouten doorspekte berichten heeft gestuurd waarop door [betrokkene 3] met een vraagteken is gereageerd.

3) de letselverklaring van M. Hollmann, waarin is vermeld dat [betrokkene 1] snijwonden op de wang en in de hals had, alsook verkleuringen in de rechter hals en drukwonden aan de binnenzijde van de wang. Naar het (eigen) oordeel van het hof passen deze verwondingen bij de verklaring van [betrokkene 1] , inhoudende dat de verdachte haar met kracht bij de keel heeft gegrepen, in haar wang heeft geknepen en een mes tegen haar keel en wang heeft gedrukt;

4) de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat de verkleuringen van de hals van [betrokkene 1] zouden kunnen ontstaan, doordat hij haar tijdens de seks bij de keel heeft vastgepakt;

5) de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij de deur van de woning van de [betrokkene 1] op slot heeft gedraaid en de stofzuigerstang onder de deurklink heeft gezet;

6) het proces-verbaal waarin is gerelateerd dat in de woning van [betrokkene 1] een stofzuigerstang is aangetroffen, waaraan wel een zuigmond, maar geen slang was bevestigd;

7) de brieven van respectievelijk A. Kremers, cognitief gedragstherapeutisch werker en seksuoloog, en M. van den Brink, Gz-psycholoog, waaruit naar voren komt dat [betrokkene 1] van september 2012 tot en met november 2014 is behandeld voor een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS).

Het verweer wordt verworpen.

Het door de verdachte geschetste scenario

Door de verdachte is tegenover de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep een alternatief scenario geschetst. Dat houdt het volgende in.

[betrokkene 1] heeft de verdachte, na de ontmoeting bij het Leidseplein en de gang naar haar huis, in haar woning uitgenodigd. Daar werden de sfeer en de gesprekken intiemer en [betrokkene 1] maakte gewag van een boek dat ging over buttpluggen en anale en vrij harde seks. [betrokkene 1] maakte een ‘gewillige indruk’ en een innige zoenpartij volgde. Daarna kreeg de verdachte van [betrokkene 1] een condoom, deed deze zelf om en kwam het op beider initiatief tot seksuele handelingen, waaronder tot vaginale en anale penetratie. Daarbij hebben zij ook ‘ruwe seks’ gehad (‘hard stoten’, ‘beetje haren trekken’, ‘met mijn handen om haar nek’). Nadat hij was klaar gekomen, bleek het condoom te zijn geknapt. Daar werd [betrokkene 1] boos en zelfs woest over. Daarna is [betrokkene 1] zich gaan opfrissen, werd er gepraat over kinderen, is er nog geknuffeld en zijn zij samen in slaap gevallen. [betrokkene 1] heeft de verdachte bij dit alles gevraagd de deur te barricaderen om te voorkomen dat haar huisgenoten binnen zouden komen. De snijwonden die op haar wangen en haar hals is geconstateerd kunnen zijn veroorzaakt door haar val van de fiets eerder die avond, zo denkt de verdachte.

Het hof acht de door de verdachte voorgespiegelde lezing niet aannemelijk geworden. Daartoe is in het bijzonder het volgende redengevend:

■ De (toenmalige) vriend van [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij nooit anale seks hebben gehad, omdat laatstgenoemde dat niet wilde (p. 214-215). Het ligt naar het oordeel van het hof dan ook niet voor de hand dat [betrokkene 1] dat met een haar onbekende man wel zou willen hebben.

■ De verdachte heeft wisselend verklaard over de herkomst van het condoom (vgl. p. 142 en proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 13 augustus 2012), het moment waarop hij het condoom heeft omgedaan (vgl. p. 142, p. 185 van het dossier en p. 4 van het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2013), terwijl het scenario waarin de verdachte zijn broek al had uitgedaan toen hij van [betrokkene 1] een condoom kreeg aangereikt, niet te rijmen is met de omstandigheid dat er een lege condoomverpakking in zijn broekzak is aangetroffen (p. 195).

■ Het scenario van de verdachte biedt geen verklaring voor de bij [betrokkene 1] in de hals en het gezicht aangetroffen letsels, meer specifiek de druk- en snijwonden. Uitgaande van de lezing van de verdachte biedt ook de eerdere val van de fiets zo’n verklaring niet. Immers, de verdachte heeft verklaard dat hem na de val van de fiets geen verwondingen bij [betrokkene 1] zijn opgevallen (p. 148 en p. 177) en dat hij [betrokkene 1] niet met haar gezicht op de grond heeft zien vallen (ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2016).

■ Het scenario van de verdachte biedt geen verklaring voor de toestand waarin [betrokkene 1] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. Weliswaar stelt de verdachte dat zij woest was, omdat het condoom was geknapt, maar deze emotie was in die lezing al weer snel weggeëbd, omdat er kort daarop weer werd geknuffeld en werd gepraat over kinderen. Voor de juistheid van de suggestie van de verdachte (en - in het verlengde daarvan - diens raadsman) dat [betrokkene 1] in paniek, blootsvoets en gekleed in een badjas naar buiten is gegaan, omdat zij was vreemdgegaan en haar vriendje mogelijk in aantocht was, is van geen enkel tastbaar aanknopingspunt gebleken.

■ Het scenario van de verdachte biedt geen logische verklaring voor de PTTS waarmee [betrokkene 1] is gediagnostiseerd en waarvoor zij langdurig is behandeld;

■ Het is hoogst onaannemelijk dat [betrokkene 1] zich vrijwillig heeft ontlast in de wasbak van haar studentenkamer in de aanwezigheid van een haar onbekende man (p. 155), terwijl er zich op de gang een (gemeenschappelijk gedeelde) WC bevond (p. 17).

■ In het licht van de geweldshandelingen en de bedreigingen die - zo staat voor het hof vast - jegens [betrokkene 1] zijn begaan, moet het zeer onaannemelijk worden geacht dat zij de verdachte heeft verzocht haar kamerdeur op slot te doen of te barricaderen.

Slotoverwegingen

Hef hof ziet geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] te twijfelen; zij zijn mitsdien bruikbaar voor het bewijs. De kanttekeningen die de raadsman bij die verklaringen heeft geplaatst, zijn niet van een dusdanig kaliber dat dat deze tot een ander oordeel dwingen. Daarbij wordt nog in het bijzonder overwogen dat het hof het met de raadsman opvallend vindt dat in de diep anale bemonstering van [betrokkene 1] geen materiaal is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel matcht met dat van de verdachte, terwijl [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte in haar anus is klaargekomen en dat zij daarna diens sperma daaruit voelde lekken (blad 8 van het proces-verbaal verhoor d.d. 17 augustus 2012). In het licht van hetgeen verder omtrent het incident buiten redelijke twijfel is komen vast te staan, wordt deze enkele omstandigheid echter van onvoldoende gewicht geacht om de door de raadsman getrokken conclusie - dat het scenario van [betrokkene 1] onjuist is - te rechtvaardigen.

Nu voorts het wettig bewijs voorhanden is, de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk geworden is en hetgeen de raadsman verder te berde heeft gebracht de verdachte ook niet kan baten, acht het hof op grond van de inhoud van de bezigde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] heeft schuldig gemaakt.

Voorwaardelijk verzoek

Er bestaat geen aanleiding voor inwilliging van het voorwaardelijk verzoek M. Hollman te doen horen, omdat de daaraan verbonden voorwaarden niet zijn vervuld. Overigens ziet het hof ook geen noodzaak om tot toewijzing van het verzoek te komen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak II-A

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde diefstal en verkrachting. Ten aanzien van het tweede feit heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) betrouwbaar zijn en dat aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. De door de verdachte gepresenteerde alternatieve lezing dat sprake is geweest van seks met wederzijdse instemming, acht de advocaat-generaal onaannemelijk.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde diefstal en de onder 2 ten laste gelegde verkrachting. Met betrekking tot dit laatste feit is aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 2] onbetrouwbaar zijn en niet worden ondersteund door een bewijsmiddel uit andere bron, terwijl de lezing van de verdachte dat sprake was vrijwillige seks, niet door een ander bewijsmiddel wordt gefalsificeerd. Hij heeft het hof- voorwaardelijk - verzocht [betrokkene 14] en [betrokkene 15] als getuigen te doen horen ingeval de verklaringen van deze personen relevant voor het bewijs worden geacht. Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal heeft de raadsman gewezen op de verklaring van de verdachte dat hij de auto van [betrokkene 2] heeft geleend en gesteld dat daarom van wederrechtelijke toe-eigening daarvan geen sprake is.

Oordeel van het hof

Inleiding

Het hof ziet zich, mede in het licht van de door de raadsman gevoerde bewijsverweren, gesteld voor de vraag of de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Deze vragen lenen zich met betrekking tot het in deze zaak onder 1 en 2 ten laste gelegde voor een gezamenlijke bespreking,

Verklaringen [betrokkene 2]

heeft op 10, 11 en 13 augustus 2013 en op 4 oktober 2013 ten overstaan van de politie en op 22 april 2014 tegenover de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is - samengevat - de volgende.

In de nacht van 9 op 10 augustus 2013 is [betrokkene 2] met de verdachte naar een feest geweest. Na het feest keerde zij huiswaarts samen met de verdachte en ‘ [betrokkene 5] ’ [het hof begrijpt: [betrokkene 5] ]. Afgesproken was dat de verdachte bij haar op de bank in de woonkamer zou overnachten; zij had op de bank een dekentje achtergelaten. Op enig moment is [betrokkene 2] zich gereed gaan maken om naar bed te gaan. Nadat [betrokkene 5] was vertrokken en zij de verdachte, die nog op de bank zat, welterusten had gezegd, is zij op bed gaan liggen. Hoewel [betrokkene 2] normaliter naakt slaapt, had zij deze nacht een joggingbroek en een T- shirt aangetrokken, omdat de verdachte in haar woning was en zij hem niet naakt in de hal wilde tegenkomen. Na ongeveer twintig minuten kwam de verdachte bij haar in bed liggen. [betrokkene 2] vroeg waarom de verdachte bij haar in bed kwam liggen, maar de verdachte reageerde niet. Daarna zei [betrokkene 2] tegen de verdachte dat hij zwaar ademde. De verdachte kwam dichterbij en raakte [betrokkene 2] aan bij haar heup. Nog voordat [betrokkene 2] het besefte sprong de verdachte met zijn volle gewicht op haar en hield haar armen vast. [betrokkene 2] vreesde voor haar leven en besefte dat zij niet meer kon tegenstribbelen. Hij trok het shirt van [betrokkene 2] uit en haar broek naar beneden, ook trok hij zijn eigen kleding uit. Hij draaide haar op haar buik, rommelde in een laadje van een kastje naast haar bed en vond panty’s. Daarmee bond hij haar armen vast aan spijlen van het bed. [betrokkene 2] voelde pijn aan haar polsen. De verdachte duwde vervolgens twee vingers in haar vagina. De verdachte penetreerde haar vagina met zijn penis en sloeg een paar keer op de linker bil en het been. Ook pakte hij het haar van [betrokkene 2] vast en trok het naar achteren. Zij moest met de verdachte zoenen; hij stopte zijn tong in haar mond. Op enig moment pakte de verdachte zijn telefoon. Hij wilde de seks filmen en hij maande [betrokkene 2] ‘voor de zekerheid’ te zeggen “Film me” en “Neuk me”, ook moest zij een beetje kreunen. Even later sprong hij uit bed en heeft hij de telefoon van [betrokkene 2] verstopt. Ook heeft hij één van de armen nog even losgemaakt, maar stopte wel zijn penis weer in haar vagina. Vrij snel daarna bond hij haar arm weer vast, waarna [betrokkene 2] opnieuw werd gepenetreerd. Uiteindelijk is de verdachte in haar vagina klaargekomen. Daarna heeft hij tegen haar gezegd dat zij hem naar Amsterdam moest brengen. [betrokkene 2] heeft toen een jumpsuit aangetrokken dat naast haar bed lag. De verdachte was zijn telefoon kwijt en zocht deze. [betrokkene 2] moest bij hem blijven. Op een onbewaakt moment is zij naar het raam van haar woning gerend en daaruit gesprongen en heeft bij een nabijgelegen boekhandel om hulp gevraagd. Tijdens het incident heeft [betrokkene 2] ‘verschrikkelijk’ gehuild en - tevergeefs - op het gevoel van de verdachte ingepraat. Zij heeft de verdachte haar autosleutel niet gegeven; deze lag op een tafel in het zicht. Zij had hem evenmin toestemming gegeven de auto mee te nemen.

Het hof stelt vast dat [betrokkene 2] vanaf het eerste contact met de medewerkers van de boekhandel en in de latere verklaringen die zij heeft afgelegd, er gewag van gemaakt dat zij was verkracht, dat er daarbij was gefilmd en dat zij (uit het raam) was gevlucht. Zij is op deze en andere essentiële onderdelen gedetailleerd en consistent in haar lezing gebleken.

Aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van [betrokkene 2] ’s verklaringen draagt bij dat zij zelfs na het incident diverse positieve eigenschappen van de verdachte blijft noemen en het moeilijk vindt iets negatiefs over hem te zeggen; zij kan eigenlijk geen ‘slechte dingen’ over hem bedenken (p. 196 en p. 199); zij maakt de verdachte met andere woorden niet onnodig zwart. Daaraan draagt verder bij de toestand waarin [betrokkene 2] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ), die op 10 augustus 2013 bij de boekhandel achter de kassa stond, heeft verklaard dat hij [betrokkene 2] met tranen in haar ogen zag binnenkomen en gelijk vertelde dat ze was verkracht en gevlucht. [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ), die toen ook in de boekwinkel werkte, heeft gezien dat de mascara van [betrokkene 2] was uitgelopen, dat zij geen schoenen aan had en huilde. [betrokkene 2] vertelde dat zij uit angst had meegewerkt, dat ‘hij’ had gefilmd toen ‘hij’ haar verkrachtte en dat zij uit het raam was geklommen. Zodra bij [betrokkene 2] details naar boven kwamen, brak haar stem en werd zij emotioneel. [betrokkene 2] gaf verder te kennen haar moeder te willen bellen. Omdat zij tijdens het bellen met haar moeder geen woord kon uitbrengen, heeft [betrokkene 7] het gesprek overgenomen en de moeder gevraagd naar de winkel te komen. De moeder van [betrokkene 2] , [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ), zag toen zij aankwam dat haar dochter over haar toeren en vreselijk aan het huilen was. [betrokkene 2] vertelde haar moeder toen dat zij was verkracht. [betrokkene 8] zag ook dat haar dochter op blote voeten liep en dat haar make-up was doorgelopen, terwijl haar dochter nooit de deur uitgaat zonder dat haar make-up ‘tip top’ is. Uit deze laatste omstandigheid en het feit dat [betrokkene 2] op blote voeten was spreekt dat zij haar eigen woning met de grootst mogelijke spoed heeft willen verlaten.

Op grond van bovenstaande komt de verklaring van [betrokkene 2] over hetgeen in de vroege ochtend van 10 augustus 2013 is gebeurd authentiek op het hof over.

Bewijsminimum

Anders dan de raadsman is het hof, onder dezelfde vooropstelling als hiervoor, van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 2] in voldoende mate steun vinden in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder:

1) de verklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] , meer specifiek in hetgeen daaruit naar voren komt omtrent de toestand waarin [betrokkene 2] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten;

2) het geschrift van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] , waaruit volgt dat aan de hoofdzijde van het bed van [betrokkene 2] twee panty’s waren geknoopt;

3) het proces-verbaal van [verbalisant 3] , waaruit blijkt dat bij [betrokkene 2] aan beide polsen lichte rode uitwendige verkleuringen van de huid zijn geconstateerd en dat zij op haar linker bil en haar beide benen onderhuidse verkleuringen had;

4) de verklaring van de verdachte, voor zover daaruit volgt dat hij de woning van [betrokkene 2] ongeschoeid en met achterlating van zijn telefoon en een tas met kleding heeft verlaten;

5) de verklaringen van de omwonende [betrokkene 11] , die heeft gezien dat de verdachte met een verwilderde blik de woning verliet, terwijl hij nog doende was de gulp van zijn broek te sluiten, dat hij de woning opnieuw in- en uitrende, met autosleutels in de hand naar een auto rende en met piepende banden wegreed.

6) het proces-verbaal van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , waaruit naar voren komt dat de auto van [betrokkene 2] op 11 augustus 2013 te omstreeks 19.30 uur in Nieuw-Vennep is aangetroffen.

Uit de onder 4) en 5) opgenomen verklaringen leidt het hof af dat de verdachte zich, nadat [betrokkene 2] haar woning had verlaten, genoodzaakt heeft gezien zich hals over kop uit de voeten te maken.

Het verweer wordt verworpen.

Het door de verdachte geschetste scenario

Door de verdachte is tegenover de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep een alternatief scenario geschetst. Dat houdt het volgende in.

Het is van meet af aan de bedoeling geweest dat de verdachte bij [betrokkene 2] in bed zou slapen. Toen hij naast haar in slaap was gevallen, tikte [betrokkene 2] hem aan en vroeg of hij haar wilde neuken. Vervolgens heeft hij haar gevingerd en haar vagina in diverse standjes met zijn penis gepenetreerd. Toen de verdachte op een gegeven moment zijn telefoon pakte, vroeg [betrokkene 2] : “Ga je filmen”, waarop de verdachte “Okay” dacht. Omdat zij er ‘niet warm of koud’ van werden en hij panty’s zag liggen, heeft de verdachte met [betrokkene 2] ’s instemming haar handen aan de ‘tralies’ van het bed vastgebonden. [betrokkene 2] had de verdachte verteld dat zij wel van vastbinden en speeltjes hield en dat zij dit ook met haar ex deed. Daarna hadden zij opnieuw in verschillende standjes seks. Toen [betrokkene 2] zei dat haar polsen pijn deden, heeft de verdachte haar los gemaakt, waarna zij wederom seks hadden en de verdachte klaarkwam. Nadat [betrokkene 2] en de verdachte zich hadden aangekleed, kon hij zijn telefoon niet vinden. Kort hierop bemerkte hij dat [betrokkene 2] er niet meer was. Hij liep naar buiten, maar toen viel de voordeur dicht. Hiervan ‘flipte de verdachte’ en ook was hij ‘pissed’ over [betrokkene 2] ’s plotselinge verdwijning. De verdachte had de sleutel van de auto van [betrokkene 2] in zijn broekzak - die had zij hem al gegeven voordat zij ging slapen. Daarna is hij met de auto van [betrokkene 2] naar zijn zus in Nieuw-Vennep gereden.

Het hof acht de door de verdachte voorgespiegelde lezing niet aannemelijk geworden. Daartoe is in het bijzonder het volgende redengevend:

■ Buiten [betrokkene 2] was ook [betrokkene 5] ervan op de hoogte dat de verdachte op de bank zou blijven slapen; dit had hij van [betrokkene 2] gehoord. Daarbij komt dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep heeft waargenomen dat op een foto (p. 105) is te zien dat op de bank in de woonkamer van [betrokkene 2] een dekbed en een kussen liggen.

■ [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij met ‘haar ex’ tijdens de seks nooit aan vastbinden heeft gedaan (p. 332). Haar ex-partner [betrokkene 12] heeft verklaard dat zij samen eigenlijk niet aan stevige seks hebben gedaan, dat er nooit is gesproken over vastbinden tijdens de seks en dat dat ook nooit is gebeurd en dat de seks niet werd opgenomen (p. 347-348). Ook haar toenmalige partner [betrokkene 13] heeft verklaard dat [betrokkene 2] absoluut niet hield van vastbinden of slaan en dat zij er niet gecharmeerd van was dat seks werd opgenomen, omdat in haar optiek de liefde dan verdween (p. 308).

■ De stelling van de verdachte dat de voordeur was dichtgevallen en dat hij de sleutel van de auto van [betrokkene 2] al in zijn zak had is niet te rijmen met de opgemelde waarnemingen van [betrokkene 11] en de verklaring van [betrokkene 8] , inhoudende dat de voordeur van de woning van [betrokkene 2] bij haar aankomst wagenwijd open stond (verklaring tegenover de rechter-commissaris van 22 april 2014).

■ Het scenario van de verdachte biedt geen verklaring voor de toestand waarin [betrokkene 2] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. Er is geen concrete reden om aan te nemen dat, zoals de raadsman heeft geopperd, die toestand geworteld is geweest in de paniekaanvallen waarmee [betrokkene 2] van tijd tot tijd te kampen heeft. [betrokkene 2] heeft immers uiteengezet dat deze aanvallen vooral verband houden met een gebrek aan zelfvertrouwen (p. 121) en een minderwaardigheidscomplex, waarbij zij bang is dat mensen ‘slecht over haar denken’ en hiervan vooral last heeft in de drukte (p. 193-194). Haar moeder heeft het geformuleerd als ‘moeite om tussen [het hof lees2: onder] de mensen te komen’ (verklaring tegenover de rechter-commissaris van 22 april 2014). Gelet hierop acht het hof het niet waarschijnlijk dat bij [betrokkene 2] in een scenario als door de verdachte geschetst een paniekaanval ontstaat.

■ In het scenario van de verdachte zou het zeer voor de hand gelegen hebben dat hij het er na zijn rit naar zijn zus op korte termijn toe zou leiden dat [betrokkene 2] weer over haar voertuig kon beschikken, zeker in het licht van zijn verklaring dat hij had afgesproken dat hij de auto later die dag zou terugbrengen (p. 59). Dit heeft hij echter niet gedaan; hij kwam er twee dagen nadien pas achter dat de auto niet meer op de plek stond waar hij deze had achter gelaten (p. 43). Dat hij, zoals hij op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard, vanwege het verdwijnen van de auto, gewoon ‘geen zin had in een confrontatie’ en dat hij dacht nog wel eens in Hoofddorp te komen, maar dat het er niet van is gekomen, komt het hof tegenstrijdig en weinig overtuigend voor.

Slotoverwegingen

Het hof ziet geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] te twijfelen; zij zijn mitsdien bruikbaar voor het bewijs. De kanttekeningen die de raadsman bij die verklaringen heeft geplaatst, zijn niet van een dusdanig kaliber dat dat deze tot een ander oordeel dwingen.

Aangezien voorts het wettig bewijs voorhanden is, de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk geworden is en hetgeen de raadsman verder te berde heeft gebracht de verdachte ook niet kan baten, acht het hof op grond van de inhoud van de bezigde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan de onder 2 ten laste gelegde verkrachting van [betrokkene 2] heeft schuldig gemaakt, alsook aan de onder 1 ten laste gelegde diefstal van haar auto. Ten aanzien van dit laatste wordt nog overwogen dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte voor, tijdens en na het meenemen van haar auto, in de wetenschap dat [betrokkene 2] hem geen toestemming voor het gebruik van haar auto had gegeven, wordt afgeleid dat de verdachte zich het voertuig wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het verweer dat zijn pijlen hierop richtte, wordt dan ook verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

Er bestaat geen aanleiding voor inwilliging van het voorwaardelijk verzoek [betrokkene 14] en [betrokkene 15] te doen horen, omdat de daaraan verbonden voorwaarde niet is vervuld. Overigens ziet het hof ook geen noodzaak om tot toewijzing van het verzoek te komen.”

12. Het middel stelt de vraag aan de orde of het hof gelet op het in art. 6 EVRM verwoorde recht van de verdachte op een eerlijk proces ambtshalve de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] had moeten horen alvorens anders dan de rechtbank te oordelen dat de verklaringen van deze getuigen betrouwbaar waren en dus voor het bewijs konden worden gebezigd.

13. In HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans, rov. 3.9, overwoog de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de rechter zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces kan meebrengen dat hij ambtshalve - op de voet van art. 315, eerste lid, Sv dan wel art. 346, eerste en tweede lid, of art. 347, eerste lid, Sv - moet overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n).

14. In HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. G.J.M. Corstens, beschreef de Hoge Raad een geval waarin de rechter getuigen ter terechtzitting dient te horen:

“(iii-1) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het telastegelegde feit door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient te dagvaarden of op te roepen dan wel dat de rechter zodanige dagvaarding of oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voor zover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(iii-2) Het onder (iii-1) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal, inhoudend een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het telastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder verklaard heeft. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

(iii-3) Indien in de onder (iii-2) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen.”

15. In HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4834, NJ 2006/333 heeft de Hoge Raad nog eens overwogen dat hij geen aanleiding ziet op deze rechtspraak terug te komen.3 Deze houdt overigens niet in dat de getuige na oproeping ter terechtzitting verschijnt en daar een verklaring aflegt. De rechter kan volstaan met het oproepen van de getuige.4

16. In EHRM 29 juni 2017, Appl. No. 63446/13 (Lorefice v. Italië), EHRC 2017/185 (par. 36-47) werd geoordeeld dat de rechter in hoger beroep (la cour d’appel de Palerme) de getuigen ter terechtzitting in hoger beroep dient te horen wanneer de rechter in hoger beroep na vrijspraak van de verdachte in eerste aanleg tot een veroordeling komt omdat hij anders dan de rechter in eerste aanleg de getuigenverklaringen wel geloofwaardig acht. In dit geval had de rechter in eerste aanleg (het tribunal de Sciacca), anders dan in het onderhavige geval, de getuigen (X en Y) ter terechtzitting gehoord. Het EHRM overwoog onder meer:

“43. Compte tenu de ce qui était en jeu pour le requérant, la Cour n’est pas convaincue que les questions que la cour d’appel de Palerme avait à trancher avant de décider de condamner l’intéressé en infirmant le verdict d’acquittement du tribunal de Sciacca pouvaient, pour des motifs d’équité du procès, être examinées de manière appropriée sans appréciation directe des témoignages à charge. La Cour rappelle que ceux qui ont la responsabilité de décider de la culpabilité ou de l’innocence de l’accusé doivent, en principe, entendre les témoins en personne et évaluer leur crédibilité (voir Manoli, precité, § 32 et, a contrario, Kashlev, précité, §§ 48‑50). L’évaluation de la crédibilité d’un témoin est une tâche complexe, qui, normalement, ne peut pas être accomplie par le biais d’une simple lecture du contenu des déclarations de celui-ci, telles que consacrées dans les procès-verbaux des auditions (Dan, précité, § 33).

44. (...).

45. La Cour a examiné l’argument du Gouvernement selon lequel, en l’espèce, une nouvelle audition de X et Y n’était pas nécessaire au motif que la cour d’appel, loin de se borner à réévaluer leur crédibilité, avait effectué un contrôle approfondi de la motivation du jugement du tribunal de Sciacca en mettant en exergue ses carences à la lumière de l’ensemble des éléments de preuve versés au dossier (paragraphe 35 ci-dessus). Cependant, la Cour ne voit pas en quoi cette circonstance pouvait exonérer la juridiction d’appel de l’obligation qui était la sienne d’entendre en personne les témoins dont les déclarations, qu’elle s’apprêtait à interpréter d’une manière défavorable à l’accusé et radicalement différente de celle dont le juge de première instance avait appréhendé l’affaire, constituaient le principal élément à charge.

46. À la lumière de ce qui précède, la Cour estime que l’omission de la cour d’appel de Palerme d’entendre à nouveau X, Y et/ou d’autres témoins avant d’infirmer le verdict d’acquittement dont le requérant avait bénéficié en première instance a porté atteinte à l’équité du procès.

47. Il s’ensuit qu’il y a eu violation de l’article 6 § 1 de la Convention.”

17. In de toelichting op het middel, p. 6, wordt geciteerd uit een arrest van het EHRM. Dit zou zijn EHRM 18 februari 2017, Appl.no. 56857/11 (Manoli tegen Macedonië). Het is echter een citaat uit EHRM 28 mei 2017, Appl. no. 56875/11 (Manoli v. Moldavië):

“32. Having regard to what was at stake for the applicant, the Court is not convinced that the issues that had to be determined by the Court of Appeal when convicting and sentencing the applicant - and, in doing so, overturning his acquittal by the first-instance court - could be properly examined, as a matter of fair trial, without a direct assessment of the evidence. The Court considers that those who have responsibility for deciding on the guilt or innocence of an accused ought, in principle, to be able to hear the victims, the accused and the witnesses in person and assess their trustworthiness (see, a contrario, Kashlev v. Estonia, no. 22574/08, §§ 48-50, 26 April 2016). The assessment of trustworthiness is a complex task which cannot usually be achieved merely by reading a record of their words, even more so when only some of the words are taken into consideration. Of course, there are cases where it is impossible to hear someone in person at the trial because, for example, he or she has died, or in order to protect the right of a witness not to incriminate himself or herself (see Craxi v. Italy (no. 1), no. 34896/97, § 86, 5 December 2002, and Dan v. Moldova, no. 8999/07, § 33, 5 July 2011). However, that was not the case here.”

Ook in deze zaak waren door de rechter in eerste aanleg getuigen gehoord, in hoger beroep niet.

18. De getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn door de politie gehoord en in eerste aanleg onder ede ten overstaan van de rechter-commissaris. Zij zijn toen niet teruggekomen op de door hen tegenover de politie voor de verdachte belastende verklaringen doch hebben daarin volhard. Zij zijn noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. In casu doet zich dus niet het geval voor dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] nadien door een rechter is/zijn gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft/hebben ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft/hebben afgelegd, dan wel heeft/hebben geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover zij eerder verklaard heeft/hebben. Uit HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. G.J.M. Corstens vloeit dus niet voort dat het hof hen in hoger beroep ter terechtzitting had moeten horen.

19. In casu doet zich evenmin het geval voor dat de rechter in eerste aanleg de getuigen ter terechtzitting heeft gehoord en vervolgens tot een vrijspraak is gekomen, terwijl de rechter in hoger beroep tot een veroordeling komt zonder de getuigen opnieuw te horen, zoals in het geval was in EHRM 29 juni 2017, Appl. No. 63446/13 (Lorefice v. Italië), EHRC 2017/185.

20. Verdachtes raadsman is in eerste aanleg en in hoger beroep in de gelegenheid geweest de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te bestrijden. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het die verklaringen wel geloofwaardig acht. Voorts heeft het hof uitgebreid gemotiveerd, dat en waarom die verklaringen in voldoende mate steun vinden in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen. Tenslotte heeft het hof uiteengezet waarom het door de verdachte in beide zaken ter ontkrachting van hetgeen de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben verklaard opgevoerde alternatieve scenario niet aannemelijk is. In die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad omdat de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door het hof niet ambtshalve als getuigen ter terechtzitting zijn gehoord. Daar komt wat betreft de zaken II-A onder 1 en 2 nog bij dat de rechtbank de verdachte daarvan niet heeft vrijgesproken omdat hij de verklaringen van het slachtoffer niet geloofwaardig achtte, maar omdat (zaak II-A onder 1) de voorhanden bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor het bewijs van het tenlastegelegde oogmerk c.q. (zaak II-A onder 2) de verklaringen van het slachtoffer niet zoveel steun in andere bewijsmiddelen vonden dat kon worden voldaan aan het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv.

21. Hetgeen in EHRM 28 mei 2017, Appl.no. 56875/11 (Manoli tegen Moldavië) is overwogen, maakt het voorgaande niet anders. De onderhavige zaak wordt immers hierdoor gekenmerkt dat niet alleen de geloofwaardigheid van de lezing van de getuigen, en dan in het bijzonder wat betreft het dwingen door geweld of bedreiging met geweld, wordt bestreden, maar dat daar ook nog eens een alternatief scenario aan ten grondslag wordt gelegd. Het hof zet vervolgens - anders dan de rechter in hoger beroep in Manoli tegen Moldavië - niet alleen uiteen waarom het de verklaringen van de getuigen wel geloofwaardig acht alsmede dat die verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, maar ook waarom het gestelde, met de lezing van de getuigen strijdige alternatieve scenario niet aannemelijk was. Daardoor heeft het hof niet volstaan met “reading a record of their words”, maar voerde het hof een zo indringende toets uit op de geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat de door het EHRM bedoelde zorgvuldigheid op andere wijze dan door het horen van de getuigen voldoende tot haar recht is gekomen.

22. Het middel faalt.

23. Het derde middel klaagt dat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen in de zaak II-B op ontoereikende gronden is afgewezen.

24. Het hof heeft in de zaak II-B bewezenverklaard dat:

“Zaak II-B onder 1 primair

hij op 23 mei 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene 16] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met een ijzeren stofzuigerslang tegen de rug en de nek te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak II-B onder 2

hij op 23 mei 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk een televisietoestel en een salontafel, toebehorende aan [betrokkene 17] en/of [betrokkene 16] , heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, met kracht tegen het televisietoestel getrapt waardoor deze op de grond viel en vervolgens tegen de salontafel getrapt waardoor er tafelpoten afbraken.”

25. Bedoeld verzoek is in de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen5 pleitnota6 als volgt verwoord:

“ [betrokkene 17] en [betrokkene 16] zijn niet consistent in hun verklaringen. Daarnaast is niet meer te achterhalen hoe de verhoren van hen beiden zijn verlopen en op welke manier zij op welk moment getekend hebben. Ik verzoek u bij het navolgende om die reden geen acht te slaan op de door hen afgelegde verklaringen en als uitgangspunt de verklaring van cliënt te nemen.

Mocht u de verklaringen van [betrokkene 17] en [betrokkene 16] wel voor het bewijs willen gebruiken dan is het noodzakelijk daarover eerst als getuige te horen:

- [verbalisant 6] (agent regiopolitie Kennemerland)

- [verbalisant 7] (hoofdagent regiopolitie Kennemerland)

- [verbalisant 8] ) wijkagent politie Kennemerland)

De verdediging wil hen ( [verbalisant 6] en [verbalisant 7] ) vragen stellen over de precieze gang van zaken tijdens de verhoren van [betrokkene 17] en [betrokkene 16] . Wat was hun indruk van die verklaringen, waren de getuigen goed in staat een verklaring af te leggen ( [betrokkene 17] verklaarde zich van het ziekenhuis weinig te herinneren, RHC, p.2). Daarnaast moet hen alle drie gevraagd worden: Wanneer zijn de verklaringen getekend? Wat is er besproken met de getuigen op het moment van tekenen? Is dat geverbaliseerd? Waarom wel, niet? Zijn er in deze zaak ooit stukken kwijtgeraakt? Welke stukken waren dat? Hoe kan het dat er verschillende proces-verbaalnummers voor dezelfde zaak zijn?”

26. Het hof heeft de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 16] en [betrokkene 17] gebezigd voor het bewijs van de in zaak II-B bewezenverklaarde feiten (bewijsmiddelen 34, 36 en 37).

27. Met betrekking tot het verzoek genoemde politieambtenaren als getuigen te horen overwoog het hof:

“Voorwaardelijk verzoek

Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de drie evenbedoelde politieambtenaren af, omdat van de noodzaak daartoe niet is gebleken. Daarbij merkt het hof nog op dat genoegzaam vast staat wanneer de verhoren van [betrokkene 17] en [betrokkene 16] hebben plaatsgevonden en wat bij die gelegenheden is verklaard.”7

28. Volgens de toelichting op het middel is deze motivering van de afwijzing van het verzoek genoemde politieambtenaren als getuigen te horen niet toereikend, omdat gezien hetgeen door verdachtes raadsman is aangevoerd niet genoegzaam vaststaat wanneer de verhoren van de getuigen [betrokkene 17] en [betrokkene 16] hebben plaatsgevonden.

29. De getuigen [betrokkene 17] en [betrokkene 16] zijn niet alleen door de politie gehoord maar ook door de raadsheer-commissaris onder ede en in het bijzijn van verdachtes raadsman, die daarbij de door hem noodzakelijk geachte vragen aan de getuigen heeft kunnen stellen en zo de deugdelijkheid van hun verklaringen op de proef heeft kunnen stellen.

30. Tegen deze achtergrond alsmede bij gebreke van een nadere toelichting wordt uit hetgeen verdachtes raadsman aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd niet duidelijk waarom het voor enige uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing van belang is dat vaststaat wanneer de verhoren van de getuigen [betrokkene 17] en [betrokkene 16] precies hebben plaatsgevonden.8 Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.9

31. Anders dan het middel wil, heb ik hiervoor niet in aanmerking genomen de aan de advocaat-generaal bij het hof gerichte brief van verdachtes raadsman van 25 februari 2016, waarbij hij verzoekt antwoord te geven op een aantal vragen, en wel omdat hij in zijn ter terechtzitting van het hof gedane verzoek niet aan de inhoud van die brief refereert. Zou de inhoud van die brief wel in aanmerking worden genomen dan maakt dit het voorgaande overigens niet anders.

32. Het middel faalt.

33. Het vierde middel klaagt dat het hof bij bewezenverklaring van de diefstal van de auto van [betrokkene 2] (zaak II-A onder 1) het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv heeft geschonden, omdat de bewezenverklaring in essentie alleen berust op de verklaringen van [betrokkene 2] .

34. Het bewijs van bedoelde diefstal berust op de volgende bewijsmiddelen:

“19. Een proces-verbaal met nummer 2013081644-8 van 11 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [betrokkene 10] en [betrokkene 9] , doorgenummerde pagina’s 121-127.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als de op zaterdag 10 augustus 2013 te 11:08 uur afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

Vrijdagmiddag [het hof begrijpt: vrijdag 9 augustus 2013] is [verdachte] naar mij toegekomen. We zouden later met een groep naar een illegaal feest gaan. Omstreeks 00:30 uur - in de nacht van vrijdag op zaterdag - zijn we naar het station in Hoofddorp gereden. Ik was onder andere samen met [verdachte] . Vanaf het station in Hoofddorp zijn we naar dat feestje gelopen. Rond 05:00 uur vanmorgen zijn wij weggegaan van dat feest. Bij het weggaan kwamen we [betrokkene 5] [het hof begrijpt: [betrokkene 5] ] tegen. Ik had afgesproken dat [verdachte] bij mij kon pitten. [verdachte] had met mij afgesproken dat hij bij mij op de bank kon slapen. Ik had geen besef van tijd hoe laat [betrokkene 5] naar huis toeging, misschien om 07:00 uur of iets ervoor. Ik ben daarna naar mijn bed gegaan. Ik deed de slaapkamerdeur dicht. Ik had op dat moment een joggingbroek en een shirt aan. Normaal gesproken draag ik dat niet in bed, maar dat deed ik omdat er een man in mijn huis was en voor als ik naar de wc moest. Ongeveer 20 à 30 minuten later kwam [verdachte] opeens mijn kamer binnen en plofte neer in mijn bed. Ik zei: “ [verdachte] , even niet, gun me wat ruimte. [verdachte] lag stevig adem te halen. Ik dacht: “Wo”. [verdachte] ging tegen mij aan liggen. Ik wilde niet hetzelfde deken. Ik zei tegen [verdachte] : “Pak even je eigen deken”. [verdachte] negeerde dat. Hij deed alsof hij ging slapen. Hij lag op dat moment niet heel dicht tegen mij aan maar ik vond het wel zwaar ongemakkelijk. Opeens ging [verdachte] toen heel wild op mij liggen. Ik dacht: “O, fuck”. Hij kwam op mij liggen. Het ging allemaal heel snel. Hij heeft mij met twee panty’s vastgebonden aan het bed. Deze panty’s had hij uit mijn nachtkastje gepakt. Ik heb vanaf het begin gezegd: “Ik werk mee. Dit had niet gehoeven, [verdachte] .” Hij zei: “Ik ben nu al zo ver. Ik weet dat het slecht is. Ik had een droom en nu moet ik het waarmaken. Ik zal je neuken.” Hij stopte hem [het hof begrijpt: zijn penis] erin van achteren. Niet anaal maar achterlangs. Hij sloeg mij op mijn kont. Toen kwam hij onder mij. Hij wou dat ik boven hem was. Hij wilde dat ik hem zou neuken. Hij zei: “Ik wil dat je mij neukt.” Ik moest zelf heen en weer gaan. Dat gebeurde zo een paar keer. Toen wilde hij zijn telefoon pakken. Die lag in de huiskamer. Hij zei: “Blijf waar je bent.” Het kwam amper in mij op mij los te wringen. Als ik dat had gedaan had hij mij vermoord, denk ik. Hij zei: “Voor alle zekerheid toch”. Hij zei: “Zeg dat ik het moet filmen.” “Film me, film me”, dat moest ik zeggen. Hij zei dat ik “Neuk me” moest zeggen. Ik heb dat gezegd. In mijn oor was hij aan het hijgen. Ik moest huilen. Ik dacht op dat moment dat hij in alle staten was. Ik dacht, straks doet hij nog een panty om mijn nek.

Hij is in mij klaargekomen.

Hij zei: “Ik wil dat je mij naar Amsterdam brengt. Ik sta niet voor mijzelf in”. Ik zei dat dit geen probleem was. Daarna is hij zijn telefoon gaan zoeken. Ik moest continu heel dicht bij hem blijven van hem. Hij zocht iets onder het bed. Ik keek naar de huiskamer en ik zag het raam openstaan. Ik twijfelde, maar ben toch gesprint door de huiskamer en ik ben via het raam op een dakje gesprongen. Dat is ongeveer anderhalve meter. Toen bedacht ik mij dat ik naar het plein moest gaan en dat daar mensen waren. Ik voelde op dat moment zijn [het hof begrijpt: verdachte’s] ‘kwakkie’ naar beneden lopen via mijn been. Ik ben toen naar een boekenwinkel gegaan. Daar is de politie gebeld door mensen die daar werkten.

[Vraag] Hoe heeft hij kunnen merken dat je het niet wilde?

[Antwoord] Ik moest huilen en was in paniek. Eerst heeft hij mij stevig vastgepakt. Ik probeerde los te komen. Dat was van korte duur. Ik kon daar niet uitkomen. Toen heb ik gezegd dat ik mee zou werken. Daarvoor heb ik nog tegen hem gezegd: “Waarom?”

Ik hoor nu net dat [verdachte] met mijn auto weg is. Ik had dat niet verwacht.

20. Een proces-verbaal met nummer 2013081644-49 van 4 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] , doorgenummerde pagina’s 324-338.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als verklaring van [betrokkene 2] :

(…)

Vraag: Hoe komt het dat [verdachte] zegt dat jij hem de autosleutel hebt gegeven?

Antwoord: Daar klopt niets van. Die lag gewoon op mijn tafel. Daar leg ik hem neer in het zicht, omdat ik zelf best wel chaotisch ben.

Vraag: Hij zegt hierover dat jij hem eerder op de avond, voor het slapen gaan, de sleutel zou hebben gegeven.

Antwoord: Nee, sowieso niet. Ik zou ook zomaar mijn auto niet meegeven, dan zou ik hem gewoon brengen.

21. Een proces-verbaal met nummer 2013082031-1 van 11 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9], doorgenummerde pagina’s 184-185.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als verklaring van [betrokkene 2]:

Ik ben eigenaar van een personenauto van het merk Renault, type Clio en voorzien van kenteken [AA-00-DD] .

Op 10 augustus 2013 ben ik door [verdachte] [het hof begrijpt hier en verder: [verdachte] , de verdachte] verkracht. Nadat dit was gebeurd ben ik de woning uit gevlucht. Op het politiebureau hoorde ik dat mijn personenauto niet meer voor de [het hof begrijpt: mijn] woning stond. Ik heb het vermoeden dat [verdachte] mijn personenauto heeft weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

22. Een proces-verbaal met nummer 2013081644-25 van 25 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 187-188.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als verklaring van bovengenoemde verbalisanten:

Op 11 augustus 2013 omstreeks 19:22 uur kregen wij de melding te gaan naar de [a-straat] te Nieuw-Vennep ter hoogte van perceelnummer 77 in verband met een gesignaleerd voertuig. Dit zou een Renault Clio betreffen voorzien van [het] kenteken [AA-00-DD] . Wij zijn vervolgens ter plaatse gegaan. Eenmaal aangekomen in de [a-straat] te Nieuw-Vennep, zagen wij ter hoogte van perceelnummer 77 het desbetreffende voertuig staan.”

35. Met betrekking tot het bewijs overwoog het hof onder meer:

Het door de verdachte geschetste scenario

Door de verdachte is tegenover de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep een alternatief scenario geschetst. Dat houdt het volgende in.

Het is van meet af aan de bedoeling geweest dat de verdachte bij [betrokkene 2] in bed zou slapen. Toen hij naast haar in slaap was gevallen, tikte [betrokkene 2] hem aan en vroeg of hij haar wilde neuken. Vervolgens heeft hij haar gevingerd en haar vagina in diverse standjes met zijn penis gepenetreerd. Toen de verdachte op een gegeven moment zijn telefoon pakte, vroeg [betrokkene 2] : “Ga je filmen”, waarop de verdachte “Okay” dacht. Omdat zij er ‘niet warm of koud’ van werden en hij panty’s zag liggen, heeft de verdachte met [betrokkene 2] ’s instemming haar handen aan de ‘tralies’ van het bed vastgebonden. [betrokkene 2] had de verdachte verteld dat zij wel van vastbinden en speeltjes hield en dat zij dit ook met haar ex deed. Daarna hadden zij opnieuw in verschillende standjes seks. Toen [betrokkene 2] zei dat haar polsen pijn deden, heeft de verdachte haar los gemaakt, waarna zij wederom seks hadden en de verdachte klaarkwam. Nadat [betrokkene 2] en de verdachte zich hadden aangekleed, kon hij zijn telefoon niet vinden. Kort hierop bemerkte hij dat [betrokkene 2] er niet meer was. Hij liep naar buiten, maar toen viel de voordeur dicht. Hiervan ‘flipte de verdachte’ en ook was hij ‘pissed’ over [betrokkene 2] ’s plotselinge verdwijning. De verdachte had de sleutel van de auto van [betrokkene 2] in zijn broekzak - die had zij hem al gegeven voordat zij ging slapen. Daarna is hij met de auto van [betrokkene 2] naar zijn zus in Nieuw-Vennep gereden.

Het hof acht de door de verdachte voorgespiegelde lezing niet aannemelijk geworden. Daartoe is in het bijzonder het volgende redengevend:

(...)

■ In het scenario van de verdachte zou het zeer voor de hand gelegen hebben dat hij het er na zijn rit naar zijn zus op korte termijn toe zou leiden dat [betrokkene 2] weer over haar voertuig kon beschikken, zeker in het licht van zijn verklaring dat hij had afgesproken dat hij de auto later die dag zou terugbrengen (p. 59). Dit heeft hij echter niet gedaan; hij kwam er twee dagen nadien pas achter dat de auto niet meer op de plek stond waar hij deze had achter gelaten (p. 43). Dat hij, zoals hij op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard, vanwege het verdwijnen van de auto, gewoon ‘geen zin had in een confrontatie’ en dat hij dacht nog wel eens in Hoofddorp te komen, maar dat het er niet van is gekomen, komt het hof tegenstrijdig en weinig overtuigend voor.”10

36. Uit de omstandigheid dat de verdachte de auto op een andere plaats heeft achtergelaten dan waar hij deze meenam, kan, in samenhang met hetgeen het hof opmerkt over verdachtes verklaring, te weten dat hij had afgesproken dat hij de auto later die dag zou terugbrengen (p. 59) alsmede dat hij dat niet heeft gedaan en er twee dagen nadien pas achter kwam dat de auto niet meer op de plek stond waar hij deze had achter gelaten (p. 43), worden afgeleid dat de verdachte als heer en meester over de auto heeft beschikt. Een en ander biedt zoveel steun voor de verklaring van [betrokkene 2] dat de verdachte de auto van haar heeft gestolen dat van schending van het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv geen sprake is.

37. Het middel faalt.

38. Het vijfde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het voorwaardelijk verzoek [betrokkene 2] als getuige te horen.

39. Het middel heeft het oog op het volgende verzoek:

“Mocht u menen dat de woorden “nee, ik kan het niet zeggen” op een andere manier geïnterpreteerd moeten worden dan door de verdediging betoogd, dan verzoek ik u als getuige te horen [betrokkene 2] . Een dergelijk verhoor is voor de volledigheid van het onderzoek ter terechtzitting noodzakelijk.”

Deze in de pleitnota, gemerkt 8b, op p. 12 opgenomen passage is doorgehaald en dus kennelijk niet voorgedragen. Dat laatste vindt bevestiging in de omstandigheid dat het hof op dit verzoek niet, maar op andere voorwaardelijke gedane verzoeken getuigen te horen wel heeft beslist. Nu derhalve niet vaststaat dat dit verzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gedaan, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

40. Het bij aanvullende schriftuur opgeworpen zesde middel houdt in dat het hof het bepaalde in art. 57 Sr jo. 359 en 415 Sv heeft geschonden, omdat het in zaak I de verkrachting en vrijheidsberoving van [betrokkene 1] heeft gekwalificeerd als meerdaadse samenloop, terwijl sprake is van eendaadse samenloop en om die reden enkelvoudig gekwalificeerd had moeten worden.

41. Blijkens de toelichting op het middel ligt het belang van het middel hierin dat het hof op de grond van de kwalificatie meerdaadse samenloop een hogere straf heeft opgelegd dan gelet op de in casu aan te nemen eendaadse samenloop gerechtvaardigd is. Daartoe wordt erop gewezen dat de strafmotivering onder meer inhoudt:

“De verdachte heeft in 2012 een 20-jarige studente verkracht en van haar vrijheid beroofd.”

42. De omstandigheid dat het hof de in zaak I onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten ieder afzonderlijk als een strafbaar feit heeft gekwalificeerd, betekent nog niet dat het hof tussen deze feiten geen eendaadse samenloop heeft aangenomen.11 Dat laatste vloeit wel voort uit de omstandigheid dat het hof onder de artikelen waarop de oplegging van straf is gegrond wel art. 57 en niet tevens art 55 Sr vermeldt.

43. De strafmotivering houdt naast de in de schriftuur aangehaalde passage onder meer ook in:

“Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, in het bijzonder de straffen die ter zake van verkrachting worden uitgesproken. In het licht van het voorgaande acht het hof, alles afwegende, in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden passend en geboden. In het nadeel van de verdachte is daarin verdisconteerd dat hij ten tijde van de verkrachting die hij in 2013 beging, nog geen vier maanden was ontslagen uit de voorlopige hechtenis die was bevolen in de zaak waarin hij werd verdacht van de verkrachting die hij - zo staat voor het hof nu vast - in 2012 pleegde. Uit de aanhouding, vrijheidsbeneming en de daarop volgende rechtsgang in de eerste zaak heeft de verdachte kennelijk niet de les getrokken dat hij zich verre moet houden van het plegen van (zeden)delicten. In die straf komt verder tot uitdrukking dat de verkrachtingen grote gevolgen voor de twee slachtoffers hebben gehad.”

44. Omdat het hof zich bij de bepaling van de op te leggen straf in het bijzonder heeft laten leiden door de straffen die ter zake van verkrachting worden uitgesproken, mist verdachtes stelling dat het hof op grond van de kwalificatie meerdaadse samenloop een hogere straf heeft opgelegd dan gelet op de in casu aan te nemen eendaadse samenloop gerechtvaardigd is, feitelijke grondslag.

45. Voorts verdient opmerking dat de in casu opgelegde straf ver ligt onder het strafmaximum dat zou gelden als van door het middel bedoelde eendaadse samenloop zou worden uitgegaan. Dat laatste neemt immers niet weg dat de verdachte zich aan twee in tijd ver uiteenliggende, op verschillende slachtoffers betrekking hebbende, dus in meerdaadse samenloop gepleegde gevallen van verkrachting heeft schuldig gemaakt. Op die feiten staat, gelet op het bepaalde in art. 57 Sr, een gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren. Nog afgezien van het feit dat het in de toelichting op het middel gestelde belang bij het middel feitelijke grondslag mist, betekent dit dat het middel van onvoldoende belang is om cassatie te rechtvaardigen.12

46. Het middel kan bij gebrek aan voldoende belang buiten bespreking blijven.

47. Het eerste en het derde tot en met het zesde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

48. Het hof heeft ten behoeve van [betrokkene 1] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot een hoger bedrag dan het aan [betrokkene 1] als benadeelde partij toegewezen bedrag. Daarover wordt terecht niet geklaagd. Art. 36f lid 2 Sr bepaalt dat de maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Dat kan ook het geval zijn voor schade die niet door de benadeelde partij is gevorderd en derhalve niet op basis van die vordering aan haar kan worden toegewezen maar waarvoor de verdachte niettemin naar burgerlijk recht aansprakelijk is.13

49. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

50. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de aanvulling op het verkorte arrest, p. 26, verbeterd in: 17.

2 In de aanvulling op het verkorte arrest, p. 26, verbeterd in: “leest”.

3 Zie ook HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:898, rov. 3.3.

4 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2014, achtste druk, p. 791.

5 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2016 en 14 december 2016, p. 14.

6 Zie p. 2 van de pleitnota, gemerkt 8b.

7 Arrest, p. 14.

8 Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans, rov. 3.7.3.

9 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.77.

10 Arrest, p. 11 en 12.

11 Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, rov. 2.10.

12 Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, rov. 2.2.

13 Vgl. HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408, NJ 1999/246, rov. 4.6.3 (ook als de benadeelde partij de vordering intrekt kan een schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd), HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5730, NJ 2011/329 (HR vernietigt beslissing op vordering benadeelde partij maar laat schadevergoedingsmaatregel in stand), HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652, NJ 2014/400 (met redactionele aantekening), HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:211, HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362 en HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1341 (t.a.v. niet gevorderde, bij schadevergoedingsmaatregel wel toegewezen wettelijke rente).