Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:716

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
16/04606
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1050
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging in voortuin woning, art. 141.1 Sr. Het Hof heeft vastgesteld dat het geweld tegen personen heeft plaatsgevonden in de voortuin van een woning gelegen aan de openbare weg. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat sprake is van "openlijk" geweld i.d.z.v. art. 141.1 Sr getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 16/04249 en 16/04529 (niet gepubliceerde zaken medeverdachten waarin geen middelen zijn ingediend, verdachten n-o).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04606

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.M.W Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 26 juli 2016 wegens 1. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en 2. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht opgelegd, deze dadelijk uitvoerbaar verklaard, de vorderingen van de benadeelde partijen geheel of gedeeltelijk toegewezen en in dat verband schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals bij het arrest is bepaald.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaken 16/04249 en 16/04529. Dit betreffen de strafzaken tegen de medeverdachten, waarin ik vandaag ook zal concluderen.

  3. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en mr. D.M.P. van Eijsden, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft geoordeeld dat sprake is geweest van openlijke geweldpleging, nu uit het arrest van het hof niet zonder meer kan worden afgeleid dat het geweld zich heeft afgespeeld aan de openbare weg.

  5. Ten laste van de verdachte is voor wat betreft feit 1 het volgende bewezenverklaard:

“1:

hij op 01 januari 2014 te ' s-Gravenhage met anderen, aan de openbare weg, de [a-straat 1], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], welk geweld bestond uit het:

- meermalen, slaan tegen de slaap, en het lichaam van [slachtoffer 1] en

- aan de haren trekken en over de grond trekken van [slachtoffer 1] en

- meermalen, slaan tegen de slaap en het hoofd van [slachtoffer 2] en

- aan de haren trekken van [slachtoffer 2] en

- duwen van het hoofd van [slachtoffer 2] tegen een hek en

- dichtknijpen van de keel en dichtgeknepen houden van de keel van [slachtoffer 2] en

- roepen: "Iemand moet dood vandaag" en "een van hen moet dood" en "ze krijgt geen lucht meer, druk door, druk door" althans woorden van soortgelijke (ophitsende en dreigende) aard of strekking en

- meermalen slaan tegen het hoofd, en lichaam van [slachtoffer 3] en

- meermalen, schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer 3] en

- meermalen, slaan/stompen tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer 4] en

- aan de haren trekken van [slachtoffer 4] en

- schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer 4] en

- duwen van [slachtoffer 6] en

- meermalen, schoppen in de buik, van [slachtoffer 5] en

- meermalen, slaan tegen de slaap, van [slachtoffer 5].”

6. Het arrest van het hof houdt – voor zover relevant – het volgende in, met vernummering van de voetnoten:

(Bewijs)overwegingen1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

In de nacht van 31 december 2013 op 1 januari 2014 heeft voor de voortuin van de woning van [slachtoffers] aan de [a-straat 1] te Den Haag een confrontatie plaatsgevonden tussen enerzijds de verdachte en zijn medeverdachten [betrokkene 1] (buurman van [slachtoffers] en vader van de verdachte), [betrokkene 2] (broer van de verdachte) en [betrokkene 3] en anderzijds [slachtoffers], bestaande uit een vader, moeder, drie dochters en een zoon.2

(…)

Het hof ziet zich ten aanzien van deze feiten voor de vraag gesteld of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en vooral overtuigend bewijs, zulks gelet op de inconsistentie tussen de verklaringen van de aangevers. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet de agressor is geweest, maar juist heeft geprobeerd partijen te scheiden. De verdachte had geen opzet op de openlijke geweldpleging.

(…)

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

Betrouwbaarheid verklaringen

Het hof acht de door de aangevers gegeven verklaringen dat de verdachte en zijn medeverdachten de tuin van [slachtoffers] in zijn gekomen en dat de geweldshandelingen zich daar hebben afgespeeld aannemelijk. Deze verklaringen vinden steun in verklaringen bij de politie en/of de rechter-commissaris van de verdachte en de medeverdachten en (zie hierna) in de verklaringen van hun partners.

Ook acht het hof aannemelijk dat, zoals door aangevers eensluidend is verklaard, het de verdachte en de medeverdachten zijn geweest die leden van [slachtoffers] hebben aangevallen. Deze verklaringen van aangevers vinden steun in de omstandigheid dat het incident in de voortuin van [slachtoffers] heeft plaatsgevonden, welke tuin wordt begrensd door een hek(je).

(…)

Het hof acht het door de verdachte (en de medeverdachten) geschetste scenario - te weten dat [slachtoffers] hen heeft aangevallen en zij zich louter hebben verdedigd en geprobeerd hebben het incident te sussen - onaannemelijk.

De verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten, voorzover al afgelegd bij de politie en in eerste aanleg, verschillen onderling en vinden geen steun in het dossier. Hetgeen door de verdachte (en zijn medeverdachten)vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard heeft daar geen verandering in gebracht.

Daar waar de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten gelijkluidend zijn - zoals de verklaring in hoger beroep van de verdachte (en de medeverdachten) dat het incident zich niet in de voortuin, maar op de stoep voor de woning van [slachtoffers] heeft afgespeeld - vinden deze geen steun in de overige stukken van het dossier, waaronder na te noemen getuigenverklaringen. Zoals hiervoor geschetst, hebben niet alleen de leden van [slachtoffers] verklaard dat het incident in de voortuin heeft plaatsgevonden, maar dit is tevens verklaard door getuigen aan de kant van de verdediging, zoals [betrokkene 4]3, de vriendin van de medeverdachte [betrokkene 3], en [betrokkene 5]4, de (ex-)vriendin van de medeverdachte [betrokkene 2].

Voorts is niet aannemelijk (geworden) dat leden van [slachtoffers], bestaande uit een vader, moeder, drie dochters en een zoontje van tien jaar oud, vier volwassen mannen hebben aangevallen.

Zoals reeds overwogen heeft het voorval zich afgespeeld in de voortuin van de aangevers, hetgeen met het door de verdachte en de medeverdachten geschetste scenario dat leden van [slachtoffers] (de dochters) hen hebben aangevallen en dat de verdachte en de medeverdachten zich daar tegen moesten verdedigen, moeilijk te rijmen is.

(…)

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en samenvattend, acht het hof de verklaringen van de aangevers betrouwbaar en acht het hof het door de verdachte en de medeverdachten geschetste scenario onaannemelijk.

Het hof zal de verklaringen van de aangevers dan ook voor het bewijs bezigen, zoals hieronder aangegeven.

Geweld tegen [slachtoffer 1], de oudste dochter van het gezin [slachtoffers]

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij - nadat de twee zonen van de buurman (het hof begrijpt: de buurman is de medeverdachte [betrokkene 1] en diens twee zonen zijn de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 2]) en de onbekende jongen (het hof begrijpt: de medeverdachte [betrokkene 3]) de tuin in waren gesprongen - direct werd geslagen door de kale zoon van de buurman (het hof begrijpt uit het dossier: de verdachte).”

7. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2016 houdt – voor zover relevant – het volgende in:

“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Feit 1:

Ik heb bij de rechtbank niets willen verklaren, omdat er geen sprake was van een eerlijk proces. Ik wil nu wel verklaren. Op 1 januari 2014 gingen wij naar het kerstbomenvuur. Toen wij terugliepen, liep mijn vader, [betrokkene 1], vooruit. Opeens werden zij aangevallen door leden van [slachtoffers]. Ik heb geprobeerd de partijen uit elkaar te halen. Er was sprake van een duw- en trekpartijtje. Het zou kunnen dat ik in de voortuin van [slachtoffers] ben beland. Op de stoep, voor de tuin van [slachtoffers], ontstond er een handgemeen tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan de ene kant en leden van [slachtoffers] aan de andere kant. Mijn vader lag op de grond voor de tuin van [slachtoffers]. Toen ik de partijen uit elkaar probeerde te halen, werd ik aangevallen door drie meisjes. Die meisjes stonden eerst bij mijn vader, die op de grond lag. De vader en moeder van het gezin [slachtoffers] hebben zich er ook mee bemoeid. Ik zag dat [betrokkene 2] met [slachtoffer 3] aan het duwen en trekken was. Volgens mij ben ik eerst mijn vader gaan helpen. De meisjes die mij aanvielen heb ik van mij afgeduwd en toen ben ik weggegaan. Ik heb rug- en hoofdletsel opgelopen. Ik heb dat letsel niet door een arts laten onderzoeken, omdat ik toentertijd niet verzekerd was. Het voorval begon voor de tuin van [slachtoffers] en het zou kunnen dat we door het duwen en trekken in de tuin zijn beland. Om de tuin was een laag tuinhekje van ongeveer 70 centimeter hoog, met een opening. Ik ben niet over dat tuinhekje gesprongen. Ik kan het me allemaal niet meer zo goed herinneren, omdat het twee jaar geleden is gebeurd en het voorval zich in een fractie van een seconde afspeelde. Ik had wel vier of vijf glazen Bacardi gedronken.

8. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende voorop worden gesteld. Met openlijk geweld als bedoeld in art. 141, eerste lid, Sv wordt gedoeld op geweld dat onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat gebeurde bestond.5 De term ‘openlijk’ wordt dusdanig geïnterpreteerd dat het moet gaan om geweld dat voor derden waarneembaar moet kunnen zijn geweest. Niet is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat er gebeurde bestond.6 Indien het geweld in een woning7 of in de aula van een school8 wordt gepleegd is dit niet zonder meer openlijk. Of een bewezenverklaring in dergelijke gevallen begrijpelijk is, is afhankelijk van de wijze waarop deze (nader) is gemotiveerd.9

9. In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de (nadere) bewijsmotivering, in onderlinge samenhang bezien, ligt besloten dat de geweldshandelingen in de voortuin van [slachtoffers] hebben plaatsgevonden, dat deze voortuin zich direct aan de openbare weg bevond en slechts werd afgegrensd door een laag tuinhek. Immers, uit ’s hofs vaststellingen blijkt dat de slachtoffers en verdachten elkaar hebben waargenomen toen de verdachten op straat langs de voortuin van de latere slachtoffers liepen.10 Bovendien blijkt uit de vaststellingen dat het mogelijk was om over het hekje te springen dat de voortuin afgrensde.11 Gelet op hetgeen onder 8. is vooropgesteld en mede in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat om de tuin een laag tuinhekje van ongeveer 70 centimeter hoog, met een opening, lag ligt in ‘s hofs oordeel, anders dan in HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2774, waar de steller van het middel een beroep op doet, besloten dat de zich in de voortuin afgespeelde confrontatie vanaf de openbare weg waarneembaar moet zijn geweest.12 Het oordeel van het hof dat sprake is geweest van openlijk geweld getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch is dat oordeel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2014000589, van de regiopolitie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 280).

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 2 januari 2014, PV-1, blz. 23-25 en proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 1] d.d. 9 januari 2014, PV-1, blz. 80-81.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris op 23 juni 2014, punt 13.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 5] bij de rechter-commissaris op 24 september 2014, punt 5 en punt 10.

5 Vlg. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3560, zoals vrij recentelijk is herhaald in HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2809.

6 Vlg. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3681.

7 HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1009, in de context van art. 285 Sr, waarin de term ‘openlijk’ (kennelijk) op dezelfde wijze wordt geïnterpreteerd als in art. 141 Sr.

8 HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:22.

9 Vergelijk bijvoorbeeld HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2809 en HR 9 januari 2018, waarin het hof het standpunt van de raadsman inhoudende dat openlijk niet bewezen kon worden uitgebreid gemotiveerd had verworpen en ECLI:NL:HR:2018:22, waarin het hof geheel in het midden had gelaten in hoeverre de ruimte in het schoolgebouw ten tijde van het ten laste gelegde toegankelijk was voor personen die al dan niet in relatie stonden tot de onderwijsinstelling.

10 Zie in het bijzonder het proces-verbaal 24 september 2014, inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 5], punt 5 en 10 en het proces-verbaal 3 juli 2014, verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, punt 7.

11 Proces-verbaal 3 juli 2014, verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, punt 7 en Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1], d.d. 2 januari 2014, p. 24 doorgenummerd dossier.

12 Zie eveneens de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (PHR:2016:1210).