Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:691

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-06-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
17/03817
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1976, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Jeugdrecht. Heeft de Raad voor de kinderbescherming jegens de moeder onrechtmatig gehandeld door de wijze waarop hij, in het kader van een beslissing over het gezag over het kind, onderzoek heeft gedaan naar het strafrechtelijke verleden van de vader? Toetsingsmaatstaf. Heeft het Openbaar Ministerie onrechtmatig gehandeld jegens de moeder door aan kennisgeving van voorwaardelijke niet-vervolging de voorwaarde te verbinden dat de moeder gedurende een jaar geen strafbare feiten meer pleegt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/03817

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 15 juni 2018

Conclusie inzake:

Staat der Nederlanden

tegen

[de moeder]

Heeft de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig gehandeld jegens de moeder van een minderjarig kind, door onvoldoende onderzoek te doen naar het risico dat de vader zich schuldig maakt of zal maken aan seksueel misbruik van dat kind? Daarnaast is in dit cassatieberoep de rechtmatigheid van een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie aan de orde.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in het bestreden arrest, hierna enigszins verkort weergegeven1:

1.1.1.

Op 30 januari 2008 is verweerster in cassatie (hierna: de moeder) gehuwd met [de vader] (hierna: de vader). Uit het huwelijk is op [geboortedatum] 2008 een kind geboren genaamd [de zoon] (hierna: de zoon).

1.1.2.

Uit een Criminal History Record van de staat Illinois (VS) blijkt dat de vader in 1990 is veroordeeld ter zake van ‘criminal sexual abuse'.

1.1.3.

In 1997 is de vader in Nederland veroordeeld ter zake van ontucht met minderjarige jongens. De vader heeft van 1997 tot en met 1999 daderbehandeling voor pedofielen met periodieke nazorg gehad bij de forensisch psychiatrische polikliniek ‘De Waag’.

1.1.4.

Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) heeft op 8 maart 2010 een melding gedaan aan de Raad voor de kinderbescherming (hierna kortweg: de Raad). Naar aanleiding van die melding heeft de Raad onderzoek gedaan naar de opvoedingssituatie van de zoon en onderzocht of een maatregel van kinderbescherming nodig was. Bij rapport van 1 oktober 20102 heeft de Raad besloten het onderzoek zes maanden te laten rusten, omdat de ouders onder leiding van de Raad afspraken hadden gemaakt over de omgang met de zoon en de Raad wilde bezien of de ingeslagen weg wordt vastgehouden en voortgezet.

1.1.5.

Bij beschikking van 4 november 2010 heeft de rechtbank te Den Haag echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze is op 3 december 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft in dezelfde beschikking aan de Raad opgedragen nader onderzoek te verrichten.

1.1.6.

Op 6 april 2011 heeft de moeder tegen de vader gedaan aangifte van verdenking van kinderpornografie en ontucht met de zoon. De officier van justitie heeft deze aangifte geseponeerd.

1.1.7.

Bij rapport van 28 juni 20113 heeft de Raad de rechtbank geadviseerd de zoon onder toezicht te stellen en de behandeling van de verzoeken omtrent de voorziening in het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de zoon en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor de duur van zes maanden, ten einde de ouders in de gelegenheid te stellen een mediation-traject te doorlopen.

1.1.8.

Bij beschikking van 27 oktober 2011 heeft de rechtbank bepaald dat alleen de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag en dat de zoon zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder. Voorts heeft de rechtbank een regeling voor de omgang vastgesteld.

1.1.9.

De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen die beschikking. Bij beschikking van 25 april 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BW6566) heeft het gerechtshof te Den Haag het gezag over de zoon bij uitsluiting toegekend aan de vader4. Het gerechtshof heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“10. (…) Hoewel het hof beide ouders op zich in staat acht om het gezamenlijk gezag uit te oefenen, is de strijd tussen hen al een aantal jaren dermate groot dat zij niet in staat zijn om hun onderlinge relatie als ouders van de minderjarige vorm te geven. Partijen stellen beiden in het belang van de minderjarige te handelen, doch beschuldigen elkaar over en weer en hebben geen enkel vertrouwen meer in elkaar als persoon en als ouder. Er is een voortdurende en zich intensiverende strijd tussen hen, ook over de essentiële zaken die de minderjarige betreffen. Gelet op deze - inmiddels als bestendig te beschouwen - situatie is het hof - evenals partijen - van oordeel dat gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is. In het belang van de minderjarige acht het hof het noodzakelijk dat één van de ouders met het gezag wordt belast. Zowel de moeder als de vader wordt in staat geacht het gezag over de minderjarige alleen uit te oefenen. De vader staat naar het oordeel van het hof echter meer open voor de invulling van een gelijkwaardig ouderschap en de bevordering van de banden met de andere ouder. Hij wordt door het hof in staat geacht daaraan invulling te geven op een zodanige wijze dat de moeder een belangrijke rol in het leven van de minderjarige blijft vervullen. In de proceshouding van de moeder daarentegen ziet het hof belemmeringen om, bij eenhoofdig gezag van de moeder, de vader een rol van betekenis te laten behouden in het leven van de minderjarige.

Bij de afwegingen heeft het hof betrokken dat de vader in het verleden is veroordeeld voor ontucht met minderjarigen, maar dit gegeven acht het hof van onvoldoende gewicht om daaraan thans nog een doorslaggevende betekenis toe te kennen. Het hof heeft daarbij gelet op de openhartigheid van de vader met betrekking tot zijn verleden, de behandelingen die hij heeft ondergaan, het oordeel van zijn behandelaren en het rapport van de raad. Dat de vader een gevaar vormt voor de minderjarige, zoals de moeder heeft gesteld, kan het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader en bezien in het licht van de uitgebrachte rapportage, niet als vaststaand aannemen. Het hof betrekt daarbij dat al zeer lange tijd sprake is van zeer ruime onbegeleide omgangsregeling van de vader met de minderjarige. Niet gebleken is dat de verzorging en opvoeding van de minderjarige bij de vader niet in goede handen zou zijn.”

1.1.10.

Op 15 januari 2013 heeft de moeder een klacht ingediend bij de Raad. Bij brief van 24 april 2013 heeft (de regiodirecteur van) de Raad de klacht niet ontvankelijk verklaard omdat deze te laat was ingediend. Ten overvloede is de Raad inhoudelijk op de klacht ingegaan.

1.1.11.

De ouders hebben tegen elkaar aangifte van strafbare feiten gedaan. Bij beslissing van 27 augustus 2013 heeft de officier van justitie de aangifte van de vader tegen de moeder wegens verdenking van smaad voorwaardelijk geseponeerd met een proeftijd van een jaar. De aangiften tegen de vader zijn geseponeerd. De tegen die beslissingen gerichte klaagschriften op de voet van art. 12 Wetboek van Strafvordering van de vader, onderscheidenlijk de moeder, zijn door het gerechtshof afgewezen.

1.2

De moeder heeft op 15 januari 2015 de Staat doen dagvaarden voor de rechtbank Den Haag. Na wijziging van eis heeft zij, zowel voor zichzelf als in de hoedanigheid van moeder van de zoon, gevorderd:

- een verklaring voor recht dat de handelwijze van de Staat om

(i) na te laten deugdelijk onderzoek te doen naar het recidivegevaar van de vader en naar mogelijke risico’s voor de zoon die kunnen zijn verbonden aan de pedofiele geaardheid van de vader en diens verleden als zedendelinquent, en/of

(ii) het ouderlijk gezag alleen aan de vader toe te kennen;5

(iii) aan haar de kennisgeving van voorwaardelijke niet vervolging van 27 augustus 2013 te verstrekken;

onrechtmatig is jegens haar en de zoon;

- een bevel aan de Staat (c.q. aan de Raad voor de kinderbescherming) om zorgvuldig onderzoek te doen, in overeenstemming met de internationale standaarden (STATIC-99r), naar mogelijke risico’s die de pedofiele geaardheid van de vader en diens verleden als zedendelinquent zouden kunnen meebrengen voor de zoon, alsmede naar risico’s voor de veiligheid van de zoon die zouden kunnen voortvloeien uit de toekenning van het ouderlijk gezag aan alleen de vader;

- het ambtshalve doorhalen en vervallen verklaren van de voorwaarde in de kennisgeving van niet vervolging van 27 augustus 2013: “dat hij/zij verdachte gedurende een proeftijd van 1 jaar ingaande op de dag van uitreiking van de kennisgeving, zich niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zal misdragen”, althans een bevel aan de Staat om deze in te trekken c.q. te doen intrekken, c.q. te rectificeren;

- veroordeling van de Staat tot vergoeding aan de moeder van materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.3

Aan haar vorderingen heeft de moeder ten grondslag gelegd dat − ingevolge de artikelen 3 en 8 EVRM, art. 24 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (over rechten van het kind), art. 3 lid 1 Verdrag inzake de Rechten van het Kind (Trb. 1990, 170) en het Verdrag van Lanzarote6− op de Staat een verplichting rust om de gezondheid en het welzijn van kinderen te beschermen. Volgens de moeder behoort tot deze verplichting ook het doen van deugdelijk onderzoek en het uitvoeren van een grondige risicotaxatie door middel van empirisch gevalideerde en betrouwbare risicotaxatie-instrumenten. De Staat is daarin tekortgeschoten. Meer specifiek heeft de Raad (als orgaan van de Staat) volgens de moeder nagelaten deugdelijk onderzoek te doen naar de risico’s voor de zoon die verbonden kunnen zijn aan de pedofiele geaardheid van de vader en diens verleden als zedendelinquent. Indien de Raad deugdelijk onderzoek had gedaan zou, volgens de moeder, het gerechtshof het ouderlijk gezag nimmer alleen aan de vader hebben toegekend. Door de zoon bij zijn vader te plaatsen, loopt de zoon risico en wordt aan de moeder schade toegebracht bij het uitoefenen van haar recht op ‘family life’ met de zoon, nu zij haar zoon niet die geborgenheid kan bieden welke zij als moeder wenst te geven7.

1.4

Wat betreft de aangehaalde voorwaarde in de sepotbeslissing heeft het O.M. (als orgaan van de Staat) volgens de moeder onrechtmatig jegens haar gehandeld: door deze voorwaarde wordt zij ervan afgehouden bepaalde derden - zoals de vertrouwenspersoon van de basisschool van de zoon of het bestuur van de sportvereniging van de zoon - te informeren over het strafrechtelijke misbruikverleden van de vader en diens geaardheid, terwijl het belang van de zoon nu juist meebrengt dat zij, op een zorgvuldige wijze, dergelijke informatie verstrekt8.

1.5

Bij vonnis van 13 mei 2015 heeft de rechtbank Den Haag een comparitie gelast. Bij vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag op verzoek van de moeder de zaak op de voet van art. 46b RO verwezen naar de rechtbank Noord-Holland. Bij vonnis van 23 december 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:11297) heeft die rechtbank de vordering van de moeder afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe, samengevat voor zover in cassatie van belang, het volgende. De moeder kan niet als wettelijk vertegenwoordigster (moeder) in rechte opkomen voor de belangen van de zoon, omdat zij niet belast is met het ouderlijk gezag. In die hoedanigheid is zij in haar vordering niet-ontvankelijk (rov. 4.3 Rb). De stelling van de moeder dat indien de Raad deugdelijk onderzoek zou hebben gedaan, het gerechtshof Den Haag het ouderlijk gezag nimmer alleen aan de vader zou hebben toegekend, acht de rechtbank slechts speculatief. Uit de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 25 april 2012 blijkt immers dat het hof het zedenverleden van de vader in aanmerking heeft genomen, maar daaraan geen doorslaggevende betekenis heeft willen toekennen. Het gerechtshof Den Haag heeft zijn oordeel niet slechts gebaseerd op de rapportage van de Raad, maar ook op de openhartigheid van de vader met betrekking tot zijn verleden, de behandelingen die hij heeft ondergaan en op het oordeel van zijn behandelaren. De moeder heeft in die procedure aangevoerd dat zij nader onderzoek noodzakelijk achtte, maar het gerechtshof Den Haag heeft in haar betoog kennelijk geen aanleiding gezien om nader onderzoek aan de Raad op te dragen. De moeder heeft tegen de beschikking van 25 april 2012 geen cassatieberoep ingesteld (rov. 4.9 - 4.11 Rb). Ook overigens blijkt niet dat de Raad geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan; de Raad heeft de justitiële documentatie over de man geraadpleegd en zich laten informeren door relevante instanties zoals het AMK, het kinderdagverblijf, het consultatiebureau, een behandelaar van de man in ‘de Waag’ en het informatie-opvoedsteunpunt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Raad daarmee voldoende informatie boven tafel gekregen om een verantwoord advies uit te brengen (rov. 4.13 - 4.14 Rb).

Wat betreft het voorwaardelijk sepot, heeft betrokkene tegenover de betwisting door de Staat onvoldoende informatie aangeleverd op basis waarvan de rechtbank kan beoordelen of het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat sprake is geweest van smaad en kan beoordelen of de rechtvaardigingsgrond van art. 261 lid 3 Sr zich heeft voorgedaan (rov. 4.16 - 4.20 Rb).

1.6

Op het hoger beroep van de moeder tegen die beslissing heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 9 mei 2017 (ECLI:NL:GHAMS: 2017:1725) het vonnis vernietigd, voor zover in hoger beroep bestreden. Na een inleiding in rov. 3.3 - 3.4, waarbij het hof onder meer verwees naar een uitspraak van het EHRM9, besprak het hof eerst het verwijt dat de Raad onvoldoende onderzoek heeft verricht:

“3.5 Hetgeen [lees: de moeder] naar voren heeft gebracht in de periode 2010/2011 bevat naar het oordeel van het hof toereikend houvast voor serieuze zorgen over de handelwijze van de vader. In het bijzonder is in dit verband vermeldenswaard dat [de moeder] melding heeft gemaakt van gebeurtenissen uit de vroegste kinderjaren van [de zoon] die vragen oproepen, en dat zij zich heeft beroepen op informatie van een goede bekende die al evenzeer vragen oproept. Het hof doelt hier in het bijzonder op het relaas van [de moeder] over de behoefte van de vader om [de zoon] naakt te fotograferen, bij welke sessies zij gaandeweg niet meer aanwezig mocht zijn, en op de beschrijving van de omgang van de vader met het zoontje van de kennis. Voor [de moeder] hielden deze gebeurtenissen bevestiging in van haar angst dat de vader van [de zoon] opnieuw zou vervallen in pedoseksueel gedrag. Dat valt te begrijpen na de veroordelingen uit 1990 en 1997 en kennisneming van zijn nadien geschreven dagboek, ook al heeft de vader van [de zoon] het gedrag dat [de moeder] hem verwijt, niet erkend. Onbestreden is gebleven dat [de moeder] deze zorgen in concreto met de raad heeft gedeeld.

3.6

Naar het oordeel van het hof lag het op de weg van de raad om de ongerustheid van [de moeder] serieus te nemen en vervolgens adequaat te onderzoeken.

Dat heeft de raad naar het oordeel van het hof onvoldoende gedaan, hoewel een dergelijk onderzoek voor de raad redelijkerwijs mogelijk was geweest.

In de eerste plaats had de raad meer dan hij heeft gedaan de vader moeten bevragen over de betekenis van zijn pedoseksuele verleden. Zijn enkele mededeling dat dat gedrag achter hem ligt, is niet voldoende, hoe open gecommuniceerd ook. Het had op de weg van de raad gelegen om vragen te stellen aan de vader over de manier waarop hij zijn leven heeft ingericht teneinde herhaling van zijn pedoseksuele gedragingen te voorkomen, over hoe hij zich beschermt tegen (eventuele) pedoseksuele verlangens en welke strategie hij zich heeft eigen gemaakt om herhalingsrisico zo klein mogelijk te laten zijn.

De raad had verder niet mogen volstaan met raadpleging van de behandelaar [betrokkene 1] die bij de vader is betrokken geraakt naar aanleiding van diens gewelddadige gedrag. Het had op de weg van de raad gelegen om de behandelaars [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te raadplegen, de personen met wie de vader contact heeft gehad in verband met zijn pedoseksuele gedragingen. Uiteraard is hier de privacy van de vader in het geding; de vader had evenwel aan de raad toestemming behoren te geven deze behandelaars te raadplegen (of de consequenties van een weigering moeten aanvaarden).

Of de raad bovendien gehouden was gebruik te maken van het door [de moeder] genoemde toetsingsinstrument, Static 99, valt in zijn algemeenheid niet te zeggen. (…)

3.7

Slotsom van deze overwegingen is dat [de moeder] gedeeltelijk het gelijk aan haar zijde heeft met haar verwijt aan de raad dat het in 2010/2011 uitgevoerde onderzoek jegens haar als moeder van [de zoon] onvoldoende zorgvuldig is geweest. Dat onderzoek had gelet op het belang van [de zoon] beter gekund en beter gemoeten.

Aan dit oordeel staat niet in de weg dat het hof Den Haag (kennelijk) geen aanleiding heeft gezien aan de raad een risicoanalyse op te dragen en bij beschikking van 25 april 2012 de vader alleen het gezag over [de zoon] heeft toegekend. In deze beschikking heeft het hof immers geen oordeel gegeven over de zorgvuldigheid van het raadsonderzoek.

Dat betekent dat de eerste grief gedeeltelijk doel treft en de afwijzing in het bestreden vonnis in zoverre niet in stand kan blijven. (…)”

1.8

Vervolgens besprak het hof het voorwaardelijk sepot; bij de bespreking van middelonderdeel 10 kom ik daarop terug. Ten slotte heeft het hof in het dictum:

- voor recht verklaard dat de handelwijze van de Staat jegens de moeder onrechtmatig is doordat de Raad in 2010/2011 zijn onderzoek naar het risico dat de vader zou overgaan (of zou zijn overgegaan) tot pedoseksuele gedragingen ten nadele van de zoon, te beperkt en dus onzorgvuldig heeft ingericht;

- de Staat veroordeeld tot vergoeding aan de moeder van immateriële en materiële schade die is veroorzaakt door de onrechtmatige handelwijze van de Raad en de onrechtmatige handelwijze van het Openbaar Ministerie, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.9

De Staat heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De moeder heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, gevolgd door re- en dupliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De onderdelen 1 – 9 van het middel zijn gericht tegen het oordeel dat de Raad voor de kinderbescherming onrechtmatig heeft gehandeld jegens de moeder door onvoldoende onderzoek te verrichten. Alvorens deze klachten te bespreken, schets ik kort het juridisch kader.

Juridisch kader

2.2

Ingevolge art. 1:238 lid 2 BW worden de taken en bevoegdheden van de Raad voor de kinderbescherming bepaald bij wet in formele zin10. Bij de uitvoering van deze taken treedt de Raad op als orgaan van de Staat (namens de minister van Justitie en Veiligheid). De op 1 januari 2015 in werking getreden Jeugdwet bepaalt in art. 3.1 dat de Raad de noodzaak onderzoekt tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel, in de regel op verzoek van een in dat artikel genoemde instantie. Voordien was in de artt. 56 en 57 Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg geregeld dat de Raad een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige in onderzoek neemt, in de regel na een kennisgeving door Bureau Jeugdzorg of een advies- en meldpunt kindermishandeling.

2.3

Op grond van art. 810 Rv brengt de Raad op verzoek van de rechter (lid 1) of uit eigen beweging (lid 2) advies uit, onder meer in procedures over gezag en omgang. De wet bevat slechts weinig regels over de wijze waarop de Raad invulling geeft aan zijn taken. In het derde lid van art. 1:238 BW is thans bepaald dat de Raad, ten behoeve van de vervulling van zijn taak, zich in ieder geval op de hoogte houdt van de ontwikkeling van de kinderbescherming en de samenwerking bevordert met de instellingen van kinderbescherming en jeugdhulpverlening. De Raad dient op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen van advies. Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt de werkwijze ten aanzien van de samenwerking met andere kinderbeschermingsinstellingen geregeld bij AMvB11. In art. 3.3 Jeugdwet is thans de verplichting van de Raad opgenomen om in rapportages en verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren12. Voor het overige is de werkwijze van de Raad kenbaar uit beleidsregels.

2.4

Vanaf 2009 werkt de Raad met een Kwaliteitskader met algemene richtlijnen en kwaliteitseisen13. Daarnaast kent de Raad protocollen, met een meer gedetailleerde beschrijving van de werkwijze voor afzonderlijke categorieën onderzoek. Het Kwaliteitskader en de protocollen zijn in 2016 herzien14. Naast de deskundigheid waarover de Raad zelf beschikt, kan behoefte bestaan aan onderzoek en rapportage van externe (gedrags)deskundigen. De Raad is dan gebonden aan het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek Jeugd, dat in 2014 in werking is getreden. Tot dat moment golden Richtlijnen inschakeling externe deskundigen uit 200415.

2.5

Ook zonder tussenkomst van de Raad kunnen externe deskundigen worden ingeschakeld: in zaken over minderjarigen waarbij het niet gaat om kinderalimentatie of de in het tweede lid genoemde zaken moet de rechter een ouder op diens verzoek in de gelegenheid stellen een eigen deskundigenrapport over te leggen (art. 810a lid 1 Rv). Als het gaat om een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag, kan een ouder de rechter vragen om benoeming van een deskundige (art. 810a lid 2 Rv). Met het recht op contra-expertise is beoogd te bevorderen dat ouders een standpunt van de Raad in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken16. In de vakliteratuur is opgemerkt dat het rapport en advies van de Raad vaak een grote invloed op de beslissing van de rechter hebben17. De laatste jaren bestaat toegenomen aandacht voor (de kwaliteit van) waarheidsvinding in de jeugdbescherming18. Ook het hiervoor genoemde art. 3.3 Jeugdwet past in de toegenomen aandacht voor waarheidsvinding19.

2.6

De Kinderombudsman heeft eind 2013 in een rapport geconcludeerd dat in het onderzoeksproces en rapportages van Bureau Jeugdzorg en de Raad fouten kunnen voorkomen. Ter voorkoming daarvan dienen de rapportages te voldoen aan een aantal voorwaarden: feiten en meningen worden gescheiden beschreven; hoor en wederhoor worden toegepast en opgenomen in rapportages; beschrijvingen zijn zoveel mogelijk concreet en zonder speculatieve formuleringen; een navolgbare weging van belemmerende en beschermende factoren in de opvoedsituatie; rapporten van externe deskundigen worden in hun geheel bijgevoegd20. Vermelding verdient verder dat klachten over het optreden van de Raad aan een externe klachtencommissie kunnen worden voorgelegd21. Onderzoek en rapportage van de Raad zijn ook onderwerp geweest van klachtprocedures bij de Nationale ombudsman22. De Nationale ombudsman hanteert vereisten van behoorlijkheid, die gedeeltelijk steun vinden in de normen welke de Algemene wet bestuursrecht aan besluiten van bestuursorganen stelt, zoals het vereiste van onpartijdigheid (vgl. art. 2:4 Awb), het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (vgl. art. 3:2 Awb) en het beginsel van de redelijkheid (willekeurverbod). Daarnaast refereert de Nationale ombudsman ook aan de standaard van de desbetreffende beroepsgroep (bijv. in rapport nr. 11/128). De toetsing vindt dan plaats aan de hand van de vereiste professionaliteit. Uit het vereiste van professionaliteit volgt bijvoorbeeld dat de Raad verplicht is, niet zonder bevestiging uit een andere bron of zonder hoor en wederhoor stellingen van partijen over te nemen23. Wanneer een ouder informanten aandraagt, dient de raadsonderzoeker dit serieus te nemen en aandacht te hebben voor de wens van de ouder op dit punt. Niettemin heeft de Raad ruimte bij zijn beslissing om de voorgedragen informant al dan niet in het onderzoek te betrekken. Zo oordeelde de Nationale ombudsman bijvoorbeeld dat de Raad, door de kritiek van een ouder op het concept-rapport en een door die ouder meegezonden verklaring van een psychiater als bijlagen aan het rapport te hechten, behoorlijk had gehandeld: langs die weg zijn de aanvullende onderzoeksvragen van deze ouder bij de rechter terechtgekomen24.

De klachten over het onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming

2.7

In onderdeel 1.1 klaagt de Staat dat het hof in rov. 3.3 - 3.7 is uitgegaan van een onjuist toetsingskader. De uitspraak van het EHRM van 15 december 2016, waarnaar het hof in rov. 3.3 verwijst (zie noot 9 hiervoor), ging over een beweerde schending van art. 10 EVRM. Volgens de klacht is art. 10 EVRM in deze zaak niet van toepassing, zodat de in die uitspraak bedoelde afweging van belangen in dit geding niet aan de orde is. Volgens de Staat had het hof de door de moeder gestelde onrechtmatigheid van de handelwijze van de Raad voor de kinderbescherming moeten beoordelen aan de hand van de wettelijke taken van de Raad en de invulling van die taken in het concrete geval. Op grond van art. 1:238 BW worden de taken en bevoegdheden van de Raad uitsluitend bij wet in formele zin bepaald. In het kader van het beschermingsonderzoek en van de advisering behoefde de Raad geen afweging te maken tussen de belangen van de vader en die van de moeder en/of van de minderjarige, noch een afweging te maken tussen een of meer van deze belangen en het belang van de Raad. Bij onderzoek in het kader van de beschermingstaak en de advisering heeft de Raad volgens de Staat uitsluitend tot taak: te handelen in het belang van het minderjarige kind.

2.8

Deze klacht van de Staat wordt kennelijk ingegeven door hetgeen het hof in rov. 3.3 en 3.4 heeft opgemerkt over fundamentele belangen die tegenover elkaar staan en de verwijzing in dat verband naar voormelde uitspraak van het EHRM van 15 december 2016. Het hof heeft die belangenafweging gebruikt aan het slot van rov. 3.4, waar het hof aangeeft welke medewerking van de moeder en welke medewerking van de vader kan worden verlangd. Het uiteindelijke oordeel van het hof omtrent het gestelde onrechtmatig handelen van de Raad berust echter niet op de overweging dat het ene genoemde belang zou moeten wijken voor het andere. In rov. 3.6 - 3.7 heeft het hof onderzocht of de Raad voldoende inspanningen heeft verricht binnen de grenzen van hetgeen voor de Raad redelijkerwijs mogelijk was. Het hof heeft in rov. 3.5 vermeld over welke informatie de Raad ten tijde van zijn onderzoek beschikte (ook die, welke de Raad van de moeder had verkregen). Het hof is van oordeel dat deze informatie houvast bood voor serieuze zorgen over de handelwijze van de vader. Het hof is op die grond van oordeel dat de Raad meer onderzoek had moeten doen; in het bijzonder had de Raad de vader nader moeten bevragen zoals aangegeven in rov. 3.6. Bovendien had de Raad volgens het hof niet mogen volstaan met het horen van de behandelaar [betrokkene 1] (die de vader laatstelijk had behandeld in verband met diens geweldgebruik), maar ook inlichtingen moeten inwinnen bij de behandelaars die in het verleden25 de vader hebben behandeld in verband met diens pedoseksuele verlangens en gedragingen. Dit alles wijst erop, dat het oordeel ten aanzien van de onrechtmatigheid van de handelwijze van de Raad niet berust op een belangenafweging, maar op een toetsing van (de diepgang van) het door de Raad verrichte onderzoek. Het komt mij dan ook voor, dat onderdeel 1.1 op een onjuiste interpretatie van de bestreden overwegingen berust en daarom faalt.

2.9

In onderdeel 2 klaagt de Staat dat het hof de vordering heeft beoordeeld aan de hand van een te strenge en daarom onjuiste maatstaf, gelet op de wettelijke taken van de Raad en de hem binnen het wettelijke kader toekomende vrijheid om deze taken uit te voeren naar eigen deskundig inzicht en oordeel. Dit onderdeel vormt de kern van het cassatiemiddel. Ter toelichting voert de Staat aan dat de Raad onderdeel is van het ministerie van Justitie en Veiligheid en een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb. Gegeven het wettelijk kader, had het hof de wijze waarop de Raad het onderzoek heeft uitgevoerd moeten beoordelen met meer terughoudendheid dan het hof heeft gedaan.

2.10

De wet regelt wel de taken van de Raad, maar niet op welke wijze de Raad zijn onderzoeken behoort in te richten. Zo bevat de wet, bijvoorbeeld, geen bepaling welke vragen de Raad aan een van de ouders moet stellen en in welke gevallen de Raad nader moet doorvragen met het oog op een door de Raad aan de rechter uit te brengen advies over een (door de rechter te nemen) beslissing omtrent het ouderlijk gezag, de verblijfplaats van de minderjarige of een verdeling van zorg- en opvoedingstaken, dan wel over een mogelijke maatregel van kinderbescherming26. Het in deze zaak door de moeder aan haar vordering ten grondslag gelegde artikel 6:162 BW biedt niet meer dan een algemeen geformuleerde zorgvuldigheidsnorm. Ik zie twee mogelijke routes. De ene, in het cassatiemiddel bewandelde route houdt verband met het feit dat de Raad voor de kinderbescherming een overheidsorgaan is. Betekent dit dat de Raad bij de inrichting van zijn onderzoeken dezelfde beleids- en beoordelingsvrijheid heeft als een bestuursorgaan dat een besluit voorbereidt? De andere route houdt verband met het feit dat de Raad – wat betreft zijn adviserende taak – in feite optreedt als een bijzondere, want door de wetgever aangewezen, deskundige in procedures bij de burgerlijke rechter. Moet de aansprakelijkheid van de Raad dan worden beoordeeld aan de hand van maatstaven die voor deskundigen gelden?

2.11

Ik begin via de eerstgenoemde route. Naar de mate waarin aan een overheidsorgaan bij de uitvoering van zijn publieke taak meer beleids- of beoordelingsvrijheid toekomt, heeft de rechter – kort gezegd − minder ruimte om zijn oordeel in de plaats te stellen van het oordeel van dat overheidsorgaan27. Of en, zo ja, in hoeverre beleids- en beoordelingsvrijheid bestaat wordt bepaald door de wet 28. In zijn annotatie bij het arrest over de gescheurde dijk te Wilnis schreef Hartlief dat bij een niet wettelijk gereguleerde overheidstaak de uitoefening van die taak moet worden beoordeeld in het kader van de maatschappelijke zorgvuldigheid. Dan construeert de rechter zelf de precieze norm en zal hij, net als de wetgever zou hebben gedaan, afhankelijk van aard en inhoud van de taak of bevoegdheid en van de betrokken belangen, een meer of minder grote beleidsmarge voor de overheid aannemen. Zelfs binnen één taak kan de beleidsmarge variëren29. In het verweer in cassatie is een beroep gedaan op HR 9 november 2001 30. Het ging in dat arrest om aansprakelijkheid van een waterschap voor schade aan gewassen als gevolg van een te hoge waterstand. Volgens het gerechtshof kwam aan het waterschap beleidsvrijheid toe bij het bepalen van maatregelen tegen wateroverlast en was in die zaak onvoldoende gesteld om te oordelen dat het waterschap na een kortstondige maar hevige regenbui in redelijkheid niet had kunnen volstaan met de getroffen maatregelen. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel met de overweging dat aan een waterschap een zekere beleidsvrijheid toekomt, maar dat deze vrijheid niet zo ver gaat dat het optreden van het waterschap slechts marginaal zou kunnen worden getoetst. Brunner schrijft in zijn NJ-noot onder dat arrest dat de maatstaf blijft: of het waterschap, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval en de verschillende bij zijn beleid betrokken belangen en beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Die toetsing is volgens Brunner een volledige toetsing op zorgvuldigheid; niet slechts een marginale. Hartlief noemt deze zienswijze van Brunner juist en merkt op dat het gaat om een ‘volle’ toetsing op zorgvuldigheid, “zij het dat in de betrokken norm de specifieke positie van de aangesproken persoon gelet op de bijzondere aard van zijn taak of bevoegdheid kan zijn verwerkt”31. Daarentegen merkt Drupsteen op dat hem niet duidelijk is wat de Hoge Raad heeft bedoeld met de overweging dat het waterschap een zekere beleidsvrijheid toekomt, maar dat deze niet zo ver gaat dat slechts een marginale toetsing mogelijk zou zijn32. Volgens Snijders heeft de Hoge Raad met deze formulering bedoeld tot uitdrukking te brengen dat − bij de vraag of al dan niet maatregelen tegen onmiddellijk dreigende wateroverlast genomen moeten worden en zo ja, wat in dat geval voldoende maatregelen zijn – aan het waterschap geen of slechts heel weinig beoordelingsvrijheid toekomt, “niettegenstaande de beleids- en beoordelingsvrijheid die hem in beginsel of overigens bij zijn taak toekomt”33. In latere arresten heeft de Hoge Raad aan het oordeel dat aan een overheidsorgaan beleids- of beoordelingsvrijheid toekomt wél het gevolg verbonden dat de rechter het optreden van de overheid terughoudend dient te toetsen, in die zin dat het gaat om de vraag of de overheid in redelijkheid tot dit optreden heeft kunnen komen: zie o.m. HR 13 oktober 2006 (Vie d’Or)34, HR 20 oktober 2006 (beveiligde woning Hirsi Ali)35, en HR 17 september 2010 (financieel toezicht Nederlandse Antillen)36, HR 11 maart 2011 (executie strafrechtelijke beslissingen)37 en HR 21 november 2014 (DSB; financieel toezicht)38.

2.12

Anders dan wanneer het gaat om beslissingen die de Raad voor de kinderbescherming zelfstandig neemt, is het voor de keuze van een onderzoeksmethode of van (de diepgang van) onderzoek of rapportage van de Raad van belang dat de Raad niet het laatste woord heeft39. Immers ook een ouder is gerechtigd bij de rechter een verzoek tot ondertoezichtstelling van een kind in te dienen (art. 1:255 lid 2 BW) of zich uit te spreken over een zodanig verzoek. Indien de Raad de rechter adviseert, bijvoorbeeld in een kwestie over gezag of omgang, en een ouder van mening is dat het onderzoek van de Raad dan wel de onderbouwing van een advies van de Raad tekortschiet, kan deze ouder zijn of haar standpunt onder de aandacht van de rechter brengen. Eventueel kan deze ouder een rapport van een eigen deskundige overleggen of een verzoek doen om contra-expertise. Het is uiteindelijk aan de rechter in familiezaken om te beslissen of hij het advies van de Raad volgt. Tegen deze achtergrond meen ik dat ook aan de Raad, als orgaan van de Staat, een beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt bij de keuze van de wijze waarop hij zijn onderzoeken inricht40. Zoals hiervoor al aan de orde kwam, heeft de Raad de hier bedoelde beleidsvrijheid gedeeltelijk ingevuld door middel van beleidsregels, een kwaliteitskader en protocollen. In deze procedure is niet gesteld dat de Raad in strijd met een van zijn beleidsregels heeft gehandeld41.

2.13

Een alternatief zou zijn, ter invulling van de zorgvuldigheidsnorm in art. 6:162 BW aansluiting te zoeken bij de maatstaven die gelden voor de aansprakelijkheid van een door de rechter ingeschakelde deskundige. In de vakliteratuur pleegt onderscheid te worden gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een deskundige als opdrachtnemer (deze moet bij de nakoming van zijn contractuele verplichtingen de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen, art. 7:401 BW) en de onafhankelijke deskundige42. Indien een onafhankelijke, door de rechter benoemde deskundige op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk wordt gesteld wegens fouten in de uitvoering van zijn taak, kan worden getoetst aan de maatstaf in art. 198 lid 1 Rv, te weten de verplichting van deskundigen om “de opdracht onpartijdig en naar beste weten te vervullen”. Deze maatstaf leidt eveneens tot een terughoudende toetsing, zij het op een andere grond. Fouten in de rapportage, bijvoorbeeld de constatering in de aansprakelijkheidsprocedure dat een bepaalde gevolgtrekking in het rapport van de deskundige geen grondslag vindt in het door de deskundige gebezigde onderzoeksmateriaal, behoeven bij gebruik van die maatstaf niet steeds te leiden tot aansprakelijkheid van de desbetreffende deskundige.

2.14

In het onderhavige geval heeft het hof zijn slotsom, in rov. 3.7, dat het Raadsonderzoek in deze zaak onvoldoende zorgvuldig is geweest, gebaseerd op het volgende (rov. 3.6):

- dat het op de weg van de Raad lag om de signalen van de moeder (door het hof samengevat in rov. 3.5) serieus te nemen en adequaat te onderzoeken, hetgeen de Raad volgens het hof onvoldoende heeft gedaan, hoewel dit redelijkerwijs mogelijk was;

- dat de enkele mededeling van de vader dat het pedoseksuele gedrag achter hem ligt, niet voldoende is en dat het in de gegeven omstandigheden op de weg van de Raad had gelegen de vader nadere vragen te stellen over de manier waarop hij zijn leven heeft ingericht teneinde herhaling van zijn pedoseksuele gedragingen te voorkomen, over hoe hij zich beschermt tegen (eventuele) pedoseksuele verlangens en welke strategie hij zich eigen heeft gemaakt om het herhalingsrisico zo klein mogelijk te laten zijn;

- dat het daarnaast op de weg van de Raad lag om – naast de behandelaar [betrokkene 1], die de man laatstelijk heeft behandeld naar aanleiding van zijn gewelddadig gedrag – ook de vroegere behandelaars ([betrokkene 2] en [betrokkene 3]) te raadplegen over het recidiverisico.

Het oordeel van het hof is uitdrukkelijk niet gebaseerd op de stelling dat de Raad gebruik had moeten maken van Static-99 of een vergelijkbaar toetsingsinstrument voor het recidive-risico. Die stelling kan volgens het hof eerst aan de orde komen indien, na het nader bevragen van de man en van de twee vroegere behandelaars, de Raad alsnog daartoe gehouden zou kunnen worden om zich een gefundeerd beeld te vormen van het herhalingsrisico (rov. 3.6).

2.15

Het hof legt hiermee de vinger op betrekkelijk eenvoudige mogelijkheden tot nader onderzoek. De Raad was bevoegd zich tot de vader te wenden met een verzoek om nadere inlichtingen als door het hof bedoeld. Na daartoe toestemming van de vader te hebben gekregen, zou de Raad ook bevoegd zijn geweest om informatie op te vragen bij de twee personen die in het verleden de vader hebben behandeld voor, kort gezegd, diens problematiek op het gebied van pedofiele gedragingen43. Naar het hof in rov. 3.5 vaststelt – in zoverre in cassatie onbestreden –, heeft de moeder haar zorgen met de Raad gedeeld. De mate waarin van de Raad onderzoeksinspanningen mogen worden gevergd, wordt beïnvloed door het doel van het te verrichten onderzoek. In dit geval was het doel: de bescherming van de zoon tegen mogelijk toekomstig seksueel misbruik door de vader. Dit − in verscheidene verdragsbepalingen44 erkende − belang is door het hof onderkend. Dat het hof bij een zo gewichtig belang als de bescherming van een minderjarig kind tegen seksueel misbruik zich iets minder terughoudend opstelt bij de toetsing of de Raad het nodige onderzoek heeft gedaan dan gewoonlijk het geval is bij de toetsing van handelingen van een overheidsorgaan, geeft op zich niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof toont zich in elk geval wel terughoudend waar het gaat om het inzetten van bepaalde onderzoeksmethoden voor risico-analyses, zoals de Static-99-test die de moeder in haar vordering had genoemd.

2.16

Ten aanzien van toekomstig seksueel misbruik van een kind is niet méér mogelijk dan een beredeneerde schatting van de kans dat zulk misbruik zich zal voordoen. Tegenover elkaar stonden het standpunt van de vader dat hij zijn seksuele misstappen (gepleegd vóór 1997) al geruime tijd achter zich heeft gelaten en dat voor herhaling niet behoeft te worden gevreesd en, anderzijds, het standpunt van de moeder dat op basis van bepaalde aanwijzingen (door het hof vermeld in rov. 3.1.3) nog steeds het risico bestaat dat de zoon door de vader zal worden misbruikt. Voor het hof waren deze aanwijzingen voldoende houvast voor serieuze zorgen. Daartegenover stond dat de Raad voorafgaand aan de rapporten van 1 oktober 2010 en 28 juni 2011 onderzoek heeft gedaan, juist teneinde zich een beeld te vormen van het herhalingsrisico. Zo heeft de Raad het justitieel documentatieregister geraadpleegd en inlichtingen ingewonnen bij de laatste behandelaar van de vader, bij de politie (over de status van de aangifte die de moeder in april 2011 had gedaan), bij de vader zelf, bij het consultatiebureau en het kinderdagverblijf en ten slotte intern en extern deskundigen heeft geraadpleegd (zie rov. 3.1.4 en de genoemde rapporten). In dit geval deed zich de complicatie voor dat de waarschuwing voor seksueel misbruik afkomstig was van de moeder, die – naast het evidente belang dat de zoon wordt beschermd tegen misbruik – ook een eigen belang kon hebben bij de uitkomst van de familierechtelijke procedures45. Het dilemma tussen de verschillende noden (‘needs’) is in rov. 3.3 door het hof onder woorden gebracht aan de hand van een overweging uit voormelde EHRM-uitspraak van 15 december 2016. Het hof heeft zelf een oplossing voor dit dilemma gezocht en deze gevonden in een verplichting van de Raad om de vader nader te bevragen en ook de twee deskundigen die de vader in het verleden hadden behandeld ter zake om inlichtingen te vragen. Nu zou men kunnen zeggen dat dit oordeel te zeer met een beoordeling van de feiten is verweven om in cassatie inhoudelijk te kunnen worden getoetst. Toch bevredigt een dergelijk antwoord op de klacht niet. Het hof maakt evenmin als de gedingstukken melding van een standaard in de beroepsgroep of van een standaard in de desbetreffende tak van wetenschap die meebrengt dat de door de Raad verrichte onderzoeksinspanningen en ingewonnen inlichtingen objectief ontoereikend waren om zich een behoorlijk beeld te vormen van het herhalingsrisico. In dit licht bezien, slaagt m.i. de klacht van de Staat over de door het hof aangelegde maatstaf.

2.17

Onderdeel 3.1 stelt voorop dat in de eerdere familierechtelijke rekestprocedure een beoordeling van de kwaliteit van het onderzoek (en van de rapporten) van de Raad al heeft plaatsgevonden. Het gerechtshof te Den Haag heeft zijn beslissing van 25 april 2012 immers mede gebaseerd op de rapporten van de Raad van 1 oktober 2010 en 28 juni 2011. Deze rapporten zijn tot stand gekomen na raadpleging van beide ouders. Zowel de moeder als de vader hebben in de familierechtelijke procedures naar voren kunnen brengen dat het onderzoek of de rapportage niet toereikend was. Het gerechtshof Amsterdam had het handelen van de Raad daarom slechts als onrechtmatig jegens de moeder mogen aanmerken indien zou zijn gebleken van fundamentele tekortkomingen die het gerechtshof te Den Haag niet kende en ook niet kon kennen, aldus de klacht. Om aan deze maatstaf te voldoen is volgens de klacht niet voldoende de constatering dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest of ‘beter had gekund en gemoeten in het belang van de minderjarige’ zoals het hof in rov. 3.7 overweegt. De toelichting op deze klacht noemt als voorbeelden van fundamentele tekortkomingen: het door de Raad (willens en wetens) verstrekken van onjuiste informatie, indien relevant, dan wel het (willens en wetens) achterhouden van essentiële of relevante informatie, althans het verstrekken of achterhouden van informatie, in die zin dat de rechter in de familierechtelijke procedure daardoor is misleid. Daarvan is volgens de Staat in dit geval geen sprake.

2.18

Dit onderdeel behoeft geen bespreking indien onderdeel 2 slaagt. Mijns inziens bepleit het middelonderdeel een te beperkte maatstaf. Een toetsing van het handelen van de Raad die zich beperkt tot de vraag of de Raad ‘in rechte heeft gelogen’ dan wel essentiële informatie heeft verzwegen voor de rechter, althans de rapportage vergelijkbare fundamentele tekortkomingen vertoont, is bezwaarlijk te verenigen met de positie en de verantwoordelijkheid van de Raad op het gebied van de jeugdbescherming en als wettelijk adviseur van de rechter. Niet kan op voorhand worden uitgesloten dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld jegens een ouder, ook al heeft die ouder dezelfde bezwaren tegen het onderzoek van de Raad bij de familierechter aan de orde kunnen stellen in ander verband. Wel zou deze omstandigheid aan de orde kunnen komen in het kader van een beroep op een schadebeperkingsplicht of op het ontbreken van oorzakelijk verband met de schade46.

2.19

Subonderdeel 3.1.1 klaagt (subsidiair) over onbegrijpelijkheid van de constatering, in rov. 3.7, dat het gerechtshof te Den Haag in zijn beschikking van 25 april 2012 geen oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek door de Raad is verricht. Deze motiveringsklacht faalt mijns inziens. De beschikking van 25 april 2012 betrof een beslissing over het ouderlijk gezag en de hoofdverblijfplaats van het kind. In de motivering van die beslissing valt niet te lezen dat het gerechtshof te Den Haag in de rechtsverhouding tussen de moeder en de Raad een uitspraak heeft gedaan over de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek door de Raad is verricht. Indien de Staat bedoelt dat onbegrijpelijk is waarom het gerechtshof te Den Haag nader onderzoek – in de vorm van het nader bevragen van de vader en het raadplegen van de twee deskundigen die de vader eerder hadden behandeld – niet nodig heeft geacht en het gerechtshof Amsterdam dit wel nodig achtte, faalt de motiveringsklacht evenzeer. Het gerechtshof Amsterdam heeft in rov. 3.7 overwogen dat het gerechtshof Den Haag kennelijk geen aanleiding heeft gezien om aan de Raad het maken van een risico-analyse op te dragen en op 25 april 2012 het gezag over de zoon alleen aan de vader toegekend. Logisch beschouwd, impliceert dat niet dat de Raad niet tekort kan zijn geschoten in de omvang of diepgang van zijn onderzoek: indien de Raad advies uitbrengt zonder aanleiding te hebben gezien voor een verdergaand onderzoek naar het recidivegevaar, en de familierechter – na partijen te hebben gehoord − vervolgens dat advies overneemt, is daarmee niet in tegenspraak dat een andere rechter later constateert dat het aan dat advies ten grondslag liggende onderzoek van de Raad onvoldoende zorgvuldig is geweest. De klacht faalt.

2.20

Onderdeel 3.2 klaagt dat het hof elf door de Staat aangevoerde gezichtspunten, opgesomd in de procesinleiding in cassatie op blz. 9 – 10, ten onrechte niet heeft betrokken in zijn oordeel.

2.21

Het middel geeft niet aan waarom het bestreden oordeel in het licht van die gezichtspunten/stellingen in strijd zou zijn met een in Nederland geldende rechtsregel. De klacht dient kennelijk ter introductie van de hierna te bespreken klachten.

2.22

Volgens onderdeel 3.3 brengt de omstandigheid dat de onderzoeksrapporten van de Raad ten grondslag hebben gelegen aan de (inmiddels onherroepelijk geworden) beslissing van de familierechter, mee dat ten minste hoge motiveringseisen moeten worden gesteld aan het oordeel dat de handelwijze van de Raad onrechtmatig is jegens de moeder. Dit geldt in het bijzonder wanneer de verwijten betrekking hebben op aard, diepgang of grondigheid van het Raadsonderzoek. Het onderdeel klaagt dat het hof voorbij is gegaan aan de door de Staat naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, opgesomd in de procesinleiding in cassatie onderdeel 3.2.

2.23

Ook deze klacht behoeft geen bespreking indien onderdeel 2 gegrond is bevonden. De elf in onderdeel 3.2 genoemde stellingen van de Staat – die voornamelijk inhielden (i) dat de moeder in de familierechtelijke procedure bij het gerechtshof te Den Haag voldoende mogelijkheden heeft gehad om haar bezwaren tegen de (in haar ogen: te oppervlakkige) wijze waarop de Raad het onderzoek naar het risico van toekomstig seksueel misbruik van de zoon heeft uitgevoerd, voor te leggen aan de familierechter, (ii) dat de moeder geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beslissing van 25 april 2012 en (iii) dat ook na een nieuw onderzoek van de Raad het wijzigingsverzoek van de vrouw niet werd ingewilligd – behoefden niet afzonderlijk te worden weerlegd om het oordeel van het hof voor de lezer begrijpelijk te doen zijn; zie alinea 2.19 hiervoor. Wel lijkt mij juist het argument dat niet alleen de Raad, maar ook het gerechtshof te Den Haag geen aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te laten doen (in de vorm van het nader bevragen van de vader en van de twee deskundigen die de vader in het verleden hadden behandeld). In combinatie met een terughoudende toetsing als bedoeld in onderdeel 2, leidt dit tot een verhoogde motiveringseis om te kunnen aannemen dat de Raad in zijn onderzoek zodanig is tekortgeschoten dat hij onrechtmatig heeft gehandeld.

2.24

Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 3.5 (waar het hof de door de moeder verstrekte inlichtingen bespreekt en overweegt dat de angst van de moeder te begrijpen is dat de vader opnieuw in pedoseksuele gedragingen vervalt) en tegen rov. 3.6 (waarin het hof uiteenzet op welke wijze de Raad de zorgen van de moeder had moeten onderzoeken). De klacht wordt voorgedragen voor zover het hof in de genoemde overwegingen voortbouwt op oordelen die in onderdeel 2 zijn bestreden.

2.25

Bij gegrondbevinding van onderdeel 2 behoeft deze klacht geen bespreking.

2.26

In de onderdelen 5 en 5.1 klaagt de Staat dat het oordeel, in rov. 3.5, dat de informatie van de moeder voldoende houvast bood voor serieuze zorg over de handelwijze van de vader, slechts is gebaseerd op eenzijdig van de moeder afkomstige stellingen. Volgens de klacht voldoet dit oordeel niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen, nu het hof niet (ook) de volgende stellingen van de Staat in zijn beoordeling heeft betrokken47:

- dat de Raad in beide rapporten het strafrechtelijk verleden van de vader heeft betrokken in zijn onderzoek;

- dat de Raad heeft gewezen op het oordeel van het gerechtshof te Den Haag ter zake;

- dat de aan de Raad verstrekte informatie over de behandeling juist was en dat de vader vele jaren heeft voldaan aan een zelf opgelegde inspanningsverplichting ter zake van de behandeling, waardoor de kans op recidive destijds werd ingeschat als minimaal/laag;

- dat het gerechtshof te Den Haag heeft vastgesteld dat het misbruik door de vader van lang geleden dateert en dat de vader een behandeling daarvoor heeft ondergaan, dat sindsdien al lange tijd sprake is van een zeer ruime, onbegeleide omgang met de zoon en dat niet is gebleken dat de opvoeding en verzorging van de zoon bij de vader niet in goede handen zouden zijn;

- dat het standpunt van de moeder in tegenspraak is met haar eigen stelling – laatstelijk ter zitting in appel - dat zij liever heeft dat de zoon bij de vader verblijft dan dat hij op basis van een ondertoezichtstelling uit huis wordt geplaatst;

- dat de Raad ondertoezichtstelling van de minderjarige heeft geadviseerd.

2.27

Opmerking verdient dat de door de moeder genoemde “gebeurtenissen” (rov. 3.5) niet behoeven vast te staan, om toch te kunnen oordelen dat aanleiding bestaat tot nader onderzoek. De stellingen van de Staat, aangehaald achter de eerste vier gedachtestreepjes, stonden op zich niet eraan in de weg dat het hof betekenis toekent aan de in rov. 3.5 genoemde signalen over meer recent gedrag van de vader dat in de ogen van het hof houvast biedt voor serieuze zorgen over de handelwijze van de vader. In zoverre behoefden deze stellingen geen nadere bespreking om de beslissing van het hof begrijpelijk te doen zijn. De stelling achter het voorlaatste gedachtestreepje is hooguit aan te merken als een sub-argument; niet als een essentiële stelling van de Staat waarvan weerlegging nodig was om de beslissing van het hof voor de lezer begrijpelijk te doen zijn. De omstandigheid ten slotte, dat de Raad in de familierechtelijke procedure heeft geadviseerd de zoon onder toezicht te stellen, hing blijkens de aangehaalde rapporten samen met het feit dat de zoon ernstig nadeel ondervond van de ernstige conflicten tussen de ouders; niet met het risico dat hij seksueel door de vader misbruikt zou worden. Om die reden behoefde het hof in dit verband niet in te gaan op deze stelling van de Staat. Het onderdeel faalt.

2.28

Onderdeel 5.2 klaagt dat onduidelijk is wat het hof in rov. 3.5 bedoelt met “de periode 2010/2011”. Het tweede rapport van de Raad dateerde van 28 juni 2011. Indien het hof ervan is uitgegaan dat het in zijn oordeel ook informatie kon betrekken die dateert van ná het afsluiten van het onderzoek voor het rapport van 28 juni 2011, is dat volgens de klacht onbegrijpelijk. De Staat heeft in hoger beroep erop gewezen dat de meer recente beschuldigingen van de moeder aan het adres van de vader voor de rechtbank Den Haag geen aanleiding waren om het gezag over de minderjarige in het nadeel van de vader te wijzigen48.

2.29

Deze motiveringsklacht faalt. Met de woorden “de periode 2010/2011” in rov. 3.5 doelt het hof kennelijk op de periode waarin de Raad onderzoek heeft verricht en gerapporteerd; niet op het gehele tijdvak van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011. Dit volgt uit de formulering: “in 2010/2011 bij gelegenheid van zijn onderzoek (…) alsmede in zijn advisering”. Over de datum van de laatste rapportage heeft geen misverstand bestaan: in rov. 3.1.4 heeft het hof vastgesteld dat de Raad van zijn onderzoek verslag heeft uitgebracht “in de rapporten van 1 oktober 2010 en 28 juni 2011”. Uit rov. 3.4 blijkt ook niet dat het hof zijn oordeel dat de Raad tekort is geschoten heeft gegrond op gebeurtenissen van na de afsluiting van het Raadsonderzoek.

2.30

Onderdeel 6 vervolgt met de klacht dat het oordeel in rov. 3.6 evenzeer onbegrijpelijk is, in het licht van hetgeen de Staat in middelonderdelen 5 - 5.2 heeft aangevoerd. Daaruit zou volgen dat de Raad niet was gehouden tot ander of verdergaand onderzoek dan de Raad heeft verricht. Het oordeel in rov. 3.6 impliceert het verwijt dat de Raad ten behoeve van de vader heeft afgezien van verder onderzoek. Volgens de Staat heeft de Raad een dergelijk standpunt nooit ingenomen; ook het hof wijst niet op een zodanige stelling van de Staat.

2.31

Voor zover deze klacht voortbouwt op het vorige middelonderdeel, faalt zij op dezelfde gronden als daar besproken. Rov. 3.6 wettigt niet de veronderstelling van dit middelonderdeel, dat de Raad met het oog op (belangen van) de vader heeft afgezien van een uitgebreider onderzoek. Het middelonderdeel berust m.i. op een onjuiste interpretatie van de bestreden overweging. Onderdeel 6 faalt.

2.32

Onderdeel 7 gaat uit van een lezing van het bestreden arrest waarbij het aankomt op de vraag of de Raad het juiste evenwicht heeft gehouden tussen (onder meer) de belangen van de moeder en die van de vader, door geen nader onderzoek te verrichten. De Staat klaagt dat, bij die lezing, onbegrijpelijk is hoe het hof tot dit oordeel is gekomen zonder inbreng van de vader, althans dat bij zo’n oordeel terughoudendheid paste omdat de vader in de aansprakelijkheidsprocedure geen stem heeft gehad. Hieraan doet volgens de klacht niet af dat het hof in rov. 3.1.6 heeft overwogen dat “het standpunt” van de vader kenbaar is uit de gedingstukken: het hof heeft de belangen van de vader slechts kunnen beoordelen aan de hand van de stukken die de moeder en de Raad hadden overgelegd in de onderhavige procedure.

2.33

Het middelonderdeel hangt samen met onderdeel 1 en berust op een interpretatie van de bestreden overwegingen, die hiervoor al onjuist is bevonden.

2.34

Onderdeel 8 hangt samen met het voorgaande. Het klaagt over onbegrijpelijkheid van de vaststelling in rov. 3.1.6, dat het standpunt van de vader kenbaar is “uit de gedingstukken”.

2.35

Het onderdeel faalt bij gemis aan belang, indien de middelonderdelen 1 en 7 niet tot cassatie leiden. Overigens was het hof niet gehouden, een nadere motivering te geven van zijn vaststelling dat het standpunt van de vader voldoende kenbaar is uit de stukken. Het gaat daarbij onmiskenbaar om de in de onderhavige procedure overgelegde gedingstukken. Daartoe behoorde ook de beschikking van het gerechtshof te Den Haag van 25 april 2012, waarin een samenvatting was opgenomen van het standpunt van de vader.

2.36

Onderdeel 9 klaagt ten slotte over schending van beginselen van behoorlijke rechtspleging. De Staat betoogt dat het bestreden arrest het mogelijk maakt dat een van de partijen in aanhangige of nog aan te spannen familierechtelijke procedures, de uitkomst daarvan beïnvloedt zonder dat de andere partij daarop invloed heeft kunnen uitoefenen. Bovendien loopt de Raad zo het risico, bekneld te raken tussen twee niet met elkaar in overeenstemming te brengen rechterlijke uitspraken.

2.37

Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, behoeft het bestreden arrest niet in strijd te zijn met (het resultaat van) lopende of toekomstige familierechtelijke procedures tussen de ouders. De beoordeling en het dictum hebben betrekking op onderzoek door en rapporten van de Raad in het kader van een familierechtelijke procedure waarover bij beschikking van 25 april 2012 onherroepelijk is beslist. Het dictum behelst een verklaring voor recht en een veroordeling van de Staat tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat. Het door de moeder gevorderde gebod tot het alsnog verrichten van onderzoek door de Raad heeft het hof afgewezen in rov. 3.7, met het oog op de actuele situatie. Gezag van gewijsde kan niet worden ingeroepen tegen personen die geen partij in het geding zijn geweest. Hierop stuit de klacht af49.

Het voorwaardelijk sepot

2.38

Onderdeel 10 heeft betrekking op een ander onderwerp. De vader had bij de politie aangifte gedaan wegens smaad, gepleegd door de moeder. De officier van justitie heeft op 27 augustus 2013 ter zake van deze aangifte aan de moeder een kennisgeving van voorwaardelijke niet-vervolging gezonden. Hierin was de voorwaarde gesteld dat de moeder gedurende een proeftijd van 1 jaar, ingaande op de dag van uitreiking van de kennisgeving, “zich niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zal misdragen”. De moeder is van mening dat zij door deze voorwaarde te zeer wordt bekneld in haar mogelijkheden om informatie over de vader ter kennis van anderen te brengen. Zij heeft, zoals gezegd, een verklaring voor recht en (een bevel aan de Staat tot) wijziging van deze beslissing van de officier van justitie gevorderd.

2.39

Het hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:

“3.8 [De moeder] heeft verder aan de orde gesteld dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen die besloten ligt in de kennisgeving van voorwaardelijke niet-verdere vervolging van 27 augustus 2013. Blijkens de op die beslissing bij brief van 28 juli 2014 gegeven toelichting heeft de officier van justitie geoordeeld dat zodanige feiten bewezen zijn dat daaraan de kwalificatie “smaad” kan worden verbonden. Het zou daarbij in het bijzonder gaan om mededelingen die [de moeder] heeft gedaan aan de (vertrouwenspersoon in de directie van de) school van [de zoon] en aan de raad over het pedoseksuele verleden van de vader van [de zoon]. Het lag in de bedoeling van de behandelend officier van justitie om met behulp van de gekozen afdoening [de moeder] ertoe te bewegen te stoppen met het soort mededelingen dat haar werd verweten.

3.9

De consequentie van de kennisgeving van voorwaardelijke niet-verdere vervolging is dat [de moeder] feitelijk de mogelijkheid werd ontnomen om straffeloos haar zorgen over de gedragingen van de vader van [de zoon] te delen met anderen, in het bijzonder ook met al die instanties tot wier taak in het bijzonder behoort het belang van kinderen te bewaken. Dat is een buitengewoon verstrekkende consequentie. De vraag die moet worden beantwoord is of deze consequentie in de omstandigheden van dit geval kan worden aanvaard.

3.10

Bij de bespreking van hetgeen [de moeder] aan het openbaar ministerie verwijt, is voor het hof opnieuw uitgangspunt dat hetgeen [de moeder] naar voren heeft gebracht in de periode 2010/2011 toereikend houvast bevat voor serieuze zorgen over de handelwijze van de vader van [de zoon] . Het hof heeft dat hierboven in rechtsoverweging 3.5 nader uitgewerkt.

Gegeven die zorgen diende [de moeder] niet de mogelijkheid te worden ontnomen haar zorgen te delen met de instanties die in het bijzonder zijn belast met de bewaking van de belangen van kinderen. Het hof heeft daarbij het oog op de raad, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) en de (kinder)ombudsman. Dat zijn niet alleen instanties die tot taak hebben het belang van kinderen te dienen. Het zijn bovendien instanties die, naar redelijkerwijs mag worden verwacht, voldoende expertise in huis hebben om zorgen als die van [de moeder] te beoordelen, zodat ook het belang van de vader van [de zoon] toereikend is gewaarborgd.

Dat die weg voor [de moeder] werd afgesloten, althans door haar nog slechts bewandeld kon worden met het risico van verdere vervolging is een beslissing waartoe het openbaar ministerie in redelijkheid niet had kunnen komen. In zoverre is de voorwaardelijke kennisgeving van niet-verdere vervolging jegens [de moeder] onrechtmatig.

Voor het overige heeft te gelden dat de vrijheid van [de moeder] om haar zorgen te delen haar begrenzing vindt in het belang van de vader van [de zoon] om met rust te worden gelaten.

3.11

Dat betekent dat de tweede grief van [de moeder] eveneens gedeeltelijk doel treft en de afwijzing in het bestreden vonnis in zoverre niet in stand kan blijven. De stellingen van de Staat uit de eerste aanleg staan aan deze gevolgtrekkingen niet in de weg.

Het door [de moeder] onder IV gevorderde is evenwel niet voor toewijzing vatbaar. Hetgeen zij wenst te bewerkstelligen door middel van een rechterlijk gebod, strekt te ver en past al evenmin bij de omvang van hetgeen het hof onrechtmatig heeft geoordeeld.”

2.40

Onderdeel 10.1 klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de omvang van de toetsing: het hof heeft de omvang van de zaak niet kunnen beoordelen, omdat het hof niet over alle relevante stukken uit het strafdossier beschikte. Subsidiair klaagt het onderdeel over onbegrijpelijkheid van dit oordeel in het licht van stellingen die de Staat in hoger beroep had aangevoerd, te weten:

(i) dat het hof niet beschikte over alle relevante stukken uit het strafrechtelijk dossier, waaronder de aangifte50;

(ii) dat het gerechtshof te Den Haag in een beklagprocedure op grond van art. 12 Sv zich heeft uitgesproken over de beslissing van het Openbaar Ministerie om niet tot (onvoorwaardelijke) vervolging van de moeder over te gaan; daarmee heeft dat hof ook een oordeel gegeven over het voorwaardelijk sepot, in die zin dat sprake is geweest van smaad;

(iii) dat het niet gaat om het delen door de moeder van haar zorgen met (overheids)instanties, maar om het delen van stukken (onder meer) met de school.

2.41

De rechtsklacht faalt. Uit het oordeel dat het openbaar ministerie “in redelijkheid” niet tot het stellen van deze voorwaarde bij het voorwaardelijk sepot heeft kunnen komen, blijkt dat het hof een toetsing aan de redelijkheid (anders gezegd: aan het verbod van willekeur) voor ogen heeft gehad. Dat is rechtens niet een onjuiste maatstaf. De klacht van de Staat dat de motivering van dit oordeel tekort schiet, acht ik daarentegen gegrond. Het hof is in rov. 3.10 niet ingegaan op het verweer van de Staat – gevoerd in navolging van het oordeel van de rechtbank51− dat de moeder niet aan haar stelplicht heeft voldaan, nu zij niet alle relevante stukken uit het dossier betreffende de voorwaardelijk geseponeerde strafzaak tegen haar heeft overgelegd. Evenmin is het hof ingegaan op het beroep van de Staat op de betekenis in dit verband van de beslissing in de beklagprocedure en, meer in het algemeen, op de volgens het Openbaar Ministerie bestaande noodzaak om de moeder door middel van deze sepotvoorwaarde te remmen in haar behoefte om haar zorgen en stukken over het risico van seksueel misbruik door de vader ter kennis van anderen dan de Raad en de met opsporing belaste overheidsinstanties te brengen. Daarmee heeft het hof onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang gegeven. Ook om deze reden kan het bestreden arrest niet in stand blijven.

2.42

Onderdeel 11 is gericht tegen rov. 3.7, 3.10 en 3.13, alleen voor zover het hof in die overwegingen voortbouwt op oordelen die in de voorafgaande middelonderdelen zijn bestreden. Het behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

2.43

Onderdeel 12 klaagt over schending van het recht (in het bijzonder van art. 612 Rv) doordat het hof de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door “de onrechtmatige handelwijze van het openbaar ministerie”. Volgens de klacht is verwijzing naar de schadestaatprocedure niet mogelijk, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld, noch waaruit het onrechtmatig handelen heeft bestaan.

2.44

Indien onderdeel 10 slaagt, behoeft deze klacht geen bespreking meer. Ten overvloede merk ik hierover het volgende op. Bij de beoordeling van de stelling van de moeder dat het Openbaar Ministerie haar geen sepot met deze voorwaarde had mogen opleggen (zie rov. 3.1.5), is het hof aan het slot van rov. 3.10 tot het navolgende oordeel gekomen: “[i]n zoverre is de voorwaardelijke kennisgeving van niet-verdere vervolging jegens [de moeder] onrechtmatig”. Daarmee heeft het hof voldoende duidelijk beslist dat, en op welke grond, het Openbaar Ministerie als orgaan van de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de moeder.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 Zie het bestreden arrest onder 2, dat verwijst naar het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2015 onder 2.

2 Prod. 10 bij inleidende dagvaarding.

3 Prod. 11 bij inleidende dagvaarding.

4 Tegen deze beschikking is geen cassatieberoep ingesteld. Wel heeft de moeder verzocht om wijziging van de gezagsvoorziening, in die zin dat het gezag aan haar wordt toegewezen. In verband hiermee heeft de Raad op 17 februari 2016 een rapport uitgebracht. Het gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep op 15 maart 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2312) dit wijzigingsverzoek niet toewijsbaar geacht omdat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden en de rechter bij de beslissing over het gezag niet is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:483).

5 De gevorderde verklaring voor recht had aanvankelijk ook betrekking op de inhoud van de beschikking van het gerechtshof te Den Haag van 25 april 2012. Ter comparitie heeft de moeder de grondslag ‘onrechtmatige rechtspraak’ uitdrukkelijk ingetrokken; zie rov. 4.2 en 4.15 van het vonnis van de rechtbank en het proces-verbaal van de comparitie op 26 november 2015, blz. 7.

6 Verdrag van de Raad van Europa van 25 oktober 2007 inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, Trb. 2008, 58.

7 Vgl. de samenvatting van de stellingen van de moeder in het vonnis van 23 december 2015 onder 3.2 – 3.3. In hoger beroep heeft de moeder deze stellingen nader uitgewerkt: zie de samenvatting in het bestreden arrest onder 3.1.3.

8 Vgl. de samenvatting van de stellingen van de moeder in het vonnis van 23 december 2015 onder 3.5 en in het bestreden arrest onder 3.8.

9 EHRM 15 december 2016 (M.P./Finland, appl.no. 36487/12). Het hof citeert uit par. 52: “the need to safeguard children from abuse by their own parents, and the need to protect parents from unwarranted interference with their right to respect for their private and family life or the risk of unjustified arrest and prosecution.”

10 Vgl. HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2373, NJ 2001/598 m.nt. S.F.M. Wortmann (rov. 3.3).

11 Zie over de opeenvolgende wijzigingen van deze bepaling: Bruning/Forder, Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:238, aant. 18.

12 Zie nader de aantekening van Vlaardingerbroek bij dit artikel in T&C Personen- en Familierecht, blz. 1195; Bruning/Forder, Groene Serie, Personen- en familierecht, Afd. 1.13.3 Inl. aant. 12.

13 Dit kwaliteitskader is een algemene aanwijzing van de ministers van Justitie en Jeugd en Gezin in de zin van art 3 van het Organisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming 2006 (inmiddels ingetrokken, Stb. 2015, 183). Het verving de beleidsregels zoals neergelegd in de Normen 2000; zie Stcrt. 2009, nr. 68. Zie nader: P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaags personen- en familierecht 2017/8.5.5 en Bruning, Groene Serie, Personen- en familierecht, Afd. 1.13.3 Inl., aant. 10; Chin-A-Fat, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810 Rv, aant. 3.2 en 5.

14 De actuele versie is te raadplegen via www.kinderbescherming.nl.

15 Doek, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, titel 6 Rv, aant. 9.b; Chin-A-Fat, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810, aant. 6 en art. 810a, aant. 3; P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaags personen- en familierecht, 2017/8.5.6.

16 Aldus HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.2. Zie ook Chin-A-Fat, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a, aant. 1.

17 Zie bijv. C.J.M. Combrink-Kuiters, S.B. de Pauw Gerlings-Döhrn en H.I. van den Berg, De (on)wenselijkheid van het raadsadvies; een drieluik, FJR 2000, blz. 97-102, Chin-A-Fat, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a, aant. 1.

18 Zie bijv. M. van Zanten en A.F.M. Brenninkmeijer, Waarheidsvinding: van groot belang in de jeugdbescherming, FJR 2011/76; J. Huijer, Waarheidsvinding in de jeugdbescherming – een juridisch perspectief, NJB 2014/673.

19 De toelichting op het desbetreffende amendement vermeldt: “De verplichting die uit dit amendement volgt houdt in dat de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen die de maatregelen uitvoeren zich moeten richten op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectiveerbaar zijn. (…) Op basis van dit amendement dient de besluitvorming in de rapportage te zijn onderbouwd, waarbij feiten, visies van betrokkenen en de interpretaties van de Raad of gecertificeerde instellingen duidelijk zijn gescheiden.”; Kamerstukken II, 2013-2014, 33 684, nr. 32.

20 Zie het rapport ‘Is de zorg gegrond? Analyse van het feitenonderzoek aan de basis van ingrijpende jeugdzorgbeslissingen’. Zie voor het rapport en de reactie van de regering: Kamerstukken II, 2013-2014, 31 839, nr. 347.

21 Zie art. 1:239 lid 5 BW en het Besluit externe klachtencommissie raad voor de kinderbescherming (Besluit van 25 augustus 2006, Stb. 2006, 402).

22 Zie naast de hierna te noemen rapporten, de rapporten met nrs. 2011/150, 2011/201, 2011/324, 2013/205.

23 Rapport 2011/128, alinea’s 6-10. Zie ook rapport 2012/075, alinea’s 25-30, waarin de Nationale ombudsman oordeelde dat de Raad in strijd heeft gehandeld met het vereiste van een goede voorbereiding.

24 Rapport 2015/152, blz. 8-9.

25 Het hof doelt kennelijk op de daderbehandeling in 1997 – 1999 (rov. 3.1.3) en noemt de behandelaars [betrokkene 2] en [betrokkene 3].

26 Het genoemde art. 3.3 Jeugdwet was in de hier relevante periode 2010-2011 nog niet in werking getreden.

27 Zie o.m. Mon. BW A26a (Snijders), nr. 15a-15c, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/357-359, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (A.L.M. Keirse), nrs. 175 - 176.

28 Vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2077, NJ 2008, 527 (DNB/Vie d’Or), rov. 4.3.3-4.3.4. Zie ook HR 29 maart 1940, NJ 1940/1128 m.nt. E.M. Meijers (Heldenkermis).

29 Zie alinea’s 15 - 16 van de noot van T. Hartlief bij HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155. Instemmend Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/358 (slot).

30 HR 9 november 2001,ECLI:NL:HR:2001:AD5302, NJ 2002/446 m.nt. C.J.H. Brunner, genoemd in de s.t. namens de moeder, alinea’s 3.8 - 3.10. Zie ook de cassatierepliek onder 6.

31 Zie de noot van Hartlief bij het Wilnis-arrest, alinea 15. Zie ook Mon. Privaatrecht 3 (Van Maanen/De Lange), par. 3.8 (slot), blz. 70.

32 Zie de noot in AB 2002/21, die mede betrekking heeft op Van den Berg/Waterschap Oude Rijnstromen. In dezelfde zin J.E.M. Polak, Kroniek van het algemeen bestuursrecht, NJB 2002/10, blz. 375.

33 Mon. BW A26a, nr. 15a (slot).

34 ECLI:NL:HR:2006:AW2077, NJ 2008/527, rov. 4.3.3-4.3.4.

35 ECLI:NL:HR:2006:AY7463, NJ 2007/3 m.nt. E.A. Alkema, rov. 3.7.9.

36 ECLI:NL:HR:2010:BM7678, NJ 2011/88 m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 4.4.2-4.4.4.

37 ECLI:NL:HR:2011:BO9630, NJ 2011/337, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.5.

38 ECLI:NL:HR:2014:3349, NJ 2015/217 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 3.4.3. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/358

39 Vgl. de beoordeling in HR 29 maart 1940, NJ 1940/1128 (Heldenkermis).

40 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 mei 1993, NJ 1994/116, rov. 8.10, en het hiervoor besproken rapport van de Nationale ombudsman nr. 2015/152.

41 Vgl. de s.t. namens de Staat, nrs. 2.5, 2.19.

42 Zie onder meer: G. de Groot, Aansprakelijkheid van deskundigen: regulier beroepsrisico of chilling factor?, NTBR 2011/58; I.P.A. van Heijst, De aansprakelijkheid van (onafhankelijk) deskundigen in civiele en bestuursrechtelijke procedures, Overheid & aansprakelijkheid 2018/3.

43 Die problematiek omvatte meer dan een simpele handhaving van strafrechtelijke normen; zo stelt de rechtbank in rov. 3.14 vast dat de vader zelf op 12-jarige leeftijd is misbruikt.

44 Zie alinea 1.3 hiervoor; zie ook de inleidende dagvaarding blz. 12 – 14.

45 Zie over deze problematiek, met vindplaatsen van eerdere onderzoeken, A. Smit, M. Antokolskaia en C. Bijleveld, Beschuldigingen van seksueel kindermisbruik tijdens een civielrechtelijk geschil over kinderen; aard, context en afhandeling, Family & Law 2017/3; A. Smit, M. Antokolskaia en C. Bijleveld, Het besluitvormingsproces van civiele rechters in procedures over de gevolgen van een (echt)scheiding met een beschuldiging van seksueel kindermisbruik, Recht der Werkelijkheid 2017/2.

46 Vgl. het door de Staat als prod. 12 bij conclusie van antwoord overgelegde arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 25 maart 2004, rov.6. Zie ook G. de Groot, Het deskundigenadvies in de civiele procedure (2008), blz. 239 (slot).

47 De procesinleiding vermeldt telkens de vindplaatsen van deze stellingen in de gedngstukken.

48 Het cassatiemiddel noemt als vindplaats MvA, nrs. 3.5 en 4.2.

49 Vgl. HR 7 april 1995, NJ 1997/166 m.nt. M. Scheltema. Zie verder over behoorlijke rechtspleging: Asser/Van Schaick 2 2016/145 en Asser Procesrecht/Giessen 1 2015.

50 Het middel verwijst naar MvA nrs. 3.11 en 3.12.

51 Zie rov. 4.20 van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, en de samenvatting van dit vonnis in rov. 3.1.8 van het bestreden arrest.