Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:682

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-05-2018
Datum publicatie
27-06-2018
Zaaknummer
16/05878
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1014
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid OM wegens dubbele vervolging (ne bis in idem)? Vervolging t.z.v. rijden onder invloed (art. 8 WVW 1994), voor welk feit aan verdachte reeds verplichting tot deelname aan geschiktheidsonderzoek door het CBR is opgelegd. Blijkens art. 131.1.c jo. 134.2 WVW 1994 heeft het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen geen punitief karakter (vgl. ABRvS ECLI:NL:RVS:2017:2062). ’s Hofs oordeel dat het OM het recht tot strafvervolging van verdachte niet verliest door de omstandigheid dat i.v.m. hetzelfde feit – het bewezenverklaarde rijden onder invloed – een verplichting tot het ondergaan van het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen is opgelegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Anders dan het middel betoogt, gaat een vgl. met de uitzonderlijke situatie als bedoeld in ECLI:NL:HR:2015:434 over het Alcoholslotprogramma (asp) niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2018/45
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05878

Zitting: 15 mei 2018 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 25 november 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle, wegens 1. “overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ten aanzien van feit 2 van de inleidende dagvaarding.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging ter zake van feit 1, althans dat ’s hofs oordeel omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging ter zake van dit feit onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.

  4. Het hof heeft in het arrest inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende overwogen:

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van feit 1 bepleit.

Daartoe is aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat strafvervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, omdat aan verdachte door het CBR reeds de verplichting werd opgelegd tot deelname aan een geschiktheidsonderzoek naar de rijvaardigheid en tevens verplichtingen tot betaling van hoge kosten samenhangend met dat onderzoek.

De raadsman heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434), waarin onder meer is overwogen dat in strafzaken waarbij aan de verdachte reeds door het CBR een alcoholslotprogramma werd opgelegd sprake is van situatie die op gespannen voet staat met het ‘ne bis in idem’ beginsel.

Gelet op de sterke overeenkomsten tussen dergelijke zaken en onderhavige zaak is strafvervolging ook in onderhavige zaak in strijd met het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt op het verweer van de raadsman.

Verdachte is op dinsdag 1 oktober 2013 als bestuurder van een personenauto aangehouden langs de A 28 tussen Nijkerk en Amersfoort na een melding van zeer gevaarlijk rijgedrag. In de door hem bestuurde auto werden een wikkel met een witte stof en flesjes met een stroperige vloeistof aangetroffen. Verdachte was in het eerste contact met de verbalisanten niet goed aanspreekbaar. Hij viel telkens weg, was enorm versuft en afwezig en niet in staat om zijn wil kenbaar te maken. Hij is vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd, waar hem vooruitlopend op zijn latere toestemming bloed is afgenomen.

Volgens het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 25 oktober 2013 zijn in het bloed van verdachte de stoffen GHB, cocaïne, desmethyldiazepam en oxazepam aangetroffen. In paragraaf 5 van dit rapport “interpretatie van resultaten” staat dat GHB snel uit het lichaam wordt verwijderd en tot ongeveer 6 à 8 uren na inname aantoonbaar is in het bloed. Bij concentraties in het bloed groter dan 250 mg/l treedt diepe, coma-achtige slaap op. In het bloed van verdachte is een concentratie van GHB gemeten van 291 mg/l.

Het rapport vermeldt als conclusie dat de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloed was.

Verdachte heeft ter terechtzitting van de politierechter verklaard dat het klopte wat hem door de politierechter werd voorgehouden en dat hij toen zwaar verslaafd was.

Verdachte is tegen de zitting van de politierechter op 25 september 2015 gedagvaard ter zake van het rijden onder invloed en het bezit van verdovende middelen op 1 oktober 2013.

Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat verdachte op 28 oktober 2013 van het Centraal Bureau voor de Rijvaardigheid (CBR) een brief heeft ontvangen waarin was vermeld dat het CBR van de politie een mededeling had ontvangen naar aanleiding van haar bevindingen op 1 oktober 2013 en dat deze schriftelijke mededeling het vermoeden was gebaseerd dat verdachte niet langer voldeed aan de eisen van geschiktheid van houders van een rijbewijs. Het in die brief opgenomen besluit van het CBR hield in dat aan verdachte een onderzoek naar de geschiktheid werd opgelegd aan welk onderzoek verdachte verplicht was om mee te werken. Daarnaast werd vanaf 28 oktober 2013 de geldigheid van het rijbewijs van verdachte geschorst. De uitkomst van dit onderzoek noch de duur van de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs blijkt uit de inhoud van het strafdossier en ook ter zitting van het hof kon door de raadsman hierover geen uitsluitsel worden gegeven. In de brief van het CBR van 28 oktober 2013 is voorts vermeld dat de kosten van het onderzoek bestaan uit 2 delen, te weten de kosten van het opleggen van het onderzoek (€ 306,00) en de kosten van de uitvoering van het onderzoek (€ 684,00). Deze kosten komen voor rekening van verdachte.

Een onderzoek naar de geschiktheid van de houders van een rijbewijs kan leiden tot de uitkomst van ongeldigverklaring van het rijbewijs. In ECLI:NL:HR:2015:3205 heeft de Hoge Raad hierover het volgende bepaald:

“De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel waartoe kan worden besloten ingeval de houder van het rijbewijs blijkens de uitslag van een daartoe op grond van artikel 131 WVW 1994 ingesteld onderzoek niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Deze maatregel wordt dus niet - direct of indirect - opgelegd op grond van het plegen van een strafbaar feit, ook al kan de verdenking van zo een feit wel de aanleiding vormen voor voornoemd onderzoek”.

Naar het oordeel van het hof kan het voorgaande niet anders worden begrepen dan dat hetgeen geldt voor de maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs tevens van toepassing is op het in artikel 130 lid 1 onder c Wegenverkeerswet 1994 genoemde onderzoek naar de geschiktheid, op basis waarvan de maatregel van ongeldigverklaring wordt getroffen, en de daarbij voorgeschreven formaliteiten.

Door de raadsman wordt aansluiting gezocht bij een arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) betreffende de oplegging van de bestuurlijke maatregel van het alcoholslotprogramma (asp) in relatie tot de ontoelaatbaarheid van een tweede strafvervolging voor hetzelfde feit.

Het hof volgt de raadsman daarin niet.

Uit het eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad volgt immers dat hetgeen is overwogen in HR 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256) omtrent de strafvervolging ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, niet tot een ander oordeel noopt, omdat het in dat arrest - anders dan in het onderhavige geval - kort gezegd ging om de uitzonderlijke situatie waarin twee procedures over een identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vonden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gevolgen voor verdachte van oplegging van de maatregel van een onderzoek naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid als zodanig niet gelijk kunnen worden gesteld aan in de strafrechtspleging op te leggen sancties. Een strafrechtelijke vervolging ter zake van hetzelfde feitencomplex als waarvoor reeds de bestuurlijke maatregel is opgelegd is daarmee niet in strijd met het wettelijk stelsel, in het bijzonder niet met artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

De conclusie is dat de beslissing van de politierechter dient te worden vernietigd en het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.’

5. Het hof legt in deze overwegingen een koppeling tussen de ongeldigverklaring van het rijbewijs en het onderzoek naar de geschiktheid. Wat geldt voor de maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs is tevens van toepassing op het in artikel 130 lid 1 onder c WVW 1994 genoemde onderzoek naar de geschiktheid ‘op basis waarvan de maatregel van ongeldigverklaring wordt getroffen’. De steller van het middel bestrijdt dat de redenen waarom strafvervolging na ongeldigverklaring van het rijbewijs juridisch niet gezien kan worden als een tweede vervolging voor hetzelfde feit, ‘één op één toepasbaar (zijn) op de situatie van het onderzoek naar de rijgeschiktheid van art. 130 lid 1 onder c WVW 1994’. Daarbij wordt aangevoerd dat de verdachte verplicht moet meewerken aan het onderzoek naar de rijgeschiktheid en dat hij daarvoor kosten moet maken. Bij de ongeldigverklaring wordt medewerking niet gevraagd terwijl met de enkele ongeldigverklaring ook geen kosten gemoeid zijn.

6. Het onderzoek naar de geschiktheid is, in de kern, geregeld in de artikelen 133 en 134 WVW 1994. Deze artikelen luidden ten tijde van het besluit van het CBR tot het onderzoek in de onderhavige zaak, voor zover van belang, als volgt:

‘Artikel 133

1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

3. (…)

4. De kosten verbonden aan het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan zo’n onderzoek is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. (…)

5. De kosten verbonden aan de uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling bedoelde gevallen ten laste van betrokkene.

6. (…)

7. De bevindingen van het onderzoek worden door de deskundige of de deskundigen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na aanvang van het onderzoek, dan wel van het eerste gedeelte daarvan, schriftelijk meegedeeld aan het CBR.

8. (…)

Artikel 134

1. Het CBR stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. (…)

2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. (…)

4. Indien het CBR besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring betrekking heeft. (…)

5. Indien de uitslag van het onderzoek aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van betrokkene, plaatst het CBR, indien dat rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang de aard van het onderzoek, beschikt over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid dan wel de rijvaardigheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop het onderzoek betrekking had.

6. (…)

7. Indien het CBR van oordeel is dat op grond van de uitslag van het onderzoek betrokkene niet als niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld, legt het aan betrokkene in bij ministeriële regeling vastgestelde gevallen overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op deel te nemen aan een educatieve maatregel gedrag en verkeer dan wel aan het alcoholslotprogramma.. Indien het CBR besluit tot oplegging van de educatieve maatregel gedrag en verkeer zijn de artikelen 132 en 132a van overeenkomstige toepassing. (…)

8. (…)

9. (…)’

7. Uit deze wetsbepalingen volgt dat de ongeldigverklaring en het onderzoek naar de geschiktheid nauw met elkaar verbonden zijn. Het onderzoek naar de geschiktheid vindt plaats om te kunnen beoordelen of ongeldigverklaring van het rijbewijs aangewezen is. Naar het mij voorkomt heeft het hof daar betekenis aan kunnen hechten bij de beantwoording van de vraag of het ne bis in idem-beginsel met zich mee brengt dat na een onderzoek naar de geschiktheid geen strafvervolging meer kan plaatsvinden. Dat de bepaling uit het Wetboek van Strafrecht die het ne bis in idem-beginsel in het positieve strafrecht verwerkelijkt, art. 68 Sr, niet van toepassing is, staat buiten kijf. Bij het beantwoorden van de vraag of het opleggen van sancties buiten het strafrecht in verband met het ne bis in idem-beginsel aan een latere strafvervolging in de weg staat, hecht Uw Raad veel belang aan het karakter van een sanctie. Zo is van oplegging van de EMA aangenomen dat zij niet aan latere strafvervolging in de weg staat mede omdat zij niet punitief van aard is.1 Het rechtskarakter van een procedure die tot ongeldigverklaring kan leiden wordt mede door het rechtskarakter van die ongeldigverklaring bepaald.

8. In deze richting wijst ook dat Uw Raad het oordeel dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet aan een latere strafvervolging in de weg staat in HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205, NJ 2016/72 m.nt. Reijntjes onderbouwt met een verwijzing naar het traject dat aan de ongeldigverklaring voorafgaat. Uw Raad stelt vast dat de ongeldigverklaring een bestuurlijke maatregel is waartoe kan worden besloten ‘ingeval de houder van het rijbewijs blijkens de uitslag van een daartoe op grond van art. 131 WVW 1994 ingesteld onderzoek niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven’. Daarin ligt min of meer besloten dat Uw Raad de ongeldigverklaring en de procedure die daaraan voorafgaat ook in die uitspraak al samen nam, en van oordeel was dat die procedure niet aan een latere strafvervolging in de weg staat. ’s Hofs overweging sluit daar bij aan.2

9. Dat de medewerking van de betrokkene aan het onderzoek naar de rijgeschiktheid vereist is en dat aan het opleggen en uitvoeren van dat onderzoek kosten verbonden zijn, maakt dat naar het mij voorkomt niet anders. Die omstandigheden brengen noch op zichzelf beschouwd, noch samen genomen mee dat een onderzoek dat naar zijn rechtskarakter niet als een strafvervolging kan worden aangemerkt, toch als zodanig dient te worden gekwalificeerd. In dat opzicht kan worden gewezen op de EMA en de LEMA. Ook deze beide cursussen vereisen dat de betrokkene meewerkt, ook aan deze beide cursussen zijn kosten verbonden.3 In dit verband kan ook worden gewezen op het standpunt van de Minister van Infrastructuur en Milieu dat de doorberekening van de onderzoekskosten niet tot gevolg heeft dat het opgelegde onderzoek moet worden aangemerkt als strafmaatregel.4 Tegen deze achtergrond behoefde het hof naar het mij voorkomt ook niet expliciet op deze factoren in te gaan. Uit de inhoudelijke verbondenheid tussen het onderzoek naar de rijgeschiktheid en de ongeldigverklaring volgt reeds dat het ne bis in idem-beginsel niet in de weg staat aan een strafvervolging na een onderzoek naar de rijgeschiktheid.

10. De steller van het middel klaagt ten slotte over de verwerping van het beroep dat de verdediging heeft gedaan op de jurisprudentie inzake het alcoholslotprogramma (hierna: asp). De verdediging heeft blijkens de in het dossier gevoegde pleitaantekeningen tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat bij het beslissen op het ne bis in idem-verweer drie vragen relevant zijn: 1. Is sprake van een identieke gedraging die leidt tot oplegging van de bestuurlijke maatregel respectievelijk de strafvervolging?; 2. Zijn de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar?; 3. Komen de gevolgen van de bestuurlijke maatregel en de te verwachten strafrechtelijke sanctie in hoge mate overeen? Het hof zou slechts hebben aangegeven dat de eerste en derde vraag negatief beantwoord moeten worden, zonder te motiveren waarom die vragen dan negatief beantwoord moeten worden.

11. Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit ’s hofs arrest niet kan worden afgeleid dat het hof zowel de eerste als de derde vraag ontkennend beantwoordt. Het hof overweegt dat het in HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434 (asp) ‘– anders dan in het onderhavige geval – kort gezegd ging om de uitzonderlijke situatie waarin twee procedures over een identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vonden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.’ Die zin laat de mogelijkheid open dat het hof er van uit is gegaan dat beide procedures (uiteindelijk) hun oorsprong vinden in dezelfde gedraging. Dat zou ook sporen met de feiten die het hof heeft vastgesteld. Die houden in dat de verdachte op 1 oktober 2013 als bestuurder is aangehouden na een melding van zeer gevaarlijk rijgedrag. En het CBR heeft van de politie een brief ontvangen ‘naar aanleiding van haar bevindingen op 1 oktober 2013.’

12. Wel kan uit ’s hofs overwegingen worden afgeleid dat en waarom het van oordeel is dat de gevolgen van de twee procedures minder sterk op elkaar lijken dan in de situatie van oplegging van het asp en strafvervolging. Het onderzoek naar de rijgeschiktheid kon resulteren in ongeldigverklaring van het rijbewijs. Dat gevolg wijkt sterk af van de uitkomst van deze strafprocedure: een gevangenisstraf voor de duur van drie weken waarvan twee weken voorwaardelijk. Dat de strafprocedure op deze straf is uitgelopen behoeft in het licht van de strafmotivering ook niet te verbazen: volgens ’s hofs vaststellingen was de verdachte feitelijk niet in staat aan het verkeer deel te nemen; desondanks was hij op de snelweg gaan rijden. Er was bovendien sprake van een eerdere onherroepelijke veroordeling wegens een soortgelijk delict. Naar het mij voorkomt heeft het hof daarmee toereikend verhelderd waarom zelfs uitgaand van de vragen die de verdediging centraal had gesteld het onderzoek naar de rijgeschiktheid niet in de weg stond aan de strafvervolging. Dan laat ik nog daar dat bevestigende beantwoording van die drie vragen nog niet betekent dat van een schending van het ne bis in idem-beginsel sprake is die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging dient te leiden.

13. Al met al meen ik dat het hof toereikend heeft gemotiveerd waarom het door de verdediging aangevoerde niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging in de weg staat. Het middel in deze strafzaak en middelen in eerdere strafzaken in verband met het ne bis in idem-beginsel zien er naar het mij voorkomt aan voorbij dat het, zoals Uw Raad regelmatig heeft benadrukt5, bij de samenloop van het asp en strafvervolging om een uitzonderlijke situatie ging. En dat internationale rechtsinstrumenten en rechtspraak inzake die rechtsinstrumenten een belangrijke rol hebben gespeeld bij de beslissing om aan te nemen dat bij de destijds geldende regelgeving ‘de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd is met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd’.

14. Benadrukt dient voorts te worden, mogelijk wordt dat bij verweren waarin een beroep wordt gedaan op het ne bis in idem-beginsel wat te veel uit het oog verloren, dat Nederland het Zevende Protocol bij het EVRM niet geratificeerd heeft.6 Dat brengt mee dat zelfs waar naar de maatstaven van artikel 4 van het Zevende Protocol van een schending van het ne bis in idem-beginsel sprake zou zijn, daar in Nederland in beginsel geen rechtsgevolgen aan verbonden kunnen worden. In dit verband is ook van belang dat Nederland bij de bekrachtiging van het IVBPR het voorbehoud heeft gemaakt dat art. 14 lid 7 van dat verdrag alleen wordt aanvaard voor zover daaruit geen verdere verplichtingen voortvloeien dan zijn neergelegd in art. 68 Sr. De Hoge Raad heeft niet de positie om bij afwezigheid van een basis in wet of verdrag naar eigen inzicht beperkingen te stellen aan cumulatie van procedures.7 Dat gaat zijn rechtsvormende taak te buiten. Dat de Hoge Raad in een enkel geval, bij het asp, via de beginselen van een behoorlijke procesorde wel grenzen heeft gesteld aan cumulatie van procedures, betreft enkel om die reden al per definitie een uitzonderlijke situatie. Mogelijk zal art. 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de toekomst meebrengen dat in meer gevallen grenzen aan cumulatie van procedures worden gesteld.8 Maar een raadsman zal, als hij die toekomst dichterbij wil brengen, zich dan wel op de mogelijkheden en begrenzingen van het Handvest moeten oriënteren.9

15. Het middel faalt.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:23, NJ 2018/64. Vgl. ook HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:46 (LEMA, art. 81 RO). En zie ook HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:241, NJ 2017/289 m.nt. Reijntjes (randvoorwaardenkorting op GLB-inkomenssteun) en HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3062 (bestuursrechtelijk huisverbod).

2 Zie ook ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2062: de rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling overwogen ‘dat het onderzoek naar de rijgeschiktheid en het schorsen van de geldigheid van het rijbewijs geen criminal charge is in de zin van artikel 6 van het EVRM’. Volgens ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1460 maken ‘de kwalificatie die de wetgever aan de maatregel geeft, het met de maatregel beoogde doel, de aard en de zwaarte van de maatregel en het ontbreken van een punitief karakter ervan (…) dat de maatregel niet is aan te merken als een straf of een sanctie’. Vgl. nog eerder ABRvS 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5465.

3 Wat de hoogte van de kosten betreft: het hof stelt vast dat de kosten van het onderzoek naar de geschiktheid blijkens de brief van het CBR € 306 (kosten opleggen) en € 684 (uitvoering onderzoek) bedroegen. Uit vergelijking van de tarieven kan worden afgeleid dat de kosten van een EMA cursus wat lager liggen, maar ook weer niet heel veel lager. Het ging in 2013 – evenals thans – om een verschil van € 192. Deze tarieven waren tot 1 januari 2016 opgenomen in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Zie voor de met ingang van 1 januari 2018 geldende tarieven: art. 1.10 en bijlage IX van de Regeling tarieven Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen 2018 (Stcrt. 2017, 70100).

4 Stcrt. 2016, 65362, p. 4.

5 Zie HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205, NJ 2016/72 m.nt. Reijntjes; HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:241, NJ 2017/289 m.nt. Reijntjes; HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3062; HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3122, NJ 2018/94 m.nt. Reijntjes en HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:23, NJ 2018/64. Vgl. recentelijk over rechtspraak inzake ne bis in idem onder meer J.H. Crijns en M.L. van Emmerik, ‘Samenloop tussen strafrecht en punitief bestuursrecht. Zoeken naar evenredige bestraffing’, NJB 2018, p. 1094-1103 alsmede de rubriek ‘Bestuursstrafrecht’, DD 2018, p. 306-310, van de hand van A.R. Hartmann en H.J.B. Sackers.

6 Nadat het toenmalige kabinet in 2009 aan de Tweede Kamer had bericht dat dit protocol kan worden geratificeerd, heeft het kabinet in 2013 benadrukt dat ratificatie geen prioriteit geniet (Kamerstukken II 2012/13, 33 400 V, nr. 146, p. 5-6). Thans staat het Zevende Protocol vermeld op de lijst van verdragen (peildatum 1 januari 2018) waarvan de indiening ter goedkeuring eerst op lange termijn te verwachten valt of ten aanzien waarvan nog geen beslissing is genomen over de wenselijkheid van partij worden (Kamerstukken II 2017/18, 34 775 V, nr. 66, lijst II). Ik merk hierbij op dat in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering – door twijfel of art. 404 lid 2 Sv houdbaar is in het licht van art. 2 lid 2 van het Zevende Protocol – de vraag is opgekomen of ratificatie aangewezen is (p. 8 van de MvT bij het concept van het wetsvoorstel van boek 5, ‘Rechtsmiddelen’; https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/modernisering-wetboek-van-strafvordering/documenten).

7 Vgl. ook de noot van Reijntjes onder HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205, NJ 2016/72 onder 3.

8 Luidend: ‘Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.’ Zie daarover recentelijk HvJ (Grote Kamer) 20 maart 2018, C-524/15, ECLI:EU:C:2018:197, Strafzaak tegen Luca Menci.

9 Zie wat die begrenzingen betreft vooral art. 51, eerste lid, Handvest: ‘De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.’ Zie voor een strafzaak waarin art. 50 Handvest speelde bijvoorbeeld HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:241, NJ 2017/289 m.nt. Reijntjes, rov. 4.3.2.