Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:68

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
17/01541
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:379
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG. ’Zwarte Piet’-overval. 1. Opzet medeplichtigheid aan diefstal met geweld. 2. Vordering b.p. Rechtstreekse schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01541

Zitting: 30 januari 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 19 december 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. subsidiair “medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, en 2. subsidiair “medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Ten slotte heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen voorwerp, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G.G.J. Knoops, mr. E. Vogelvang en mr. N.M.K. Damen, allen advocaat te Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De onderhavige zaak is in de media bekend geworden onder de naam ‘Zwarte Piet’-overval. Het gaat daarbij om een overval op een Avia-tankstation te Borne, waarbij de medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte als Zwarte Piet verkleed waren. De verdachte is door het hof aangemerkt als medeplichtige aan deze overval.

  4. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid bewezen kan worden verklaard.

  5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat:

“1. subsidiair
[medeverdachte] , op 30 november 2014, in de gemeente Borne, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, toebehorende aan (tankstation) Avia (gelegen aan de Europastraat 28), welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen een persoon, genaamd [slachtoffer] in haar functie als servicemedewerker in de shop van de Avia, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat [medeverdachte] :
- zich – verkleed als “zwarte piet”- naar voornoemde shop (van de Avia) heeft begeven en
- (vervolgens) is hij, verdachte ( [medeverdachte] ) – terwijl hij een houten knuppel ter hand had genomen – op de balie van die shop (waarachter zich op dat moment [slachtoffer] bevond – gesprongen en
- (vervolgens) heeft hij, verdachte ( [medeverdachte] ) met kracht [slachtoffer] met die knuppel tegen het hoofd geslagen en
- (vervolgens) heeft hij, verdachte ( [medeverdachte] ) geld uit de kassalade gepakt,
ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder andere) (licht) hersenletsel en (blijvend) letsel aan het gehoor (doofheid aan een oor), heeft opgelopen,
tot en bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte in de maanden november en december 2014, te Hengelo, en de gemeente Borne, opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door:
- samen met [medeverdachte] (via Google Maps) de voorverkenning – met betrekking tot diverse tankstations – te doen en
- (samen met [medeverdachte] ) in een (personen)auto naar voornoemd tankstation te rijden en
- (aldaar) in de directe nabijheid van het tankstation in de auto [medeverdachte] (als zwarte piet) te schminken en
- naar voornoemd tankstation te lopen om te verkennen of de glazen wand van de balie wel naar beneden was en
- vervolgens [medeverdachte] op de hoogte te brengen van het feit dat hij ( [medeverdachte] ) gewoon toegang tot de kassa had en dat er op dat moment een vrouw alleen (achter de balie) aan het werk was en
- voor die Abdullah op de uitkijk te gaan staan en
- de woning van hem, verdachte, ter beschikking te stellen om de buit (geld) te verdelen en
- de woning van hem, verdachte, ter beschikking te stellen om een deel van het zwarte pieten pak te verbergen.”

6. Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair onder meer doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van aangifte, nummer PL0600-2014194489-1 (pagina’s 298 t/m 300), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] , afgelegd op 1 december 2014:
Ik doe aangifte namens de benadeelde Avia te Borne. Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik wens aangifte te doen van diefstal door middel van geweld, gepleegd op 30 november 2014 te Borne. Door het geweld heb ik letsel aan de linkerkant van mijn gezicht opgelopen.
Ik ben werkzaam bij de Avia. Ik ben servicemedewerker op diverse locaties. Ik ben werkzaam in en bij de shop van het tankstation. Op 30 november 2014 had ik van 18.00 uur tot 22.00 uur dienst bij Avia Borne, Europastraat 28.
Ik zag dat de kassa vol was en heb geld uit de kassa gehaald om dit in de kluis te doen. Toen ik bezig was met het geld in de kluis te doen kwam er een Piet binnen. Hij gooide pepernoten door de shop heen. Vervolgens zag ik hem met een blikje Red Bull richting de kassa komen lopen. Ik zag dat hij het blikje Red Bull in de afrekenbak legde. Ik pakte het blikje om dit te scannen en op dit moment zag ik dat hij een graai deed in een zak die hij bij zich had. Ik legde het blikje terug op de balie en dacht dat hij geld zou pakken om het blikje af te rekenen. Toen ik weer opkeek, stond hij op de balie. Hij stond met zijn voeten op de balie en had een houten knuppel in zijn hand. Ik zag dat hij met deze knuppel naar mijn gezicht uithaalde. Mogelijk heb ik in een shock op de knop ‘cash’ gedrukt, hierdoor ging de kassalade open. De Piet raakte mij aan de linkerkant van mijn gezicht met een forse klap en door deze klap viel ik op de grond achter de balie. Het werd mij op dat moment even zwart voor de ogen. Ik zag dat de Piet buiten naar links liep. Ik zag dat er geld uit de kassalade weg was.
Ik heb aan niemand toestemming gegeven om door middel van geweld het geld uit de kassa weg te nemen en zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen ‘Contact slachtoffer [slachtoffer] ’, nummer BVH2014202085 (pagina’s 724 t/m 725), in de wettelijke vorm opgemaakt op 16 november 2015 door [verbalisant 2] , inspecteur, en [verbalisant 3] , brigadier, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:
Op 11 november 2015 brachten wij, verbalisanten, een bezoek aan [slachtoffer] . [slachtoffer] werd op 30 november 2014 slachtoffer van een overval op een tankstation, gevestigd aan de Europastraat 28 te Borne, waar zij op dat moment werkzaam was. Wij, verbalisanten, hadden een afspraak met [slachtoffer] om te horen hoe het nu met haar is. In het gesprek met [slachtoffer] heeft zij aan ons, verbalisanten, het volgende verteld:
“Ik heb nog dagelijks last van de gevolgen van de overval gepleegd op 30 november 2014, waarvan ik slachtoffer ben geworden. De gevolgen van de klap, die ik tijdens de overval met een knuppel tegen mijn hoofd heb gekregen, zijn ernstig. Ik ben momenteel, het is nu bijna een jaar later, nog onder behandeling bij revalidatiecentrum het Roessingh. Ik ben onder behandeling bij de afdeling Niet Aangeboren Hersenletsel. Ik praat sinds de klap op mijn hoofd tijdens de overval veel langzamer en heb moeite om de juiste woorden te vinden. Mijn concentratie is ook veel slechter geworden. Ik gebruik nu een gehoorapparaat om te kunnen horen. Ook hoor ik een constante ruis in mijn hoofd, alsof er altijd een afzuigkap aan staat”.

3. Het proces-verbaal, nummer PL0600-2014202085-65 (pagina’s 1507 t/m 1510), in de wettelijke vorm opgemaakt op 10 februari 2016 door [verbalisant 1] , voornoemd, en [verbalisant 4] , brigadier van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven -als verklaring van [medeverdachte] :
Ik wil vertellen in aanwezigheid van mijn advocaat dat ik de overvaller ben van de overval op het Avia tankstation in Borne en ook van het Shell tankstation aan de Willem Otterloostraat in Hengelo.

Overval Avia tankstation Borne, 30 november 2014
V: Hoe kwam die overval tot stand?
A: Ik was geld schuldig, ik gokte in die tijd. Ik heb contact opgenomen met [verdachte] . Ik heb hem verteld dat ik geld nodig had. We zijn toen op het idee gekomen om een overval te plegen op een tankstation.
V: Wie heeft het zwarte pietenpak gekocht?
A: Ik heb in Enschede bij de Bart Smit in de binnenstad toen twee zwarte pietenpakken gekocht.
V: Wanneer hebben jullie overlegd om de overval op deze manier te plegen?
A: Dat was een aantal dagen voordat ik die zwarte pietenpakken heb gekocht.

V: Hoe zijn jullie bij het tankstation in Borne terecht gekomen?
A: We hebben eerst naar diverse tankstations op Google Maps gekeken. Dit hebben we een aantal dagen voor de overval gedaan. Op die zondag zijn [verdachte] en ik met de auto gaan rijden.
V: Wanneer hebben jullie je geschminkt?
A: We hebben ons in de auto geschminkt.
V: Waar hebben jullie de auto geparkeerd?
A: Wij hebben de auto eerst op de Oude Deldensestraat vlakbij de Europastraat en met de kruising Kempenstraat geparkeerd. Daar heeft [verdachte] mij toen geschminkt.
V: Wat heeft [verdachte] gedaan?
A: [verdachte] is uit de auto gegaan en via de Europastraat langs het Avia tankstation gelopen om te kijken of de glazen wand bij de balie naar beneden was.
V: Wat is er vervolgens gebeurd?
A: [verdachte] kwam weer terug naar de auto en vertelde dat ik gewoon toegang had tot de kassa en dat er een vrouw alleen aan het werk was in de shop van het Avia tankstation.
We hebben de auto vervolgens in de Kempenstraat aan de rechterkant net voorbij de kruising met de Lantmanstraat geparkeerd.
heeft ook het zwarte pietenpak aangetrokken.
V: Wat heb je vervolgens gedaan?
A: Ik ben vervolgens via de Lantmanstraat en een pad dat loopt vanaf de Lantmanstraat naar de Europastraat gelopen en naar het Avia tankstation gelopen.
V: Wat heb je meegenomen naar het Avia tankstation?
A: Ik heb een houten knuppel meegenomen. Ik nam de juten zak die ik had gekocht mee. In die zak zaten pepernoten en tevens zat de knuppel in de zak.
V: Hoe is het vervolgens precies gegaan?
A: Ik ben de straat waar het Avia tankstation ligt overgestoken. Ik ben de shop van het tankstation binnen gegaan. Ik ben met een blikje Red Bull naar de balie gelopen. Ik heb het blikje op de balie gezet, dit was bij de kassa waar je moet afrekenen. Ik ben op de balie gesprongen en ik had toen de knuppel in mijn rechterhand. Ik heb vervolgens die mevrouw die achter de balie stond met de knuppel op haar hoofd geslagen en daarna heb ik het geld uit de kassa gepakt.
V : Wat gebeurde er dan vervolgens?
A: Ik ben de shop uitgerend en ik ben mogelijk naar links gerend en ik ben de Europastraat overgestoken en ik ben via een tussendoor weggetje weer bij de auto gekomen. [verdachte] stond buiten bij de auto. Ik ben in de auto gestapt en [verdachte] ook en we zijn meteen weggereden. We zijn vervolgens via het station van Borne richting Almelo gereden en daarna zijn we naar Hengelo gereden. [verdachte] heeft mij de weg gewezen.
V : Waar zijn jullie in Hengelo naar toe gegaan?
A: We zijn naar het huis van [verdachte] gegaan. In de badkamer heb ik de schmink van mijn gezicht gewassen. Dat ging moeilijk en [verdachte] heeft me daarbij geholpen. Daarna zijn we naar de kamer van [verdachte] gegaan. Daar hebben we het geld geteld dat ik had weggenomen uit de kassa van het Avia tankstation in Borne.
V: Wat hebben jullie met het geld gedaan?
A: We hebben het geld verdeeld.
V: Wat hebben jullie verder die avond gedaan?

A: We hebben op de computer gekeken. De zwarte pietenpakken, de pruik en de juten zak zijn bij [verdachte] achtergebleven.

12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 5 december 2016, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
U, voorzitter, houdt mij voor dat u uit de stukken begreep dat ik van beide overvallen van tevoren wist dat ze zouden plaatsvinden.
Dat [medeverdachte] voor die tijd bij mij is gekomen met verkleedspullen en na afloop na de overval de broek bij mij heeft achtergelaten die ik weg moest maken en dat ik bij de tweede overval kort ervoor iets te drinken heb gekocht en bij [medeverdachte] ben ingestapt en ook toen wist dat er iets zou gaan gebeuren.
Dat klopt.

U houdt mij voor dat ik wel wist dat [medeverdachte] met een knuppel op pad ging. Het klopt dat ik wist dat [medeverdachte] met een knuppel op pad ging.”

7. Uit het proces-verbaal van de ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2016 blijkt dat de raadsvrouwe het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“Tot slot nog het volgende. Cliënt wist weliswaar dat [medeverdachte] een knuppel bij zich had, maar hiermee is nog niet gegeven dat hij voorwaardelijk opzet had op het plegen van dan wel medeplichtig zijn bij een overval waarbij geweld is gebruikt. Zoals gezegd had hij niets met deze overval te maken. Zelfs indien Uw Hof ervan uit zou gaan dat cliënt wel bij deze overval betrokken was, geldt dat zijn opzet er niet op was gericht dat [medeverdachte] deze knuppel zou gebruiken. Dit blijkt ook nergens uit. [medeverdachte] heeft zelf ook verklaard dat hij geen plannen had om de knuppel te gebruiken. Het vereiste opzet van cliënt ontbreekt derhalve.”

8. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Overweging met betrekking tot het bewijs” (pag. 7) voorts het volgende overwogen:

“(…) Wat betreft het verweer van de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit dat het opzet van verdachte er niet op was gericht dat de medeverdachte de knuppel zou gebruiken overweegt het hof als volgt.

Uit het dossier leidt het hof af dat verdachte voorafgaand aan de overval in het tankstation is gaan kijken. Zijn medeverdachte is vervolgens de shop van dat tankstation binnengegaan, met medeneming van een houten knuppel. Met die knuppel heeft de medeverdachte tegen het hoofd van een medewerkster van die shop geslagen en hij heeft vervolgens geld uit de kassalade gepakt. Verdachte bevond zich tijdens de overval buiten de shop van het tankstation, maar was op de hoogte van het feit dat zijn medeverdachte de overval zou uitvoeren en daarbij de houten knuppel zou meenemen.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn medeverdachte, die de shop met medeneming van een knuppel is binnengegaan, met die knuppel geweld zou gebruiken tegen personeel van de tankshop om het door hem gewenste (geld) te verkrijgen en dat hij, door de wetenschap dat er personeel in de shop aanwezig was, deze kans heeft aanvaard. Daarbij betrekt het hof dat een overval als de onderhavige op een (shop van een) tankstation in zijn algemeenheid alleen in aanwezigheid van personeel succesvol kan zijn.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.”

9. Voor een veroordeling wegens medeplichtigheid is volgens de Hoge Raad vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte telkens was gericht op het behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf dan wel op het verschaffen van gelegenheid als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2, Sr, maar ook dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.1 Het opzet van de medeplichtige behoeft niet gericht te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.2 Het voorafgaande laat bovendien onverlet dat ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan.3 Daarin schuilt een zekere spanning met de eerder genoemde, door de Hoge Raad verwoorde eis dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm is gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.4 In geval het opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het door de dader gepleegde gronddelict, dient het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht voldoende verband te houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.5 Het verschil in opzet heeft wel betekenis voor het toepasselijke strafmaximum. Artikel 49, vierde lid, Sr bepaalt in dit verband dat bij het bepalen van de straf alleen die handelingen in aanmerking komen die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, “benevens hun gevolgen”. Het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf bedraagt een derde minder dan het maximum van de straf gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. In het wettelijk systeem ligt aldus besloten dat een van de dader divergerend opzet noch aan de bewezenverklaring noch aan de kwalificatie van medeplichtigheid aan het door de begane feit in de weg hoeft te staan. Daarbij moet worden bedacht dat de medeplichtige niet als dader van het gepleegde misdrijf wordt beschouwd, maar aansprakelijk wordt gehouden voor bijstand aan de dader bij het door de laatstgenoemde gepleegde misdrijf.6

10. De stellers van het middel betogen dat het hof zijn oordeel dat het opzet van de verdachte in voorwaardelijke vorm was gericht op het gebruik van geweld onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit de verklaring van de verdachte dat hij wist dat de medeverdachte [medeverdachte] met een houten knuppel op pad ging, kan niet worden afgeleid dat het opzet van de verdachte op het gebruik van die knuppel door de medeverdachte was gericht, aldus de steller van het middel.

11. Met het middel wordt in zoverre het in het voorafgaande beschreven toetsingskader ten aanzien van het opzet van de medeplichtige miskend. Het opzet van de medeplichtige hoeft immers niet geheel overeen te komen met dat van de dader.

12. Daarbij komt het volgende. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte zich ook uitstrekte tot het bij de overval gebruik maken van geweld met de meegebrachte knuppel door de medeverdachte. Daarmee ligt in de bestreden uitspraak als het oordeel van het hof besloten dat geen sprake is van een geval waarin het opzet van de medeplichtige niet (geheel) overeenkomt met het uiteindelijk gepleegde grondfeit en daarmee afwijkt van het opzet van de pleger, zoals de stellers van het middel tot uitgangspunt nemen. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daartoe wijs ik op het volgende.

13. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ervan op de hoogte was dat zijn medeverdachte de overval op het tankstation zou uitvoeren en dat hij daarbij een houten knuppel meenam. In de bewijsvoering ligt besloten dat deze wetenschap de verdachte niet heeft belemmerd in het leveren van bijdragen van verschillende aard aan het door zijn medeverdachte gepleegde misdrijf. De verdachte heeft in dit verband onder meer samen met zijn medeverdachte via Google Maps een voorverkenning verricht, is samen met de medeverdachte naar het voornoemde tankstation gegaan, heeft zijn medeverdachte daar geschminkt als Zwarte Piet en is naar het tankstation gelopen om te verkennen of de glazen wand van de balie naar beneden was, heeft de medeverdachte [medeverdachte] daarna zijn bevindingen meegedeeld en is vervolgens op de uitkijk gaan staan terwijl zijn medeverdachte, met medeneming van een houten knuppel, de overval pleegde.

14. De voorliggende zaak vertoont gelijkenis met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1998, NJ 1998/426, zij het dat die zaak was toegesneden op medeplegen. In deze zaak had het hof vastgesteld dat de door de verdachte en zijn mededader gepleegde woninginbraak was gevolgd door geweld, gepleegd door de mededader tegen twee politieambtenaren, ten gevolge van welk geweld één van de politieagenten zwaar lichamelijk letsel had bekomen. Een cassatiemiddel was gericht tegen het oordeel van het hof dat er geen reden was de verdachte niet aansprakelijk te houden voor het geweld, omdat uit niets aannemelijk was geworden dat de verdachte had getracht zijn mededader van geweld af te houden. De Hoge Raad overwoog dat het hof klaarblijkelijk van oordeel was dat de verdachte zich enerzijds bewust was geweest van de aanmerkelijke kans dat geweld zou worden gepleegd door de ander en anderzijds zich niet heeft gedistantieerd van de gedragingen van die ander. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Daarbij nam hij in aanmerking dat het hof feitelijk had vastgesteld dat de verdachte zich niet reeds in een eerder stadium, te weten toen hem duidelijk werd dat de ander gewapend was, had gedistantieerd.

15. In HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581 was ten laste van de verdachte het medeplegen van moord op een 12-jarige jongen en het medeplegen van een poging tot moord op de moeder van die jongen bewezen verklaard. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten zich in een bus naar een woonwagenkamp in Breda hadden begeven met het plan om een man te ontvoeren en mee te nemen in die bus. Daartoe hadden zij zich geprepareerd op het gebruik van vuurwapens, waarbij zij ten minste acht wapens, waaronder wapens van zwaar kaliber en beschermende kleding tegen vuurwapengeweld, bij zich hadden. De groep, waartoe de verdachte behoorde, had zich vervolgens voor de woonwagen opgesteld waar zij de wapens gereed hielden. Eén van de mannen probeerde tevergeefs de voordeur van de woonwagen te openen. Daarna werd er door een aantal van de mannen op de ramen en de deur van de woonwagen geschoten. De verdachte bevond zich ten tijde van het schieten tussen de anderen en had zich gelijktijdig met de anderen verwijderd. In cassatie werd onder meer opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het opzet van de verdachte was gericht op de dood van de beide slachtoffers. De Hoge Raad achtte het middel ongegrond en overwoog, voor zover van belang, als volgt:

2.3.1. (…) Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof hieruit afgeleid dat bij de voorbereiding van de actie niet alleen is nagedacht over het ontvoeren van de persoon die het doel was van de actie, maar dat de verdachte en zijn medeverdachten al tijdens de voorbereiding rekening hebben gehouden met en zich rekenschap hebben gegeven van het gebruik van die vuurwapens voor het geval dat nodig zou zijn, welk gebruik ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Het Hof heeft voorts vastgesteld dat, toen het niet was gelukt de woonwagen binnen te dringen, direct door verschillende leden van de groep op lichaamshoogte en van korte afstand is geschoten op de verlichte ramen en de deur van de woonwagen, hetgeen resulteerde in 27 inslagen, en heeft het overwogen dat niet gebleken is dat het schieten ongepland is gebeurd, of vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, of uit paniek of ter verdediging, maar dat het veeleer berustte op een keuze van de groep om de woonwagen, op een tijdstip waarop de bewoners veelal thuis zijn en, naar is gebleken thuis waren, te beschieten.
Omtrent de rol van de verdachte heeft het Hof vastgesteld dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding en uitvoering van de actie, onder meer doordat hij de bij het schietincident betrokken Volkswagen Transporter heeft geregeld, hij samen met de medeverdachten in deze Volkswagen Transporter naar de woonwagen is gereden, hij aanwezig is geweest bij het schietincident, zich toen heeft opgesteld tussen de andere leden van de groep en hij zich na het schietincident gelijktijdig met de anderen heeft verwijderd.
2.3.2. Uit deze feiten en omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer 1] (…).”

16. In dit verband kan voorts worden gewezen op de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1396, NJ 2004,103.
Ten laste van de verdachte was – kort gezegd – de moord op twee Chinese mannen bewezen verklaard. De verdachte wachtte samen met zijn mededaders bij de uitgang van een snookercentrum de Chinese man op die zij wilden doden. De man kwam met een andere Chinese man naar buiten. Ook die Chinees werd gedood. De rol van de verdachte bestond daarin dat hij, bewapend met een mes, een zodanige positie innam dat de beide Chinezen niet konden ontsnappen. Ook ten aanzien van de tweede moord kon de verdachte naar het oordeel van de Hoge Raad als medepleger worden aangemerkt. Het (klaarblijkelijke) oordeel van het hof dat het opzet van de verdachte daarop in elk geval in voorwaardelijke zin ook was gericht, was niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachten hun slachtoffer bij een voor het publiek toegankelijk snookercentrum hebben opgewacht en de verdachte, toen beide Chinezen naar buiten kwamen, zijn rol is blijven vervullen.

17. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de overval op een winkel van een met personeel bemand tankstation heeft willen bevorderen, terwijl hij wist dat zijn medeverdachte met een knuppel op pad ging. Het hof heeft bij zijn oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het door zijn medeverdachte uitgeoefende geweld tegen het personeel van het tankstation de omstandigheid betrokken dat een dergelijke overval in zijn algemeenheid alleen in aanwezigheid van personeel succesvol kan zijn. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het gebruik van geweld (met de meegebrachte knuppel) als risico in het plan dat de verdachte bevorderde besloten lag, welk geweld vervolgens ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.7 Het voorafgaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn medeverdachte, die de winkel van het tankstation met het oog op een overval en met medeneming van een knuppel is binnengegaan, met die knuppel geweld zou gebruiken tegen personeel van de winkel van het tankstation om het door hem gewenste geld te verkrijgen, niet onbegrijpelijk is. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof niet gehouden.

18. Voor zover de stellers van het middel voorts nog aanvoeren dat niet is bewezen dat het opzet van de verdachte eveneens gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, wordt miskend dat dit een geobjectiveerd gevolg is. Daarmee is het gevolg ‘onttrokken’ aan het schuldverband.8

19. Voor zover in het middel een zelfstandige klacht moet worden gelezen ten aanzien van de strafmotivering, geldt dat deze berust op een onjuiste lezing van het arrest en daarmee faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klacht gaat er immers vanuit dat het opzet van de verdachte niet was gericht op het gebruik van geweld, terwijl het hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verdachte wel (voorwaardelijk) opzet had op het gebruik van geweld door de medeverdachte.

20. Het middel faalt.

21. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (€6.394,70) en de vordering van benadeelde partij Avia (€22.132,99) ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde geheel heeft toegewezen.

22. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij onder de aanhef “Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ” het volgende in:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.394,70. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de schade van de benadeelde partij niet in rechtstreeks verband staat tot de gedragingen van verdachte en dat er onvoldoende relevant verband is tussen de aan verdachte verweten gedragingen en de gevorderde schade.

Het hof stelt het volgende voorop:
artikel 51f, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) luidt als volgt:
“Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.”
In artikel 361, tweede lid, onder b, Sv keert het criterium van rechtstreekse schade terug als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering. Deze bepaling luidt:
“De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
(...)

b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit of door een ander strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.”

De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partij geleden schade om aan te kunnen nemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1522). Hierbij komt het niet alleen aan op de gedragingen die in de bewezenverklaring als zodanig zijn verwoord, maar kan ook acht worden geslagen op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen die de schade hebben veroorzaakt. Niet is uitgesloten dat de schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging als zodanig, maar dat - gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte - de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 51f, eerste lid, Sv.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de hoedanigheid van medeplichtige betrokken is geweest bij de overval op het tankstation waarbij de benadeelde partij met een knuppel tegen het hoofd is geslagen als gevolg waarvan deze letsel heeft opgelopen aan haar hoofd, waardoor er - anders dan in de door de verdediging genoemde uitspraak - sprake is van een concrete onrechtmatige daad die door de pleger en verdachte als medeplichtige is gepleegd jegens [slachtoffer] , waardoor zij schade heeft geleden. In casu bestaat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] uit zowel materiele schade (onder andere medicatie en behandelingen) als immateriële schade.

Naar het oordeel van het hof staat de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade in zodanig nauw verband met de bewezenverklaarde door verdachte gepleegde medeplichtigheid aan de diefstal met geweld op [slachtoffer] dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebracht door het bewezenverklaarde feit als bedoeld in de hierboven genoemde artikelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De hoogte van de door de benadeelde partij gevorderde schade is door de verdediging niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

(…)

Beslissing

Het hof:
(…)
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.394,70 (zesduizend driehonderdvierennegentig euro en zeventig cent) bestaande uit € 1.394,70 (duizend driehonderdvierennegentig euro en zeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.394,70 (zesduizend driehonderdvierennegentig euro en zeventig cent) bestaande uit € 1.394,70 (duizend driehonderdvierennegentig euro en zeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 66 (zesenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.


Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.”

23. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij onder de aanhef “Vordering van de benadeelde partij Avia t.a.v. [A] ” het volgende in:

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.132,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de schade van de benadeelde partij niet in rechtstreeks verband staat tot de gedragingen van verdachte en dat er onvoldoende relevant verband is tussen de aan verdachte verweten gedragingen en de gevorderde schade.

Met verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor bij de benadeelde partij [slachtoffer] voorop heeft gesteld wat betreft het toetsingskader overweegt het hof daarnaast nog als volgt.
Uit het dossier blijkt dat verdachte in de hoedanigheid van medeplichtige betrokken is geweest bij de overval op het tankstation waarbij de medewerkster die in dienst was van de benadeelde partij met een knuppel tegen het hoofd is geslagen als gevolg waarvan deze letsel heeft opgelopen aan haar hoofd, waardoor er - anders dan in de door de verdediging genoemde uitspraak - sprake is van een concrete onrechtmatige daad die door de pleger en verdachte als medeplichtige ook is gepleegd jegens de benadeelde partij Avia, waardoor deze schade heeft geleden. In casu bestaat de vordering van de benadeelde partij Avia uit materiele schade, te weten uitbetaald loon en therapiekosten.

Naar het oordeel van het hof staat de door de benadeelde partij Avia geleden schade in zodanig nauw verband met de bewezen verklaarde door verdachte gepleegde medeplichtigheid aan de diefstal met geweld op het tankstation dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan hem toegebracht door het bewezenverklaarde feit als bedoeld in de hierboven genoemde artikelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De hoogte van de door de benadeelde partij gevorderde schade is door de verdediging niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

(…)

Beslissing

Het hof
(…)
Vordering van de benadeelde partij Avia t.a.v. [A]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Avia t.a.v. [A] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 22.132,99 (tweeëntwintigduizend honderdtweeëndertig euro en negenennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Avia t.a.v. [A] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 22.132,99 (tweeëntwintigduizend honderdtweeëndertig euro en negenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 145 (honderdvijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.


Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.”

24. De stellers van het middel betogen in de eerste plaats dat het hof slechts de ontvankelijkheidstoets van art. 361, tweede lid, onder b, Sv heeft toegepast, terwijl de vordering niet inhoudelijk, aan de hand van de maatstaven voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad, is beoordeeld. Ik meen dat het middel in zoverre berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft overwogen dat sprake is van een onrechtmatige daad door de verdachte en zijn medeverdachte jegens de benadeelde partijen ten gevolge waarvan zij schade hebben geleden. Daarbij heeft het hof vastgesteld dat de verdediging de hoogte van de door beide benadeelde partijen gevorderde schade niet heeft betwist. Ook heeft het hof geoordeeld dat de door de benadeelde partijen geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 51f, eerste lid, Sv. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

25. Ten aanzien van de klacht dat het hof zijn oordeel dat er voldoende nauwe samenhang bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en de geleden schade onvoldoende heeft gemotiveerd, merk ik het volgende op.

26. Art. 361, tweede lid aanhef en onder b Sv, bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien aan haar rechtstreekse schade is toegebracht door, voor zover hier van belang, het bewezen verklaarde feit. Daarbij gaat het in wezen om een inhoudelijke toets, die impliceert dat causaal verband dient te bestaan tussen de schade en het bewezen verklaarde feit.9 Bij de beoordeling of sprake is van causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit zullen de grenzen van de in de bewezenverklaring genoemde gedraging van de verdachte niet te nauw moeten worden getrokken. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.10 Het komt bij deze vraag niet alleen aan op de gedraging die in de bewezenverklaring als zodanig is verwoord. Ook kan acht worden geslagen op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen die de schade hebben veroorzaakt.11 Het is niet uitgesloten dat de schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging als zodanig, maar dat – gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte – de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit zijn toegebracht, zoals bedoeld in art. 361, tweede lid, onder b Sv en art 51f, eerste lid, Sv.12

27. In het kader van de motivering van de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft het hof overwogen dat de verdachte als medeplichtige betrokken is geweest bij de overval op het tankstation waarbij de benadeelde partij [slachtoffer] , die als medewerkster in dienst was bij de benadeelde partij Avia (het tankstation), met een knuppel tegen het hoofd is geslagen als gevolg waarvan zij letsel heeft opgelopen aan haar hoofd. Het bewezen verklaarde letsel bestaat uit (licht) hersenletsel en blijvend letsel aan het gehoor (doofheid aan een oor). De gevorderde en door het hof toegewezen (materiële) schade van de benadeelde partij [slachtoffer] (€1.394,70) bestaat onder meer uit kosten voor medicatie, een hoortoestel, fysiotherapie en manuele therapie, terwijl de gevorderde en toegewezen immateriële schade (€5.000) onder meer betrekking heeft op psychische klachten en lichamelijke klachten waaronder een permanente gehoorbeschadiging, hoofdpijn, vermoeidheid, cognitieve klachten, uitvalsverschijnselen aan haar linkerbeen en spraakproblemen als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De gevorderde en door het hof toegewezen materiële schade van de benadeelde partij Avia bestaat onder meer uit de doorbetaling van salaris in de periode waarin de benadeelde partij [slachtoffer] in de ziektewet zat en Avia, als werkgever, op grond van de cao verplicht was tot doorbetaling van het loon en daarvoor niet verzekerd was, terwijl de benadeelde partij [slachtoffer] voorts op advies van Arboned therapie heeft gevolgd waarvan de kosten door werkgever Avia zijn voldaan.

28. In het licht van de bewijsvoering, getuigt het oordeel van het hof dat de door de benadeelde partijen [slachtoffer] en Avia geleden schade in zodanig nauw verband staat met de bewezen verklaarde door de verdachte gepleegde medeplichtigheid aan diefstal met geweld, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebracht, niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel voorts niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Voor zover aan het middel de stelling ten grondslag ligt dat de bijdrage van een medeplichtige aan een overval niet in gelijke mate als de bijdrage van de dader(s) de grondslag kan vormen voor vergoeding van door die overval veroorzaakte schade, faalt het omdat deze stelling geen steun vindt in het recht.13

29. Het middel faalt.

30. Beide middelen falen. In elk geval het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

31. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3196, HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4845.

2 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 493.

3 HR 27 oktober 1987, NJ 1988/492, m.nt. Mulder, HR 2 oktober 2007, NJ 2007/553 en HR 4 maart 2008, NJ 2008/156, HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:67.

4 Zie nader over deze spanning: H.D. Wolswijk, Medeplichtigheid en opzet, DD 2010, p. 858-882.

5 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342, m.nt. Schalken.

6 Zie ook G. Knigge, Het opzet van de deelnemer, in: Glijdende schalen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 291-321, m.n. p. 307-308.

7 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581 onder punt 6.12.

8 Vgl. G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 72 en 76-78.

9 Zie ook F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, Deventer: Kluwer 2010, p. 111 en nader Groenhuijsen in zijn noot onder HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8117, NJ 2007/295. Vgl. ook art. 6:98 BW, dat luidt: “Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”

10 HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256. Ik besprak dit vraagstuk meer uitvoerig in mijn vordering tot cassatie in het belang der wet die heeft geleid tot HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522.

11 Zie ook Groenhuijsen in zijn noot onder HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8117, NJ 2007/295.

12 Mijn ambtgenoot Machielse is in zijn conclusie voorafgaand aan HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2659 uitvoerig ingegaan op rechtspraak, in het bijzonder ten aanzien van zogenoemde vervolgdelicten. Vgl. voorts onder meer HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3291, NJ 2004/343, HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0066, NJ 2006/590 en HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:134.

13 HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5554 (rov. 3.3), HR 7 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8339, NJ 2006,615 (rov. 3.3), HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9053, NJ 2003,608 (rov. 3.4).