Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:649

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-06-2018
Datum publicatie
27-06-2018
Zaaknummer
17/00105
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1774
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de strafmotivering, in het bijzonder art. 359.6 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00105

Zitting: 26 juni 2018

(bij vervroeging)

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 23 december 2016 heeft de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de verdachte wegens 1 “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2 “overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Tevens is de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van vier maanden. Voorts is de verdachte wegens 3 “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot hechtenis voor de duur van vier weken.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat de strafmotivering, mede in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, onvoldoende met redenen is omkleed.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“feit 1:

hij op 26 januari 2013, in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op het Gronausevoetpad, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [betrokkene 1]) schade was toegebracht;

feit 2:

hij op 26 januari 2013, in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 480 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

feit 3:

hij op 26 januari 2013, in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de wegen, het Gronausevoetpad en de Floraparkstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.”

5. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 december 2016 blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte graag een werkstraf zou willen verrichten. Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat hij zich bewust is van de documentatie van de verdachte, maar dat hij voor rijden onder invloed de afgelopen vijf jaren geen veroordeling heeft kunnen vinden. Hij heeft daarop verzocht de zaken door middel van een taakstraf af te doen.

6. Het hof heeft de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot een hechtenis voor de duur van vier weken. Ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde heeft het hof voorts de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van vier maanden. Het hof heeft de strafoplegging niet nader gemotiveerd.

7. Het middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, bevat onder meer de klacht dat het hof in strijd met art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv geen opgave van de redenen heeft gegeven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

8. Ingevolge art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, dient het hof bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. Uit de strafmotivering zal expliciet moeten blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zodanige sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.1

9. De enkelvoudige kamer van het hof heeft de strafoplegging in de onderhavige zaak niet nader gemotiveerd. Aldus zijn in strijd met art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf van twee weken en hechtenis van vier weken hebben bepaald. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.2

10. Voor zover het middel klaagt over de schending van art. 359, zesde lid, Sv, is het terecht voorgesteld. Dat betekent dat de andere in het middel vervatte strafmotiveringsklacht buiten bespreking kan blijven.3

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.

2 Vgl. onder meer HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:152, rov. 2.3, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:666, rov. 2, HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193, rov. 2, HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202, rov. 2 en HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580, rov. 3.

3 Er wordt voorts geklaagd dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet met redenen omkleed heeft beslist op het straftoemetingsverweer van de raadsman van de verdachte.