Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:617

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-03-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
17/01543
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:917, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht, familierecht, onrechtmatige daad. Kinderen die onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst, door ouders meegenomen naar buitenland. Is sprake van onrechtmatige daad van de Staat en/of Bureau Jeugdzorg in geval van teruggeleiding van de kinderen naar Nederland? Klachten over betekening; art. 430 Rv jo. art. 28 Brussel II-bis. Art. 6 en 8 EVRM. (Samenhang met HR 26 juni 2015:ECLI:NL:HR:2015:752.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/01543

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 23 maart 2018

Conclusie inzake:

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

tegen

1. Staat der Nederlanden

2. Stichting Bureau Jeugdzorg Noord

In deze zaak gaat het om de vraag of een orgaan van de Staat (in het bijzonder: de Raad voor de kinderbescherming) en/of Bureau Jeugdzorg, onrechtmatig jegens de ouders hebben gehandeld, door het uitlokken of uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in het bestreden arrest van 18 oktober 2016 onder 2.1 – 2.31, hieronder verkort weergegeven:

1.1.1.

Eisers tot cassatie (hierna: de ouders) hebben een affectieve relatie met elkaar. Uit eiseres (de moeder) zijn drie dochters geboren in 2007, 2008 en 2009. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over deze kinderen.

1.1.2.

Op 23 november 2011 hebben de ouders zichzelf en de kinderen uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie van Stadskanaal. Op dezelfde dag hebben zij zich ingeschreven in Esterwegen (Bondsrepubliek Duitsland).

1.1.3.

Op 24 november 2011 heeft de Raad voor de kinderbescherming bij de rechtbank te Groningen een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van deze minderjarige kinderen en machtiging verzocht tot uithuisplaatsing. Op 25 november 2011 heeft de Raad ook een verzoek ingediend tot de voorlopige ondertoezichtstelling en tot het verlenen van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie maanden1.

1.1.4.

Bij beschikking van 25 november 2011 van de kinderrechter in de rechtbank te Groningen zijn de dochters voorlopig onder toezicht gesteld, voor de duur van drie maanden. De uitvoering werd opgedragen aan Stichting Bureau Jeugdzorg Noord (voorheen Bureau Jeugdzorg Groningen, hierna: BJZ), thans mede verweerster in cassatie. Tevens heeft de kinderrechter machtiging verleend tot (spoed)uithuisplaatsing van deze minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van vier weken. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, evenals de hierna nog te noemen beschikkingen van de kinderrechter.

1.1.5.

In november 2011 zijn de ouders met de dochters vertrokken naar Duitsland. Op 6 december 2011 heeft BJZ jegens de ouders aangifte gedaan van een misdrijf met betrekking tot het onttrekken van deze minderjarigen aan het wettig over hen gestelde gezag.

1.1.6.

Bij beschikking van 14 december 2011 heeft de kinderrechter de spoedbeschikking van 25 november 2011 bekrachtigd en de minderjarigen (definitief) onder toezicht gesteld voor het tijdvak tot 25 maart 2012. De uitvoering van deze ondertoezichtstelling werd opgedragen aan BJZ. Ook is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de dochters in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van de ondertoezichtstelling2.

1.1.7.

BJZ heeft naar aanleiding van het vertrek van de ouders met hun kinderen naar Duitsland in december 2011 contact gehad met de politie, de Raad voor de kinderbescherming, het openbaar ministerie, het Duitse Jugendamt en een kinderrechter te Groningen (mr. Flinterman). Deze kinderrechter heeft contact gehad met de heer Arlinghaus, rechter in de rechtbank Papenburg (Duitsland), en met het Bureau Liaisonrechter Internationale Kinderbescherming.

1.1.8.

Op 23 december 2011 zijn de minderjarigen door het Jugendamt vanuit hun verblijfplaats te Esterwegen ondergebracht in een kindertehuis. Op 27 december 2011 zijn de minderjarigen aan de Nederlandse grens door het Jugendamt overgedragen aan BJZ in aanwezigheid van de Nederlandse politie. De ouders hebben in Duitsland aangifte gedaan tegen medewerkers van het Jugendamt.

1.1.9.

Bij beschikking van 22 maart 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen is de ondertoezichtstelling verlengd tot 25 februari 2013 en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 25 juli 20123.

1.1.10.

Bij beschikking van 23 juli 2012 heeft de kinderrechter in de rechtbank Groningen de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 25 september 2012 en een aanwijzing van BJZ van 6 juni 2012 vervallen verklaard.

1.1.11.

Inmiddels hadden de ouders zich op 19 juni 2012 gewend tot de rechtbank te ‘s-Gravenhage met een verzoek tot nietigverklaring van voormelde beschikkingen van de rechtbank te Groningen van 24 november en 14 december 2011 en van het gerechtshof te Leeuwarden van 1 maart 2012, met een verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige kinderen naar de ouders in Duitsland en met een aantal nadere verzoeken betreffende maatregelen van jeugdbescherming4. Daarnaast verzochten de ouders de rechtbank voor recht te verklaren dat de feitelijke uithuisplaatsing onrechtmatig was.

1.1.12.

De rechtbank te ‘s-Gravenhage heeft bij beschikking van 20 juli 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3679) deze verzoeken gesplitst. Wat betreft de verzochte verklaring voor recht, heeft de rechtbank bepaald dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure5. Dit afgesplitste gedeelte betreft de vordering die in het huidige cassatieberoep aan de orde is (zie hierna: alinea 1.2 en volgende). Wat betreft de overige verzoeken, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage het verzoek om nietigverklaring van de genoemde rechterlijke beschikkingen en het verzoek om teruggeleiding van de minderjarige kinderen naar Duitsland afgewezen. Ten aanzien van de verzoeken genoemd onder 3 – 8 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage zich relatief onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank te Groningen6.

1.1.13.

Bij beschikking van 21 september 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Groningen is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 25 februari 20137.

1.1.14.

Op 28 september 2012 hebben de ouders bij gelegenheid van een begeleid bezoek de minderjarigen meegenomen naar Duitsland. BJZ heeft diezelfde dag aangifte gedaan van onttrekking van de minderjarigen aan het wettig over hen gestelde gezag. De officier van justitie heeft Europese arrestatiebevelen jegens de ouders uitgevaardigd en opsporingsmiddelen ingezet.

1.1.15.

Bij beschikking van 8 oktober 2012 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Groningen verzoeken van de ouders om (als spoedvoorziening) te verklaren dat de uithuisplaatsing per 24 juli 2012 is vervallen en een omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Bij beschikking van diezelfde dag heeft de kinderrechter de ouders niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot vervallenverklaring van een aanwijzing van BJZ van 8 juni 2012. Tevens werden de verzoeken afgewezen ten aanzien waarvan de rechtbank Den Haag zich op 20 juli 2012 relatief onbevoegd had verklaard.

1.1.16.

BJZ heeft op 22 november 2012 de Nederlandse Centrale Autoriteit verzocht om een verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen in te dienen bij de Duitse Centrale Autoriteit. De Nederlandse Centrale Autoriteit heeft een zorgmelding gedaan bij de Duitse Centrale Autoriteit.

1.1.17.

In een kort geding hebben de ouders gevorderd, kort gezegd, dat aan de Staat zal worden gelast alle opsporingsactiviteiten te beëindigen en alle arrestatiebevelen in te trekken. Bij vonnis van 14 december 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Groningen deze vordering afgewezen8.

1.1.18.

Na verscheidene verlengingen van de ondertoezichtstelling en van de machtiging uithuisplaatsing9 wonen de kinderen sinds maart 2015 weer bij de ouders in Duitsland. Van enige kinderbeschermingsmaatregel is sedertdien geen sprake meer geweest.

1.2

De onderhavige procedure is – zoals in de rubrieken 1.1.11 en 1.1.12 al aan de orde kwam – ingeleid met een verzoekschrift. Zoals gezegd, heeft de rechtbank bepaald dat de procedure wat betreft de verzochte verklaring voor recht dat de feitelijke uithuisplaatsing onrechtmatig was, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure. In de loop van het geding is de Staat − als de publiekrechtelijke rechtspersoon waartoe de Raad voor de kinderbescherming behoort – als verweerder gesteld in plaats van de Raad voor de kinderbescherming.

1.3

Na voormelde tussenbeschikking van 20 juli 2012 hebben de ouders de procedure voortgezet als een dagvaardingsprocedure en bij akte van 20 december 2012 hun eisen gewijzigd. Zij hebben gevorderd:

a. voor recht te verklaren dat BJZ en de Raad voor de kinderbescherming op 23 december 2011 onrechtmatig de kinderen uit Duitsland hebben laten weghalen en doen overbrengen tot aan de Nederlandse grens en vervolgens onrechtmatig de kinderen op verschillende geheime adressen in Nederland hebben ondergebracht tot 29 september 2012;

b. te bevelen dat BJZ en de Raad voor de kinderbescherming alle maatregelen te staken om de kinderen uit Duitsland naar Nederland te brengen en opdracht geeft aan Justitie in Nederland en het Jugendamt om alle opsporingsactiviteiten naar de ouders en kinderen en (verdere) bemoeienis te staken;

c. BJZ en de Raad voor de kinderbescherming, hoofdelijk, te veroordelen tot vergoeding van alle schade als gevolg van het onrechtmatig optreden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d. bij wijze van voorschot op de definitieve schadeloosstelling BJZ en de Raad voor de kinderbescherming, hoofdelijk, te veroordelen tot betaling van € 250.000,- aan de ouders.

1.4

De Staat en BJZ hebben afzonderlijk verweer gevoerd. Bij vonnis van 20 maart 2013 (ECLI:NL:RBDHA:BZ7380) heeft de rechtbank Den Haag de vorderingen van de ouders afgewezen.

1.5

De ouders zijn van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Naast de vernietiging van het vonnis van 20 maart 2013, vorderen zij het volgende:

A. de gerelateerde schendingen van Unieverdrag, het handvest van de grondrechten, Brussel II-bis, Haags Kinderontvoeringsverdrag en de schendingen van het IRVK etc. voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.

B. bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, vast te stellen dat

I. de kinderen onrechtmatig bij hun ouders in Duitsland zijn weggehaald in de periode vanaf 23 december 2011 tot 27 december 2011 en vervolgens op 27 december 2011 onrechtmatig zijn overgedragen aan de grens aan Bureau Jeugdzorg en de politie en vervolgens de ouders en de kinderen onrechtmatig onderworpen zijn aan kinderbeschermingsmaatregelen en blootstelling aan (internationale) vervolging en dat geïntimeerden voor de schade daarvan aansprakelijk zijn.

II. alle beschikkingen vanaf 25 november 2011 houdende kinderbeschermingsmaatregelen /afwijzing van de verzoeken tot terug geleiding vervallen dan wel nietig te verklaren wegens ontbreken van (absolute en relatieve) bevoegdheid wegens het niet voldoen aan de minimale eisen die ingevolge wetboek van Rechtsvordering en Rechterlijke organisatie, art. 6 EVRM en art. 47 van het handvest en het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 en het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) aan rechtspleging en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen worden gesteld.

III. geen behoorlijke toetsing conform art. 47 van het Handvest, art. 6 EVRM door een onafhankelijke rechter binnen een redelijke termijn (4 dagen) na de inbreuken op de mensenrechten en met name de rechten van het kind heeft plaatsgevonden.

IV. de Unieverordening 2201/2003 (Brussel II bis), de verordening 1348/2000 en HKOV en het Unieverdrag door Nederland niet, althans niet naar behoren zijn nageleefd.

V. de bemoeienis van mr. Flinterman, mr. Arlinghaus en de officieren van justitie de Vries en Severs bij het weghalen van de kinderen uit Duitsland en het uitvaardigen van (Europese) arrestatiebevelen en (het geven van toestemming tot) voor de inval en het binnenbreken bij grootmoeder onrechtmatig is geweest.

VI. alle bemoeienis van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming niet gebaseerd is geweest op feiten en op wettelijke gronden en derhalve onrechtmatig is geweest.

VII. de kinderrechtbeschikkingen geen werking kunnen hebben dan na betekening conform art. 430 lid 3 Rv en de tenuitvoerlegging van alle beschikkingen in dezen onrechtmatig is geweest.

En voorts:

VIII. te bevelen, dat de Staat alle arrestatiebevelen intrekt en dat geïntimeerden alle maatregelen staken om de kinderen uit Duitsland naar Nederland te brengen alsmede opdracht geeft aan justitie in Duitsland en het Jugendamt om alle opsporingsactiviteiten naar appellanten en naar de kinderen en iedere bemoeienis met de kinderen en appellanten te staken. Zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding van het te geven bevel na betekening van het ten dezen te wijzen bevel.

IX. geïntimeerden te veroordelen hoofdelijk tot vergoeding van alle schade, die appellanten als gevolg van het onrechtmatig optreden hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

X. geïntimeerden te veroordelen, hoofdelijk, tot betaling aan appellanten van een bedrag van € 250.000,- als voorschot op de definitieve schadeloosstelling.

1.6

Daarnaast hebben de ouders (onder C) voorlopige voorzieningen gevorderd die door het hof zijn afgewezen en in cassatie geen rol meer spelen. Deze blijven verder onbesproken.

1.7

Bij eindarrest van 18 oktober 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:3497) heeft het hof appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep voor zover dit mede was gericht tegen een – niet bestaand − vonnis van 4 februari 2013. Voor het overige heeft het hof het vonnis van 20 maart 2013 bekrachtigd.

1.8

De ouders hebben tegen dit arrest – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De Staat en BJZ hebben, ieder voor zich, geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 6.7. De klacht houdt in dat het hof in deze overweging heeft miskend dat de nationale rechter de volle werking van het recht van de Europese Unie dient te waarborgen, alsook de verplichtingen die voortvloeien uit art. 6 EVRM. De toelichting op deze klacht onder 1.1 in de cassatiedagvaarding10 verwijst onder meer naar het Köbler-arrest11, ten betoge dat de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn indien de nationale rechter internationale verdragen of het Unierecht niet goed toepast. Volgens de ouders is het Unierecht, met inbegrip van het Handvest voor de grondrechten, hier van toepassing omdat de ouders in november 2011 vanuit Nederland naar Duitsland zijn verhuisd. Rov. 6.7, waarin het hof van een andere rechtsopvatting uitgaat, is volgens de klacht daarom onjuist. Daarnaast wordt het middelonderdeel aangevoerd dat uitspraken van de nationale rechter die in strijd zijn met het EVRM onder omstandigheden een onrechtmatige daad kunnen opleveren waarvoor de Staat aansprakelijk kan worden gesteld. Voor zover de Nederlandse rechtspraak een beperkter criterium aanhoudt12 achten de ouders in strijd met art. 13 EVRM. Het hof zou ook dit hebben miskend.

2.2

In rov. 6.1 – 6.8 behandelt het hof de vorderingen onder A (verklaring voor recht), B-II (vervallen- of nietigverklaring van eerdere rechterlijke beslissingen), B-III (vaststelling van onvoldoende rechterlijke toetsing) en B-IV (vaststelling van niet naleven van verdragen en/of verordeningen van de Europese Unie door de gedaagden). In rov. 6.5 en 6.6 – in cassatie onbestreden − is het hof tot de slotsom gekomen dat de ouders hun vorderingen onder B-II, B-III en B-IV onvoldoende hebben onderbouwd en dat ook hetgeen de ouders bij pleidooi in hoger beroep hebben aangevoerd geen wijziging brengt in deze slotsom. In de daarop volgende overweging 6.7 is het hof nader ingegaan op de vordering van de ouders onder A (hun verzoek om negen door hen genoemde en in rov. 6.6 door het hof samengevatte punten voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Het hof heeft in rov. 6.7 de vordering onder A opgevat als een verzoek van de ouders aan het hof om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen op de voet van art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Die lezing van de vordering onder A is in cassatie niet bestreden.

2.3

Het hof heeft aan dit verzoek van de ouders niet voldaan, samengevat om drie redenen:

(i) Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU bestaat slechts aanleiding indien in een geding waarin Europese regelgeving aan de orde is onduidelijk is hoe die regelgeving moet worden uitgelegd. Daartoe is onvoldoende gesteld: volgens het hof hebben de ouders in dit geding niet betoogd dat sprake is van enige onduidelijkheid omtrent de uitleg van het Unierecht: hun betoog hield in dat het Nederlandse systeem met betrekking tot de totstandkoming en tenuitvoerlegging van machtigingen tot uithuisplaatsing van minderjarigen als zodanig strijdig is met de door hen genoemde verdragen. Waarin volgens de ouders de beweerde strijdigheid precies zit, is uit hun stellingen (en uit de toelichting daarop bij de mondelinge behandeling in hoger beroep) echter niet duidelijk geworden voor het hof.

(ii) De negen door de ouders genoemde punten betreffen zonder uitzondering vragen die in de eerdere procedures bij de nationale rechter reeds aan de orde zijn gesteld dan wel aan de orde hadden kunnen worden gesteld. Die procedures hebben geleid tot rechterlijke beslissingen die inmiddels in kracht van gewijsde zijn gegaan (zie het overzicht van de vaststaande feiten). Op deze rechterlijke beslissingen kan niet worden teruggekomen langs de weg van een vordering uit onrechtmatige daad; daartegen verzet het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich.

(iii) Het hof leest in de stellingen van de ouders, c.q. in hun bezwaren tegen het Nederlandse systeem met betrekking tot de totstandkoming en tenuitvoerlegging van machtigingen tot uithuisplaatsing van minderjarigen, niet een – in dat kader wellicht meer voor de hand liggende – vordering tegen de Staat uit hoofde van onrechtmatige, want met hogere regelgeving strijdige, nationale wetgeving. In dit verband heeft het hof erop gewezen dat de ouders het geschil zoals dat in de memorie van grieven is geschetst door middel van een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ter beoordeling hebben voorgelegd en dat het EHRM hen in hun klacht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

In rov. 6.8 is het hof – ten overvloede − ingegaan op elk van deze negen punten afzonderlijk.

2.4

Het middelonderdeel komt niet met een concrete klacht op tegen het oordeel dat hiervoor onder (i) is samengevat. Het hof heeft op die grond het verzoek onder A kunnen afwijzen. De nationale rechter kan op de voet van art. 267 VWEU aan het HvJ EU prejudiciële vragen stellen, maar alleen over de uitleg van het recht van de Europese Unie. Het hof heeft ten behoeve van de ouders nog verduidelijkt dat, voor zover hen voor ogen heeft gestaan dat het hof zaak prejudiciële vragen stelt aan het EHRM of zelfs de zaak doorverwijst naar dat hof, dit naar geldend recht niet mogelijk is.

2.5

Het middelonderdeel komt niet met een concrete klacht op tegen het oordeel dat hiervoor onder (ii) is samengevat. De gevorderde vervallenverklaring of nietigverklaring van de eerdere rechterlijke beslissingen behoort dus niet tot de mogelijkheden, onverminderd de constatering van het hof in rov. 6.5 en 6.6 dat de ouders daartoe onvoldoende hebben gesteld. Het middelonderdeel bestrijdt niet de vaststelling van het hof dat de negen door de ouders genoemde punten alle betrekking hebben op vragen die door hen in de eerdere procedures aan de orde zijn gesteld althans aan de orde hadden kunnen worden gesteld. Het bestrijdt evenmin de vaststelling dat deze procedures hebben geleid tot rechterlijke beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan. De maatstaf voor aansprakelijkheid van de Staat voor onrechtmatige rechtspraak in geval van niet of onjuist toepassen van het recht van de Europese Unie is inderdaad een andere dan de maatstaf in het nationale recht zoals deze blijkt uit het genoemde arrest van de Hoge Raad van 3 december 1971. Uit het aangehaalde arrest Köbler/Oostenrijk blijkt dat voor aansprakelijkheid van een Lid-Staat wegens miskenning van het Unierecht, voortvloeiend uit een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, moet worden voldaan aan de volgende vereisten: (a) de geschonden rechtsregel strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen, (b) er is sprake van een voldoende gekwalificeerde schending en (c) er bestaat een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze schending van de op de Lid-Staat rustende verplichting en de door de betrokkene geleden schade13.

2.6

In eerste aanleg was het verzoek (later: de gewijzigde vordering) van de ouders niet gegrond op aansprakelijkheid van de Staat ter zake van onrechtmatige rechtspraak14. De ouders hebben (naast BJZ) de Raad voor de kinderbescherming (later: de Staat) in rechte betrokken omdat zij hem (later: de Staat) aansprakelijk achtten voor bepaalde gedragingen van de Raad voor de kinderbescherming. In hoger beroep hebben de ouders hun vorderingen en de grondslag daarvan gewijzigd. Het hof heeft in rov. 3.2 (in cassatie onbestreden) de grieven en de in appel gewijzigde vorderingen opgevat in die zin dat het weghalen van de kinderen uit Duitsland en het brengen van de kinderen in de Nederlandse rechtssfeer zoals dit is geschied in de periode van 23 – 28 december 2011, volgens de ouders onrechtmatig is geweest. Het zou daarbij gaan om onrechtmatig handelen van de Staat, doordat onrechtmatig is gehandeld door de Raad voor de kinderbescherming en door rechters en raadsheren en het O.M.. Het hof verwijst naar het debat in eerste aanleg en naar de inleiding van de memorie van grieven en maakt hieruit op dat het onderzoek in hoger beroep zich kan beperken tot het gestelde onrechtmatig handelen in de periode van 23 - 28 december 2011. In rov. 5.4 (in cassatie evenmin bestreden) heeft het hof deze uitleg van de grieven herhaald. Het hof begrijpt hetgeen daaromtrent door de ouders is gesteld aldus, dat het onrechtmatig handelen van genoemde ‘staatsorganen’ zich toespitst op betrokkenheid bij de tenuitvoerlegging in de genoemde periode in 2011. Het is het hof niet ontgaan dat de ouders ook kritiek hebben geuit op beschikkingen, vonnissen en arresten die nadien zijn uitgesproken, maar het hof heeft die stellingen niet opgevat als een ter zake doende onderbouwing van de vordering van de ouders (zie rov. 5.6).

2.7

Tegen deze achtergrond geeft het oordeel in rov. 6.7 (zoals samengevat onder ii hiervoor) niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middelonderdeel is bedoeld als aanloop naar de klachten onder 2 – 6, verwijs ik naar de bespreking van die klachten. Het middelonderdeel komt niet op tegen het oordeel dat hiervoor onder (iii) is samengevat. Mijn slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

2.8

Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op een essentiële stelling van de ouders, over schending van art. 7, 42 en 47 Handvest van de grondrechten en art. 6 en 8 EVRM en schending van het beginsel van equality of arms in “diverse rechterlijke uitspraken”15. In het bijzonder klagen de ouders over het niet toestaan en niet mogelijk maken door de rechterlijke instanties van onafhankelijk onderzoek naar de geschiktheid van de ouders. Aan het slot van dit middelonderdeel klagen de ouders dat het hof zich heeft beperkt tot twee beschikkingen van de kinderrechter: die van 25 november 2011 en van 14 december 2011.

2.9

Om met dit laatste te beginnen: in dit middelonderdeel wordt miskend dat het hof de grondslag van de vorderingen van de ouders heeft opgevat op de wijze zoals vermeld in rov. 3.2. De grondslag van de gewijzigde vordering was dat een of meer functionarissen waarvoor de Staat aansprakelijk is in de periode van 23 tot en met 28 december 2011 jegens de ouders onrechtmatig hebben gehandeld bij het weghalen van de kinderen in Duitsland en het in de Nederlandse rechtssfeer brengen van de kinderen. Voor de beoordeling van die stelling aan de hand van de in die periode getroffen maatregelen van kinderbescherming waren de beschikkingen van de kinderrechter van 25 november 2011 en 14 december 2011 van belang. Daarop doelt het hof, hetgeen niet onbegrijpelijk is en overigens niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

2.10

De klacht over een schending van het beginsel van equality of arms in zaken van kinderbescherming is in het middelonderdeel toegelicht met een verwijzing naar het arrest Korošec/Slovenië van het EHRM16. Volgens de ouders blijkt uit dat arrest dat de nationale rechter vanuit het oogpunt van equality of arms erop dient toe te zien dat de rapportage wordt uitgebracht door een onafhankelijke deskundige althans de mogelijkheid van een tegenonderzoek door zodanige deskundige. Volgens de klacht is de ‘bron van ellende’ in dit geval het onjuiste rapport van de Raad voor de kinderbescherming waarin staat dat de ouders niet geschikt zouden zijn om voor deze kinderen te zorgen.

2.11

Op de in 2011 getroffen maatregelen waren nog de art. 1:254 (oud) BW e.v. van toepassing. De kinderen zijn door de kinderrechter onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst naar aanleiding van een verzoekschrift waaraan een rapport van 21 pagina’s van de Raad voor de kinderbescherming van 22 november 2011 was gehecht17. De klacht doelt kennelijk op het gebruik van dat rapport door de kinderrechter en in hoger beroep door het gerechtshof (zie de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 1 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9985, reeds aangehaald, waarin dit rapport uitvoerig is besproken).

2.12

Ook in zaken van personen- en familierecht geldt dat een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM meebrengt dat elke procespartij een redelijke kans of gelegenheid behoort te krijgen om haar zaak te bepleiten zonder dat sprake is van een substantieel ongelijke positie ten opzichte van de wederpartij. In de vakliteratuur is in dit verband naar voren gebracht dat de partijen in een procedure over kinderbeschermingsmaatregelen niet altijd gelijkwaardig zijn: de verzoekende instantie is een repeat player, die vertrouwd is met de eisen die door de rechterlijke instanties aan bewijsstukken worden gesteld en beschikt over de middelen om (aanvullende) bewijsstukken te laten vervaardigen. Een particulier die wederpartij is, heeft deze schaalvoordelen niet en beschikt niet altijd over de financiële middelen om een contra-expertise te bekostigen18. Ter compensatie hiervan, kunnen ouders die het niet eens zijn met het resultaat of met de wijze van totstandkoming van een door de Raad voor de kinderbescherming in het geding gebracht rapport, de rechter verzoeken een nader onderzoek te laten instellen door een onafhankelijke deskundige (zie art. 810a lid 2 Rv). In dit geval hebben de ouders een dergelijk verzoek kunnen richten tot de kinderrechter en in hoger beroep tot het gerechtshof. Nadat bij genoemde beschikking van 1 maart 2012 de beschikking van de kinderrechter van 14 december 2011 was bekrachtigd, heeft de Hoge Raad op 4 januari 201319 het daartegen ingestelde cassatieberoep verworpen.

2.13

Zoals het hof in het thans bestreden arrest aangeeft, is het niet mogelijk die rechterlijke beslissingen open te breken (ditmaal langs de weg van een vordering tegen de Staat uit hoofde van onrechtmatig handelen van de Raad voor de kinderbescherming of van een of meer personen of instanties voor wier gedragingen de Staat verantwoordelijk is). Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich daartegen. Indien de ouders voor ogen staat dat sprake is van een gekwalificeerde schending van het Unierecht, inzonderheid van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, heeft het hof tot de slotsom kunnen komen dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, op basis waarvan toepasselijkheid van die bepaling kan worden aangenomen, gelet op art. 51 van het Handvest. De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.

2.14

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 6.8 (eerste gedachtestreepje). De klacht houdt in dat het hof ten onrechte overweegt dat niet vaststaat dat het gezin vanaf 9 november 2011 tot 18 oktober 2016 (datum arrest) permanent in Duitsland gevestigd was. Evenzeer ten onrechte heeft het hof de gevolgtrekking gemaakt dat de kinderen op 25 november 2011 hun (vaste) verblijfplaats in Nederland hadden. Volgens het middelonderdeel is dit in tegenspraak met hetgeen het hof in de rov. 2.4 en 2.8 had vastgesteld. Verder wordt geklaagd dat het bestreden oordeel berust op een onjuiste toepassing van art. 8 en art. 17 van Brussel II-bis20.

2.15

Vooraf merk ik op dat rov. 6.8 door het hof uitdrukkelijk is aangemerkt als een overweging ten overvloede. Indien de middelonderdelen 1 en 2 niet slagen, behoeven alle middelonderdelen die tegen rov. 6.8 zijn gericht geen behandeling meer omdat de ouders daarbij geen belang hebben: het eindoordeel van het hof wordt gedragen door andere in het arrest genoemde gronden. Om deze reden ga ik slechts kort in op de inhoudelijke aspecten van deze klachten.

2.16

De ouders hadden aangevoerd dat zij reeds op 9 november 2011, dus vóór de datum waarop de voorlopige ondertoezichtstelling werd uitgesproken, met hun kinderen naar Duitsland zijn verhuisd en zich daar permanent hebben gevestigd. De Staat en BJZ hebben die stelling gemotiveerd betwist. In het bestreden arrest onder 2.4 en 2.8 (behorende tot de opsomming van de vaststaande feiten) heeft het hof geen vaststelling gedaan die logisch onverenigbaar is met hetgeen het hof in rov. 6.8 overweegt. Onder 2.4 vermeldt het hof het feit van de uitschrijving op 23 november 2011 uit de basisadministratie in Stadskanaal en de inschrijving in Esterwegen (zie rubriek 1.1.2 hiervoor); onder 2.8 vermeldt het hof slechts het feit dat de ouders in de maand november 2011 met de kinderen naar Duitsland zijn vertrokken. Wat betreft de periode vanaf 23 november 2011 heeft het hof aan deze administratieve handelingen niet de gevolgtrekking verbonden, noch behoeven te verbinden, dat de kinderen vanaf die datum hun gewone verblijfplaats hadden in de Bondsrepubliek Duitsland in de zin van art. 8 van Verordening 2201/2003, zoals het middelonderdeel veronderstelt. Voor zover het middelonderdeel opnieuw de vraag aan de orde wil stellen of het oordeel in overeenstemming is met de genoemde Verordening, verdient opmerking dat hierover een beslissing is genomen in de beschikking van het hof van 1 maart 2012. Dat oordeel is na een cassatieberoep van de ouders in stand gebleven. Om deze redenen faalt onderdeel 3.

2.17

Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 6.8 (tweede gedachtestreepje). Het hof overweegt dat met de (meergenoemde) beschikking van de Hoge Raad van 4 januari 2013 onherroepelijk vaststaat dat de kinderen op 25 november 2011 (datum voorlopige ondertoezichtstelling) hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Het hof is verder van oordeel dat de Unierechtelijke vrijheid van verkeer van personen en goederen in deze zaak niet aan de orde is: niet kan worden gezegd dat de Nederlandse instanties eind 2011 hebben ingegrepen in een in Duitsland gevestigd gezin. In dit verband verwijst het hof naar rov. 4.2 van het vonnis in eerste aanleg.

2.18

Het middelonderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een verkeerde toetsing van een gestelde schending van het vrije verkeer van personen. Deze klacht ontbeert de voor een cassatiemiddel vereiste precisie, welke niet alleen nodig is voor de cassatierechter, maar ook voor de wederpartij(en) om zich daartegen behoorlijk te kunnen verdedigen21. Reeds om deze reden moet aan de klacht worden voorbijgegaan. Overigens blijkt uit de verwijzing door het hof naar het vonnis van de eerste rechter voldoende wat het hof hierbij voor ogen heeft gestaan. De rechtbank had in rov. 4.2 het volgende overwogen:

“De rechtbank stelt voorop dat de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 14 december 2011, en daarmee de beschikking van 25 november 2011 van die kinderrechter, met de beschikking van de Hoge Raad van 4 januari 2013 rechtens onaantastbaar is. Aldus staat onherroepelijk vast dat de kinderrechter in de rechtbank Groningen ten aanzien van de verzoeken van de Raad tot (voorlopige en definitieve) ondertoezichtstelling van de minderjarigen met de daarbij behorende verzoeken tot verlening van een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing aan BJZ internationaal bevoegd is geweest op de grond dat de minderjarigen op 25 november 2011 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Tevens staat de juistheid van de beslissingen tot (voorlopige en definitieve) ondertoezichtstelling, verlenging van de machtigingen tot (spoed)uithuisplaatsing en uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Groningen onherroepelijk vast. Voor zover de ouders in de onderhavige procedure de juistheid van de inhoud van de beschikkingen van 25 november en 14 december 2011 bestrijden, gaat de rechtbank gelet op het vorenstaande daaraan voorbij. Uit dit een en ander vloeit tevens voort dat, anders dan de ouders betogen onder verwijzing naar de vermelding van hun emigratie in de beschikking van 25 november 2011, geen sprake is geweest van een valse aangifte van kinderontvoering door BJZ op 6 december 2011.”

2.19

Hieruit volgt dat de ouders al eerder aan de rechter de vraag hebben voorgelegd hoe invulling moet worden gegeven aan het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de Verordening 2201/2003 (Brussel II-bis). Zoals A-G Vlas in alinea 2.5 van zijn conclusie voor HR 4 januari 2013 heeft opgemerkt, is de invulling van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in art. 8 lid 1 van deze verordening nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard22 en heeft het hof tot het oordeel kunnen komen dat de uitschrijving van de ouders en hun kinderen uit de gemeentelijke basisadministratie in Nederland en hun inschrijving op dezelfde dag in een bevolkingsregister in Duitsland niet doorslaggevend kunnen zijn als het gaat om de vraag of de ‘gewone verblijfplaats’ van de kinderen als bedoeld in de verordening Brussel II-bis is gewijzigd. Tegen deze achtergrond heeft het hof in rov. 6.8 van het thans bestreden arrest de gevolgtrekking kunnen maken dat de kinderen op 25 november 2011 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Onderdeel 4 faalt.

2.20

Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 7.1 en 7.2, waarin het hof heeft geoordeeld dat de beschikkingen tot uithuisplaatsing van rechtswege het recht (van BJZ) meebrachten tot het doen afgeven van de kinderen. Om deze beschikking werking te doen hebben jegens de ouders, achtte het hof een betekening van de beschikking aan hen, in de zin van art. 430 Rv, niet nodig. In rov. 7.2 achtte het hof bovendien niet aannemelijk dat de ouders voorafgaand aan de overdracht van de minderjarige kinderen aan de Duits/Nederlandse grens, niet op de hoogte waren van de verzoeken tot, en de verlening van, de machtigingen tot uithuisplaatsing. De klacht houdt in dat dit oordeel van het hof uit gaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het hof aan een essentiële stelling van de ouders is voorbijgegaan: de maatregelen (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) zijn volgens de klacht genomen zonder vooraf de ouders te horen: zij konden geen rekening daarmee houden en wisten niet eens dat een verzoek daartoe was ingediend.

2.21

De beschikkingen van de kinderrechter van 25 november 2011 en de beschikking van 14 december 2011 zijn vermeld in de rubrieken 1.1.4 en 1.1.6 hiervoor. Art. 812 Rv bepaalt dat een beschikking betreffende de gezagsuitoefening over minderjarigen van rechtswege het recht geeft op afgifte van deze minderjarige. Voor het aan zich doen afgeven van de kinderen (door de Duitse kinderbeschermingsautoriteiten) aan BJZ was niet vereist dat vooraf een betekening van de beschikking van de kinderrechter aan de ouders had plaatsgevonden. In de redenering van het hof is het niet zo gegaan dat deze beschikkingen van de Nederlandse kinderrechter ten uitvoer zijn gelegd in Duitsland zonder dat is voldaan aan het vereiste van betekening als bedoeld in art. 28 lid 1 van de verordening Brussel II-bis. Hoewel het slot van onderdeel 5 hierover anders denkt, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk: het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het optreden van de Duitse autoriteiten strekte ter uitvoering van de Duitse nationale regelgeving op het gebied van de kinderbescherming en dat het niet aan het hof was, om de activiteit van de Duitse instanties te toetsen aan de Duitse regelgeving.

2.22

De toelichting op deze klacht verwijst naar HR 18 april 1990, BNB 1990/195, rov. 5.5. Nog daargelaten dat het daar ging om een belastingrechtelijke procedure, kan deze verwijzing de ouders niet baten: de vaststelling in rov. 2.7 en 2.10 dat de kinderrechter uitspraak heeft gedaan op de verzoeken van de Raad voor de kinderbescherming om de kinderen onder toezicht te stellen en machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing is niet bestreden. Vanaf de uitspraak (de openbaarmaking) van die beslissing van de kinderrechter waren de ouders beperkt in hun ouderlijk gezag en kon BJZ de afgifte van de kinderen eisen. De stelling dat de ouders geen afschrift van de beschikking van de kinderrechter hebben ontvangen heeft niet tot dat de beschikking van de kinderrechter geen rechtskracht heeft jegens de ouders. Bovendien berust de beslissing van het hof ook nog op een tweede grond die de beslissing zelfstandig kan dragen: in rov. 7.2 heeft het hof − op de daar aangegeven gronden – het onaannemelijk geacht dat de ouders niet op de hoogte zouden zijn geweest van de verzoeken tot en de verlening van de machtigingen tot uithuisplaatsing van hun kinderen. Onderdeel 5 faalt.

2.23

Onderdeel 6 is gericht tegen rov. 6.8 (vijfde gedachtestreepje) en tegen rov. 8.2. De klacht heeft betrekking op het oordeel dat het beweerde onrechtmatig handelen van de Duitse autoriteiten bij het ‘oppakken’ van de kinderen in Duitsland en het overdragen van de kinderen op 27 december 2011 bij de Duits/Nederlandse grens aan BJZ niet kan worden toegerekend aan de Staat, noch aan BJZ. Dit oordeel gaat volgens het middelonderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ontoereikend gemotiveerd, in zoverre dat het hof de feitelijke samenwerking tussen de Nederlandse en de Duitse autoriteiten niet heeft meegewogen. In dit verband is ter toelichting op de klacht gesteld dat het hof ervan uitgaat dat het betekeningsvoorschrift in art. 28 Brussel II-bis niet is nageleefd met betrekking tot de beschikkingen van de kinderrechter van 25 november 2011 en 14 december 2011.

2.24

In rov. 8.2 overweegt het hof dat het overdragen van de kinderen door de Duitse autoriteiten aan BJZ op 27 december 2011 een feitelijke handeling is geweest, die niet geschiedde tot de tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Nederlandse kinderrechter. Voor het overige doelt de klacht kennelijk op het contact dat een Nederlandse rechter heeft gelegd met een Duitse rechter (zie rubriek 1.1.7 hiervoor). Uit de brief van 9 november 201223 maak ik op dat nadat een verblijfplaats van de kinderen bekend was geworden, de rechter Flinterman contact heeft opgenomen met het Jugendamt, dat verwees naar de rechter Alinghaus. Ook stuurde deze rechter een mail naar het Bureau Liaisonrechter te Den Haag. Dit bureau liet weten dat er een Handleiding uitvoerbaarheid kinderbeschermingsmaatregelen van de Nederlandse kinderrechter in EU-lidstaten24 is, waarin beschreven staat wat de mogelijkheden voor BJZ zijn. In deze handleiding staat beschreven wat een BJZ kan doen om een beschikking van een Nederlandse kinderrechter in het buitenland ten uitvoer te leggen. Op de laatste pagina is, als alternatief, de zorgmelding genoemd. Het doel van een zorgmelding is dat de autoriteiten in het bestemmingsland op de hoogte worden gesteld van het feit dat het kind zich in dat land bevindt en dat er een aanleiding is om maatregelen te treffen op grond van het recht van dat land. Een zorgmelding kan geschieden langs de formele weg via de Centrale Autoriteit van het land of informeel door contact op te nemen met de terzake bevoegde organisatie in het desbetreffende land25. In de onderhavige zaak lijkt de informele weg gekozen te zijn. Of daarvan sprake is geweest, staat slechts ter beoordeling van de rechter die over de feiten oordeelt. Hoe dan ook, het hof heeft tot het oordeel kunnen komen dat van een (formele of de facto) tenuitvoerlegging van een beschikking van de Nederlandse kinderrechter in Duitsland in strijd met de bepalingen van de Verordening Brussel II-bis geen sprake is geweest. In rov. 10 – in cassatie onbestreden − heeft het hof ook de overige vorderingen, gebaseerd op een onrechtmatig optreden van de Duitse autoriteiten waarvoor de ouders de Staat en/of BJZ aansprakelijk houden, afgewezen. De slotsom is dat onderdeel 6 faalt.

2.25

Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv

1 Zie de artikelen 1:254, 1:255 en 1:261 (oud) BW.

2 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft op 1 maart 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9985) het hoger beroep van de ouders afgewezen voor zover gericht tegen de voorlopige ondertoezichtstelling. Het hof heeft voor het overige de beschikking van 25 november 2011 en de beschikking van 14 december 2011 bekrachtigd. Het door de ouders daartegen ingestelde beroep in cassatie is verworpen in HR 4 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY7753; art. 81 RO).

3 Deze beschikking is bekrachtigd door het gerechtshof te Leeuwarden op 18 oktober 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1757).

4 Het betreft, kort gezegd, verzoeken om (3) de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onmiddellijk te beëindigen; (4) subsidiair: de gezinsvoogd te ontheffen van haar taak en de grootmoeder van de minderjarigen of een niet aan BJZ verbonden persoon te benoemen tot voogd; (5) een bijzonder curator voor de minderjarigen te benoemen; (6) de aanwijzing van BJZ van 6 juni 2012 vervallen te verklaren en te bepalen dat de ouders en de minderjarigen op ieder moment bij elkaar op bezoek mogen komen; (7) de minderjarigen onder toezicht te stellen van een Duitse kinderbeschermingsorganisatie dan wel te plaatsen in Duitsland in de buurt van de woonplaats van de ouders; (8) een kinder- en jeugdpsychiater aan te wijzen als onafhankelijke deskundige om de situatie van de minderjarigen te onderzoeken.

5 Zie art. 69 (oud) Rv.

6 Bij beschikking van 29 augustus 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8436) heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Op 5 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6365; art. 81 RO) heeft de Hoge Raad het daartegen gerichte cassatieberoep van de ouders verworpen.

7 Bij beschikking van 10 januari 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0168) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikkingen van de kinderrechter van 23 juli en 21 september 2012 bekrachtigd.

8 Deze beslissing is bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 juni 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:CA2168). Bij arrest van de Hoge Raad van 8 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1135) zijn de ouders met toepassing van art. 80a RO niet ontvankelijk verklaard in hun daartegen ingestelde cassatieberoep.

9 Zie daarover: HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:443, NJ 2014/437 m.nt. Th.M. de Boer, gevolgd door HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1752, NJ 2015/309.

10 Op grond van art. 419 lid 1 Rv bepaalt de cassatierechter zich bij zijn onderzoek tot de middelen waarop het beroep in cassatie steunt. Op klachten in een schriftelijke toelichting die in het middel geen steun vinden wordt geen acht geslagen, tenzij de wederpartij op dit punt de rechtsstrijd heeft aanvaard. Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 7, 2015/221.

11 HvJEG 30 september 2003, Köbler/Oostenrijk, C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513, NJ 2004/160 m.nt. M.R. Mok, AB 2003/429 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven.

12 De toelichting verwijst in dit verband naar HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6788, NJ 1972/137 m.nt. G.J. Scholten, en voorts naar Asser Procesrecht/Giesen, 1, 2015/117 – 121.

13 Zie nadien nog: HvJ EG 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, ECLI:EU:C:2006:391, NJ 2006/543 m.nt. M.R. Mok; HvJ EU 24 november 2011, Commissie/Italië, C-379/10, ECLI:EU:C:2011:775; HvJ EU 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito, C-160/14, ECLI:EU:C:2015:565, AB 2016/1 m.nt. R. Ortlep; HvJ EU 28 juli 2016, Milena Tomášová, C-168/15, ECLI:EU:C:2016:602, AB 2016/296 m.nt. R. Ortlep. Het vraagstuk is in breder verband besproken door de A-G Wissink in zijn recente conclusie ECLI:NL:PHR:2018:54.

14 Zie de samenvatting van de grondslag van de vordering in rov 3.2 van het vonnis van 20 maart 2013.

15 De klacht preciseert deze uitspraken niet. Uit de toelichting onder 2.3 (cassatiedagvaarding blz. 8) maak ik op dat de ouders bedoelen: de beschikkingen van: Hof Leeuwarden van 1 maart 2012, rechtbank Groningen van 22 maart 2012, 23 juli 2012 en 8 oktober 2012 en rechtbank Den Haag van 20 juli 2012.

16 EHRM 8 oktober 2015 (nr. 77212/12), ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, AB 2016/167 m.nt. T. Barkhuijsen en M.L. van Emmerik.

17 Het rapport van 22 november 2011 is overgelegd als prod. 1 bij Antwoordakte van de Raad voor de kinderbescherming d.d. 22 augustus 2012 houdende uitlating gevorderde verklaring voor recht.

18 C. Forder, Kroniek van het personen-en familierecht, NJB 2016/1816, blz. 2574 e.v.

19 ECLI:NL:HR:2013:BY7753, reeds aangehaald.

20 Bedoeld is Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, Pb EG 2003 L 338/1.

21 Vgl. s.t. namens de Staat, blz. 8 onder 2.22.

22 De s.t. namens BJZ verwijst op blz. 18 ook naar HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833, NJ 201/311 m.nt. Th.M. de Boer.

23 Brief van de teamvoorzitter van de rechtbank Groningen aan de advocaat van de ouders, overgelegd als productie 20 bij memorie van antwoord aan de zijde van de Staat van 11 maart 2014.

24 Deze handleiding (d.d. 5 juli 2007) is door de ouders overgelegd als productie 5 bij akte uitlating na wrakingsincident, tevens akte overlegging van stukken, van 24 februari 2015.

25 Ter zijde vermeld ik nog het verslag van een schriftelijk overleg inzake gezinnen die naar het buitenland vertrekken om jeugdbescherming te ontlopen, Kamerstukken II, 2008-2009, 31 839, nr. 10, blz. 9-10.