Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:610

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-06-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
17/05379
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1. Meineed. Volgt uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor dat verdachte als getuige onder ede een verklaring heeft afgelegd? Eisen art. 207 Sr; 2. Verwerping verweer; en 3. Redelijke termijn. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05379

Zitting: 12 juni 2018 (bij vervroeging)

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 3 maart 2017 voor: in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

2. Mr. M. Jansen, advocaat te Spijkenisse, heeft cassatie ingesteld en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat uit het proces-verbaal van getuigenverhoor voldoende blijkt dat de verdachte als getuige is beëdigd omdat niet uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat verdachte de door de wet gevorderde eed of belofte op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft afgelegd.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"zij op 8 juni 2015 te Rotterdam bij de Rechter-Commissaris (tijdens een verhoor van haar, verdachte als getuige in de strafzaak tegen [betrokkene 1]), zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift de verklaring onder ede vordert mondeling en persoonlijk opzettelijk de volgende valse verklaring(en) onder ede heeft afgelegd:

"U vraagt of ik [betrokkene 1] ken. Ik heb die naam pas leren kennen toen ik op het politiebureau kwam. Ik heb hem dus voor de eerste keer gehoord na de dag waarop ik thuiskwam en tot mijn grote schrik zag dat het huis een ravage was."

en

"Het is ook niet zo dat ik achteraf heb begrepen wie [betrokkene 1] was. Ik had die persoon tevoren nooit gezien."

en

"U vraagt mij of ik [betrokkene 1] kende als het ex-vriendje van mijn dochter. Nee, ik kende [betrokkene 1] niet"

en

"U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik [betrokkene 1] oppervlakkig kende en dat ik hem wel eens tegen kwam op de markt en dat hij één van degenen was die in mijn woning een kamer huurde. [betrokkene 1] kende ik niet"."

3.3. Verdachte is zelf niet ter terechtzitting van het hof verschenen. Wel was aanwezig een bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat die erop heeft gewezen dat uit het proces-verbaal van getuigenverhoor niet kan blijken dat is vastgelegd dat de getuige de eed of belofte heeft afgelegd.

3.4. Het hof heeft in het bestreden arrest dienaangaande het volgende overwogen:

“Op 20 januari 2012 is het strafrechtelijk onderzoek ‘Lombok’ gestart, op die datum is de door de verdachte gehuurde woning aan de [a-straat 1] te Dordrecht betreden. In het kader van dat onderzoek werden 2 mannen, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) verdacht van het voorhanden hebben, verpakken en verhandelen van verdovende middelen in die woning.

De verdachte is aanvankelijk ook vervolgd voor deze zaak, maar is door de rechtbank vrijgesproken.

De verdachte is vervolgens op 8 juni 2015 onder ede als getuige bij de RC gehoord in de strafzaak tegen [betrokkene 1].

Uit het – door de rechter-commissaris en de griffier getekende – proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 juni 2015 (onderaan p. 3) blijkt voldoende dat verdachte als getuige was beëdigd. Dat zij vervolgens geweigerd heeft de verklaring te ondertekenen, doet daar niet aan af.”

3.4. De strafrechter zal zelfstandig moet onderzoeken of de verklaring onder ede is afgelegd, hetgeen wil zeggen dat is voldaan aan de voorschriften van de Eedswet. Dat zal doorgaans kunnen blijken uit het proces-verbaal waarin de verklaring die onder ede is afgelegd is opgenomen. Voldoende is dat in dat proces-verbaal is vermeld dat betrokkene de door de wet gevorderde eed op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft afgelegd. Dat kan echter ook uit de inhoud van andere bewijsmiddelen worden vastgesteld.1 De strafrechter kan een beschikking van de civiele rechter, waarin is opgenomen "als verklaring van M.J.B als getuige op 24 november 2005 (belofte)" aldus uitleggen dat de in die beschikking vermelde verklaring door de verdachte is afgelegd nadat hij op de bij de wet voorgeschreven wijze voorafgaand aan het getuigenverhoor in handen van de civiele rechter de belofte heeft afgelegd de waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Die uitleg is volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat door of namens verdachte in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat de belofte niet op de bij wet voorgeschreven wijze is afgelegd terwijl het proces-verbaal van verhoor van de verdachte als getuige ook inhoudt dat de verdachte voorafgaand aan dat verhoor de belofte heeft afgelegd dat hij als getuige de waarheid zal spreken tijdens het verhoor.2

3.5. In de onderhavige zaak is in feitelijke aanleg wel betwist dat de getuige de eed of belofte heeft afgelegd. Bewijsmiddel 1 bevat het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 8 juni 2015 dat de verklaring van verdachte als getuige weergeeft en waarin als onderdeel van haar verklaring is te lezen:

“U houdt mij voor dat ik nu een andere verklaring afleg dan dat ik bij de politie heb gedaan en dat u om die reden op verzoek van de officier van justitie mij zult beëdigen. Ik heb op uw verzoek zojuist de belofte afgelegd. Mijn verklaring is mij nogmaals voorgelezen door de griffier en ik zeg u dat deze verklaring klopt.”

De zinsnede in de bewezenverklaring "dat zij (...) opzettelijk de volgende valse verklaring(en) onder ede heeft afgelegd" zal als een verwijzing naar de eisen van artikel 207 Sr moeten worden opgevat. De mededeling van de verdachte dat zij op verzoek van de rechter-commissaris zojuist de belofte heeft afgelegd is naar mijn oordeel onvoldoende om aan te kunnen nemen dat aan alle eisen van het eerste lid van artikel 207 Sr is voldaan.

Het middel slaagt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof de juistheid van een verweer in het midden heeft gelaten hoewel dat verweer niet door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd, waardoor een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is blijven bestaan dat niet verdachte maar een ander de berichten heeft verzonden of ontvangen.

4.2. Als bewijsmiddel 2 heeft het hof een proces-verbaal van bevindingen van de politie gebruikt. In dat proces-verbaal is onder meer opgegeven dat er contacten zijn geweest tussen de telefoon van [betrokkene 1] en het telefoonnummer 06-[001], van welk telefoonnummer de opmaker van het proces-verbaal verklaart dat dit nummer kennelijk dus in gebruik was bij verdachte. Als "Bron 3" is ook een verklaring van verdachte opgenomen waarin verdachte geconfronteerd wordt met de resultaten van het uitlezen van de telefoons en waaruit zou blijken dat verdachte zeer veel sms'jes heeft verzonden naar en gekregen van [betrokkene 1]. Daarop antwoordt verdachte dat dat klopt en dat het gaat om sms'jes tussen vriend en vriendin. Het hof heeft uit deze uitlating van verdachte kunnen afleiden dat zij zeer veel sms'jes heeft gekregen van en verzonden naar [betrokkene 1]. Aldus heeft het hof het verweer gepareerd dat de sms berichten van [betrokkene 1] voor een ander dan voor verdachte bestemd waren en ook door een ander aan [betrokkene 1] waren verzonden.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie omdat het dossier niet binnen acht maanden na het instellen van het cassatieberoep ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.

5.2. Op 3 maart 2017 is het cassatieberoep ingesteld. Op 6 november 2017 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De door de stellers van het middel genoemde data zijn dus juist. Maar omdat naar mijn oordeel het eerste middel terecht is voorgesteld en het bestreden arrest daarom behoort te worden vernietigd, kan deze klacht onbesproken blijven.

6. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het derde middel kan onbesproken blijven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3839.

2 HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2954, r.o. 4.3.