Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:606

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-06-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
16/05392
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beslissing AG: geen nader onderzoek met het oog op herziening in zaak levenslang veroordeelde. Louis H. werd op 21 november 2006 onherroepelijk veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens de moord op twee kinderen, negen en zes jaar oud, van een vriendin van hem. De kinderen en hun moeder werden op 5 maart 1984 in hun Amsterdamse woning levenloos aangetroffen. H. werd niet veroordeeld voor de moord op de vrouw; de ook tenlastegelegde doodslag was verjaard. De beslissing van de advocaat-generaal volgt op een advies van de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS). Deze adviescommissie adviseert over de wenselijkheid en de inhoud van nader onderzoek. Ook de ACAS ziet geen gronden voor nader onderzoek. Tegen de beslissing van de AG is geen hoger beroep mogelijk. De onherroepelijke veroordeling blijft in stand. Wel staat het de veroordeelde vrij (opnieuw) een herzieningsverzoek in te dienen bij de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Geachte heer Peters,

Bij schrijven van 3 november 2016 heeft u het verzoek gedaan tot het instellen van een nader onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 457, eerste lid, onder c, Sv, namens uw cliënt [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1955 (nader ook te noemen: verzoeker). De verzoeker is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2005 ter zake van “moord, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Bij arrest van 21 november 2006 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.

Bij brief van 17 november 2016 heb ik uw verzoek voorgelegd aan de Adviescommissie Afgesloten Strafzaken (de ACAS) voor advies over de wenselijkheid en haalbaarheid van het onderzoek zoals door u verzocht. Daarbij heb ik de commissie meegegeven ook aandacht te besteden aan de vraag of er mogelijk andere aanknopingspunten zijn voor nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor herziening van de onherroepelijke veroordeling van de verzoeker.

Bij schrijven van 22 december 2017 heeft de ACAS mij haar advies in handen gesteld. In het advies heeft de ACAS gemotiveerd waarom zij geen reden ziet voor een nader onderzoek als verzocht. Een afschrift van dit advies is u toegezonden. Bij brief van 25 januari 2017 heeft u gereageerd op het advies. Voorts heeft [betrokkene 1] op 5 mei 2017 mij nog een brief gestuurd met betrekking tot het verzoek, maar aangezien dat schrijven niet door een advocaat is ingediend heb ik daarvan in het kader van mijn beslissing op het verzoek geen kennis kunnen nemen.

Naar aanleiding van uw verzoek om nader onderzoek deel ik u mede dat hetgeen namens de verzoeker naar voren is gebracht mij geen aanleiding geeft om af te wijken van het advies van de ACAS. Uw reactie op dat advies maakt dat niet anders.

Ter onderbouwing van mijn standpunt zal ik hieronder nader ingaan op de punten die u in uw reactie op het ACAS-advies naar voren heeft gebracht.

  1. Als algemene opmerking gaat u in op het formele karakter van het advies van de ACAS en maakt u bezwaar tegen het feit dat de ACAS nader onderzoek door deskundigen heeft doen uitvoeren. Daartoe is de ACAS echter wel degelijk bevoegd. Ik verwijs u in dat verband naar Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken, Stb 2012, 405, in het bijzonder art. 8, derde lid.

  2. Een andere algemene opmerking die u maakt is dat u van oordeel bent dat de ACAS ten onrechte vooruit is gelopen op het juridische oordeel dat geen sprake is van een novum. Uiteraard heeft u het gelijk aan uw zijde als u opmerkt dat in de huidige fase van de procedure voor beantwoording van die vraag geen plaats is. De ACAS geeft er echter in haar conclusie blijk van dit punt niet te hebben miskend. Deze conclusie van de ACAS luidt immers dat naar haar oordeel geen aanleiding aanwezig is voor onderzoek naar het bestaan van gronden voor herziening.

  3. Het onderzoek van J. van der Sleen. De ACAS geeft mijns inziens voldoende duidelijk en wat mij betreft ook overtuigend aan dat het door Van der Sleen uitgevoerde onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige 1] geen aanleiding geeft voor nader onderzoek op dit punt, ook niet waar het betreft een nader onderzoek naar de verklaring van [getuige 2] . Het benoemen van een tweede deskundige, zoals u in uw reactie als wenselijkheid formuleert, is gelet op de onderbouwing van het advies van de ACAS evenmin aangewezen.

  4. Het onderzoek van K. Meijer. Zoals u zelf ook aangeeft is in dit geval niet sprake van een onderzoek door een deskundige en de scriptie van K. Meijer kan dus ook niet als zodanig worden opgevoerd in een herzieningsaanvraag. In uw reactie werpt u nog enkele vraagtekens op die de ACAS ‘uit nieuwsgierigheid’ had kunnen oppakken. Ik meen echter dat hetgeen door Meijer is gesteld niet noopt tot nader onderzoek. Het gestelde betreft naar mijn oordeel een betwisting van feitelijke vaststellingen die door het hof destijds tegen de achtergrond van het dossier zijn verricht. Nieuwe gegevens die zouden kunnen leiden tot herziening van de veroordeling komen met hetgeen Meijer heeft aangevoerd niet in zicht.

  5. Het onderzoek van A.W.C.J. Hendriks. In uw reactie gaat u eerst in op de wijze waarop het briefrapport van Prof. dr. Kubat van het NFI tot stand is gekomen. De tussenkomst daarbij van de officier van justitie Van Schaijck geeft mij echter geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van het door de deskundige van het NFI gegeven oordeel. Ik zie ook geen aanleiding om dit punt nader te (doen) onderzoeken. Dat, anders de ACAS, mede aan de hand van het rapport van Prof. Kubat concludeert, er wel een wetenschappelijke basis zou zijn om aan de hand van (steek)letsels de hand waarmee is gestoken te bepalen is onvoldoende aannemelijk geworden. De verwijzing naar een concrete strafzaak waarin het gerechtshof aan de hand van een aantal feitelijke vaststellingen het als het meest waarschijnlijk scenario heeft geoordeeld dat de dader met zijn linkerhand heeft gestoken maakt dat niet anders. In dat verband wijs ik er voorts op dat de houdingen waarin de slachtoffers van de slachtoffers in de onderhavige zaak zijn aangetroffen geen eenduidige aanwijzingen opleveren voor de (linker of rechter)hand waarmee is gestoken. Over de positie van de dader ten opzichte van de slachtoffers is evenmin objectieve nadere informatie voorhanden. Hetgeen Dr. Hendriks, blijkens haar rapport dat als bijlage is gevoegd bij uw onderzoeksaanvraag als uitgangspunt neemt, is op dat punt speculatief en levert daarom ook op zichzelf genomen al onvoldoende grond op om nog nader onderzoek naar de mogelijke links- of rechtshandige toebrenging van de steekwonden te doen.

  6. Het onderzoek van dr. J. Bloem. Zoals de ACAS stelt is gelet op de (wetenschappelijke) onmogelijkheid om vast te stellen of de steekletsels met de linker- dan wel de rechterhand zijn toegebracht een nader onderzoek naar de handvoorkeur van de verzoeker niet opportuun. Waar de ACAS methodologische gebreken in rapportage van drs. Bloem beschrijft is dat in wezen een aspect dat ten overvloede geldt. De conclusie dat een nader onderzoek naar de handvoorkeur van de verzoeker geen nuttig doel kan dienen staat voorop. Deze conclusie wordt door mij onderschreven. Voor een (herhaald) onderzoek naar de handvoorkeur van verzoeker is geen goede grond aanwezig.

  7. Het onderzoek van Dr. Spendlove. Naar ik meen is bij de ACAS uiteindelijk geen misverstand aanwezig geweest over de (slot)conclusie van Dr. Spendlove, die luidt dat ‘het tijdstip van overlijden eerder in de richting van zaterdag 03 maart 1984 overdag zal zijn gelegen dan het op zondag 04 maart 1984 gelegen is.” Van wezenlijk belang is dat deze conclusie het zgn. ochtendscenario, waarbij het tijdstip van de bewezenverklaarde feiten op zondagmorgen 4 maart 1984 is gesteld, niet uitsluit. Het door de ACAS aan prof. Dr. W. Duijst verzochte onderzoek falsifieert het zgn. ochtendscenario evenmin. Haar conclusie is dat het tijdstip van overlijden ten tijde van de sectie op minimaal 24 uur tot maximaal 72 uur moet worden gesteld. Beide rapportages in samenhang bezien is er geen aanleiding om te veronderstellen dat nader onderzoek op het punt van het tijdstip van overlijden van de slachtoffers een gegeven kan opleveren dat met kans op succes in een herzieningsprocedure kan worden aangevoerd.
    Voor de volledigheid ga ik nog in op het misverstand dat bij prof. Duijst zou zijn gerezen met betrekking tot de door Dr. Spendlove gebruikte foto’s. Wat daarvan zij, in ieder geval is duidelijk dat de door prof. Duijst gebruikte foto’s wel de originele (kleuren)foto’s betreffen. Door het mogelijke misverstand wordt haar conclusie derhalve geenszins aangetast. Waar in uw reactie gesuggereerd wordt dat de officier van justitie - net als u betoogt ten opzichte van Dr Kubat (zie hierboven punt 5) - invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud van het rapport van de deskundige Duijst concludeer ik dat elke redelijke grond voor die suggestie ontbreekt. Nader onderzoek op dit punt zal ik derhalve niet uitvoeren.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat ik geen gronden aanwezig acht om de nadere onderzoekswensen die u op p. 17 van uw reactie formuleert in te willigen.

Het verzoek om nader onderzoek wijs ik derhalve af. Ik vertrouw erop u en uw cliënt hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open, maar zij belemmert de verzoeker niet zich met een verzoek tot herziening te wenden tot de Hoge Raad der Nederlanden.

Deze beslissing en het advies van de ACAS zullen geanonimiseerd worden gepubliceerd op de website van de rechterlijke macht: www.rechtspraak.nl.

Hoogachtend,

A.E. Harteveld
advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Adviescommissie afgesloten strafzaken

Postbus 20303 2500 EH Den Haag

Bezoekadres:

Korte Voorhout 8

2511 EK Den Haag

Zaak [verzoeker] (ACAS 034)

Beknopt relaas van de feiten

Op maandag 5 maart 1984 rond 18:00 uur treft een bovenbuurman in de woonkamer van de woning aan de [a-straat] te Amsterdam de levenloze lichamen aan van zijn drieëndertigjarige buurvrouw [slachtoffer 1] en haar zesjarige zoon [slachtoffer 2] . In de slaapkamer van de woning bevindt zich nog een derde slachtoffer: dochter [slachtoffer 3] van negen jaar oud wordt dood aangetroffen in haar bed. Het jongste kind van [slachtoffer 1] , haar één-jarige zoontje [betrokkene 2] , staat huilend in zijn box en is zonder verwondingen. Uit onderzoek blijkt dat [slachtoffer 1] is gewurgd met een koord. Ondanks het feit dat [slachtoffer 2] steekwonden aan hals en rug heeft, is hij volgens de patholoog-anatoom door verwurging om het leven gekomen. Dochter [slachtoffer 3] blijkt te zijn overleden als gevolg van acht steekwonden in hartstreek en hals.

Omdat sporen van braak ontbreken en omdat [slachtoffer 1] nooit voor onbekenden de deur van het slot haalde, gaat de politie ervan uit dat de dader een bekende van haar is geweest. Op 18 maart 1984 wordt verzoeker, een vriend van [slachtoffer 1] , als verdachte aangehouden. Hij blijkt eerder als getuige te hebben gelogen over zijn aanwezigheid bij de woning van de slachtoffers op 4 maart 1984. Hierna stokt het onderzoek echter, waarna de voorlopige hechtenis van verzoeker enige tijd later wordt opgeheven. Op 7 november 1984 wordt het gerechtelijk vooronderzoek gesloten.

Jaren later, kort voordat de onopgeloste zaak verjaart, besteedt misdaadverslaggever Peter R. de Vries aandacht aan de zaak. Hij spoort een voormalig partner van verzoeker op, te weten getuige [getuige 1] , die vervolgens een voor verzoeker belastende verklaring aflegt. Haar verklaring vormt uiteindelijk aanleiding om het onderzoek - bijna achttien jaar later - te heropenen. Hierna melden zich meer getuigen. Twee voormalig medegedetineerden van verzoeker ( [getuige 3] en [getuige 4] ), verklaren – evenals [getuige 1] - dat zij van verzoeker hebben gehoord dat hij – verzoeker – een vrouw en (haar) twee kinderen heeft vermoord. Een andere voormalige partner van verzoeker ( [getuige 5] ) vult in 2002 haar reeds in 1984 afgelegde verklaringen aan en zegt onder meer dat verzoeker zich bij haar heeft schuilgehouden voor de politie – in de uren voordat de slachtoffers werden ontdekt - en haar bij die gelegenheid heeft gevraagd om een (bloed)vlek uit zijn jas te wassen. Tevens wordt een NN-verklaring afgelegd door een vrouw met de status van bedreigde getuige. Zij stelt dat verzoeker haar heeft verkracht en vervolgens tegen haar heeft gezegd: “Je houdt je bek dicht. Je zegt niets, anders dan kill ik je, net als die [slachtoffer 1] ”.

Rechtsgang

Verzoeker is op 5 februari 2003 door de Rechtbank Amsterdam tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (ECLI:NL:RBAMS:2003:AF3996). Verzoeker werd vrijgesproken van de moord op [slachtoffer 1] ; omdat de subsidiair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer 1] inmiddels was verjaard, werd het Openbaar Ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker in hoger beroep op 22 juli 2005 ter zake van dezelfde feiten veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf (ECLI:NL:GHAMS:2005:AT9964).

Op 21 november 2006 heeft de Hoge Raad het namens verzoeker ingestelde cassatieberoep verworpen (ECLI:NL:HR:2006:AY7757, NJ 2007/543).

Op 19 december 2012 heeft verzoeker een herzieningsverzoek ingediend, waarbij vijf ‘nova’ zijn ingebracht, bestaande uit vier verklaringen, afgelegd in 2009 en 2012, en een transcriptie van een opgenomen gesprek uit maart 2012 tussen [getuige 5] en [betrokkene 1] , de echtgenote van verzoeker. Deze ‘nova’ zien op de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 4] (bewijsmiddelen 25 en 26), [getuige 1] (bewijsmiddelen 23 en 24) en [getuige 5] (bewijsmiddelen 16, 17 en 18).

Op 11 februari 2014 heeft de Hoge Raad dit herzieningsverzoek conform de daaraan voorafgaande conclusie van 19 november 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:1296) afgewezen, omdat het aangevoerde, noch op zichzelf genomen, noch in onderling verband en samenhang beschouwd, het ernstig vermoeden kon wekken als bedoeld in artikel 457, eerste lid aanhef en onder 2e Sv, mede gelet op hetgeen is vooropgesteld “inhoudend dat bij de beoordeling van een en ander alle door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en gegeven nadere bewijsoverwegingen moeten worden betrokken (ECLI:NL:HR:2014:287, r.o. 5.9). Daargelaten dat het aangevoerde hiervoor onvoldoende was, geen wezenlijk ander licht kon werpen op de bewijsvoering, danwel betrekking had op gegevens waar de rechter bekend mee was en waarop uitdrukkelijk was beslist, werd in het herzieningsverzoek immers niet ingegaan op de verklaring van voormalig medegedetineerde [getuige 3] dat verzoeker hem heeft verteld "dat hij een vriendin met twee koters het licht had uitgeblazen" (bewijsmiddelen 21 en 22) en de verklaring van getuige NN2 dat verzoeker haar in 1984 heeft verkracht en vervolgens heeft gezegd: "Je houdt je bek dicht. Je zegt niets, anders kill ik je, net als die [slachtoffer 1] " (bewijsmiddel 27).

Het verzoek van de veroordeelde en zijn advocaat

De raadsman vraagt nader onderzoek naar een zestal kwesties die uitzicht zouden kunnen bieden op een novum.

I

Het rapport van drs. J. van der Sleen terzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1] .1 Van der Sleen concludeert (p. 21): “Op basis van de informatie zoals die er nu ligt, kunnen de verklaringen van [getuige 1] naar mijn oordeel niet als betrouwbaar worden gekwalificeerd.” Het gaat meer bepaald om de verklaring van [getuige 1] dat ze verzoeker bij meerdere gelegenheden heeft horen zeggen dat hij al eens eerder een wijf met twee koters heeft vermoord of woorden van gelijke strekking.2 Die verklaring zou mogelijk uit financieel gewin, wraak of angst zijn afgelegd. Ter adstructie van het mogelijke motief van angst wordt een brief van Maet Advocaten van 28 december 2000 overgelegd.3

II

De scriptie “Getuigenverklaringen: het perspectief van de strafrechter” uit oktober 2016 van dhr. K. Meijer.4 Deze Master-student komt tot de conclusie dat er allerlei problemen kleven aan de getuigenverklaringen waarop de veroordeling van verzoeker is gestoeld. De auteur geeft in zijn scriptie een uitvoerige schets van deze problemen.

III

Het rapport van de forensisch patholoog D. Spendlove van 14 september 2016 terzake het tijdstip van overlijden van [slachtoffer 1] en haar kinderen. Na analyse van een aantal (destijds beschreven) parameters, zoals tekenen van mummificatie, stelt deze deskundige het volgende: “Op basis van (de) het hierboven uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dat het tijdstip van overlijden eerder in de richting van zaterdag 03 maart 1984 overdag gelegen zal zijn dan dat het op zondag 04 maart gelegen is.”5

IV

Een rapport van dr. A. Hendriks over de handvoorkeur van de dader in de zaak [slachtoffers] .6 Na een inspectie van aard en locatie van de letsels en de aard van de knopen in riem en springtouw, komt Hendriks tot de vaststelling dat het geheel wijst op een linkshandige dader.7

V

Het rapport van drs. Jan Bloem van 20 juni 2016 over zijn onderzoek naar de handvoorkeur van verzoeker. Bloem concludeert dat verzoeker “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (extreem) rechtshandig is.”8

VI

Verzoeker en zijn raadsman wijzen voorts op de uitzending van EenVandaag van 4 oktober 2016.

Het wettelijk kader voor de behandeling van het verzoek

Op grond van artikel 462, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS; hierna: de Commissie) belast met de advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 461, eerste lid, Sv, dat wil zeggen een nader onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 457, eerste lid, onder c Sv. Volgens laatstgenoemde bepaling kan de Hoge Raad een veroordeling herzien indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

De Commissie brengt haar advies uit aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad (art. 462, lid 1, Sv) of aan de Hoge Raad zelf (art. 469, lid 1, Sv).

In de Nota van Toelichting bij het Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken wordt opgemerkt dat onder de vraag naar de wenselijkheid van een nader onderzoek kan worden begrepen de vraag naar de vraagstelling en inrichting van dat onderzoek (§ 2.1). Ook kan de Commissie adviseren om in het kader van een nader onderzoek de door haar wenselijk geoordeelde onderzoekshandelingen te doen uitvoeren (Nota van Toelichting bij artikel 8 van het Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken).

De activiteiten van de Commissie

De Commissie heeft het complete dossier op 6 januari 2017 ontvangen. Vanuit de Commissie werden de leden De Doelder en Merckelbach met de voorbereiding van het advies belast. Daartoe hebben zij onafhankelijk van elkaar de dossierstukken bestudeerd en hun bevindingen met elkaar besproken. De naar aanleiding daarvan opgestelde conceptadviezen zijn op 15 maart 2017, 25 augustus 2017 en 15 december 2017 tijdens vergaderingen van de Commissie becommentarieerd en vervolgens vastgesteld. Daarbij hebben de commissieleden Posthumus en Franken zich steeds verschoond en hebben de (plaatsvervangend) commissieleden Cleiren en Heijsman in hun plaats deelgenomen aan de beraadslaging.

De bevindingen van de Commissie

Ad I

Als de Commissie het goed begrijpt, twijfelt de deskundige Van der Sleen aan de juistheid van de verklaring van [getuige 1] om redenen die tot twee overwegingen zijn terug te brengen: a. de ontstaansgeschiedenis van de verklaring is onvoldoende in kaart gebracht en b. de aanwezigheid in het dossier van informatie afkomstig van drie personen9 “die in 2012 een verklaring hebben afgelegd over de verklaringen van [getuige 1] en daarbij hebben aangegeven dat zij weten dat [getuige 1] heeft verzonnen dat zij van [verzoeker] heeft gehoord dat hij een wijf met haar koters heeft vermoord.” 10. Met in het achterhoofd dat de waarde van de getuigenverklaringen in deze zaak bij meerdere gelegenheden onderwerp van uitvoerig onderzoek zijn geweest (cf. supra), is de Commissie niet overtuigd geraakt van de argumenten van deze deskundige. Ten eerste vindt de Commissie dat de deskundige tot overinterpretatie neigt van wat de over [getuige 1] kritische personen zeggen. Zo beweert [getuige 2] in 2012 dat hij in 2001/2002 uit [getuige 1] mond uitspraken heeft gehoord van het type “ik ga de politie een handje helpen om die psychopaat te pakken. Ik draai wel een verhaaltje in elkaar.”11 De Commissie leest daar niet in dat [getuige 1] haar verklaring over verzoekers uitspraken volkomen uit de duim heeft gezogen.

Ten tweede valt het de Commissie op dat de deskundige vraagtekens plaatst bij de ontstaansgeschiedenis van [getuige 1] verklaring over verzoeker, maar grotendeels voorbij gaat aan de kanttekeningen die te plaatsen zijn bij het relaas van de drie over [getuige 1] kritische personen. In dit verband wijst de Commissie er bijvoorbeeld op dat deze drie vertellen over een periode die tien jaar terug in de tijd ligt.

Ten derde acht de Commissie het argument van de deskundige dat [getuige 1] mogelijk beïnvloed is door voorinformatie die werd verstrekt door Peter R. De Vries en/of die werd verkregen omdat [getuige 1] zelf is gaan zoeken op internet, niet aannemelijk. De Vries heeft tijdens een verhoor opening van zaken gegeven over hoe [getuige 1] in 2002 is benaderd.12 Daaruit blijkt niet dat hij haar op voorhand heeft blootgesteld aan misleidende informatie. Evenmin mag zo maar worden aangenomen dat in 2002 de details van de zaak [slachtoffers] op internet te vinden waren en wel zo dat ze voor [getuige 1] makkelijk konden worden gebruikt in een onjuiste verklaring. De Commissie voegt daar nog de volgende overweging aan toe: zelfs als wordt aangenomen dat [getuige 1] in 2002 voorafgaand aan haar getuigenverhoren heeft blootgestaan aan voorinformatie over de zaak [slachtoffers], is daarmee nog niet gezegd dat haar verklaringen over wat zij verzoeker bij herhaling heeft horen zeggen, onjuist zijn. De Commissie merkt dat met nadruk op omdat ook andere getuigen hebben verklaard dat zij verzoeker soortgelijke uitspraken hebben horen doen.

Ten vierde stelt de Commissie vast dat de deskundige Van der Sleen weinig aandacht besteedt aan elementen die in het voordeel spreken van [getuige 1] verklaring over verzoeker. Zo zegt [getuige 1] in 2002 ook wat zij niet heeft gehoord uit de mond van verzoeker: “ [verzoeker] heeft me nooit verteld hoe hij ze vermoord heeft.”13 Voorts zijn er twee getuigen die melden dat [getuige 1] hen in vertrouwen heeft genomen over hetgeen verzoeker haar zou hebben gezegd.14 Van der Sleen meent dat tenminste een van hen door het televisieprogramma van Peter R. de Vries kan zijn beïnvloed, maar het is de Commissie onduidelijk hoe dat dan gegaan zou moeten zijn.

Samenvattend ziet de Commissie in het rapport van Van der Sleen niet hoe zij haar specialistische kennis als deskundige ten grondslag heeft gelegd aan haar opmerkingen over het problematische karakter van de belastende verklaring van [getuige 1] . De Commissie beschouwt haar evaluatie van [getuige 1] verklaringen meer als een opinie dan als een in de vakliteratuur verankerde analyse.

Voorts merkt de Commissie in dit verband het volgende op. De overgelegde brief van 28 december 2000 van Maet Advocaten (productie 6), waaruit blijkt dat [getuige 1] angstig was voor verzoeker, brengt niet zonder meer met zich dat de verklaring van [getuige 1] derhalve onjuist is. Ook een tegengesteld scenario – dat angst voor verzoeker reden was om openhartig en accuraat te verklaren - is immers denkbaar.

Ad II

De Commissie heeft twijfels over de evenwichtigheid en het gezag van wat er in de scriptie van Meijer over de zaak tegen verzoeker wordt gezegd. Dat hangt wezenlijk samen met de uitgangspositie van de auteur. Die schrijft in zijn voorwoord dat hij zijn scriptie geschreven heeft “in een poging hem (de Commissie begrijpt: verzoeker) te ondersteunen bij het realiseren van een herziening van zijn veroordeling (..).” De auteur voegt eraan toe: “Ik hoop met deze scriptie een sterke basis te leggen voor een nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen die in zijn strafzaak voor het bewijs hebben meegewerkt.” De Commissie ziet hierin een aanwijzing dat Meijer van meet af aan een duidelijke visie op de zaak van verzoeker had en van daaruit de getuigenverklaringen in deze zaak op hun merites heeft beoordeeld. Dat wordt ook manifest daar waar de auteur zich uitlaat over de belastende verklaringen die de getuige [getuige 5] over verzoeker aflegde. Al in 1984 verklaarde ze dat verzoeker zich in haar woning enige tijd schuil hield voor de politie (in de dagen rond maandag 5 maart 1984) en in 2002 vult ze deze verklaring met een aantal belastende details aan. Die details corresponderen niet in alle opzichten perfect met de realiteit. Dan gaat het bijvoorbeeld om een kaartje dat verzoeker aan de getuige stuurde. De strekking daarvan herinnert de getuige zich als “Bedankt dat je niets tegen de politie hebt gezegd”, terwijl er feitelijk gestaan zou hebben: “Bedankt dat je altijd in mij bent blijven geloven.” Meijer merkt over deze getuige op: “De onjuistheden in haar verklaringen zijn vermoedelijk het gevolg van fouten die zich kunnen voordoen in het geheugen, al kan niet worden uitgesloten dat (dat) zij onderdelen verzint om [verzoeker] een hak te zetten.”15 Dat deze getuige opzettelijk voor verzoeker belastende details verzint, wordt door de auteur nergens aannemelijk gemaakt.

De Commissie begrijpt dat getuigen fouten maken in details van hun verklaringen, maar wijst erop dat zulke fouten niet per definitie fataal zijn voor de betrouwbaarheid van de verklaringen in hun geheel.16 Het vergt een neutrale uitgangspositie en een terdege kennis van de vakliteratuur over het geheugen van getuigen om tot een beargumenteerde inschatting te komen van de mate waarin fouten in een getuigenverklaring de waarde van zo’n verklaring ondermijnen. De Commissie mist zowel het een als het ander in deze scriptie.

Ad III

De Commissie merkt over het verslag van de deskundige Spendlove het volgende op. Alvorens zijn rapport te schrijven, heeft de deskundige kennis genomen van de scriptie van dhr. K. Meijer (cf. supra).17 Dat doet de vraag opkomen in welke mate de niet-neutrale uitgangspositie van Meijer de conclusies van de deskundige Spendlove heeft beïnvloed. De scriptie – zijnde een kritische beschouwing van de getuigen in de zaak tegen verzoeker – is irrelevant voor het type medisch onderzoek dat Spendlove verrichtte. Niettemin kan zulke domein-irrelevante informatie ook het soort expertise van deze deskundige beïnvloeden, zoals in de literatuur goed is gedocumenteerd.18

Verder vindt de Commissie de conclusie van de deskundige Spendlove onduidelijk.19 Spendlove schrijft: “De lijkschouwing vond plaats op maandag 05 maart 1984 rond 19.00 uur. Op basis van de voorliggende informatie en bevindingen is het waarschijnlijk dat het overlijden op of rond vrijdagavond 02 maart in de namiddag/avonduren moet hebben plaatsgevonden of op basis van een andere begrenzing in de buurt van deze begrenzing. De autopsie vond plaats op dinsdag 6 maart 1984. Het tijdstip van de autopsie is onbekend. Op basis van de voorliggende gegevens is het waarschijnlijk dat het overlijden op of rond zaterdag 03 maart in de loop van de ochtend/dag heeft plaatsgevonden of dicht aan een bovenste begrenzing heeft plaatsgevonden.”20 Het gaat de Commissie meer bepaald om wat “een andere begrenzing in de buurt van deze begrenzing” is en waar redelijkerwijze “een bovenste begrenzing” in de onderhavige zaak kan liggen. Sluiten de bandbreedtes die de deskundige Spendlove in zijn rapport noemt de mogelijkheid uit dat verzoeker in de vroege morgen van zondag 4 maart 1984 de slachtoffers van het leven heeft beroofd, zoals destijds door het Hof is aangenomen? Waarom precies is de deskundige Spendlove het oneens met de schouwarts dr. M. Simmelink die het tijdstip van overlijden situeert in een tijdsvenster van 24 en 48 uur voor het aantreffen van de lichamen?21

Al zijn ze onduidelijk geformuleerd, de Commissie is doordrongen van het potentiële belang van Spendloves opmerkingen.22 Om zicht te krijgen op de mate waarin zijn conclusie kan worden gedragen door vakgenoten, heeft zij het rapport van Spendlove voorgelegd aan prof. dr. W. Duijst (UM), daarbij overwegend dat deze deskundige een vakinhoudelijke publicatie over postmortale intervalschattingen op haar naam heeft staan. De Commissie heeft een ruime vraag aan Duijst gesteld: zijn werkwijze en conclusie van de deskundige Spendlove verdedigbaar? Anders dan Spendlove, heeft Duijst voor het beantwoorden van deze vraag ook de oorspronkelijke kleurenfoto’s van de plaats delict geïnspecteerd. Duijst komt tot de volgende slotsom: “Op basis van het wegtrekken van de lijkstijfheid ligt het postmortale interval ten tijde van de sectie voor alle overledenen op minimaal 24 uur tot maximaal 72 uur. Het tijdstip van de sectie is niet bekend.”23 En voorts: “Alleen bij de moeder zijn op de foto’s van de sectie enkele beginnende ontbindingsverschijnselen te zien, namelijk vibices en indroging van de lippen. Deze verschijnselen geven geen aanleiding om een postmortaal interval van langer dan twee dagen ten tijde van de vinding aan te nemen.”24 De Commissie stelt derhalve vast dat de schattingen van Duijst het zogenaamde “(zondag)ochtendscenario” waarvan het Hof destijds is uitgegaan, niet falsifiëren.

Ad IV

De Commissie plaatst twee kanttekeningen bij het rapport van de deskundige Hendriks. Allereerst vraagt zij zich af of Hendriks – wier disciplinaire achtergrond bij de neuropsychologie ligt – voldoende toegerust is om op basis van aard en locatie van de letsels bij de slachtoffers conclusies te trekken over de handvoorkeur van de dader. Ten tweede kan de Commissie de deskundige niet volgen in haar berekening van de diagnostische waarde van een zogenaamde Z-knoop voor linkshandigheid.25 Wanneer de Z-knoop respectievelijk 44% en 29% van de links- en rechtshandigen detecteert en deze percentages als sensitiviteit en 1-specificiteit mogen worden opgevat26, dan is de positieve voorspellende waarde van een Z-knoop voor linkshandigheid (bij een basisfrequentie van linkshandigheid ter hoogte van 10%) in de orde van grootte van 14%. Anders dan de deskundige Hendriks suggereert, wijst een Z-knoop dus niet op linkshandigheid, simpelweg omdat zowel de specificiteit als basisfrequentie laag zijn. Niettemin heeft de Commissie besloten het rapport van de deskundige Hendriks voor te leggen aan arts en patholoog prof. dr. B. Kubat (NFI) met de vraag of benadering en conclusie van Hendriks verdedigbaar zijn. Kubat komt in haar brief tot de volgende vaststelling: “Een steekincident is een dynamisch gebeuren waarbij de dader en het slachtoffer verschillende houdingen ten opzichte van elkaar kunnen aannemen en deze kunnen veranderen. Om die redenen is het niet mogelijk aan de hand van de letselkenmerken zoals bijvoorbeeld de lokalisatie van de steekletsels op het lichaam of de richting van de steekkanalen een uitspraak te doen over de hand waarmee de dader het mes gevoerd heeft. Wetenschappelijke onderbouwing voor een dergelijke bepaling bestaat dan ook niet.”27

Ad V

Afgaand op wat prof. Kubat in haar briefrapport betoogt, stelt de Commissie voorop dat de handvoorkeur van de dader op basis van het voorhanden zijnde materiaal niet valt vast te stellen en dat om die reden een beschouwing over de handvoorkeur van verzoeker minder opportuun is. Dat gezegd hebbend, is de Commissie ook voor het overige kritisch over het rapport van de deskundige Bloem. Om te beginnen heeft deze deskundige kennis genomen van de bevindingen van dr. Hendriks en haar concepttekst.28 De conclusies van Hendriks zijn irrelevant voor het doel dat de deskundige Bloem zichzelf heeft gesteld – namelijk om op te helderen wat de handvoorkeur is van verzoeker. Denkbaar is dat lezing van het conceptrapport van Hendriks de observaties van Bloem heeft beïnvloed. Over zulke echo-effecten is ruim gepubliceerd en de consensus in de vakliteratuur is dat deskundigen – om onbewuste beïnvloeding via zogenaamde verwachtingseffecten tegen te gaan - zichzelf zoveel als mogelijk moeten blinderen.29 De deskundige Bloem heeft dat niet gedaan, terwijl het wel had gekund.

Op de tweede plaats vindt de Commissie de aanpak van de deskundige onvoldoende waarborgen bieden om het veinzen van een extreem rechtse handvoorkeur uit te sluiten. De deskundige verankert zijn conclusie in een zelfrapportage-test – de Edinburg Handedness Questionnaire – en een klein aantal handvoorkeur-taken die bij verzoeker werden afgenomen. De verzoeker zal in beginsel echter in staat zijn geweest om het daar heen te geleiden dat op beide onderdelen een voor hem gunstige testuitslag ontstond. De Commissie beweert niet dat dit de facto aan de orde is geweest, maar constateert wel dat de deskundige geen maatregelen heeft genomen om zoiets te detecteren als het zich zou voordoen, terwijl hij zulke maatregelen wel had kunnen nemen.

Ad VI

De Commissie heeft de betreffende uitzending bekeken en ziet het als een samenvatting van punten die hierboven aan de orde zijn geweest. Ze zal er derhalve geen aparte overwegingen aan wijden.

Alternatieve scenario’s

Tot slot heeft verzoeker alternatieve scenario’s toegevoegd aan zijn verzoek, te weten dat de levensdelicten zouden kunnen zijn gepleegd door [slachtoffer 1] ex-partner [betrokkene 3] , door haar ex-partner [betrokkene 4] , of door bij [slachtoffer 1] over de vloer komende personen, die betrokken zouden zijn geweest bij het verhandelen van drugs of horloges. Aangezien de verzoeker aan deze scenario’s slechts algemeen geformuleerde vermoedens ten grondslag legt, is verder onderzoek op dit punt niet zinvol. In zijn requisitoir heeft de Advocaat-Generaal overigens de eerste twee concreet genoemde personen en hun mogelijke daderschap besproken30. Een en ander was het Hof derhalve bekend en was ook voor het Hof kennelijk geen aanleiding nader onderzoek te doen of te gelasten.

Conclusie

De Commissie heeft in het verzoek van de veroordeelde en zijn raadsman geen aanleiding gevonden voor onderzoek naar het bestaan van gronden voor herziening van de veroordeling. Naar het oordeel van de Commissie kan nader onderzoek, zoals voorgesteld, redelijkerwijs niet leiden tot een ernstig vermoeden als bedoeld in het tweede lid van artikel 457 Sv.

Den Haag, 22 december 2017

H. de Doelder,

Voorzitter Adviescommissie afgesloten strafzaken

1 Van der Sleen, rapportage 28-1-2016.

2 PV verhoor [getuige 1] 11-3-2002, p. 240.

3 Zie p. 36 verzoekschrift.

4 Het gaat om een scriptie uit 2016 voor de master Forensica, Criminologie en Rechtshandhaving (UM) onder supervisie van prof. dr. D. Brouwer en dr. H. Israëls.

5 Rapport D. Spendlove 14-9-2016, p. 25.

6 Rapport A. Hendriks, concepttekst gedateerd 16-9-2016.

7 Rapport Hendriks, p. 20.

8 Rapport Bloem 20-6-2016, p. 8.

9 De deskundige van der Sleen spreekt in dit verband over getuigen. De Commissie merkt op dat het gaat om personen die in 2012 bij particulier Onderzoeksbureau PD of bij een notaris verklaringen hebben laten vastleggen.

10 Van der Sleen, p. 21/22.

11 Gespreksverslag Onderzoeksbureau PD 23-10-2012, p.2. Iets vergelijkbaars geldt voor hetgeen [betrokkene 5] zegt in zijn bij notaris Visscher vastgelegde verklaring (10-12-2012, p. 1): “Ze vertelde me dat ze [verzoeker] , haar ex, een aantal jaren geleden een hak heeft gezet omdat hij haar zoveel had aangedaan.” De Commissie begrijpt hier niet uit dat [getuige 1] haar waarneming dat verzoeker praatte over de moord op een wijf en haar twee koters heeft verzonnen.

12 PV verhoor P. R. De Vries 17-5-2002: “U moet goed begrijpen dat wij er juist voor gewaakt hebben [getuige 1] informatie te geven over [slachtoffer 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ”, p. 280.

13 Als [getuige 1] haar voor verzoeker belastende uitspraken verzonnen heeft, dan zou een optimale vorm toch zijn geweest dat ze daarin ook betrekt hoe verzoeker te werk zou zijn gegaan. Zeggen wat je niet weet c.q. je niet kunt herinneren, geldt bovendien volgens sommige vakgenoten van Van der Sleen als een teken van waarachtigheid. Zie bijvoorbeeld Porter, S. & Yuille, J.L. (1996). The language of deceit: An investigation of the verbal cues to deception in the interrogation context. Law and Human Behavior, 20, 443-458.

14 Het gaat om de getuigen Veerman (PV 27-06-2002) en Korporaal (PV 23-07-2002).

15 Meijer, scriptie, p. 81; een vergelijkbare opmerking is te vinden op p. 78: “al kan niet worden uitgesloten dat zij onderdelen verzint om [verzoeker] een hak te zetten.”

16 Vergl Sporer: “For fact finders it is not relevant to arrive at a full understanding of every aspect of ‘objective truth’ but only of those aspects relevant to arrive at a correct decision.” Sporer, S.L. (2008). Lessons from the origins of eyewitness testimony research in Europe. Applied Cognitive Psychology, 22, 737-757.

17 Het viel de Commissie op dat Spendlove het supervisorschap van Meijers scriptie toeschrijft aan J. Simmelink, maar zie noot 4.

18 Nakhaeizadeh, S. e.a. (2014). The power of contextual effects in forensic anthropology: A study of biasability in the visual interpretations of trauma analysis on skeletal remains. Journal of Forensic Sciences, 59, 1177-1183.

19 Het aan het rapport toegevoegde overzichtsartikel van Madea (2016) uit Forensic Science and Medical Pathology helpt niet om de hier genoemde onduidelijkheden op te helderen.

20 Rapport Spendlove, p. 24.

21 PV van deskundigen-overleg dat op 21-8-2002 plaatsvond.

22 Ook in het licht van wat daar in de recente Nederlandse literatuur over is gezegd. Zie Krap. T. & Duijst, W. (2015). De postmortale tijdsbepaling als bewijsmiddel. Expertise & Recht, 1, 9-25.

23 Rapport W. Duijst 11-8-2017, p. 6.

24 Idem, p. 6.

25 Rapport Hendriks, p. 18.

26 Hendriks schrijft: “Linkshandigen en rechtshandigen knoopten in respectievelijk 44% en 28,5% van de gevallen een Z-knoop…”. Onduidelijk is wat Hendriks hier bedoelt met “gevallen”.

27 Briefrapport B. Kubat 28-6-2017, p.1

28 Die concepttekst wordt door Bloem gedateerd op 15-04-2015.

29 Bijvoorbeeld: Dror, I.E. (2013). Practical solutions to cognitive and human factor challenges in forensic science. Forensic Science & Management, 4, 1-9; Kassin, S.M. et al. (2013). The forensic confirmation bias: Problems, perspectives, and proposed solutions. Journal of Applied Research in Memory and Cognition, 2, 42-52. Zie ook noot 17.

30 Zie p. 67 requisitoir AG.