Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:602

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
16/06208
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:893
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen telen hennep door voor onbekend gebleven exploitant van hennepkwekerij hennepplanten tegen betaling regelmatig water te geven, art. 3.B Opiumwet. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. motiveringsplicht voor rechter indien medeplegen niet bestaat uit gezamenlijke uitvoering. Hof heeft vastgesteld dat (i) verdachte met een ander heeft afgesproken de taak op zich te nemen om de in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten water te geven en bij te houden, (ii) verdachte met die ander heeft afgesproken dat hij voor het uitvoeren van zijn taak een vergoeding van € 500,- per week ontvangt, en (iii) verdachte de op zich genomen taak heeft uitgevoerd door mede tezamen met - de door hem ingeschakelde - A op verschillende tijdstippen in de pleegperiode de in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten met water te bevloeien. Het daarop gebaseerde oordeel dat verdachte aldus een bijdrage van voldoende gewicht aan het telen van hennepplanten heeft geleverd en derhalve nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het telen van hennepplanten, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. V.zv. het middel berust op de opvatting dat voor de bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat het gewicht van de bijdrage van verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s), vindt het geen steun in het recht. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/06208

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 september 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Namens de verdachte heeft mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, dat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.

  4. Ten laste van de verdachte is primair bewezenverklaard:

“dat hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 9 september 2014 te Schijndel tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [a-straat 1] , een hoeveelheid van (in totaal) 1995 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 2] , inspecteur van politie (proces-verbaalnummer PL2100- 2014076802-24; dossierpagina 39). Dit proces-verbaal houdt in, als relaas van verbalisanten:

Op 9 september 2014 omstreeks 07.50 uur waren wij belast met een onderzoek tegen hennepteelt aan de [a-straat 1] te Schijndel. Na het betreden van het pand zagen wij op de bovenverdieping een ingerichte hennepkwekerij. Wij zagen dat er twee personen in de kwekerij liepen. Nadat zij waren aangeroepen kwamen zij naar ons toegelopen en werden zij aangehouden. Het bleek te gaan om [verdachte] en [betrokkene 1] .

2.

Het proces-verbaal ‘aantreffen hennepkwekerij’ van de verbalisanten [verbalisant 3] , buitengewoon opsporingsambtenaar, en [verbalisant 4] , senior tactisch rechercheur van politie (proces-verbaalnummer PL2100-2014076802-4; dossierpagina’s 42-43). Dit proces-verbaal houdt in, als relaas van verbalisanten:

Op de eerste verdieping van het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Schijndel bleek op 9 september 2014 een tussenwand te zijn geplaatst waarachter een hennepkwekerij met hennepplanten was verborgen. In kweekruimte 1 stonden 795 hennepplanten in bakken. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 60 centimeter. In kweekruimte 2 stonden 1200 hennepplanten in bakken. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 70 centimeter.

Voor een representatieve bemonstering werd een aantal hennepplanten veilig gesteld. Deze monsters werden getest. Bij de indicatieve narcoticatest (MMC-kleur- reactietest) bleek dat het plantenmateriaal reageerde op de aanwezigheid van hennep, een stof vermeld op lijst II van de Opiumwet.

3.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:

Tijdens mijn verblijf in Polen ontmoette ik een kennis van mij uit Nederland. Hij vertelde mij dat hij mogelijk werk voor mij kon regelen in Nederland. Hij gaf mij een briefje met daarop een adres in Nederland en zei mij dat ik mij op dat adres moest melden. Dat was het adres waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Ik ben daarop naar Nederland gereden en heb mij op dat adres gemeld. Er stond iemand bij de deur van het pand die mij meenam naar de hennepkwekerij. Hij vertelde mij wat ik daar moest doen en hij zei dat ik € 500,00 per week zou krijgen voor mijn werkzaamheden. Ik moest de hennepplanten water geven.

Ik ben vervolgens in totaal zes of zeven keer in de hennepkwekerij geweest. Soms kwam ik er meerdere keren per dag. Ik gaf de hennepplanten water met een slang vanuit een grote ton. Ik was iedere keer twee of drie uren bezig. Omdat het veel werk was, heb ik op een gegeven moment mijn neef [betrokkene 1] gevraagd om mij te helpen. [betrokkene 1] is vervolgens een paar keer met mij meegegaan naar de kwekerij om de planten water te geven. De eerste keren was ik daar alleen.

4.

Het proces-verbaal ‘verhoor verdachte’ van de verbalisanten [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 6] , brigadier van politie (proces-verbaalnummer PL2100-2014076802-13; dossierpagina 71). Dit proces-verbaal houdt in, als de zakelijk weergegeven verklaring van [verdachte] , verdachte:

Ik ben vanmorgen [hof: 9 september 2014] aangehouden in een ruimte waar een hennepkwekerij aanwezig was. De hennepkwekerij is niet van mij. Ik heb daar gewerkt. Ik moest de planten water geven. Ik weet dat het kweken van hennep [het hof begrijpt: hennepplanten] illegaal is.

Ik ben sinds 10 dagen weer terug in Nederland.

Ik zou € 500,00 per week krijgen. Voor dat bedrag moest ik [het hof begrijpt: de hennepplanten] watergeven en bijhouden.

5.

Het proces-verbaal ‘verhoor verdachte’ van de verbalisanten [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 6] , brigadier van politie (proces-verbaalnummer PL2100-2014076802-29; dossierpagina 102). Dit proces-verbaal houdt in, als de zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben gisteren [hof: 9 september 2014] gepakt. Ik begrijp wel dat wat ik aan het doen was illegaal is. De jongen die bij mij was [het hof begrijpt: verdachte] is mijn neef. De hennepkwekerij is niet van mij. Ik moest daar alleen maar werken.

6.

Het proces-verbaal ‘verhoor verdachte’ van de verbalisanten van de verbalisanten [verbalisant 7] , brigadier van politie, en [verbalisant 8] , hoofdagent van politie (proces-verbaalnummer PL2100-2014076802-36; dossierpagina 105). Dit proces-verbaal houdt in, als de zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben met mijn neef in de hennepkwekerij geweest. Ik moest de hennepplanten water geven.”

6. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 24 augustus 2016 houdt in dat de raadsman verweer heeft gevoerd over het bewezenverklaarde medeplegen. Het hof heeft dit verweer in een bijzondere overweging omtrent het bewijs in het arrest als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet als ‘medepleger’ van het telen van hennepplanten kan worden aangemerkt aangezien de door de verdachte verrichte werkzaamheden – het bewateren van de hennepplanten in de kwekerij – hooguit in verband kunnen worden gebracht met medeplichtigheid. De handelingen van de verdachte ondersteunen, faciliteren immers slechts het gronddelict, het telen van hennepplanten. De verdachte is derhalve hooguit behulpzaam geweest bij het telen van de hennepplanten. Voorts ontbreken, aldus de raadsman, aanwijzingen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de derde of de derden die de hennepkwekerij exploiteerde(n). De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat de verdachte zijn werkzaamheden verrichtte in opdracht van een derde en op diens instructie, dus in ondergeschiktheid. Van een gelijkwaardige positie van de verdachte en zijn opdrachtgever was geen sprake. In dit verband heeft de raadsman er voorts nog op gewezen dat de verdachte een vast weekloon ontving en dat hij geen evenredig deel van de opbrengst van de hennep zou ontvangen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] op 9 september 2014 ten tijde van de politie-inval in het pand aan de [a-straat 1] te Schijndel aanwezig waren in de aldaar aangetroffen hennepkwekerij van ten minste één onbekend gebleven derde. Voorts blijkt uit die bewijsmiddelen dat verdachte - aanvankelijk alleen en later ook samen met de medeverdachte [betrokkene 1] - op verschillende tijdstippen in de periode van 1 tot en met 9 september 2014 water heeft gegeven aan de in de kwekerij aanwezige hennepplanten.

Verdachte heeft bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij op, verzoek van een onbekend gebleven derde, de werkzaamheden in de hennepkwekerij tegen een vooraf door die derde toegezegde geldelijke beloning verrichtte volgens instructies die hem door die derde waren gegeven. Na enkele malen alleen het werk te hebben verricht heeft verdachte de medeverdachte [betrokkene 1] ingeschakeld om hem bij te staan.

Het hof ziet het bevloeien (water geven) van de in de kwekerij aanwezige hennepplanten niet als een handeling die het telen van die planten slechts ondersteunt of faciliteert, maar als een onontbeerlijke schakel in het geheel van noodzakelijke handelingen voor de teelt van hennepplanten. Het water geven aan hennepplanten in een kwekerij is naar ’s Hofs oordeel een (van de) concrete uitvoeringshandeling(en) van het telen van die planten. Het hof acht de door de verdachte en diens medeverdachte [betrokkene 1] geleverde bijdrage aan het delict – het telen van hennepplanten – van voldoende gewicht voor de kwalificatie ‘medeplegen’.

In aanmerking nemende voorts dat verdachte zijn bijdrage aan de teelt van de hennepplanten heeft geleverd a) in de wetenschap dat het kweken van hennepplanten illegaal is, b) in overleg met een derde, volgens de hem door die derde gegeven instructies, en c) tegen een vooraf door die derde toegezegde geldelijke beloning, is het hof in deze zaak van oordeel dat de verdachte, de medeverdachte [betrokkene 1] en ten minste één onbekend gebleven derde nauw en bewust hebben samengewerkt bij het telen van de in de kwekerij aangetroffen hennepplanten, zodat de verdachte als medepleger moet worden aangemerkt.

Het hof concludeert, met verwerping van het verweer van de verdediging, dat de verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd.”

7. Ik stel voorop dat voor de bewezenverklaring en kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. De bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict moet daarbij van voldoende gewicht zijn. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of het helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel over de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij aangetekend kan worden dat aan het niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers, aldus de Hoge Raad, om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.1

8. Het hof heeft het volgende vastgesteld over de rol van de verdachte bij het telen van hennep. De verdachte is tezamen met de medeverdachte [betrokkene 1] , zijn neef, bij een politie-inval aangetroffen in een pand (bewijsmiddel 1). In dit pand waren verspreid over twee kweekruimten 1995 hennepplanten aanwezig (bewijsmiddel 2). Deze hennepkwekerij behoorde toe aan ten minste één onbekend gebleven derde (bewijsmiddel 3 en 5). Voor € 500,- per week gaf de verdachte, aanvankelijk alleen en later samen met de medeverdachte [betrokkene 1] , de hennepplanten water (bewijsmiddel 3, 4 en 6). In totaal is hij zes of zeven keer in de hennepkwekerij geweest en hiermee was hij twee tot drie uur bezig (bewijsmiddel 3). De verdachte wist dat het kweken van hennep illegaal is (bewijsmiddel 4). Ten aanzien van de rol van de verdachte bij het telen van hennep heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat het ‘bevloeien (water geven)’ van de hennepplanten niet als een ondersteunende of faciliterende handeling moet worden beschouwd, maar het een onontbeerlijke schakel in het geheel van noodzakelijke handelingen voor de teelt van hennepteelt betreft. Het gaat daarbij volgens het hof om concrete uitvoeringshandelingen van het telen van die planten. Ook heeft het hof wat betreft de bewuste en nauwe samenwerking gewezen op de omstandigheid dat de verdachte zijn bijdrage aan de teelt heeft geleverd:

(a) in de wetenschap had dat het kweken van hennepplanten illegaal is;

(b) in overleg met een derde, volgens de door deze derde gegeven instructies en

(c) tegen een vooraf door die derde toegezegde geldelijke beloning.

9. Gelet op het bovenstaande acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte met de medeverdachte [betrokkene 1] en ten minste één onbekend gebleven derde zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt, dat van medeplegen moet worden gesproken niet onjuist, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat de verdachte tezamen met anderen een bijdrage heeft geleverd aan het productieproces door de hennepplanten te laten groeien, door deze planten water te geven.2

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het hof op ontoereikende gronden het verzoek van de verdediging om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen heeft gepasseerd.

12. Op het onderzoek ter terechtzitting van 24 augustus 2016 is door de verdediging ten aanzien van de strafmaat onder meer het volgende aangevoerd:

“Verdachte verklaart:

(…)

Ik wil graag een taakstraf in plaats van gevangenisstraf. Ik kan dat combineren met mijn werk in Polen. Ik kan vrij nemen. Ik werk in het bedrijf van mijn vader. Hij weet van deze zaak. Als ik moet gaan zitten kan dat wel problemen opleveren voor mijn werk. Ik weet niet hoe dat dan moet.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging:

(…)

Met betrekking tot de straf merk ik op dat er gemeenten zijn die willen dat de hennepteelt gelegaliseerd wordt. Ook rechters hebben steeds meer moeite met het gegeven dat hennepteelt strafbaar is en de verkoop van hennep een paar straten verderop wordt gedoogd. De officier van justitie vorderde in eerste aanleg dan ook een onvoorwaardelijke geldboete met een voorwaardelijke gevangenisstraf. In afwijking daarvan vordert de advocaat-generaal nu een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de rechtbank opgelegd. Ik verzoek het hof om aan te sluiten bij de straf als door de officier van justitie in eerste aanleg gevorderd. Subsidiair verzoek ik om een taakstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een door u te bepalen aantal uren.

(….)

De raadsman voert andermaal het woord:

(…) Het taakstrafverbod kan gepasseerd worden door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van de inverzekeringstelling.”

13. Het hof heeft in de bestreden uitspraak de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf als volgt gemotiveerd:

“Het hof komt, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, tot de slotsom dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het telen van in totaal 1995 hennepplanten.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf (12) weken, bij welke strafoplegging de advocaat-generaal zich bij de formulering van zijn strafeis in hoger beroep heeft aangesloten.

De raadsman van de verdachte heeft het hof primair verzocht te volstaan met oplegging van een geldboete van € 1.200,00 en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken; subsidiair is verzocht om oplegging van een taakstraf.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf in de eerste plaats gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft hierbij in de eerste plaats gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Voorts heeft het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in relatie staat met de illegale handel in softdrugs, welke handel veelal samengaat met allerlei maatschappelijk onwenselijke praktijken zoals belastingontduiking en geweldsdelicten waarbij niet zelden vuurwapens gebruikt worden. Bovendien is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs, welk gebruik door de verdachte is gefaciliteerd, de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft.

Bij zijn oordeelsvorming omtrent de op te leggen strafsoort heeft het hof ten bezware van de verdachte tevens in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 juni 2016, betrekkelijk korte tijd vóór het begaan van het hierboven bewezenverklaarde, te weten bij vonnis van 22 november 2013, ter zake van een soortgelijk strafbaar feit (overtreding van de Opiumwet) reeds is veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) taakstraf. Daarbij rekent het hof het de verdachte bovendien zwaar aan dat hij het thans bewezen verklaarde heeft begaan gedurende de proeftijd van het bij genoemd vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel. Weliswaar ging het in de zaak die leidde tot genoemd vonnis volgens mededeling van de verdachte niet om het telen maar om het knippen van hennepplanten, maar niettemin stelt het hof vast dat de eerdere veroordeling de verdachte er niet van heeft kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan illegale hennepgerelateerde activiteiten.3

Ten slotte neemt het hof bij zijn oordeelsvorming omtrent de op te leggen straf in aanmerking dat op grond van hetgeen de verdachte daarover zelf heeft verklaard aangenomen moet worden dat hij de medeverdachte [betrokkene 1] bij het onderhavige strafbare feit heeft betrokken.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel - aangezien op grond van de verklaringen van de verdachte aangenomen moet worden dat hij niet de hoofdverantwoordelijke voor de hennepkwekerij was - dat kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien weken.

Voor oplegging van strafmodaliteiten als door de verdediging voorgesteld ziet het hof in deze zaak, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, geen enkele ruimte.”

14. Ik stel voorop dat de keuze en waardering van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, voorbehouden is aan de rechter die over de feiten oordeelt en geen motivering behoeft. Wel dienen de factoren ter sprake te zijn gekomen op de terechtzitting. In cassatie kan dan ook niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en of die straf beantwoordt aan alle daartoe relevante factoren. De strafmotivering kan in cassatie op haar begrijpelijkheid worden getoetst.4

15. Het hof heeft overwogen dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Daarbij heeft het hof de aard van het feit, de maatschappelijke gevolgen van de illegale handel in softdrugs met zich brengt, de gevolgen voor de volksgezondheid, de justitiële documentatie van de verdachte waaruit blijkt dat hij korte tijd voor het begaan van het feit een taakstraf opgelegd heeft gekregen voor het knippen van hennepplanten en de omstandigheid dat hij de medeverdachte [betrokkene 1] heeft betrokken bij de hennepkwekerij in aanmerking genomen. Gelet op dit samenstel van – niet onbegrijpelijk vastgestelde – factoren en

16. mede in het licht van hetgeen ik hiervoor onder 14. voorop heb gesteld, heeft het hof de strafoplegging toereikend gemotiveerd.

17. Het middel faalt.

18. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie met name HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond.

2 Met (Nederwiet)teelt wordt in het algemeen gedoeld op het gehele illegale productieproces aangeduid vanaf het laten groeien van hennepplanten of -stekken tot en met de verkoop en aflevering van het eindproduct. Zie Kamerstukken II 1996/97, 25325, nr. 3, p. 1.

3 Hiervoor is het van belang vast te stellen dat het vonnis met betrekking tot de eerdere veroordeling reeds sinds 7 december 2013, en dus vóór het plegen van onderhavig strafbaar feit, onherroepelijk was. Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391.

4 Zie onder meer HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8474, NJ 1985/138, rov. 7.5; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252, NJ 2010/393 m.nt. Mevis, rov. 2.5 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, NJ 2013/33, rov. 2.3 (niet gepubl. in de NJ). Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 313 en 314.