Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:563

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
16/03385
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:830
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuld ex art. 6 WVW 1994. Toentertijd 69-jarige verdachte, die een black-out heeft t.g.v. een epileptische aanval, rijdt buiten de bebouwde kom met zijn auto tegen rechts voor hem rijdende 65-jarige fietser aan, als gevolg waarvan zij zwaar lichamelijk letsel (traumatisch hersenletsel en diverse fracturen) oploopt. Verkeersongeval te wijten aan schuld verdachte? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5822. ’s Hofs oordeel dat sprake is van "schuld" a.b.i. art. 6 WVW 1994 getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is ook in het licht van hetgeen in h.b. door de verdediging is aangevoerd, voldoende gemotiveerd. De omstandigheid dat het Hof, anders dan de neuroloog in zijn rapport, geen onderscheid heeft gemaakt tussen "de langer durende aanval en de kort durende aanvallen" leidt niet tot een ander oordeel. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03385

Zitting: 27 maart 2018

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 mei 2016 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Bij herstelarrest van 31 mei 2016 is bepaald dat de taakstraf indien niet naar behoren verricht wordt vervangen door zestig dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring. Het hof zou ten onrechte schuld bewezen hebben verklaard, althans zou het hof zijn beslissing hebben gebaseerd op gronden die deze beslissing niet (zonder nadere motivering, die ontbreekt) kunnen dragen.

  4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

‘hij op 3 juli 2012 te Helvoirt, gemeente Haaren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een auto, daarmede rijdende over de Margrietweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig te handelen als volgt:

rijdende op die Margrietweg is verdachte tegen een voor hem rijdende fietser gereden en is verdachte niet in staat geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor een ander (te weten die fietser, genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel (traumatisch hersenletsel en diverse fracturen) werd toegebracht.’

5. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest en luiden, met weglating van verwijzingen, voor zover voor van belang als volgt:

1. De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd bij de politie op 3 juli 2012 (…), voor zover inhoudende:

Op 3 juli 2012, omstreeks 14.45 uur, reed ik vanuit Drunen in de richting van Vught. Ik fietste samen met mijn vriendin [slachtoffer]. Ik fietste aan de zijkant en [slachtoffer] fietste naast mij op de rijbaan. Wij fietsten aan de rechterzijde van de rijbaan. Ik zag geen verkeer tegemoet komen. Ineens hoorde ik een harde knal en geschreeuw. Ik zag dat [slachtoffer] op de motorkap van een personenauto terecht kwam. Ik zag dat [slachtoffer] op de linkerzijde van de rijbaan op de grond terechtkwam. Ik zag dat de auto met het linkervoorwiel over het been van [slachtoffer] heen reed. (…)

2 Het relaas verbalisant [verbalisant 1] (...), inhoudende:

(…) Ik, verbalisant, kreeg op 3 juli 2012 kennis van een verkeersongeval op de Margrietweg te Helvoirt, gemeente Haaren. De weersgesteldheid was droog. Er was sprake van een rechte weg. Bij het ongeval heeft [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1946, bestuurster van de fiets, letsel opgelopen.

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1943, heeft zich 3 juli 2012 omstreeks 21.22 gemeld bij de politie te Tilburg, als zijnde de bestuurder van het voertuig dat de plaats van dit ongeval heeft verlaten.

3. De verklaring van de getuige [getuige 2], afgelegd bij de politie op 3 juli 2012 (…), voor zover inhoudende:

(…) Op 3 juli 2012 omstreeks uur 14.50 uur fietste ik over de Margrietweg te Helvoirt. Ik reed in de richting van Drunen komende vanuit Helvoirt. Ik zag een auto al slingerend ons tegemoet komen rijden met een grote ster, van ongeveer een halve meter bij een meter, in de voorruit aan de bijrijderszijde. Ik zag dat het een Hyundai betrof. Ik zag dat er een oudere man achter het stuur zat. De auto reed slingerend de berm in. Dit was op ongeveer 700 à 800 meter van het ongeval dat ik later zag dat er gebeurd was.

4. Het proces-verbaal doorrijding na ongeval op 3 juli 2012, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] (…), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant:

(…) Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de Margrietweg, buiten de bebouwde kom van Helvoirt in de gemeente Haaren.

(…)

Vermoedelijke toedracht van het ongeval

Gezien de aangetroffen sporen, ontstane schade en de eindposities van de fietsen was gebleken dat de fietsers, vermoedelijk naast elkaar rijdend hadden gereden over de Margrietweg, komende vanuit de richting Drunen en rijdende in de richting Helvoirt. De personenauto, merk Hyundai, had gereden over de Margrietweg, komende vanuit de richting Drunen en rijdende in de richting Helvoirt. Kennelijk had de bestuurder van de Hyundai de voor hem rijdende fietsers te laat of in het geheel niet opgemerkt. Het gevolg was dat de voorzijde van de personenauto in aanraking kwam met de achterzijde van de fietser, welke vermoedelijk links naast de andere fietser reed.

(…)

Tevens dient te worden vermeld dat de bestuurder van de personenauto de aanraking met de fietser opgemerkt zou moeten kunnen hebben.

Afstand gelegen tussen de plaats van de botsing en de plaats waar de fiets werd aangetroffen: 13.5 meter.

Afstand gelegen tussen de plaats van de botsing en de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen: 36.1 meter.

5 Een medische verklaring d.d. 4 april 2012 (…), voor zover inhoudende:

(…)

6. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 3 juli 2012 (…), voor zover inhoudende:

(…) Ik maak gebruik van een auto merk Hyundai, type i40, kenteken (…). Ik ben op 3 juli 2012 rond 13.00 vanuit Tilburg een stukje met de auto gaan rijden.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank d.d. 7 januari 2014, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(…) Ik ben op 3 juli 2012 vermoedelijk de bestuurder geweest van de personenauto die op de Margrietweg in Helvoirt [slachtoffer] heeft aangereden. Ik zat alleen in de auto. De Margrietweg in Helvoirt is voor mij een bekende straat. Ik kom daar vaak. Iedere dag moet ik ’s ochtends en ’s middags medicijnen innemen tegen epilepsie. In het verleden ben ik mijn medicijnen wel eens vergeten in te nemen.

Ik weet nog dat ik in Giersbergen en Udenhout ben geweest. Wat er tussenin is gebeurd weet ik niet. Tijdens het bijkomen van de aanval ben ik naar de garage gereden. Ik denk dat ik dat op de automatische piloot heb gedaan. Ik besefte op dat moment niet dat ik een aanval had gehad. Ik vond zelf dat ik wist wat ik deed. Ik was wel bij mijn positieven. Ik wist op dat moment niet dat ik mijn medicatie niet had ingenomen. Bij de garage heb ik gezien dat er nog andere schade aan de auto was. De garagehouder heeft aan mij gevraagd wat er was gebeurd. Ik kon hem daarop geen antwoord geven. Op dat moment was ik nog steeds niet voor de volle 100% bij zinnen. Toen ik het bericht van Omroep Brabant hoorde begon bij mij door te dringen dat ik degene moest zijn geweest die het ongeval had veroorzaakt. Dit was na 18.00 uur, 19.00 uur. Op dat moment had ik mijn medicijnen weer ingenomen. Wanneer ik 1 dag mijn medicijnen vergeet in te nemen en ik doe dat alsnog, dan kan ik me tot een halfuur vóór inname herinneren wat er allemaal is gebeurd. Wat er daarvoor is gebeurd weet ik niet meer.

(…) Ik heb wel vaker last van een wegraking. Ik voel dan dat ik even afwezig raak. Ik houd dan meestal mijn mond dicht. Ik kan dan namelijk niet echt antwoorden op de vragen die mij worden gesteld. Wanneer ik vervolgens mijn medicijnen weer inneem, gaat dat weer over. Mijn zoon was om 17.00 uur thuis. Hij heeft toen gezien dat ik mijn medicijnen niet had ingenomen.

8. De verklaring van de getuige [getuige 3], zoon van verdachte, afgelegd bij de politie op 3 juli 2012 (…), voor zover inhoudende:

Mijn vader (het hof begrijpt: verdachte) gebruikt medicatie tegen epileptische aanvallen. Hij heeft een potje in de keuken staan en hij moet dan twee keer per dag deze medicatie innemen. Ik kon zien dat de medicatie vandaag nog niet was ingenomen. Daarnaast kon ik aan zijn hele houding zien dat hij vandaag een aanval had gehad.

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d.d. 31 juli 2014, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(…) Dertig jaar geleden ben ik bij een neuroloog in het St Elisabethziekenhuis in Tilburg geweest. Na dit gebeuren (het hof begrijpt: het verkeersongeval op 3 juli 2012) heb ik gebeld voor een heronderzoek. Dat vond plaats bij dokter [de dokter]

(…) Voordat ik naar dokter [de dokter] ging was ik twintig jaar niet meer bij een neuroloog geweest.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d.d. 12 mei 2016, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben op de ochtend van het ongeluk mijn medicatie vergeten.

Het komt wel eens voor dat ik mijn medicijnen vergeet. Na het ongeval is dat nog maar zelden voorgekomen.

Er zat inderdaad een bijsluiter bij de medicatie. Die heb ik gelezen.’

6. Het hof heeft in het arrest onder het kopje ‘Verweren ten aanzien van de strafbaarheid’ het volgende overwogen:

‘De raadsman van verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat verdachte met zijn auto tegen de fietser is aangereden, geen schuld oplevert in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) noch gevaarzettend of hinder veroorzakend gedrag in de zin van artikel 5 WVW 1994.

Subsidiair, indien het hof tot enige bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van overtreding van artikel 6 WVW 1994 dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van overtreding van artikel 5 WVW 1994, vanwege het ontbreken van schuld in verband met de aan verdachtes epileptische aandoening gerelateerde black-out die dag.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat verdachte op 3 juli 2012 te Helvoirt met de door hem bestuurde auto tegen - de aan de rechterkant van de rijbaan fietsende - [slachtoffer] is aangereden, waardoor deze op de motorkap van de auto van verdachte terecht is gekomen en daarna aan de linkerkant van de rijbaan is beland. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel ondervonden met, zo blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 31 december 2013, grote gevolgen voor haar dagelijks functioneren.

Vast staat dat verdachte de snelheid van zijn voertuig niet zodanig heeft aangepast dan wel zijn voertuig niet op een zodanige afstand van de voor hem fietsende [slachtoffer] tot stilstand heeft gebracht dat een aanrijding kon worden vermeden.

Uit de inhoud van het dossier is niet gebleken van omstandigheden die het zicht op de fietser heeft belemmerd. Het betrof een overzichtelijke verkeerssituatie.

Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of oplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte, als bedoeld in artikel 6 WVW 1994, te wijten is. Dit kan anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk geworden waaruit volgt dat van schuld in hiervoor bedoelde zin niet kan worden gesproken.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte gesteld dat hij geen schuld had aan de aanrijding omdat hij die dag een black-out heeft gehad ten gevolge van een epileptische aanval. Verdachte heeft daartoe in eerste aanleg verklaard: “Ik weet nog dat ik in Giesbergen en Udenhout ben geweest. Wat er tussenin is gebeurd weet ik niet. Tijdens het bijkomen van de aanval ben ik naar de garage gereden. Ik denk dat ik dat op de automatische piloot heb gedaan. Ik besefte op dat moment niet dat ik een aanval had gehad. Ik vond zelf dat ik wist wat ik deed. Ik wist op dat moment niet dat ik mijn medicatie niet had ingenomen.”

De rechtbank heeft het beroep van verdachte op afwezigheid van schuld verworpen - kort gezegd - omdat de rechtbank het niet aannemelijk achtte dat verdachte na een epileptische aanval (met wegraking) of black-out nog in staat zou zijn om zijn auto naar de garage te rijden.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 31 juli 2014 heeft het hof een onderzoek door een deskundige, een neuroloog, gelast ter beantwoording van de hierna weergegeven vragen. De verdachte heeft toestemming gegeven tot inzage van zijn medisch dossier door de deskundige en heeft zich bereid getoond mee te werken aan het onderzoek.

De door de raadsheer-commissaris benoemde deskundige, neuroloog dr. A.J.A. de Louw, heeft op 31 januari 2016 zijn rapport uitgebracht.

Op de vraag of kan worden vastgesteld of verdachte lijdende is aan epilepsie en zo ja, aan welke vorm en hoe die vorm zich uit, antwoordt de deskundige:

“Bij betrokkene werd in het verleden de diagnose epilepsie gesteld, welke diagnose later door verschillende neurologen werd bevestigd. Volgens de beschikbare medische correspondentie is betrokkene bekend met een cryptogene lokalisatie gebonden epilepsie. Deze vorm van epilepsie gaat meestal gepaard met eenvoudig partiële of complex partiële aanvallen. Betrokkene is bekend met complex partiële aanvallen, zich uitend in afwezigheden met een verminderd bewustzijn en nadien verwardheid (post-ictale fase). Uit de correspondentie van neuroloog Brekelmans d.d. 25-04-2007 blijkt dat er tevens sprake is geweest van automatische handelingen tijdens een aanval. De duur van de aanvallen varieert anamnestisch van enkele minuten tot 20 minuten. In de medische correspondentie worden slechts kort durende aanvallen beschreven, waarbij er vóór het ongeval éénmalig een langer durende aanval wordt beschreven.”

Ten aanzien van de medicatie van verdachte ten tijde van het ongeval en de gevolgen van het eenmalig vergeten (na jarenlang gebruik) van de medicatie, merkt de deskundige op:

‘De aanvallen die worden gezien bij een cryptogene lokalisatie gebonden epilepsie is bij 60 tot 70 procent van de patiënten goed te behandelen met medicijnen. De resterende 30 procent van de patiënten blijft aanvallen houden ondanks verschillende medicijnen tegen epilepsie. Voor zover te herleiden uit de medische correspondentie heeft betrokkene nooit andere medicijnen dan Tegretol en Rivotril gehad.

Ten tijde van het ongeval gebruikte betrokkene Tegretol en Rivotril als anti-epileptische medicatie. Ondanks de behandeling met Tegretol en Rivotril bleef betrokkene aanvallen houden, zoals blijkt uit de medische correspondentie en uit de op 25 juni 2015 afgenomen anamnese. De ten tijde van het ongeval gebruikte medicatie was derhalve onvoldoende om de epilepsie adequaat te behandelen.

Het vergeten van anti-epileptische medicatie kan een provocerende factor zijn voor het krijgen van een aanval. Dit is onafhankelijk van de duur (jarenlang) van de behandeling.

Voorts is aan de deskundige de vraag gesteld hoe waarschijnlijk het is dat een epileptische aanval kan leiden tot het door de verdachte gestelde gevolg, te weten het onbewust (van achter) aanrijden van een fietser, het vervolgens onbewust de weg vervolgen terwijl het ongeval heeft geleid tot een verbrijzelde voorruit aan de bijrijderszijde, en het zich niets kunnen herinneren van het rijgedrag op het moment dat men weer bij zijn positieven is.

De deskundige antwoordt hierop:

“In de literatuur is beschreven dat patiënten complexe handelingen kunnen uitvoeren zowel tijdens een epileptische aanval als in de zogenaamde post-ictale periode (periode van verwardheid direct aansluitend aan de daadwerkelijke aanval).

Na een kortdurende epileptische aanval is het mogelijk dat er een meer langdurige (tot uren durende) post-ictale periode volgt. Het niet kunnen herinneren van een aanval wordt regelmatig gezien bij epilepsie. Het is dus niet uitgesloten dat betrokkene tijdens een epileptische aanval en/of post-ictale periode bovenstaande handelingen heeft verricht, waarbij het tevens niet is uitgesloten dat betrokkene geen herinnering heeft aan het gebeurde. ”

De deskundige rapporteert ten slotte dat verdachte ten tijde van het ongeval niet aanvalsvrij was, zoals blijkt uit zowel de medische correspondentie als uit de ten behoeve van diens onderzoek verrichte anamnese van verdachte en dat slechts na het ophogen van de medicatie, nadat het ongeval had plaatsgevonden, aanvalsvrijheid ontstond. De deskundige merkt voorts op dat het persisterend optreden van epileptische aanvallen consequenties heeft voor de rijvaardigheid.

Het hof concludeert op grond van de rapportage van de deskundige dat het door verdachte geschetste scenario, dat hij een black-out heeft gehad en zich daarna niet kon herinneren dat hij een aanrijding had gehad, maar wel door heeft kunnen rijden naar de garage om de gebroken ruit van de voorruit van zijn auto te laten repareren, niet kan worden uitgesloten.

Dit zou betekenen dat de toedracht van de aanrijding verklaard moet worden uit de omstandigheid dat verdachte een epileptische aanval heeft gehad. Het hof is van oordeel dat verdachte voor de aanrijding verantwoordelijk kan worden gehouden omdat:

- hij lijdt aan een epileptische aandoening en hier ook bekend mee was;

- hij voor het ongeval niet volledig aanvalsvrij was;

- hij op de dag van het ongeval zijn medicatie, zoals hij ter terechtzitting heeft erkend, niet had ingenomen, hetgeen een aanvalprovocerende werking kan hebben, en

- deze medicatie, zo blijkt uit de voor een ieder toegankelijke informatie op de website van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, de rijvaardigheid beïnvloedt.

Verdachte heeft gelet op dit alles een aanwijsbaar risico voor de veiligheid van zijn weggebruikers genomen door die dag in de auto te stappen en deel te nemen aan het verkeer.

Verdachte heeft nagelaten om in het belang van de verkeersveiligheid passende maatregelen te nemen. Zo heeft verdachte zich niet aan regelmatige dokterscontroles onderworpen waarbij gecheckt kon worden of er sprake was van voldoende en adequate medicatie. Verdachte heeft kennelijk ook niet de vaste routine om alvorens in de auto te stappen te controleren of hij zijn medicatie heeft ingenomen.

Door dit na te laten en die dag toch als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte als epilepsiepatiënt het risico van een optredende epileptische aanval op de koop toegenomen.

Het verkeersongeval waarbij [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt is derhalve aan verdachtes schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 te wijten.

Gelet op de bevindingen van de deskundige, in het bijzonder diens constatering dat verdachte nimmer aanvalsvrij is geweest, treft het verweer van de verdediging dat verdachte de black-out niet kon voorzien, geen doel.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.’

7. Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte buiten de bebouwde kom op een rechte weg bij een droge weersgesteldheid met de door hem bestuurde auto tegen de aan de rechterkant van de rijbaan fietsende [slachtoffer] is aangereden, waardoor zij op de motorkap van de auto terecht is gekomen en daarna aan de linkerkant van de rijbaan is beland op een afstand van ongeveer 36 meter van de plaats van de aanrijding. Voorts heeft het hof overwogen dat vaststaat dat de verdachte de snelheid van zijn voertuig niet zodanig heeft aangepast dan wel zijn voertuig niet op een zodanige afstand van de voor hem fietsende [slachtoffer] tot stilstand heeft gebracht dat een aanrijding kon worden vermeden. In dit verband heeft het hof overwogen dat uit de inhoud van het dossier niet is gebleken van omstandigheden die het zicht op de fietsster hebben belemmerd en dat het een overzichtelijke verkeerssituatie betrof. Het hof heeft geoordeeld dat zodanig verkeersgedrag in beginsel de gevolgtrekking kan dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of oplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan zijn schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994 te wijten is en dat dit anders kan zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk geworden waaruit volgt dat van schuld in de hiervoor bedoelde zin niet kan worden gesproken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.1 Blijkens de toelichting keert het middel zich ook niet zozeer tegen vorenbedoeld oordeel, maar tegen ’s hofs oordeel dat de verdachte ‘verantwoordelijk kan worden gehouden’ voor de aanrijding.

8. Het middel geeft aan dat het hof vier punten benoemt die meebrengen dat de verdachte daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Daartoe behoren de vaststelling dat de verdachte voor het ongeval niet volledig aanvalsvrij was en dat verdachte op de dag van het ongeval zijn medicatie niet had ingenomen hetgeen een aanvalsprovocerende werking kan hebben. Gememoreerd wordt dat de deskundige neuroloog heeft gerapporteerd dat in de medische correspondentie slechts kort durende aanvallen worden beschreven en éénmalig een langer durende aanval. De steller geeft aan dat de verdachte heeft verklaard dat die ene langer durende aanval 25 jaar geleden was.

9. Geklaagd wordt vervolgens dat het hof in de bewijsoverwegingen geen onderscheid maakt tussen die langer durende aanval en de kort durende aanvallen. Uit de bewijsmiddelen zou niet blijken dat kort durende aanvallen ook gevaar opleveren. Het enige dat hierover zou zijn gezegd is de opmerking van de deskundige neuroloog dat het persisterend optreden van epileptische aanvallen consequenties heeft voor de rijvaardigheid. Uit de bewijsmiddelen zou echter niet volgen wanneer sprake is van persisterend optreden van epileptische aanvallen, of daarvan hier sprake was, of dat consequenties voor de rijvaardigheid heeft en wat die consequenties dan zijn.

10. Het middel klaagt er tenslotte ook over dat het hof de verdachte verwijt dat hij zich niet aan regelmatige dokterscontrole heeft onderworpen en dat hij geen vaste routine heeft om alvorens de auto in te stappen te controleren of hij zijn medicatie heeft ingenomen. Ook daar zou het hof ten onrechte voorbij zijn gegaan aan het verschil tussen de korte aanvallen en de langere black-out. Het niet innemen van de medicatie kan aanvalsprovocerend werken, aldus de steller, maar de verdachte heeft al 25 jaar de ervaring dat de aanvallen slechts klein en kort zijn, waarbij hij volledig bij bewustzijn is. Uit de bewijsmiddelen zou niet blijken welke aanval geprovoceerd wordt en welke gevolgen dat heeft voor de rijvaardigheid. Van de door het hof in het arrest genoemde aanvallen zou op basis van de gebruikte bewijsmiddelen niet vaststaan dat deze ‘een dermate grote omvang zouden kunnen krijgen als ten tijde van het ongeval is gebeurd, en dat verzoeker dat risico bewust op de koop toe heeft genomen’.

11. Het bewezenverklaarde art. 6 WVW 1994 is een culpoos delict. Kern van de culpa is de aanmerkelijke onvoorzichtigheid.2 Van culpa is echter pas sprake als de vastgestelde aanmerkelijke onvoorzichtigheid verwijtbaar was.3 De verwijtbaarheid wordt in beginsel voorondersteld, maar in exceptionele gevallen, als sprake is van een schulduitsluitingsgrond, kan de verwijtbaarheid wegvallen.4 Verontschuldigbare onmacht is een schulduitsluitingsgrond; het is een vorm van afwezigheid van alle schuld.5 Van verontschuldigbare onmacht kan bijvoorbeeld sprake zijn als de verdachte het bewustzijn verontschuldigbaar heeft verloren. Ook van een epileptische aanval die tot gevolg heeft dat de verdachte geen controle heeft over de auto en een ongeval veroorzaakt, kan worden gezegd dat zij ‘onmacht’ tot gevolg heeft gehad. De vraag waar het om draait, in deze strafzaak, is of deze onmacht verontschuldigbaar was.

12. Het middel lijkt er, blijkens de gekozen formuleringen, van uit te gaan dat de onmacht eerst niet verontschuldigbaar is als het risico op een aanval van een dergelijke grote omvang bewust op de koop is toegenomen. In zoverre gaat het middel uit van een verkeerde rechtsopvatting. Vastgesteld behoeft niet te worden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet op het intreden van de onmacht had. Mogelijk is de steller op dit punt op het verkeerde been gezet door het hof. Dat stelt eerst vast dat de verdachte zich niet aan regelmatige dokterscontroles onderwierp en niet de vaste routine had om alvorens de auto in te stappen te controleren of hij zijn medicijnen had ingenomen. En het overweegt vervolgens: ‘Door dit na te laten en die dag toch als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte als epilepsiepatiënt het risico van een optredende epileptische aanval op de koop toegenomen’. Die overweging gaat verder dan noodzakelijk is om vast te kunnen stellen dat de onmacht niet verontschuldigbaar was. Daarvoor is voldoende dat de verdachte een verwijt kan worden gemaakt van het onmachtig veroorzaken van een verkeersongeval.

13. Tot cassatie behoeft dat naar het mij voorkomt niet te leiden. Als al aangenomen zou worden dat de conclusie die in de betreffende zin besloten ligt in het licht van de door het hof vastgestelde feiten onbegrijpelijk zou zijn (het hof spreekt slechts over het op de koop toenemen van een epileptische aanval, niet over het op de koop toenemen van een aanval zo ernstig als onderhavige), kan naar het mij voorkomt worden aangenomen dat het hof in de betreffende zin, zij het in minder gelukkige bewoordingen, tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte door dit na te laten en die dag toch als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen te verwijten valt dat hij in een epileptische aanval een verkeersongeval heeft veroorzaakt.

14. De gesignaleerde verkeerde rechtsopvatting lijkt door te werken in andere eisen die het middel stelt. Het middel klaagt er over dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat kort durende aanvallen ook gevaar opleveren. En dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt wanneer sprake is van persisterend optreden van epileptische aanvallen, of daarvan hier sprake was, of dat consequenties heeft voor de rijvaardigheid en wat die consequenties dan zouden zijn. Dat behoeft niet uit de bewijsmiddelen te blijken. Voldoende is dat op basis van bewijsmiddelen en feiten van algemene bekendheid kan worden vastgesteld dat de onmacht niet verontschuldigbaar was.

15. Daarbij gaat het er in de kern om welke eisen aan de verdachte mogen worden gesteld. Uit eerdere rechtspraak inzake verontschuldigbare onmacht kan tot op zekere hoogte een indicatie van die eisen worden afgeleid. In HR 24 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AB5863, NJ 1965/142 m.nt. Pompe deed zich een geval van verontschuldigbare onmacht voor. Aangevoerd was dat de verdachte ten gevolge van een plotselinge diabetes-aanval het bewustzijn had verloren en dat hij deze aanval anders dan vorige keren niet had voelen naderen. De verdachte had voorts gesteld dat hij voor zijn rijbewijs was goedgekeurd terwijl de geneesheren op de hoogte waren van het feit dat hij aan suikerziekte leed. En dat hij voor de verlenging van zijn rijbewijs eveneens was goedgekeurd. Ruim twee maanden voor het ongeval had hij al eens suikergebrek voelen opkomen, waardoor hij in slaap was gevallen, maar de behandelend geneesheer had hem gezegd dat hij ‘met een gerust hart weer kon gaan chaufferen’. Onder die omstandigheden, waarvan de rechtbank de juistheid had aangenomen, had zij volgens Uw Raad kunnen oordelen dat bij de verdachte alle schuld ontbrak.6

16. Uw Raad heeft evenwel niet dikwijls behoeven te oordelen over de eisen die aan de verontschuldigbaarheid van onmacht in het verkeer worden gesteld.7 Mede tegen die achtergrond ligt het in de rede ook te bezien welke eisen Uw Raad bij andere strafuitsluitingsgronden aan de verwijtbaarheid van het handelen van de verdachte stelt.

17. Bij de ontoerekeningsvatbaarheid, een strafuitsluitingsgrond die grenst aan de verontschuldigbare onmacht8, kan (ook) de vraag spelen of de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens aan de verdachte zelf te wijten was. Dat Uw Raad in dat verband strenge maatstaven hanteert, kan worden afgeleid uit HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797, NJ 2008/263 m.nt. Keijzer. De verdachte pleegde onder invloed van een psychose stoornis die was ontstaan door het gebruik van cannabis een poging tot diefstal, twee vernielingen en een mishandeling. Uw Raad oordeelde:

‘3.4. Het oordeel van het Hof dat de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, nu de opgetreden psychose aan hem zelf te wijten is geweest, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Dat het Hof heeft vastgesteld dat het optreden van een psychotische toestand geen algemeen bekend of vaak gezien gevolg is van cannabisgebruik kan daaraan niet afdoen, nu het Hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat:

- de verdachte een regelmatige gebruiker van cannabis was;

- hij wist dat gebruik van dat roesmiddel effect heeft op zijn psychische toestand;

- hij aldus kon weten dat het gebruik van cannabis niet geheel ontbloot is van risico's en dat dit middel zijn functioneren zodanig kon beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan en

- het van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na het gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt.’

18. In de feitenrechtspraak doen zich regelmatig gevallen voor waarin een verkeersongeval veroorzaakt is door een epileptische aanval. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat bij het beoordelen van de verontschuldigbaarheid veel belang wordt gehecht aan informatie die de verdachte eerder aan het CBR heeft verschaft en aan oordelen van behandelende artsen. In Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5120, NJ 2015/88 bijvoorbeeld had de verdachte in de ‘Eigen verklaring’ aan het CBR aangegeven last te hebben van epileptische aanvallen. Voorts stelde het hof vast dat de verdachte zich ‘na een epileptisch aanval altijd (heeft) gewend tot zijn behandelend neuroloog’. De verdachte werd vrijgesproken van de primair ten laste gelegde overtreding van art. 6 WVW 1994.9 Maar ook wie onder behandeling is behoudt een eigen verantwoordelijkheid.10

19. In de onderhavige strafzaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte leed aan een epileptische aandoening en hiermee bekend was; dat hij voor het ongeval niet volledig aanvalsvrij was; dat hij medicatie gebruikt tegen epileptische aanvallen; dat hij op de dag van het ongeval zijn medicatie niet had ingenomen en dat dit een aanvalsprovocerende werking kan hebben. Het hof heeft verder vastgesteld dat neuroloog De Louw heeft gerapporteerd dat de verdachte bekend is met complex partiële aanvallen, zich uitend in afwezigheden met een verminderd bewustzijn, en dat de duur van de aanvallen anamnestisch varieert van enkele minuten tot twintig minuten. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de medicatie van de verdachte de rijvaardigheid beïnvloedt. Uit deze vaststellingen vloeien een aantal belangrijke verschillen met de hiervoor onder 15 besproken zaak uit 1964 voort. De verdachte in die zaak stelde dat hij een diabetes-aanval altijd had voelen aankomen. Dat de verdachte altijd een epileptische aanval had voelen aankomen, is in deze zaak niet gesteld. Daar komt bij dat de verdachte in de zaak uit 1964 het advies van zijn geneesheer had ingewonnen en dat diens advies zonder voorbehoud positief was over het weer auto gaan rijden. Van de verdachte in de onderhavige strafzaak staat vast dat hij medicatie innam die de rijvaardigheid beïnvloedde, en dat hij de betreffende dag vergeten was zijn medicatie in te nemen.

20. Dat de verdachte medicatie innam die de rijvaardigheid beïnvloedde en dat hij die dag zijn medicatie was vergeten in te nemen, zijn twee argumenten die op het eerste oog op gespannen voet met elkaar staan. Ik meen evenwel dat die spanning er bij nadere beschouwing niet is. Dat de verdachte langdurig medicijnen slikt die de rijvaardigheid beïnvloeden, brengt mee dat het in de rede ligt dat hij met enige regelmaat advies inwint in verband met zijn rijvaardigheid.11 Dat de verdachte zijn medicatie die dag was vergeten in te nemen, draagt bij aan het oordeel dat hij specifiek op de dag van het ongeval verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld.

21. Het was daarbij niet de eerste keer dat de verdachte zijn medicijnen vergat. In een onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring zegt de verdachte: ‘In het verleden ben ik mijn medicijnen wel eens vergeten in te nemen’; ‘Wanneer ik 1 dag mijn medicijnen vergeet in te nemen en ik doe dat alsnog, dan kan ik me tot een halfuur vóór inname herinneren wat er allemaal is gebeurd’ (bewijsmiddel 7; zie ook bewijsmiddel 10). Dat de verdachte van zichzelf wist dat hij zijn medicijnen wel eens vergat, had hem al eerder tot maatregelen moeten brengen die de kans op een ongeval verkleinden. Het hof stelt vast dat de verdachte kennelijk ‘niet de vaste routine (heeft) om alvorens in de auto te stappen te controleren of hij zijn medicatie heeft ingenomen’. Ook dat draagt bij aan het oordeel dat de onmacht niet verontschuldigbaar was.

22. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte zich niet aan regelmatige dokterscontroles heeft onderworpen. De verdachte zelf zegt dat hij na het verkeersongeval heeft gebeld voor een heronderzoek; ‘Voordat ik naar dokter [de dokter] ging was ik twintig jaar niet meer bij een neuroloog geweest’.12 Niet onder de bewijsmiddelen opgenomen maar wel bij de strafoplegging betrokken is voorts de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, dat hij het CBR nimmer op de hoogte heeft gesteld van zijn epileptische aandoening.

23. Bij deze vaststellingen kunnen nog enkele feiten van algemene bekendheid over epilepsie en rijvaardigheid worden betrokken. Het hof verwijst naar de website van het CBR. Daar is eenvoudig terug te vinden dat een epileptische aanval risico’s oplevert voor de rijvaardigheid. Bij een autorijbewijs geldt in het algemeen, zo staat daar vermeld: ‘Na een eerste epileptische aanval: zes maanden niet rijden’; ‘Meer dan één epileptische aanval: één jaar niet rijden vanaf de laatste aanval’.13 Er zijn echter veel uitzonderingen, zo meldt de website vervolgens: ‘Overleg met uw arts wat in uw situatie geldt’. De normering van de gevolgen van epileptische aanvallen voor de rijgeschiktheid waar deze website op voortbouwt is neergelegd in par. 7.2. van de bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000. Uit die regeling volgt dat van personen die meer dan één epileptische aanval hebben gehad wordt vermoed dat zij een verhoogd risico vormen voor de verkeersveiligheid.

24. Dat het voor de verdachte al 25 jaar geleden zou zijn dat hij een langere aanval heeft gehad, brengt mede tegen de achtergrond van ’s hofs vaststellingen niet mee dat de verdachte er verontschuldigbaar op kan hebben vertrouwd dat een aanval als in casu heeft plaatsgevonden zou uitblijven. Hij bleef een gewaarschuwd man, ook door de latere korte aanvallen. Daarbij is van belang dat neuroloog De Louw spreekt van aanvallen van enkele minuten tot twintig minuten. Het hof heeft hieruit kunnen afleiden dat de door de verdachte bedoelde ‘korte’ aanvallen (nog altijd) enkele minuten duurden en dat, indien een dergelijke aanval zich voordoet terwijl de verdachte een auto bestuurt, dit gelet op de gerapporteerde ‘afwezigheden met een verminderd bewustzijn’14 - ook voor de verdachte voorzienbaar - tot verkeersgevaarlijke situaties kan leiden. Ook de bijsluiters bij zijn medicijnen en algemeen bekende informatie hebben hem niet in de waan kunnen brengen dat een aanval als heeft plaatsgevonden niet tot de mogelijkheden behoorde. Dat heeft de verdachte ook niet gesteld. Dat de kans op een dergelijke aanval in zijn beleving wellicht klein was maakt een en ander niet anders.15 De verdachte diende, gelet op wat hij wist en behoorde te weten over epilepsie en rijvaardigheid en gelet op de grote gevaren die aan een epileptische aanval achter het stuur verbonden zijn, een grote mate van voorzichtigheid in acht te nemen. Dat heeft hij gelet op ’s hofs vaststellingen nagelaten. Aangestipt kan nog worden dat uit de vaststellingen van deskundige De Louw ook kan worden afgeleid dat een grotere voorzichtigheid bij de verdachte, in het bijzonder eerder contact met artsen, de risico’s daadwerkelijk terug had kunnen dringen. De Louw geeft aan dat de ten tijde van het ongeval gebruikte medicatie onvoldoende was om de epilepsie adequaat te behandelen en dat ‘slechts na het ophogen van de medicatie, nadat het ongeval had plaatsgevonden, aanvalsvrijheid ontstond’.

25. Al met al komt het mij voor dat het hof de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, ook waar het de vaststelling betreft dat de verdachte niet in verontschuldigbare onmacht heeft gehandeld, toereikend met redenen heeft omkleed.

26. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252 m.nt. Knigge en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4835, NJ 2013/32.

2 Zie HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4201, NJ 2002/549: onder schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 moet worden verstaan een min of meer grove of aanmerkelijke schuld. Zie in gelijke zin HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:952, NJ 2015/269 m.nt. Keijzer en HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630, NJ 2010/674 m.nt. Mevis ten aanzien van schuld in de zin van art. 308 Sr.

3 Vgl. G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, 15e druk, 2015, p. 143 e.v.

4 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, 6e druk, 2015, p. 271, 273 en de conclusie van A-G Knigge (ov. 4.9) voorafgaand aan HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4835, NJ 2013/32.

5 De Hullu, a.w., p. 369; Knigge en Wolswijk, a.w., p. 209.

6 Vgl. ook de andersluidende conclusie van A-G ’s Jacob.

7 Uit de gevallen die bij Uw Raad aan de orde waren, kan weinig worden afgeleid. In HR 25 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9242, NJ 1986/615 had de rechtbank geen aandacht besteed aan het verweer van een spookrijder dat hij een black out had gehad, en dat deze was veroorzaakt door een aanrijding waarbij hij kort daarvoor betrokken was geweest. In het standaardarrest HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252 m.nt. Knigge oordeelde Uw Raad het onbegrijpelijk dat het hof de verklaring van de verdachte dat zij kennelijk een soort black out had gehad voor het bewijs bezigde. Na verwijzing oordeelde het hof in die zaak dat het verweer dat -kort gezegd- sprake was van een black out niet aannemelijk is geworden (HR 7 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8897, VR 2007/19; afdoening met art. 81 RO). Ook in HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4835, NJ 2013/32 had het hof de aangevoerde omstandigheden, meer in het bijzonder dat bij de verdachte sprake is geweest van een tijdelijk bewustzijnsverlies, niet aannemelijk geacht. Zo ook in HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4223 (81 RO) en HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1921 (81 RO).

8 E. Gritter, Verontschuldigbare onmacht en tijdelijk bewustzijnsverlies: een systematisch perspectief, DD 2015, p. 494-517, meent zelfs dat tijdelijk bewustzijnsverlies dat tot een strafbaar feit leidt onder deze strafuitsluitingsgrond gebracht kan worden.

9 Zie voorts Rechtbank Noord-Holland 6 mei 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:4584; Gerechtshof Amsterdam 12 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4839; Rechtbank Zwolle-Lelystad 24 november 2011, ECLI:NL:RBZLY:2011:BU6570. Vgl. ook Rechtbank Zutphen 25 september 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BX8137 (na onverklaarbaar verkeersongeval niet naar een neuroloog gaan); Rechtbank Utrecht 7 september 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6865 (epilepsie niet bij CBR melden); Gerechtshof Amsterdam 14 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8205 (gewezen op consequenties voor rijbevoegdheid); Rechtbank Dordrecht 22 december 2011, ECLI:NL:RBDOR:2011:BU9099 (niet aan CBR gemeld); Gerechtshof ’s-Gravenhage 10 februari 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2641 (niet bereid anti-epileptica te gebruiken); Rechtbank Middelburg 4 april 2007, ECLI:NL:RBMID:2007:BA2323 (eerder last van wegvallingen).

10 Rechtbank Zutphen 25 september 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BX8187; Gerechtshof Amsterdam 7 april 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AY5838.

11 Zie in dit verband het requisitoir van de advocaat-generaal: ‘Het CBR verwijst naar de website “Rijveiligmetmedicijnen.nl”, een voor eenieder toegankelijke bron van informatie, waaruit blijkt dat het gebruik van de medicijnen Tegretol en Rivotril een licht tot matige negatieve invloed heeft op de rijvaardigheid (te vergelijken met een bloedalcoholconcentratie van 0,5-0,8‰). Het wordt vaak ontraden om de eerste paar dagen van de behandeling te gaan rijden of soms de eerste paar uur na inname. Ook de bijsluiter bij deze medicijnen vermeldt deze informatie.’ De verdachte heeft verklaard dat er inderdaad een bijsluiter bij de medicatie zat en dat hij die heeft gelezen (bewijsmiddel 10).

12 Niet geheel duidelijk is mij overigens hoe dit zich verhoudt tot de ‘beschikbare medische correspondentie’ waar deskundige De Louw over spreekt, onder meer van neuroloog Brekelmans van 25 april 2007. Daarover wordt evenwel niet geklaagd.

13 https://www.cbr.nl/epilepsie.pp?

14 Zie in dit verband ook de als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van de verdachte: ‘Ik heb wel vaker last van een wegraking. Ik voel dan dat ik even afwezig raak. Ik houd dan meestal mijn mond dicht. Ik kan dan namelijk niet echt antwoorden op de vragen die mij worden gesteld. Wanneer ik vervolgens mijn medicijnen weer inneem, gaat dat weer over.’

15 Vgl. het eerder genoemde HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797, NJ 2008/263 m.nt. Keijzer. Zie in dit verband tevens onderdeel 4 van de noot van Keijzer onder HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:952, NJ 2015/269.