Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:557

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
17/02571
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Illegale handel in uitheemse diersoorten (katachtigen en vogels), geen deugdelijke administratie bijhouden t.z.v. verschillende vogels en in strijd met wettelijke plicht niet alle documentatie bewaren t.a.v. vogels. Art. 13.1 en 81.1 Flora- en faunawet, art. 10, 37 en 101a Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, valsheid in geschrift en deelneming aan criminele organisatie. Groot aantal middelen o.m. over ontbrekende strafrechtsmacht Nederland, optreden verdachte als tussenpersoon, beroep op toepasselijkheid vrijstellingsregelingen voor intercommunautair verkeer, uitleg art. 13 Flora- en faunawet en art. 10 en 101a Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, beroep op “vijfvogelregeling” en vereist houderschap voor veroordeling t.z.v. art. 101a Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/02570 en 17/02572 E.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02571

Mr. A.J. Machielse

Zitting: 10 april 2018 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem heeft verdachte op 18 januari 2017 voor 1: medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd en opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd, 2: de overtreding: overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 81, eerste lid, van de Flora- en faunawet, tweemaal gepleegd, 3 primair: medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, 3 subsidiair: medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, 4: medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd en opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, 5: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 7: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, 8: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, en 9: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, tot de voorwaardelijke bijkomende straf van ontzetting van het beroep van dierenhandelaar, voor zover dat betreft het hebben van bemoeienis – direct of indirect – met inheemse of uitheemse beschermde diersoorten en in het wild gevangen vogels voor de duur van een jaar, tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven vogels zoals in het arrest aangewezen en, voor de onder 2 bewezenverklaarde overtredingen tot twee geldboetes van elk € 500. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een geldboete van € 10.000, gelast.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg, heeft een schriftuur ingezonden houdende 15 middelen van cassatie. Ik maak eerst een opmerking vooraf. De grenzen tussen de verschillende middelen zijn voor de lezer niet altijd gemakkelijk te bepalen. Ook komt het voor dat binnen één middel meerdere klachten schuilen zonder dat hun relatie of hun verhouding duidelijk wordt gemaakt. Aan zo een werkwijze is het risico verbonden dat degene die de middelen moet beoordelen daaraan naar beste vermogen een betekenis zal toekennen en dat die betekenis misschien niet precies overeenstemt met de niet precies verklaarde bedoeling van de steller van het middel. Voorts kan niet genoeg benadrukt worden dat de cassatieprocedure niet bedoeld is om verweren van feitelijke aard te herhalen, omdat uitgegaan moet worden van de feiten zoals die door de feitenrechter zijn vastgesteld, tenzij zo een vaststelling der feiten op gespannen voet staat met rechtsregels of onbegrijpelijk zou zijn.

3.1. Het lijkt mij voorts zinvol eerst enige achtergrondinformatie te verschaffen over de regelgeving die in de onderhavige zaak relevant is. Deze is buitengewoon complex. Zij strekt zich uit over drie niveaus met allerlei overlappingen. De verschillende regelgevingen verwijzen naar elkaar en zijn in meerdere lagen opgebouwd. Zo is de toepasselijke regelgeving van de EU verspreid over meerdere instrumenten. Maar ook de regelgever van de nationale nadere uitwerkingen maakt het de lezer niet gemakkelijk.

De oorsprong van alle hier toepasselijke regelgeving is de CITES, de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora.2De CITES heeft tot doel bepaalde bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen door reglementering van de internationale handel in dieren of planten van deze soorten. Zij is op 1 juli 1975 in werking getreden.

Artikel I CITES omschrijft "handel" als:

"de uitvoer, de wederuitvoer, de invoer en het inbrengen van uit de zee voortkomende dieren en planten".

"Wederuitvoer" is daar omschreven als: "de uitvoer van elk tevoren ingevoerd specimen".

CITES werkt met bijlagen waarop planten en dieren vermeld staan al naargelang het beschermingsniveau dat nodig wordt geoordeeld. Artikel II heeft, voor zover relevant, de volgende inhoud:

"Grondbeginselen

1. Bijlage I omvat alle met uitsterven bedreigde soorten die door de handel worden of zouden kunnen worden getroffen. De handel in specimens van deze soorten moet aan bijzonder strenge voorschriften worden onderworpen ten einde hun voortbestaan niet verder in gevaar te brengen en zij moet slechts in buitengewone gevallen worden toegestaan.

(...)

4. De Partijen staan de handel in specimens van de in Bijlagen I, I en III opgenomen soorten slechts toe indien deze in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst."

3.2. De CITES wordt al sinds 1 januari 1984 in de Gemeenschap ten uitvoer gebracht en wel aanvankelijk via Verordening (EEG) nr. 3626/82. Verordening 3626/82 sloeg twee vliegen in één klap. Enerzijds dwong zij tot het inrichten van een CITES-beschermingssysteem van bedreigde dier- en plantensoorten, anderzijds uniformeerde zij de toepassingsvoorschriften die de Lidstaten ter uitvoering van verplichtingen voortvloeiende uit de CITES tot stand zouden moeten brengen, en voorkwam aldus een belemmering van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap. Via Verordening 3626/82 maakte de CITES direct deel uit van de gemeenschapswetgeving. Een betere bescherming van bedreigde dieren en planten vereiste evenwel een nieuwe Verordening. De kern van die bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten binnen de EU wordt sinds 1997 bepaald door Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dieren- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, de Basisverordening.3 Volgens de considerans voor de Basisverordening, noopt de opheffing van de controles aan de binnengrenzen van de Europese Gemeenschap tot het installeren van strengere controlemaatregelen voor de handel aan de buitengrenzen. Binnen de Gemeenschap moeten gemeenschappelijke voorwaarden worden gecreëerd voor de afgifte, het gebruik en overlegging van documenten betreffende de invoer, de uitvoer of de wederuitvoer in en uit de Gemeenschap. Specifieke bepalingen moeten worden vastgesteld voor de doorvoer door de Gemeenschap en voor de controle in de Gemeenschap op de handel en het vervoer van de soorten en de manier waarop de levende specimens worden vervoerd naar, uit of binnen de Gemeenschap.

Artikel 1 van de Basisverordening formuleert als doel van de Verordening om in het wild levende dieren en planten te beschermen en in stand te houden door controle op het handelsverkeer. Artikel 2 bevat definities waarvan ik er hier enige weergeef:

"p) „verkoop”: alle vormen van verkoop. Voor de toepassing van deze verordening worden huur, ruil of uitwisseling gelijkgesteld met verkoop; uitdrukkingen van dezelfde strekking worden in dezelfde zin geïnterpreteerd;

(...)

u) „handel”: het binnenbrengen in de Gemeenschap met inbegrip van de aanvoer vanuit zee, de uitvoer en wederuitvoer vanuit de Gemeenschap en het gebruik, het vervoer en de overdracht van eigendom, in de Gemeenschap of in een Lid-Staat, van specimens waarop de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn;

v) „doorvoer”: het vervoeren van specimens tussen twee punten buiten de Gemeenschap via het grondgebied van de Gemeenschap, naar een met name genoemde consignataris en zonder andere onderbrekingen van de reis dan die welke bij deze vorm van vervoer onvermijdelijk zijn”.

Artikel 8 van de Basisverordening telt zes leden. Het eerste lid luidt aldus:

“1. De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden.”

Het tweede lid geeft aan de lidstaten de mogelijkheid het in bezit hebben van levende specimens met name die in bijlage A zijn genoemd, te verbieden. Het derde lid biedt de mogelijkheid om per geval ontheffing te verlenen van de verboden van het eerste lid en somt de voorwaarden op waaraan dan moet zijn voldaan. Het vierde lid geeft de Commissie de bevoegdheid om algemene afwijkingen en algemene ontheffingen van de verboden in te stellen. Het vijfde lid breidt de verbodsbepalingen van lid 1 uit tot specimens van soorten in bijlage B, maar formuleert meteen een uitzondering op deze uitbreiding, en het zesde lid opent de mogelijkheid dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten specimens die verbeurd zijn verklaard verkopen.

De bijlagen van de Basisverordening zoeken aansluiting bij de CITES-bijlagen (artikel 3).

De uitvoering van de Basisverordening is in handen gelegd van de Commissie. Die heeft daartoe een Verordening geproduceerd, de Uitvoeringsverordening.4 Deze Uitvoeringsverordening kent een ingewikkelde en gedetailleerde regelgeving over procedures en voorwaarden, en geeft formulieren voor aanvragen van vergunningen en certificaten, en technische voorschriften.

3.3. In de periode in de tenlastelegging genoemd was de Flora- en faunawet (Ffw) de nationale regeling die uitvoering gaf aan de internationale verplichtingen.5 Artikel 5 Ffw voorzag in de mogelijkheid om bij AMvB als beschermde uitheemse plantensoort of diersoort aan te wijzen plantensoorten of diersoorten die niet van nature in Nederland voorkomen en die

"in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten. (..)"

De aanwijzing tot beschermde uitheemse plantensoort of diersoort geschiedde bij ministeriële regeling als die aanwijzing noodzakelijk was ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organisaties van de EU of andere volkenrechtelijke organisaties (lid 2 van artikel 5 Ffw). Die aanwijzing heeft plaatsgevonden in de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.6 Artikel 4 van die Regeling wees de soorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening aan als beschermde uitheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in het tweede lid van artikel 5 Ffw.

Hoofdstuk III Ffw bevatte de algemene verbodsbepalingen. Paragraaf 3 van dat hoofdstuk hield de bepalingen in betreffende het bezit, het vervoer en de handel. Artikel 13 Ffw maakte deel uit van die paragraaf en bevatte de algemene verbodsbepaling, waarin allerlei handelingen met beschermde plantensoorten of diersoorten waren verboden. Overtreding van artikel 13, eerste lid, Ffw was volgens artikel 1a aanhef en onder 1 WED een economisch delict. Overtreding van andere voorschriften, gesteld bij of krachtens de Ffw was ook een economisch delict volgens artikel 1a aanhef en onder 3 WED. Als de overtreding van artikel 13, eerste lid Ffw opzettelijk was begaan leverde dat een economische misdrijf op, en anders een economische overtreding.

4.1. Het eerste middel klaagt, als ik het goed begrijp, in de eerste plaats over de verwerping van het verweer dat hetgeen verdachte in Nederland heeft verricht niet strafbaar is en dat hetgeen hem aan naar Nederlands recht strafbare handelingen wordt aangewreven zich in het buitenland heeft afgespeeld, waar dergelijke handelingen wel zijn toegestaan. Strafrechtmacht over deze gedragingen ontbreekt in Nederland. Het middel beperkt zich in dit eerste onderdeel tot het eerste deel van de tenlastelegging en dan nog tot de dieren die zijn vermeld achter de eerste vier gedachtestreepjes.

4.2. Als feit 1 is tenlastegelegd dat:

“hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in Nederland en/of in Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Slowakije en/of Portugal en/of Turkije en/of elders in Europa en/of de Filipijnen en/of Indonesië en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of Turkije en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of Tanzania en/of elders in Afrika

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen al dan niet opzettelijk, telkens dieren, behorende tot een beschermde inheemse en/of een beschermde uitheemse diersoort, te weten

- drie, althans één of meer amoerpanter(s) (Panthera pardus orïentalis) en/of

- vijf, althans één of meer ringstaartmaki(’s) (Lemur Catta) en/of

- twee, althans één of meer woestijnlynx(en) (Caracal caracal) en/of

- drie, althans één of meer tigon(s) dan wel tijger(s) (Panthera tigris X leo) en/of

- vier, althans één of meer aalscholver(s) (Phalacroxorax carbo)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad,

en/of

(in de loods op [a-straat 1] ):

- drie, althans één of meer rode eekhoorn(s) (Sciurus vulgaris) en/of

- één dubbele geelkopamazone (Amazone oratrix) en/of

- één tucuman amazone (Amazone tucumana) en/of

- één groene specht (Picus viridis)

en/of

(op de zolder van [a-straat 2] ):

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythrogenys)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad,

en/of

(traject Wildvang Bulgarije)

- 265, althans één of meer Piocephalus senegalus en/of

- vijfenvijftig African grey parrots/grijze roodstaartpapegaaien (Psittacus erithacus)

- tien, althans één of meer tauraco perse en/of

- vijf, althans één of meer tauraco hartlaubi en/of

- vijf, althans één of meer tauraco livingstond en/of

- vijf, althans één of meer hill myna’s (Gracula religiosa)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad,

en/of

(traject Vijfvogelregeling)

- tien, althans één of meer papoea beo’s (Mino dumonti)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad,

en/of

(traject Dierentuinroute)

- tien, althans één of meer panay of luzon neushoornvogels (Penelopides panini/manillae) en/of

- twee, althans één of meer rosse neushoornvogels (Buceros hydrocorax) en/of

- acht, althans één of meer brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer bonte kiekendieven (Circus melanoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhaviken (Accipiter trivirgatus)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad”.

Ervan moet worden uitgegaan dat in de tenlastelegging voorkomende uitdrukkingen die ontleend zijn aan de CITES, EU-regelgeving of aan Nederlandse wetgeving, geacht moeten worden te zijn gebezigd overeenkomstig de betekenis die de CITES, de Europese of Nederlandse wetgever daaraan heeft verleend. Zo zal, waar sprake is van 'verkoop' in de geest van artikel 2 onder p) van de Basisverordening iedere vorm van verkoop worden begrepen en daarnaast nog ruil of uitwisseling of huur.

'Handel' omvat het binnenbrengen in de Gemeenschap, de uitvoer, het gebruik, het vervoeren en de overdracht (artikel 2 aanhef en onder u) van de Basisverordening).

'Doorvoer' is het vervoeren van specimens tussen twee punten buiten de Gemeenschap via het grondgebied van de Gemeenschap (artikel 2 aanhef en onder v) van de Basisverordening).

'Overwegend commerciële doeleinden' omvat alle doeleinden waarvan de niet-commerciële aspecten niet duidelijk de overhand hebben (artikel 2 onder m) van de Basisverordening).

Artikel 1 Ffw omschrijft het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen als 'iedere handeling die is gericht op het bewerkstelligen van het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen'. Daar is ook te lezen dat 'ten verkoop aanbieden' moet worden begrepen als: 'elke handeling die redelijkerwijs als het ten verkoop aanbieden kan worden uitgelegd waaronder het maken of doen maken van handelspubliciteit en het uitnodigen tot zaken doen'.

4.3. Deze tenlastelegging is gebaseerd op artikel 13 Ffw, dat de volgende inhoud had:

"1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. [Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]

te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

2. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]

3. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]

4. Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, gelden de in het eerste lid bedoelde verboden noch ten aanzien van planten of producten van planten, noch ten aanzien van dieren of eieren, nesten of producten van dieren behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde uitheemse diersoort, die is aangewezen om redenen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, indien kan worden aangetoond dat zij:

a. overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde in Nederland zijn gebracht of

b. overeenkomstig de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten zijn verworven voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel."

Dus bijna iedere handeling ten aanzien van uitheemse beschermde dieren met A-status is in beginsel verboden. Maar artikel 75 lid 1 Ffw voorziet in de mogelijkheid vrijstellingen te verlenen van de verboden van de artikelen 8 tot en met 18 en wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Het tweede lid bepaalt dat als een vrijstelling strekt tot uitvoering van internationale verplichtingen binnen de besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, zij bij ministeriële regeling kan worden verleend. De Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet7 is op het tweede lid van artikel 75 Ffw gebaseerd.

4.4. Het hof heeft over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging op p. 6 e.v. van het verkort arrest het volgende overwogen:

“De verdediging heeft naar het hof begrijpt met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat een aantal gedragingen in het land waar zij zijn verricht niet strafbaar zijn, waaronder het bezit van amoerpanters, ringstaartmaki’s, caracals en tigons/tijgers.

Het hof overweegt dat Nederland ook strafrechtsmacht toekomt ten aanzien van tenlastegelegde gedragingen die deels in een andere staat hebben plaatsgevonden. Immers, indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van artikel 2 Wetboek van Strafrecht vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl. HR 27 oktober 1998, LJN ZD1413, NJ 1999, 221). Bovendien bepaalt artikel 3 van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) dat deelneming aan een binnen het Rijk in Europa gepleegd economisch delict ook strafbaar is indien de deelnemer zich buiten het Rijk aan het feit heeft schuldig gemaakt.

Het hof overweegt voorts dat de onder 1 tenlastegelegde gedragingen naast buiten ook in Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar het feit is gepleegd, nu verdachte de gedragingen zoals tenlastegelegd – waaronder koop, verkoop, en onder zich hebben – mede in Nederland heeft verricht.

Het door de verdediging gevoerde verweer wordt verworpen.”

4.5. De tenlastelegging biedt de grondslag voor de beoordeling van de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet. De Hoge Raad heeft dienaangaande het volgende beslist:

"5.1. Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl. HR 30 september 1997, NJ 1998, 117).

5.2. Op grondslag van de tenlastelegging, die zoals onder 4.1 weergegeven primair inhoudt dat de gedragingen behoudens te Rotterdam, althans in Nederland, tevens in Essen, althans in België, zijn begaan, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de Nederlandse strafwet daarop van toepassing is, ongeacht de strafbaarheid naar Belgisch recht." 8

4.6. De tenlastelegging laat er geen twijfel over bestaan dat de beschuldiging omvat handelen in Nederland en Tsjechië en Duitsland enzovoorts, zodat de Nederlandse strafwet van toepassing is, ongeacht of in andere landen waar volgens de tenlastelegging het handelen zich ook zou hebben afgespeeld dat handelen strafbaar is gesteld. Ten overvloede merk ik op dat de Basisverordening de lidstaten van de EU verplicht tot het instellen van een bescherming van uitheemse diersoorten die op zijn minst gelijk is aan de bescherming die CITES biedt. Dus mag er van worden uitgegaan dat het handelen dat in Nederland verboden is met het oog op bescherming van bedreigde uitheemse diersoorten ook bijvoorbeeld in Duitsland verboden zal zijn. Het ligt dan op de weg van de verdediging om aannemelijk te doen worden dat dit niet het geval was.

Bovendien is het medeplegen tenlastegelegd en komt dus, zoals het hof heeft overwogen, artikel 3 WED in beeld. Als verdachte buiten het Rijk in Europa nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen die het economische delict binnen het Rijk in Europa hebben gepleegd is zo een deelneming strafbaar.9

4.7. Maar in de toelichting op het eerste middel wordt ook geklaagd over het bewijs van het eerste deel van feit 1. Gesteld is dat verdachte binnen Nederland alleen transport en vervoer heeft geregeld van de in het eerste deel van de bewezenverklaring genoemde dieren. Het onder zich hebben van de dieren binnen Nederland zou vallen onder vrijstellingsbepalingen. Daartoe verwijst de steller van het middel naar de artikelen 7 en 8 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

4.8. Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het eerste middel relevant, op p. 16 van het arrest bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012 in Nederland en/of Duitsland en/of elders in Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk, telkens dieren, behorende tot de beschermde inheemse en/of een beschermde uitheemse diersoort, te weten

– drie amoerpanters (Panthera pardus orientalis) en

– vijfde ringstaartmaki's (Lemur catta) en

– twee woestijnlynxen (Caracal caracal) en

– drie tigons dan wel tijgers (Panthera tigris x leo)

– vier aalscholvers (Phalacroxorax carbo)

heeft gekocht en heeft verworven en/of heeft verkocht10 en ten verkoop heeft aangeboden en heeft vervoerd en heeft afgeleverd en heeft gebruikt voor commercieel gewin en binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehad".

4.9. De tenlastelegging vindt haar oorsprong in artikel 13 lid 1 Ffw, zo ook de bewezenverklaring. Gelet op de zeer uitgebreide omvang aan bescherming die deze bepaling wil bieden aan bedreigde diersoorten ligt het voor de hand, zoals ook uit de definitiebepalingen blijkt van de CITES en de Basisverordening, om artikel 13 lid 1 Ffw niet aan te strikte voorwaarden te binden. Voor het bewijs van de tenlastelegging is slechts nodig dat worden bewezen dat verdachte heeft gekocht, verworven, verkocht, ten verkoop heeft aangeboden, vervoerd, afgeleverd, gebruikt voor commercieel gewin en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehad. Het hof hoefde niet te bewijzen dat er sprake was van het ontbreken van een vrijstelling of ontheffing. Reeds daarom faalt de bewijsklacht van het eerste middel. Ten overvloede merk ik op dat de steller van het middel uitgaat van een verkeerde uitleg van wat onder 'doorvoer' in deze context moet worden verstaan. Daaronder mag slechts worden begrepen het vervoer via het grondgebied van de Gemeenschap van een plaats buiten de Gemeenschap naar een andere plaats buiten de Gemeenschap. Van zo een vervoer was hier geen sprake.

Het eerste middel faalt.

5.1. Het tweede middel klaagt eveneens over de bewezenverklaring van feit 1 ten aanzien van de katachtigen en primaten en werpt op dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat verdachte niet als tussenpersoon heeft gehandeld. Verdachte heeft steeds volgehouden dat hij als tussenpersoon is opgetreden, als bemiddelaar of handelsagent. Een handelsagent kan tot op zekere hoogte zelfstandig optreden. Zo handelt en bemiddelt hij in opdracht van zijn opdrachtgever. De vervoersdocumenten stonden allemaal op naam van de nieuwe eigenaar in Dubai en verdachte heeft alleen maar het transport geregeld. Aan de handelsagent is het ook toegestaan om commerciële activiteiten te ontplooien. Het hof heeft dus een te ruime uitleg gegeven aan artikel 13 Ffw. Verdachte heeft zich enkel beperkt tot het bemiddelen tussen twee dierentuinen.

5.2. In het verkort arrest heeft het hof op p. 9 e.v. bewijsoverwegingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde opgenomen die aldus luiden:

“Bewijsoverwegingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

Oneigenlijk bezit

Amoerpanters, ringstaartmaki’s, caracals en tigons/tijgers

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in de eerste plaats betoogd dat het bezitsverbod van de hiervoor genoemde dieren uitsluitend geldt in de Nederlandse rechtssfeer ingevolge artikel 3 WED.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte slechts heeft opgetreden als tussenpersoon. Al deze dieren zijn van de ene naar de andere eigenaar vervoerd en het was deze formele eigenaren – de exporteur en de importeur – steeds toegestaan om de primaten dan wel katachtigen te houden.

Ten aanzien van de amoerpanters heeft de raadsvrouw in het bijzonder aangevoerd dat verdachte eventueel commercieel gewin in Duitsland heeft genoten. In Duitsland bestaat geen variant van artikel 13 van de Flora- en faunawet, dus voorgaande is daar niet strafbaar.

Tot slot kan niet worden bewezen dat sprake is van medeplegen ten aanzien van de zendingen die behoren tot het zaaksdossier “Oneigenlijk bezit”.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

In verband met het beroep op artikel 3 WED en de niet-strafbaarheid van bepaalde gedragingen volgens het Duitse recht verwijst het hof naar hetgeen het hiervoor in verband met de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft overwogen onder de dikgedrukte kop “enkele voorafgaande kwesties die op meerdere feiten betrekking hebben”.

Bij de hiervoor genoemde diersoorten gaat het om beschermde uitheemse diersoorten als bedoeld in artikel 13 van de Flora- en faunawet (artikel 4 Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet in verbinding met Bijlage A en B van de Basisverordening en Bijlage 3 bij de Regeling).

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat het verdachte is geweest die de telkens bewezenverklaarde gedragingen heeft verricht. Het bestaan van enige vertegenwoordigingsrelatie met klanten of afnemers in het buitenland – welke dan in de weg zou staan aan bewezenverklaring van de desbetreffende gedragingen – is overigens ook niet aannemelijk geworden. Er zijn geen schriftelijke stukken waaruit dit blijkt. De getapte telefoongesprekken bieden juist steun aan het standpunt dat verdachte de bewezenverklaarde handelingen op eigen naam en voor eigen rekening verrichtte.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte opzettelijk de amoerpanters, ringstaartmaki’s, caracals en lijgers/tigons heeft gekocht en verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft vervoerd, heeft afgeleverd, heeft gebruikt voor commercieel gewin, binnen en (met uitzondering van de caracals) buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden. Niet aannemelijk is geworden dat hij niet méér of anders heeft gedaan dan als vervoerder dan wel als – zelf niet handelende en zelf niet aansprakelijke – agent of tussenpersoon optreden voor degene naar wie de dieren zijn vervoerd, zoals door de verdediging betoogd.

Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte de amoerpanters niet onder zich heeft gehad in het kader van “doorvoer”. Dat verdachte de betreffende dieren onder zich heeft gehad leidt het hof onder meer af uit de gang van zaken rond het ophalen en afleveren van de dieren.

Verdachte had hiertoe opdracht gegeven aan een werknemer.

Dat verdachte de ringstaartmaki’s onder zich heeft gehad, leidt het hof onder meer afuit de gang van zaken rond de aflevering door [betrokkene 2] en het vervoer naar Oudemeer door verdachte.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat er in alle gevallen sprake is van medeplegen van in ieder geval een deel van de bewezenverklaarde gedragingen.”

5.3.

Het hof heeft geoordeeld dat de rol van verdachte een andere was dan alleen maar die van een vervoerder of bemiddelaar en dat verdachte op eigen naam en voor eigen rekening heeft gehandeld. Een werknemer van verdachte - zo blijkt uit bewijsmiddel 4 e.v. - heeft de amoerpanters bij een dierenpark in Duitsland opgehaald op 20 april 2012. Verdachte had deze werknemer geld meegegeven om te betalen. Vervolgens zijn deze dieren vanaf Schiphol naar Dubai vervoerd. De amoerpanters zijn door verdachte gekocht van [betrokkene 2] . Uit afgeluisterde telefoongesprekken is op te maken dat verdachte niet in opdracht van een ander handelde toen hij de panters kocht. Wel heeft hij een telefoongesprek gehad met [medeverdachte 3] , die in Dubai woont en daar een groothandel in dieren heeft, nadat verdachte met [betrokkene 2] had gesproken. [medeverdachte 3] had wel een klant die serieus was geïnteresseerd in amoerpanters. Het komt er dus op neer dat verdachte amoerpanters heeft gekocht van [betrokkene 2] en die weer heeft verkocht aan groothandelaar [medeverdachte 3] die er wel een klant voor had.

Ook met betrekking tot de ringstaartmaki's (bewijsmiddel 13 e.v.) is uit de gevoerde telefoongesprekken op te maken dat [betrokkene 2] deze aan verdachte heeft aangeboden en dat verdachte deze heeft gekocht. Verdachte heeft deze weer doen transporteren naar Dubai waar [medeverdachte 3] is ingeschakeld.

Ten aanzien van de caracals (lynxen) valt uit de gebezigde bewijsmiddelen (bewijsmiddel 19 e.v.) op te maken dat verdachte die heeft gekocht en doorverkocht aan [betrokkene 3] uit Madrid, die er een klant voor had.

De eerste tigon heeft verdachte gekocht en weer doorgegeven aan [medeverdachte 3] in Dubai, die hem daar zou verkopen (bewijsmiddel 26 e.v.). De twee andere tigons zijn via [betrokkene 4] in Tsjechië opgehaald en naar het bedrijf van verdachte gebracht (bewijsmiddel 33 e.v.). De volgende dag zijn zij naar Schiphol vervoerd, weer bestemd voor de groothandel van [medeverdachte 3] in Dubai.

Met betrekking tot al deze dieren is uit de bewijsmiddelen op te maken dat verdachte deze op eigen naam en voor eigen rekening aankocht en weer verkocht aan anderen, die er misschien wel een klant voor wisten, en dan uitvoerde. Dat verdachte zou hebben gehandeld en bemiddeld in opdracht van een opdrachtgever heeft het hof niet aannemelijk geoordeeld en dat is, gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk.

Kortom, verdachte heeft al deze dieren aangekocht en weer verhandeld. Dat gebeurde allemaal in Nederland.

5.4.

Gelet op de definities van gedragingen in de Basisverordening kan van verdachte niet gezegd worden dat hij heeft 'doorgevoerd' want daaronder is slechts te verstaan het via het grondgebied van de Gemeenschap invoeren en weer uitvoeren. Verdachte heeft de dieren waar het hier om gaat in lidstaten van de Gemeenschap verkregen. Door de dieren te doen vervoeren heeft hij gehandeld in de zin van de Basisverordening. Bovendien heeft hij de dieren vervoerd met het oog op de export en dus heeft hij de dieren in de zin van de Ffw buiten het grondgebied van Nederland gebracht.

Het tweede middel faalt.

6.1.

Het derde middel klaagt over de veroordeling voor feit 1 voor zover het de aalscholvers betreft. De aankoop van de aalscholvers is niet strafbaar mits voldaan wordt aan de voorwaarden van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.11 Dat is een soort bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid. Niet blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het om in het wild gevangen exemplaren ging. Verdachte is er ook van uitgegaan dat het om legale exemplaren ging.

6.2.

Met betrekking tot de aalscholvers heeft het hof het volgende op p. 11 e.v. van het arrest opgenomen:

"Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

Bij de aalscholver gaat het om een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 13 van de Flora- en faunawet (artikel 4, eerste lid, onder b Flora- en faunawet2).

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte opzettelijk vier aalscholvers heeft vervoerd, gekocht, verworven, ten verkoop heeft aangeboden, verkocht, afgeleverd, heeft gebruikt voor commercieel gewin en onder zich heeft gehad. Ten aanzien van een deel van deze handelingen is sprake van medeplegen.

2 Ook vermeld op Bijlage 2, behorende bij artikel 1, onder B, van de Bekendmaking lijsten beschermde diersoorten 2013.”

6.3.

De bewijsmiddelen 38 tot en met 40 hebben betrekking op de aalscholvers. Uit de bewijsmiddelen is op te maken dat de aalscholver een beschermde inheemse diersoort is, dat verdachte vier aalscholvers van zijn medewerker [betrokkene 5] heeft gekocht en meegenomen, hetgeen door deze medewerker wordt bevestigd.

Het bewijs van feit 1 ten aanzien van de aalscholvers kan uit deze bewijsmiddelen worden afgeleid.

Ook hier geldt weer dat de Flora- en faunawet niet verlangde dat bewezen werd dat zich geen uitzondering, vrijstelling of ontheffing voordeed. Enkel aankoop van de aalscholvers vervult reeds de delictsomschrijving.

Het middel faalt.

7.1.

Het vierde middel klaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt omtrent de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 6] zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. Het hof doet de veroordeling voor hieronder nog nader te noemen delicten (telkens: traject wildvang Bulgarije) hoofdzakelijk steunen op de verklaringen van [betrokkene 6] . Het vijfde middel heeft ook betrekking op het onderdeel "Wildvang Bulgarije". Dat middel stelt dat de vogels waarop "Wildvang Bulgarije" betrekking heeft met de juiste papieren het grondgebied van Nederland zijn binnengebracht en daarom zijn vrijgesteld. Het hof heeft dat verweer ontoereikend gemotiveerd verworpen. Het vierde en vijfde middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

7.2.

Omdat beide middelen een beroep doen op toepasselijkheid van vrijstellingsregelingen voor intercommunautair verkeer lijkt het zinvol vooraf de wetgeving die relevant is weer te geven.

Artikel 3 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet had de volgende inhoud:

"1. Indien is voldaan aan artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede, derde of vierde lid, van de basisverordening, geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, die vanuit een derde land op het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht en bestemd zijn voor Nederland.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt vanaf de plaats van binnenkomst in Nederland tot de plaats van bestemming een vrijstelling van het verbod op het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, specimens van soorten, behorende tot beschermde inheemse dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, alsmede specimens van soorten als aangewezen in artikel 2 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, voorzover deze soorten voorkomen op één van de bijlagen bij de basisverordening."

Artikel 7 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet12 luidde, voor zover te dezen relevant aldus:

"Ten behoeve van het intracommunautaire verkeer geldt een vrijstelling van artikel 13, eerste lid, van de wet, voor het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van:

a. specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, voorzover betreffende specimens aantoonbaar overeenkomstig de in een lid-staat geldende wetgeving en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening zijn verkregen".

En artikel 8:

"1. Indien is voldaan aan artikel 5, eerste onderscheidenlijk vierde lid, van de basisverordening, geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B of C bij de basisverordening, die vanuit Nederland of vanuit een andere lid-staat via Nederland buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht.

(...)”

Artikel 4 eerste lid van de Basisverordening heeft betrekking op het binnenbrengen van specimens vermeld in bijlage A binnen de Gemeenschap, het tweede lid op specimens zoals vermeld in Bijlage B en luidt inzoverre aldus:

“1. Specimens van in bijlage A bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming."

Vervolgens somt artikel 4 van de Basisverordening alle voorwaarden op die moeten zijn vervuld wil een invoervergunning worden afgegeven. Zo moet bijvoorbeeld de invoervergunning zijn gebaseerd op een oordeel van de bevoegde wetenschappelijke autoriteit over het effect en het doel van het binnenbrengen binnen de Gemeenschap. Ook moet de wetenschappelijke autoriteit de zekerheid hebben dat de specimens op de plaats van bestemming worden ondergebracht in ruimten die adequaat zijn met het oog op instandhouding en verzorging. De aanvrager moet ook bewijzen dat de specimens zijn verkregen overeenkomstig de eisen die de CITES stelt en zal daartoe de CITES-uitvoervergunning moeten overleggen.

Het tweede lid van artikel 4 kent dezelfde aanvang als het eerste lid, maar dan onder vermelding van bijlage B. Ook deze invoervergunning is aan voorwaarden gebonden. Onder meer moet de aanvrager van de invoervergunning eveneens bewijzen dat de specimens zijn verkregen op een wijze die volgens de CITES is geoorloofd, hetgeen meebrengt dat een CITES-uitvoervergunning zal moeten worden overgelegd.

Het eerste, tweede en vierde lid van artikel 5 van de Basisverordening 338/97 hebben de volgende inhoud:

“Uitvoer of wederuitvoer uit de Gemeenschap

1. Specimens van de in bijlage A van deze verordening genoemde soorten mogen slechts uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten vervuld worden, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd, dat is afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat waar de specimens zich bevinden.

2. Voor de in bijlage A genoemde specimens mag enkel een uitvoervergunning worden afgegeven indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) de bevoegde wetenschappelijke autoriteit heeft in een schriftelijk advies gesteld dat het vangen of verzamelen van de specimens of de uitvoer daarvan geen nadelig effect heeft op de instandhouding van de soort of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort;

b) de aanvrager staaft aan de hand van documenten dat de specimens verkregen zijn overeenkomstig de vigerende wetgeving betreffende de bescherming van de betrokken soort; indien de aanvraag wordt ingediend bij een andere Lid-Staat dan de Staat van herkomst, kan zulks geschieden door middel van een certificaat waarin wordt verklaard dat het specimen aan zijn natuurlijk milieu is onttrokken overeenkomstig de vigerende wetgeving op zijn grondgebied;

c) de administratieve instantie heeft de zekerheid verkregen dat:

i) levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer gereed gemaakt en verzonden zullen worden dat de risico’s van verwonding, ziekte of ruwe behandeling tot een minimum beperkt zijn, en

ii) de specimens van soorten die niet in bijlage I bij de Overeenkomst zijn vermeld, niet voor overwegend commerciële doeleinden zullen worden gebruikt, of

- in geval van uitvoer van specimens van de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde soorten naar een Staat die partij is bij de Overeenkomst, een invoervergunning is afgegeven;

en

d) de administratieve instantie van de Lid-Staat heeft via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen afgifte van de uitvoervergunning.

(...)

4. Specimens van de in de bijlagen B en C genoemde soorten mogen slechts uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten vervuld worden, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd die/dat werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat waar de specimens zich bevinden.

Een uitvoervergunning mag enkel worden afgegeven indien aan de in lid 2, onder a), b), c), i), en d), genoemde voorwaarden is voldaan.

Een wederuitvoercertificaat mag enkel worden afgegeven indien is voldaan aan de in lid 2, onder c), i) en d), en in lid 3, onder a), b), c), en d), genoemde voorwaarden.”

Artikel 10 van de Gezondheid- en Welzijnswet voor dieren (GWWD)13 heeft de volgende inhoud:

"1. Onze Minister kan het brengen in Nederland van dieren, produkten van dierlijke oorsprong, alsmede van andere produkten en voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn, verbieden dan wel verbieden, indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen.

2. De in het eerste lid bedoelde regelen hebben in elk geval betrekking op:

a. de eisen waaraan de in het eerste lid bedoelde dieren, produkten of voorwerpen moeten voldoen;

b. de eisen waaraan de vervoermiddelen en de verpakkingen moeten voldoen;

c. het aanmelden van het voornemen om dieren, produkten of voorwerpen binnen te brengen;

d. het in overleg met Onze Minister van Financiën aanwijzen van douanekantoren in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, waar de dieren, produkten of voorwerpen, die anders dan over de Belgisch-Nederlandse of de Duits-Nederlandse grens worden binnengebracht, moeten worden aangebracht;

e. het aanwijzen van de plaatsen waar dieren, produkten of voorwerpen, die via de Belgisch-Nederlandse of de Duits-Nederlandse grens worden binnengebracht, ter onderzoek moeten worden aangeboden;

f. de verklaringen welke op het douanekantoor, dan wel op een plaats als bedoeld in onderdeel e, moeten worden overgelegd en de eisen waaraan deze verklaringen moeten voldoen en

g. het onderzoek na het binnenbrengen in Nederland."

Artikel 10 GWWD vormt de basis voor de Regeling handel levende dieren en levende producten,14 die in het tweede lid van artikel 2.1, tweede gedachtestreepje, het brengen in Nederland verbiedt van vogels, die zijn verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht en bestemd zijn voor Nederland, een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag.

Op het algemene verbod van artikel 2.1, tweede lid, tweede gedachtestreepje kan volgens artikel 2.2 vrijstelling worden verleend. Het derde lid van artikel 2.2 van de Regeling handel levende dieren en levende producten luidt immers aldus:

"Onverminderd het tweede lid wordt van de verboden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, derde gedachtenstreepje en artikel 2.1, tweede lid, tweede gedachtenstreepje, vrijstelling verleend, op voorwaarde dat:

a. (...)

b. in het geval, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, tweede gedachtenstreepje, voldaan is aan afdeling 7 van hoofdstuk 8, afdeling 6 van hoofdstuk 9, afdeling 6 van hoofdstuk 10, respectievelijk afdeling 6 van hoofdstuk 11, één en ander indien de vogels, nertsen en vossen, lagomorfen zonder gezondheidscertificaat alsmede de dieren en producten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG zijn verzonden vanuit een lid-staat dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht." 15

Artikel 101a GWWD luidt aldus:

"1. De houder van één of meer dieren die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met danwel de verspreiding van een krachtens artikel 15 aangewezen besmettelijke dierziekte kan worden veroorzaakt, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, danwel alle maatregelen te nemen die in redelijkheid kunnen worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen, danwel indien zodanige besmetting zich voordoet, de omvang en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

2. De in het eerste lid bedoelde houder handelt in ieder geval in strijd met dat lid indien deze een of meer handelingen verricht waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die achterwege zouden zijn gebleven indien geen sprake zou zijn geweest van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte, danwel een kennelijke dreiging daarvan, en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die handelingen het gevaar van een zodanige verspreiding kunnen vergroten."

Artikel 101a GWWD refereert aan artikel 15. Dat artikel luidt aldus:

"1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

a. vee;

b. pluimvee;

c. bijen;

d. nertsen;

e. andere dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën van dieren;

f. andere dieren van door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste acht maanden aangewezen soorten of categorieën van dieren.

2. Een besmettelijke dierziekte kan worden aangewezen, indien:

a. de ziekte zich snel kan uitbreiden, ernstige schade kan berokkenen aan de betrokken diersoort en niet of niet volledig kan worden voorkomen of bestreden met normale bedrijfsmiddelen;

b. een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zulks met zich brengt of

c. de ziekte naar het oordeel van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert.

3. In het geval bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vindt de aanwijzing plaats in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt."

Als dieren bedoeld in het eerste lid, onderdeel e van artikel 15 GWWD zijn de diersoorten behorend tot de klasse vogels aangewezen bij artikel 2 aanhef en onder b van het Besluit aanwijzing diersoorten besmettelijke dierziekten.16 En als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 GWWD bij andere vogels dan pluimvee zijn in artikel 7 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's17 aangewezen:

"a. psittacose;

b. pseudo-vogelpest (Newcastle Disease);

c. vogelpest (Aviaire Influenza)."

7.3.

De middelen 4 en 5 hebben betrekking op de veroordeling voor de volgende feiten:

dat

“1. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012 in Nederland en/of Tsjechië en/of Bulgarije en/of Slowakije en/of Turkije en/of elders in Europa tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, telkens dieren, behorende tot een beschermde inheemse en/of beschermde uitheemse diersoort, te weten:

- 265, Piocephalus senegalus en

- vijfenvijftig African grey parrots/grijze roodstaartpapegaaien (Psittacus erithacus)18

- tien tauraco perse en

- vijf tauraco hartlaubi en

- vijf tauraco Livingstonii en

- vijf hill myna's (Gracula religiosa)

heeft gekocht en heeft verworven en heeft verkocht en heeft afgeleverd en heeft gebruikt voor commercieel gewin en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

3 subsidiair: hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Slowakije en/of Portugal en/of Turkije en/of elders in Europa en/of de Filipijnen en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of Oeganda tezamen en in vereniging met (een) ander(en) telkens opzettelijk, vogels in Nederland heeft gebracht, te weten:

(traject Wildvang Bulgarije)

- op of omstreeks 1 april 2011, 285 vogels en

- op of omstreeks 3 april 2011, 94 vogels en

- op of omstreeks 8 april 2011, 150 vogels en

- op of omstreeks 14 mei 2011, 899 vogels en

- op of omstreeks 19 mei 2011, 985 vogels en

- op of omstreeks 7 juli 2011, 361 vogels en

- op of omstreeks 11 juli 2011, 570 vogels en

- op of omstreeks 27 juli 2011, 188 vogels en

- op of omstreeks 11 augustus 2011, 950 vogels en

- in de periode van 9 september 2011 tot en met 12 september 2011, 852 vogels

welke vogels zijn verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht en bestemd zijn voor Nederland, een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag;

4. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Slowakije en/of Turkije en/of elders in Europa tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk , als houder van één of meer dier(en), te weten:

(traject Wildvang Bulgarije)

- op of omstreeks 1 april 2011, 285 vogels en

- op of omstreeks 3 april 2011, 94 vogels en

- op of omstreeks 8 april 2011, 150 vogels

- op of omstreeks 14 mei 2011, 899 vogels en

- op of omstreeks 19 mei 2011, 985 vogels en

- op of omstreeks 7 juli 2011, 361 vogels en

- op of omstreeks 11 juli 2011, 570 vogels en

- op of omstreeks 27 juli 2011, 188 vogels en

- op of omstreeks 11 augustus 2011, 950 vogels en

in de periode van 9 september 2011 tot en met 12 september 2011, 852 vogels,

terwijl hij wist dat door zijn handelen of nalaten een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel 15 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt,

- niet aan zijn verplichting heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd,

en/of

- niet alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van hem konden worden gevergd , teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders ) (telkens) die vogels in Nederland gebracht en/of samengebracht en/of verzameld en/of verkocht en/of verhandeld en/of overgedragen en/of onder zich gehad, terwijl

- die vogels niet afkomstig waren uit erkende vermeerderingsbedrijven en/of

- niet aan de invoervoorschriften en/of de quarantainebepalingen werd voldaan

en/of

- die vogels niet tenminste 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening zijn gehouden.”

7.4.

Over feit 1 houdt het arrest op p. 13 e.v. het volgende in:

"Wildvang Bulgarije

265 piocephalus senegalus, 55 grijze roodstaartpapegaaien, tien tauraco perse, vijf tauraco hartlaubi, vijf tauraco livingstond en vijf hill myna’s

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onderdeel “Wildvang Bulgarije”. Volgens de advocaat-generaal kan het niet anders dan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] wisten dan wel in elk geval op grond van hun bekendheid en ervaring willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het ging om vogels afkomstig uit derde landen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs beschikbaar is om verdachte als medepleger te kunnen aanmerken, aangezien verdachte de enige persoon is geweest die betrokken was bij de tot dit zaaksdossier behorende zendingen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

De hierboven genoemde vogels zijn alle een beschermde uitheemse diersoort (artikel 4, eerste lid, onder a Flora- en faunawet in verbinding met bijlage B bij de Basisverordening).

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte de tenlastegelegde vogels in ieder geval opzettelijk heeft gekocht, verworven, verkocht, heeft afgeleverd, heeft gebruikt voor commercieel gewin, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Bij een deel van de gedragingen is sprake van medeplegen (onder meer met [betrokkene 8] en [betrokkene 6] ).”

Deze overwegingen zijn ook ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde van toepassing. Het hof verwijst immers voor het onderdeel "Wildvang Bulgarije" van feit 3 subsidiair naar hetgeen het hof met betrekking tot tot feit 1 heeft overwogen ter verwerping van het verweer dat de vogels niet vanuit Turkije eerst Bulgarije zijn binnengesmokkeld en vervolgens zijn vervoerd naar Nederland (p. 44 en 52 van het arrest).

In het kader van het bewijs van feit 4 overweegt het hof:

“Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen in het kader van feit 3 subsidiair – welke overwegingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd – heeft verdachte ter zake van zaaksdossier “Wildvang Bulgarije” in strijd met artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vogels vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat (namelijk Bulgarije) in Nederland gebracht. Het hof heeft reeds overwogen dat de vogels die onder voornoemd zaaksdossier in de tenlastelegging zijn genoemd uit het wild afkomstig zijn. Daarmee staat vast dat verdachte ten aanzien van alle in de tenlastelegging onder dit zaaksdossier genoemde zendingen in strijd heeft gehandeld met het invoervoorschrift dat de vogels afkomstig moeten zijn van een erkend vermeerderingsbedrijf, welk voorschrift thans is vermeld in artikel 5 onder c van Verordening 139/2013.19 Daardoor is het risico ontstaan dat een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt. De door de raadsvrouw genoemde omstandigheid dat alle onder voornoemd traject vallende vogels zijn gezien door een Europees gecertificeerde Staatsdierenarts – als dat al zo zou zijn – maakt het voorgaande niet anders.

Verdachte heeft deze vogels in Nederland en op zijn bedrijf gebracht, samengebracht, verzameld en onder zich gehad – terwijl er ook andere vogels op zijn bedrijf aanwezig waren - zonder te controleren of aan alle vereiste voorschriften is voldaan en zonder zich te vergewissen van de herkomst van de vogels. Door dit handelen heeft verdachte het risico genomen op besmetting met en verspreiding van vogelziekten zoals genoemd in artikel 7 van de Regeling preventie bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (hierna: Regeling preventie). Als zeer ervaren vogelhandelaar moet verdachte op de hoogte zijn geweest van deze risico’s. Het hof verklaart daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger opzettelijk artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren heeft overtreden.”

7.5.

Op bladzijde 23 van het arrest gaat het hof nader in op het traject "Wildvang Bulgarije". Verdachte heeft een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 7 Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet voor intracommunautaire verkeer maar het hof gaat er vanuit dat de vogels mede door verdachte vanuit een derde land binnen het grondgebied van de EU en Nederland zijn gebracht. Daartoe overweegt het hof het volgende:

“De zendingen waarin de in de tenlastelegging vermelde vogels waren opgenomen, maakten deel uit van een tiental zendingen (zendingen 3, 8, 9, 10). Voor zeven zendingen heeft verdachte op 25 juli 2011 een bedrijf in Turkije betaald. Voor de als “zending 9” aangeduide zending van 11 augustus 2011 heeft hij één en hetzelfde bedrijf in Turkije betaald. Voor de andere transporten is op andere wijze betaald (zie hierna). De naam van het bedrijf is “ [B] " van [betrokkene 7] . Niet aannemelijk is geworden dat de personen binnen de EU van wie verdachte de vogels zou hebben gekocht rechtmatig in het bezit zijn gekomen van de vogels. Zo is niet gebleken dat de vogels van kweek afkomstig waren en evenmin dat [betrokkene 8] over de benodigde documenten beschikte.

[betrokkene 6] , die een bijdrage heeft geleverd aan een aantal transporten, heeft onder meer verklaard over de contacten tussen [betrokkene 8] , [betrokkene 7] – het hof begrijpt dat dit dezelfde persoon is als [betrokkene 7] – en hem en het vervoer van onder meer grijze roodstaartpapegaaien, Senegalpapegaaien en toerako’s. Wat hij aan zaken deed voor verdachte deed hij als vriendendienst voor [betrokkene 7] .

Zo heeft [betrokkene 6] verklaard: “ [betrokkene 7] had gezegd dat hij de [vogels] zou leveren, en ik zou de documenten opmaken, dat wil zeggen Traces-formulieren20 en facturen.” [betrokkene 8] vertelde hem dat de vogels waren gevangen in de vrije natuur, afkomstig waren uit Turkije en dat ze per vier of vijf exemplaren van Turkije naar Bulgarije werden vervoerd door Bulgaarse zigeuners. In opdracht van [betrokkene 7] , aldus [betrokkene 6] , vervoerde [betrokkene 8] ze en kreeg daar provisie voor. Die vogels werden bij [betrokkene 6] thuis gebracht, waar ze werden opgehaald door een chauffeur uit Nederland, die ze naar verdachte in Nederland bracht. [betrokkene 6] gaf de benodigde documenten aan de chauffeur mee. Op de facturen zette [betrokkene 6] gegevens die [betrokkene 7] hem had gestuurd (pagina 13757). [betrokkene 6] heeft met verdachte geen (rechtstreekse) zaken gedaan. Hij heeft wel enkele zendingen voor verdachte verzorgd. De door verdachte gestuurde vervoerder/chauffeur – van wie [betrokkene 6] een gedetailleerde beschrijving geeft – is in totaal vier keer bij hem geweest, verklaart [betrokkene 6] verder. Enkele keren heeft [betrokkene 8] de facturen opgesteld. Volgens [betrokkene 6] was het geld dat hij enkele keren van verdachte ontving voor [betrokkene 7] bestemd.10

Met betrekking tot de 23 stuks tauraco perse, zes Musophagea violeca, tien tauraco hartlaubi en negen tauraco livingstonii (zending van 27 juli 2011) verklaart [betrokkene 6] dat deze waren gebracht door [betrokkene 8] op bestelling van [betrokkene 7] voor verdachte. De chauffeur van verdachte kwam ze ophalen (pagina 13777).

Met betrekking tot de factuur waarop de naam van zijn bedrijf staat, verklaart [betrokkene 6] dat dit alleen maar handel op papier was; de vogels waren van [betrokkene 7] .

Met betrekking tot de zending van 11 augustus 2011 verklaart [betrokkene 6] dat het overladen van de ene auto in de andere bij hem plaats vond. Daar waren [betrokkene 8] en de (vaste) chauffeur van verdachte bij. Voor het overige ging één en ander op de wijze waarover door hem eerder was verklaard (pagina 13779). Ook met betrekking tot de zending van 9 september 2011 verklaart [betrokkene 6] dat hij aanwezig kan zijn geweest bij het overladen. Hij weet dat er rond deze zending problemen rezen tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 7] .

Het hof hecht geloof aan de verklaring van [betrokkene 6] , onder meer omdat deze op diverse punten wordt ondersteund. Onder meer door afgetapt SMS-verkeer en afgetapte gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 7] en e-mailverkeer tussen het bedrijf van [betrokkene 7] en [betrokkene 6] (pagina 1338 e.v.). Zo is er een bericht met de vraag van [betrokkene 6] naar het adres in Nederland ten behoeve van het regelen van de gezondheidscertificaten en het opstellen van de factuur (zie de verklaring van [betrokkene 6] op pagina 13800).

Uit de verklaringen van [betrokkene 9] (pagina 2880 e.v.) en tapgesprekken blijkt dat [betrokkene 9] de door [betrokkene 6] bedoelde chauffeur was.

Uit de verklaring van [betrokkene 6] blijkt dat [betrokkene 8] betrokken was bij de handel, zoals ook uit diens eigen verklaring blijkt. Hij heeft het over tien zendingen, waarvan de eerste vier per vliegtuig en de andere zes per auto (pagina 3061). Weliswaar ontkent [betrokkene 8] dat (hij wist dat) het om fraude ging, maar hij kan geen documenten laten zien waaruit van een rechtmatige verkrijging door hem blijkt (pagina 3097).

Het hof kan nog méér punten noemen maar laat het in dit kader hierbij. Uit de genoemde informatie en soortgelijke informatie in het dossier komt naar voren dat de uit het wild afkomstige vogels vanuit Turkije via Bulgarije in de EU kwamen en van daar uit werden doorgevoerd naar verdachte en dat hierbij uitgebreid gefraudeerd werd met papieren. Eén en ander brengt het hof tot het oordeel dat bij alle zendingen – waaronder de zendingen waarvan de in de tenlastelegging vermelde vogels deel uitmaakten – niet voldaan is aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van artikel 7 Regeling vrijstelling. De bij de transporten gevoegde bescheiden geven niet de werkelijke herkomst weer. Het is in strijd met de strekking van deze vrijstelling als zij zou worden toegepast in gevallen waarin de vogels door toedoen van degene die zich op de vrijstelling beroept uit een derde land in een andere lidstaat van de EU zijn ingevoerd terwijl niet aan de regels hiervoor is voldaan.

Aan de voorwaarden voor de vrijstelling van artikel 3, eerste lid, Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, in verband met het binnen het grondgebied van Nederland brengen vanuit het derde land is niet voldaan, nu het bepaalde in artikel 4, tweede lid, Basisverordening immers niet is nageleefd.

Ook op de vrijstelling van artikel 10, tweede lid, Regeling vrijstelling kan geen beroep worden gedaan, nu niet is aangetoond dat de betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

10 Met betrekking tot de levering van 27 juli verklaart [betrokkene 6] onder meer dat hij de vogels had ontvangen van [betrokkene 8] en de factuur voor verdachte had opgemaakt met de vermelding van het aantal ontvangen vogels en hij de vogels heeft ingeladen in de auto van de Nederlandse chauffeur die de vogels kwam ophalen voor verdachte. Het was een handelstransactie tussen [betrokkene 7] en verdachte. Hij heeft geen geld betaald aan [betrokkene 8] en alleen maar een factuur opgesteld op verzoek van [betrokkene 7] (p. 13761)."

7.6.

De bewijsmiddelen 87 tot en met 90 houden verklaringen van [betrokkene 6] in. Uit deze verklaringen is op te maken dat vogels vanuit Turkije naar Bulgarije werden gesmokkeld en vandaar weer werden opgehaald door de chauffeur van verdachte. [betrokkene 6] maakte de papieren in orde. De Turkse leverancier was [betrokkene 7] . [betrokkene 6] was door [betrokkene 8] in contact gebracht met [betrokkene 7] . [betrokkene 8] was betrokken bij het transport van Turkije naar Bulgarije. Deze [betrokkene 7] is in werkelijkheid genaamd [betrokkene 7] . Verdachte heeft regelmatig telefonisch en sms contact gehad met deze [betrokkene 7] . De chauffeur die de vogels ophaalde bij [betrokkene 6] in Slowakije is [betrokkene 9] . [betrokkene 8] blijkt, in tegenstelling tot wat hij eerder beweerde, geen documenten van aankoop en verkoop van de door hem geleverde vogels te kunnen produceren (bewijsmiddelen 93 en 94). In dat laatste en in het feit dat een groot deel van betalingen voor de vogels naar Turkije ging heeft het hof bevestiging kunnen vinden voor de gang van zaken zoals [betrokkene 6] die heeft beschreven.

Ten overvloede merk ik op dat aan de TRACES-formulieren, waarvan de inhoud is weergegeven in de bewijsmiddelen 83 t/m 86 niet valt te ontlenen dat de vogels die telkens worden genoemd in die formulieren in Bulgarije zouden zijn gekweekt. Alleen het vervoer van Bulgarije naar Nederland van de vogels is door deze documenten gedekt. Door het ontbreken van de nodige administratie betreffende de herkomst en aanschaf van de vogels in Bulgarije kan niet gezegd worden dat de vrijstelling van artikel 7 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet kan worden toegepast, omdat niet blijkt dat de vogels aantoonbaar overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening zijn verkregen. Doordat het hof geloof kon hechten aan de verklaringen van [betrokkene 6] staat ook vast dat de vogels waarop de "Wildvang Bulgarije" betrekking heeft op illegale wijze het grondgebied van de EU zijn binnengebracht en dat de papieren die anders zouden moeten doen geloven niet op waarheid berusten. Als de vogels immers vanuit derde landen zonder papieren Bulgarije zijn ingesmokkeld zijn alle bescheiden die zijn gebezigd om de vogels in Nederland binnen te brengen noodzakelijkerwijs ook van nul en geen waarde.

Beide middelen falen.

8.1.

Het zesde middel klaagt dat het hof ten onrechte het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de doelcode bij vogels voorkomend op Bijlage B een beperkte verbindendheid heeft, heeft verworpen. Het middel heeft betrekking op de zogenaamde Filippijnse en Tanzaniaanse dierentuinroutes die in de feiten 1, 3 primair en 4 figureren. De doelcode die is vermeld op de CITES-invoervergunning is volgens de verdediging niet bindend voor de verdere handel als de vogels eenmaal binnen het grondgebied van de EU zijn beland. Verdachte was ook bij aankoop niet verplicht om op de CITES-voorwaarden te controleren. Het hof heeft dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt veronachtzaamd, althans ontoereikend gemotiveerd verworpen.

8.2.

Bewezenverklaard is, voor zover volgens de steller van dit middel voor de beoordeling van de Filipijnse dierentuinroute relevant, dat

“1:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012 in Nederland en/of elders in Europa en/of de Filippijnen

opzettelijk, telkens dieren, behorende tot de beschermde inheemse en/of een beschermde uitheemse diersoort, te weten

(op de zolder van [a-straat 2] ):

– twee Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythrogenys)

heeft gekocht en/of heeft verworven en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehad

en

(traject dierentuinroute)

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012 in Nederland en/of Tsjechië en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Slowakije en/of elders in Europa en/of de Filippijnen tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk, telkens dieren, behorende tot de beschermde inheemse en/of een beschermde uitheemse diersoort, te weten

– tien panay of luzon neushoornvogels (Penelopides panini/manillae) en

– twee rosse neushoornvogels (Buceros hydrocorax) en

– bonte kiekendieven (Circus melanoleucos)21 en

– vier kuifhaviken (Accipiter trivirgatus)22

heeft gekocht en heeft verworven en heeft verkocht en heeft afgeleverd en heeft gebruikt voor commercieel gewin en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;”

8.3.

De verdediging heeft gesteld dat de vogels die afkomstig zouden zijn van de Filippijnenroute niet door verdachte zijn verkregen van [C] of van [D] , maar van [betrokkene 10] , een Tsjechische vogelhandelaar.23 Dat deze vogels bestemd waren voor de dierentuin in Sofia, Bulgarije, wil niet zeggen dat deze vogels niet na verblijf in de dierentuin voor quarantaine, mochten worden verhandeld.

Ik beperk mij in mijn bespreking van dit middel tot feit 1. De feiten 3 primair en 4 hebben geen betrekking op artikel 13 Ffw en het daaraan verbonden vrijstellingenstelsel, maar op gedragingen die vallen onder het regime van de GWWD. Zij komen in de bespreking van het volgende middel aan bod.

8.4.

In zijn arrest (p. 13) heeft het hof over de Dierentuinroute Filippijnen het volgende overwogen:

Filipijnse dwergvalken

De Filipijnse dwergvalk behoort tot een beschermde uitheemse diersoort (artikel 4, eerste lid, onder a Flora- en faunawet in verbinding met bijlage B bij de basisverordening).

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat deze vogels afkomstig zijn van [C] .

Het hof acht het niet aannemelijk dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde Filipijnse dwergvalken van “ [betrokkene 10] ” heeft gekocht, zoals hij zelf heeft verklaard.

Het hof verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde vogels opzettelijk heeft gekocht, verworven, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehad."

En over de andere vogels, vermeld onder 'Dierentuinroute Filippijnen' (p. 15):

Tien panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, bonte kiekendieven en vier kuifhaviken

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat ter zake van zaaksdossier “dierentuinroute Filipijnen” niet kan worden bewezen dat sprake is van medeplegen en dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

De hierboven genoemde vogels zijn alle een beschermde uitheemse diersoort (artikel 4, eerste lid, onder a Flora- en faunawet in verbinding met bijlage B bij de Basisverordening).

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte de tenlastegelegde vogels in ieder geval opzettelijk heeft gekocht, verworven, verkocht, heeft afgeleverd, heeft gebruikt voor commercieel gewin en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Bij een deel van de gedragingen (waaronder het binnen het grondgebied van Nederland brengen) is sprake van medeplegen.

Het hof acht het medeplegen van het “binnen het grondgebied van Nederland brengen” bewezen, aangezien het hof in zoverre geloof hecht aan verdachtes verklaring dat hij de vogels in het buitenland heeft besteld of gekocht, zij het niet bij “ [betrokkene 10] ”. Het hof verwijst in dit verband naar de hierna bij de strafbaarheid van het bewezenverklaarde vermelde stukken waaruit blijkt dat tien luzon/panay neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en vier kuifhaviken op 20 oktober 2010 zijn verzonden door [C] naar verdachte.”

Ten aanzien van de vraag of het bewezenverklaarde onder 1 strafbare feiten oplevert heeft het hof het volgende overwogen (p. 23):

"Filipijnse dwergvalken

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte afdoende heeft aangetoond dat deze vogels in overeenstemming met de geldende regelgeving in Nederland zijn gebracht. De omstandigheid dat de vogels uit de Filipijnenzending zijn ingevoerd met een invoervergunning waarop de doelcode Z (“Zoo”) vermeld stond, maakt dit niet anders. Deze doelcöde is immers niet bindend en vormt aldus geen belemmerende factor voor verdere handel. De vogels die tot de dierentuinroute behoren staan steeds vermeld op bijlage B van de Basisverordening en voor deze vogels gelden – anders dan de advocaat-generaal heeft aangegeven – geen uitzonderingsbepalingen dan wel certificaatvereisten. Verdachte mocht de vogels aankopen en weer verkopen. Hij heeft zich aan de regels gehouden doordat hij een sluitende administratie heeft bijgehouden ten aanzien van voornoemde vogels.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte doet een beroep op de vrijstelling van artikel 7 Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Ten behoeve van het intracommunautaire verkeer geldt een vrijstelling van artikel 13, eerste lid, van de wet, voor het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van:

a. specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, voorzover betreffende specimens aantoonbaar overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening zijn verkregen".

Verdachte heeft verklaard dat de dwergvalken deel uitmaakten van de zogenaamde Filipijnenzending en dat hij de vogels van “ [betrokkene 10] ” in Tsjechië heeft gekocht. Ter ondersteuning wijst verdachte op een vermelding op een geschrift dat door hem als administratie wordt gepresenteerd.

De bij verdachte aangetroffen dwergvalken behoren tot een zending vogels uit de Filipijnen die begin oktober 2010 op Schiphol is aangekomen. Op de uitvoervergunning is als ontvanger vermeld “ [C] ” en onder “special conditions” is vermeld “for breeding purposes only”. Op de importvergunning wordt als importeur “ [C] ” vermeld en onder “purpose”: “Z”.

Het hof acht de beweerde aankoop van “ [betrokkene 10] ” niet aannemelijk. In het stuk waarboven met de pen is geschreven “register per 1-1-2011” wordt een ander nummer van het Cites-document vermeld (CA00127) dan dat van de betreffende zending (C00679). Het hof acht bovendien niet aannemelijk dat het door verdachte overgelegde geschrift deel uitmaakte van zijn administratie. Verwezen wordt naar de bewijsmotivering ten aanzien van feit 2. Dat betekent dat de onderhavige vogels niet voorkomen in de administratie van verdachte. Er zijn verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt van de aankoop en van nadere gegevens van “ [betrokkene 10] ”. Daar komt bij dat in de administratie van “ [D] ” een op 20 oktober 2010 gedateerd betalingsbewijs is aangetroffen van een betaling van verdachte voor twee dwergvalken. Het hof begrijpt dat het om de onderhavige dwergvalken gaat. Van [D] is niet gesteld dat het om een dierentuin gaat. Van een wijziging van de doelcode is ook niet gebleken.

Uit één en ander volgt reeds dat niet aangetoond is dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. Hierbij merkt het hof op dat aan de voorwaarden mede niet voldaan wordt als de opgaven niet naar waarheid zijn gedaan.”

Wat betreft het tweede onderdeel van de bewezenverklaring van feit 1 dat betrekking heeft op de 'Dierentuinroute Filippijnen' overweegt het hof het volgende (p. 26):

Tien panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en vier kuifhaviken

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte afdoende heeft aangetoond dat deze vogels in overeenstemming met de geldende regelgeving in Nederland zijn gebracht. De omstandigheid dat de vogels uit de Filipijnenzending zijn ingevoerd met een invoervergunning waarop de doelcode Z (“Zoo”) vermeld stond, maakt dit niet anders. Deze doelcode is immers niet bindend en vormt aldus geen belemmerende factor voor verdere handel. De vogels die tot de dierentuinroute behoren staan steeds vermeld op bijlage B van de Basisverordening en voor deze vogels gelden – anders dan de advocaat-generaal heeft aangegeven – geen uitzonderingsbepalingen dan wel certificaatvereisten. Verdachte mocht de vogels aankopen en weer verkopen. Hij heeft zich aan de regels gehouden doordat hij een sluitende administratie heeft bijgehouden ten aanzien van voomoemde vogels.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt dat verdachte een beroep doet op de vrijstelling van artikel 7 Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet voor intracommunautair verkeer.

Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij van de “Filipijnenzending” vijf panay neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, één bonte kiekendief, twee kuifhaviken en twee dwergvalken heeft ontvangen. Hij heeft verder verklaard dat hij de genoemde vogels van “ [betrokkene 10] ” heeft gekocht.

In het dossier bevinden zich stukken (bijlage 1274 (8/37 en 9/37)) waaruit naar het oordeel van het hof blijkt dat tien luzon/panay neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en vier kuifhaviken op 20 oktober 2010 zijn verzonden door [C] naar verdachte.11

11 De stelling in het requisitoir (p. 16) dat het precies deze vogels zouden zijn geweest die in een e-mailbericht aan [E] zouden zijn aangeboden wordt niet bevestigd door het onder bijlage 1436 opgenomen emailbericht van 31 december 2010.

Wat de kuifhaviken betreft heeft verdachte verklaard dat hij de vogels van “ [betrokkene 10] ” in Tsjechië heeft gekocht. Ter ondersteuning wijst verdachte op de vermelding in de inkoopadministratie, volgens welke de vogels op 28 maart 2011 zouden zijn ingekocht (pagina 926). Het hof merkt op dat in de administratie van verdachte het nummer van het Cites-document is vermeld van de zending vogels uit de Filipijnen die begin oktober 2010 op Schiphol is aangekomen.

Op de uitvoervergunning is als ontvanger vermeld “ [C] ”, en onder “special conditions” is vermeld “for breeding purposes only”. Op de importvergunning wordt als importeur “ [C] ” vermeld en onder “purpose” wordt “Z” vermeld.

Nu de vogels voorwerp van (particuliere) handel zijn geworden, is niet aangetoond dat zij overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen. Dat geldt naar het oordeel van het hof ook indien de vogels niet reeds in oktober 2010 aan verdachte zouden zijn gezonden.

Een andere uitleg en toepassing van de vrijstelling zou immers in strijd zijn met de strekking van onder meer de Basisverordening.

Voor de overige vogels waarover verdachte heeft verklaard dat ze afkomstig zijn uit de desbetreffende Filipijnenzending en dat hij ze van “ [betrokkene 10] ” heeft gekocht, geldt per saldo hetzelfde: reeds omdat administratie en stukken ontbreken, is niet aangetoond dat zij overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen.

Het hof acht overigens de beweerde aankoop van “ [betrokkene 10] ” niet aannemelijk. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor onder de dikgedrukte kop “Filipijnse dwergvalken” hieromtrent is overwogen.

Bij deze stand van zaken leidt het hof uit het voorgaande af dat ook de overige in de tenlastelegging vermelde vogels afkomstig zijn uit de zending van 20 oktober 2010 van [C] aan verdachte. Hetgeen door de verdediging is gesteld – doch in ieder geval niet is aangetoond – omtrent naadloos gesloten pootringen, staat daaraan niet in de weg.”

8.5.

Het hof heeft de verklaring van de verdediging over de herkomst van de vogels uit de Filippijnenzending niet geloofwaardig geacht gelet op de onvolkomenheden in de administratie van verdachte. De dwergvalken zijn begin oktober 2010 vanuit de Filippijnen op Schiphol aangekomen en zijn vandaar over de weg vervoerd naar Sofia, Bulgarije. De doelcode op de importvergunning is Z. Het hof acht aannemelijk dat verdachte in oktober 2010 de twee dwergvalken heeft betrokken van " [D] ", niet zijnde een dierentuin.

Het betreft vogels die zijn vermeld op de Europese B-lijst. De bewezenverklaring van feit 1 ten aanzien van de Filippijnse dwergvalken kan worden gekwalificeerd onder artikel 13 Ffw.

8.6.

Artikel 10 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten voorziet in de mogelijkheid van vrijstellingen van de verboden bedoeld in artikel 13, eerste lid van de Ffw. Het tweede en derde lid van dat artikel 10 hebben de volgende inhoud:

"2. Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet,24 geldt met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben, een vrijstelling van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste25 en tweede lid, zijn van toepassing, voorzover voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels."

Artikel 18 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten luidt aldus:

"Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het voeren van een administratie en verstrekken van gegevens met betrekking tot het onder zich hebben, ontvangen, verkopen, ten verkoop voorradig of voorhanden hebben en afleveren van dieren of planten, dan wel producten van die planten of producten of eieren van die dieren."

De ministeriële regeling die op basis van dit artikel 18 tot stand is gekomen is de Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten.26

Artikel 2 van deze regeling luidt, voor zover hier relevant, aldus:

"1. Een registratie wordt bijgehouden voor specimens van de volgende diersoorten:

(...)

c. levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening, met uitzondering van:

1. gefokte vogels, die van een naadloos gesloten pootring zijn voorzien, en

2. de soorten als genoemd in bijlage 1 bij deze regeling."

Geen enkele van de in feit 1 genoemde hier relevante vogels wordt in bijlage 1 vermeld.

Het daaropvolgende artikel 3 van de Regeling administratie luidt aldus:

"1. Een registratie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bevat voorzover van toepassing de volgende gegevens:

a. wetenschappelijke soortnaam en aantal;

b. datum en plaats van verkrijging;

c. naam, adres en land van de leverancier;

d. land van herkomst van de specimens, indien dit afwijkt van onderdeel c;

e. nummer bijbehorend Cites-document;

f. datum en plaats van vervreemding;

g. naam, adres en land van de afnemer;

h. nummer bijbehorend Cites-document;

i. datum geboorte van en het aantal nakomelingen;

j. gegevens soort en code merktekens;

k. datum aanbrenging merktekens;

l. per specimen datum en plaats van sterfte.

2. Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, worden voorzover van toepassing bewaard alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben, het ontvangen, verkopen of afleveren van specimens, bedoeld in artikel 2, eerste lid."

Het hof heeft vastgesteld dat iedere administratie betreffende de twee Filippijnse dwergvalken en de andere B-vogels ontbrak.27 Daaruit volgt dat een vrijstelling of ontheffing van de verboden van artikel 13 Ffw is uitgesloten. Het hof heeft dus het verweer dat verdachte ten aanzien van de vogels afkomstig uit de dierentuinroutes een beroep zou kunnen doen op een vrijstelling terecht verworpen, ongeacht of de stelling van de verdediging over de doelcode Z al dan niet juist is.

8.7.

Eerlijk gezegd ontgaat het mij wat de klacht over de uitleg van de doelcode verbindt met de veroordelingen voor artikel 10 (feit 3 primair) en 101a GWWD (feit 4). De GWWD staat in het teken van de gezondheid en het welzijn van dieren en de bescherming van de veiligheid van mens en dier en niet met bescherming van bedreigde diersoorten. In de toelichting op het middel wordt dit verband ook niet geëxpliciteerd, zodat ik mij ontslagen acht van een afzonderlijke bespreking van de klachten over de doelcode in verband met de GWWD.

Het middel faalt.

9.1.

Het zevende middel klaagt ook weer dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan artikel 13 Ffw en de artikelen 10 en 101a GWWD. Het hof heeft niet in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte op geen enkele wijze betrokken was bij de invoer van de vogels van de dierentuinroutes binnen Europa en dat bij verdachte enkel sprake is geweest van intracommunautair handelsverkeer. Ook dit middel heeft weer feit 1, feit 3 primair en feit 4 tot onderwerp.

9.2.

Met betrekking tot feit 1 stel ik voorop dat daarin niet is bewezenverklaard dat verdachte de vogels heeft ingevoerd binnen Europa. Bij mijn bespreking van het vorige middel heb ik al aangegeven dat naar mijn oordeel het hof bewezen kon achten wat het hof als bewezenverklaring van feit 1 in het arrest heeft opgenomen. Tevens heb ik daar aangegeven dat vrijstelling of ontheffing van de verboden van artikel 13 Ffw niet aan de orde was.

9.3.

Als feit 3 primair en feit 4 heeft het hof daarnaast nog bewezenverklaard dat:

"3 primair:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of elders in Europa en/of de Filippijnen en/of Tanzania

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) telkens opzettelijk dieren in Nederland heeft gebracht, te weten:

(traject Dierentuinroute)

– tien witnekraven (Corvus albicollus) en/of tien schildraven (Corvus albus) en

– tien panay of luzon neushoornvogels (Penelopides panini/manillae) en

– twee rosse neushoornvogels (Buceros hydrocorax) en

– twee Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythrogenys) en

– bonte kiekendieven (Circus melanoleucos) en

– vier kuifhaviken (Accipiter trivirgatus),

welke dieren zijn verzonden vanuit een derde land en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is zijn gebracht;

4:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland en/of Tsjechië en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Slowakije en/of elders in Europa en/of de Filippijnen opzettelijk, als houder van één of meer dier(en),

te weten

– tien witnekraven (Corvus albicollus) en/of tien schildraven (Corvus albus) en

– tien panay of luzon neushoornvogels (Penelopides panini/manillae) en

– twee rosse neushoornvogels (Buceros hydrocorax) en

– twee Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythrogenys) en

– bonte kiekendieven (Circus melanoleucos) en

– vier kuifhaviken (Accipiter trivirgatus),

terwijl hij wist dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel 15 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt,

– niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd, en/of

- niet alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van hem konden worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) die vogels in Nederland gebracht en/of samengebracht en/of verzameld en/of verkocht en/of verhandeld en/of overgedragen en/of onder zich gehad, terwijl

- die vogels niet afkomstig waren uit erkende vermeerderingsbedrijven en/of

- niet aan de invoervoorschriften en/of de quarantainebepalingen werd voldaan en/of

- die vogels niet tenminste 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening zijn gehouden.”

Al deze vogels, behalve de witnekraven en de schildraven, staan op de B-lijst van de EU. De twee ravensoorten komen noch voor in een CITES-bijlage nog op enigerlei EU-lijst.

9.4.

De feiten 3 primair en 4 zijn niet gekwalificeerd als overtreding van artikel 13 Ffw maar – kort gezegd – als het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10 GWWD respectievelijk 101a GWWD. Verdachte heeft vogels binnen Nederland gebracht en niet aan zijn verplichtingen voldaan die de wet hem oplegt in het kader van het voorkomen dan wel verspreiden van besmettelijke ziekten.

Voor de toepasselijke wetgeving moge ik verwijzen naar § 7.2 van deze conclusie.

Ik herhaal dat ingevolge artikel 2.1 lid 2 van de Regeling handel levende dieren en levende producten, die is gebaseerd onder meer op artikel 10 GWWD, het verboden is om vogels in Nederland brengen. Van dat verbod wordt op de voet van artikel 2.2 lid 3, aanhef en onder b van de Regeling handel levende dieren en levende producten vrijstelling verleend onder daartoe genoemde voorwaarden, als de vogels zijn verzonden vanuit een lidstaat of via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht.

De vrijstelling voor vogels die voorwerp zijn van intracommunautair verkeer, ook nadat zij in een andere lidstaat vanuit een derde land zijn ingevoerd op het grondgebied van de Gemeenschap, is er kennelijk op gebaseerd dat de invoer binnen de Gemeenschap en het intracommunautaire verkeer van vogels met zoveel waarborgen is omringd dat, als aan de eisen die aan die invoer en dat verkeer zijn gesteld, is voldaan, de risico's voor besmettelijke vogelziekte afdoende zijn bezworen.

Maar het hof heeft juist vastgesteld dat ten aanzien van alle B-vogels niet was voldaan aan de voorwaarden voor ontheffing of vrijstelling van de verplichtingen bij of krachtens artikel 13 Ffw gesteld. Meer bepaald was niet voldaan aan de verplichtingen met betrekking tot het administreren van de vogels (zie hiervoor § 8.6 en volgende). Daarmee is ten aanzien van deze vogels de grondslag voor een beroep op deze vrijstelling weggetrokken.

De witnekraven en de schildraven zijn helemaal niet gedocumenteerd via een vervoers- of handelsdocument dan wel een gezondheidscertificaat. Dat er ten aanzien van deze vogels enigerlei GWWD-vrijstelling of -ontheffing zou bestaan ontbeert dus iedere grond.

Het middel faalt.

10.1.

Het achtste middel klaagt dat het hof, zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven, is afgeweken van het door de verdediging aangevoerde onderbouwde standpunt dat [D] vaker gebruik heeft gemaakt van identiteitsfraude. Dit standpunt had weer betrekking op feit 1, feit 3 primair en feit 4.

10.2.

In het arrest van het hof is op p. 42 als standpunt van de verdediging onder meer het volgende opgenomen:

“Weliswaar bevond zich een factuur gericht aan verdachte in de Tanzania-zending, maar deze is gefabriceerd door [D] welk bedrijf zich schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude.”

Het hof heeft op p. 44 overwogen dat het geenszins aannemelijk is geworden dat het bedrijf [D] zich aan identiteitsfraude zou hebben schuldig gemaakt.

10.3.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en op de inhoud en onderbouwing van het bezwaar is dit oordeel geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik verwijs in dit verband naar de bewijsmiddelen 55, 58, 81, 113, 116, 140 etc. In al deze documenten is er sprake van dat [D] de vogels waarvan in deze bewezenverklaring sprake is zou vervoeren naar Nederland.

Het middel faalt.

11.1.

Het negende middel klaagt over een tegenstrijdigheid in de beslissingen van het hof. Deze tegenstrijdigheid heeft betrekking op het onderdeel "wildvangroute Portugal" van het bewezenverklaarde feit 3.

11.2.

De bewezenverklaring van feit 3 subsidiair luidt, voor zover voor de beoordeling relevant, aldus, dat

"hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of elders in Europa en/of de Filippijnen en/of Tanzania

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) telkens opzettelijk dieren in Nederland heeft gebracht, te weten:

– in de periode van 14 september 2011 tot en met 28 augustus 2012 Sint Helenafazanten (Estrilda astrild) en

– in de periode van 26 maart 2012 tot en met 15 augustus 2012 napoleonwevers (Euplectus afer28) en

– in de periode van 9 augustus 2012 tot en met 28 september 2012 muskaatvinken (Lonchura punctulata)

welke vogels zijn verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht en bestemd zijn voor Nederland, een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag.”

Het totaal onder 3 subsidiair aldus bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als: medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd. Het betreft het handelen in strijd met het tweede lid van artikel 2.1, tweede gedachtestreepje van de Regeling handel levende dieren en levende producten, dat het – kort gezegd – verbiedt om vogels in Nederland te brengen.

Als feit 4 was onder het hoofd "traject Wildvang Portugal" met betrekking tot dezelfde vogels tenlastegelegd het medeplegen van het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 101a GWWD. Van dit onderdeel heeft het hof echter vrijgesproken.

11.2.

De steller van het middel wijst in dit verband op de vrijspraak van feit 4 op dat onderdeel. Het gaat dan om het in gebreke blijven van het overleggen van een eigenaarsverklaring. Volgens de steller van het middel is er sprake geweest van intracommunautair verkeer van niet beschermde vogels. Het transport van zulke vogels moet begeleid zijn van een eigenaarsverklaring. De verklaring waarvan artikel 8.10 lid 1 Regeling handel levende dieren en levende producten spreekt is geen gezondheidsverklaring maar enkel een vervoersverklaring die nodig is tijdens het vervoer van een plaats in de ene lidstaat naar een plaats in de andere lidstaat. Als dat vervoer is voltooid hoeft deze verklaring niet te worden bewaard. Het Hof legt een te zware verplichting op verdachte. Verdachte hoefde niet achteraf aan te tonen dat tijdens het vervoer er een eigenaarsverklaring bestond.

11.3.

Op p. 52 e.v. van het verkort arrest heeft het hof het volgende opgenomen:

“Wildvang Portugal

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat er geen bewaarplicht bestaat ten aanzien van de eigenaarsverklaring zoals bedoeld in artikel 8.10 lid 1 van de Regeling handel levende dieren en levende producten. Deze verklaring is volgens de verdediging duidelijk bedoeld als veterinair transportdocument. Ten aanzien van de zendingen bestaande uit 229 Helenafazanten, 35 napoleonwevers en 235 muskaatvinken vanuit Portugal geldt dat deze voorzien waren van een eigenaarsverklaring welke verklaring door verdachte is gecontroleerd. Deze eigenaarsverklaring is vervolgens weer meegenomen door [betrokkene 11] , aldus de verdediging.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 2.1, tweede lid, derde gedachtestreepje van de Regeling handel levende dieren en levende producten (hierna: Regeling handel) bepaalt dat het brengen van vogels in Nederland verboden is.

De verdachte beroept zich op de vrijstelling van artikel 2.2, derde lid, Regeling handel. De vrijstelling wordt verleend op voorwaarde dat de vogels vergezeld gaan van de verklaring, bedoeld in artikel 4, vierde gedachtestreepje, van richtlijn 92/65/EEG (artikel 8.10 van de Regeling handel), één en ander indien de vogels zijn verzonden vanuit een lidstaat dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht.

Dit betreft een door het bedrijfshoofd zelf opgestelde verklaring dat de betreffende dieren op het ogenblik van verzending geen duidelijke ziekteverschijnselen vertonen en dat voor zijn bedrijf geen veterinairrechtelijke beperkende maatregelen gelden.

Met betrekking tot zaaksdossier “Wildvang Portugal” heeft verdachte verklaard dat de vogels vergezeld waren van een dergelijke verklaring toen “ [betrokkene 11] ” ze bracht, maar dat hij niet over de verklaring beschikt noch daarover behoeft te beschikken.

De advocaat-generaal heeft gewezen op de bewaarplicht op grond van de fiscale regelgeving.

Voor een verklaring als hier bedoeld, geldt echter geen bewaarplicht. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een eigenaarsverklaring. Het hof acht de enkele verklaring van verdachte daarvoor niet voldoende. Verdachte had bijvoorbeeld een fotokopie van de verklaring kunnen maken. Dat betekent dat het beroep op de vrijstelling wordt verworpen.

Zoals hierna bij de bespreking van feit 4 zal blijken, spreekt het hof verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde vrij van het onderdeel “Wildvang Portugal”. Daartoe overweegt het hof dat bij feit 4 bewezen moet worden dat verdachte niet beschikte over een eigenaarsverklaring. Daarvoor is onvoldoende bewijs. Bij feit 3 gaat het erom dat verdachte een beroep op een vrijstelling toekomt indien hij kan aantonen dat hij de beschikking heeft over een dergelijke verklaring. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte dat niet aangetoond. Van een tegenstrijdigheid is geen sprake.”

11.4.

Artikel 8.10 van de Regeling handel levende dieren en levende producten heeft de volgende inhoud:

"1. Vogels, niet zijnde papegaaiachtigen, vossen, nertsen en lagomorfen die zijn bestemd voor Nederland of een lid-staat, die geen gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG eist, gaan vergezeld van de verklaring, bedoeld in artikel 4, vierde gedachtenstreepje, van richtlijn 92/65/EEG.

2. Papegaaiachtigen gaan vergezeld van het handelsdocument, bedoeld in artikel 7, onder A, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 92/65/EEG.

3. Dieren als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG gaan vergezeld van het in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG bedoelde vervoersdocument.

4. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, het handelsdocument, bedoeld in het tweede lid, en het vervoersdocument, bedoeld in het derde lid, zijn opgesteld en afgegeven in overeenstemming met de regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl de geldigheidsduur ervan niet is verstreken."

Het eerste lid verwijst naar een bepaling van Richtlijn 92/65/EEG29 die de volgende inhoud heeft:

"Artikel 4

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om, ter toepassing van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 90/425/EEG, ervoor te zorgen dat de in de artikelen 5 tot en met 10 van de onderhavige richtlijn bedoelde dieren, onverminderd artikel 13 en de ter toepassing van artikel 24 vast te stellen bijzondere bepalingen, alleen in het handelsverkeer gebracht mogen worden indien zij voldoen aan de in de artikelen 5 tot en met 10 bedoelde voorwaarden en indien zij afkomstig zijn van in artikel 12, leden 1 en 3, van de onderhavige richtlijn bedoelde bedrijven of handelszaken die door de bevoegde autoriteit worden geregistreerd en die zich er toe verbinden:

(...)

— met het oog op het handelsverkeer alleen dieren in de handel te brengen die geen ziekteverschijnselen vertonen en die afkomstig zijn uit bedrijven of gebieden waarvoor geen enkele verbodsmaatregel om veterinairrechtelijke redenen geldt en wat dieren betreft die niet vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat of handelsdocument als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 11, alleen dieren die vergezeld gaan van een door het bedrijfshoofd zelf opgestelde verklaring dat de betreffende dieren op het ogenblik van verzending geen duidelijke ziekteverschijnselen vertonen en dat voor zijn bedrijf geen veterinairrechtelijke beperkende maatregelen gelden”.

11.5.

In wezen gaat het hier ook weer over de vraag of verdachte een beroep kan doen op de vrijstelling van het verbod van artikel 2.1, tweede lid, tweede gedachtestreepje van de Regeling handel levende dieren en levende producten. Het gaat er dan om of de rechter het al dan niet aannemelijk acht dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. Het is in het belang van degene die zich wil vrijwaren van strafrechtelijke aansprakelijkheid van genoemd verbod om ervoor zorg te dragen dat een beroep op een vrijstelling wordt onderbouwd. Naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof ontbreekt zo een onderbouwing. Van verdachte die beroepsmatig de handel in dieren bedrijft mag worden gevergd dat hij een beroep op een vrijstelling onderbouwt met documenten en verklaringen die waarborgen dat de vogels overeenkomstig de geldende regels in Nederland zijn gebracht. Ik laat nog daar dat de stelling waar de verdediging van uitgaat, dat de eigenaars/vrijwaringsverklaring geen enkel belang meer heeft als de vogels eenmaal in Nederland zijn aangekomen, mij ongerijmd voorkomt.

Het middel faalt.

12. Het tiende, elfde en twaalfde middel keren zich met verschillende klachten tegen de verwerping door het hof van het beroep op de 'vijfvogelregeling'. Ik geef alvast de slotsom van mijn beschouwingen over deze middelen weer. Deze slotsom komt erop neer dat de stelling waarvan deze middelen uitgaan en die erop neerkomt dat iedere buiten de EER-ruimte in het wild gevangen vogel een gezelschapsvogel wordt door het enkele feit dat de vogel is besteld door een particulier en daarom op transport wordt gezet naar Nederland zo zeer in strijd is met de ratio van de Europese en Nederlandse regelgeving dat deze stelling evident de plank misslaat.

12.1.

Het tiende middel klaagt dat het hof een te extensieve uitleg heeft gegeven aan het begrip 'gezelschapsdier' zoals bedoeld in Beschikking 2007/25/EG en aldus ten onrechte het beroep van verdachte op de 'vijfvogelregeling' heeft afgewezen.

12.2.

Deze klacht heeft betrekking op de veroordeling voor feit 1, 3 subsidiair en 4. De bewezenverklaring voor feit 1 houdt onder meer in dat:

"1. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012 in Nederland en/of Duitsland en/of elders in Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten

tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, telkens dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, te weten

– vijf papoea beo's (Mino dumonti)

heeft verkocht en ten verkoop heeft aangeboden en heeft gebruikt voor commercieel gewin en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht".

12.3.

Op p. 14 van het arrest heeft het hof het volgende opgenomen30:

“Vijfvogelregeling

Papoea beo’s

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat verdachte niet verantwoordelijk is voor de zendingen van de papoea beo’s. Verdachte heeft alleen bemiddeld tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] bij de eerste zending op 14 januari 2011, maar bij de tweede zending van 2 februari 2011 zegt hij geen betrokkenheid te hebben.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

De papoea beo is opgenomen in Bijlage D van de Basisverordening. Gelet op de artikelen 5 lid 2 van de Flora en faunawet en 4 lid 2 onder a van de Regeling aanwijzing betreft het een uitheemse diersoort.

Verdachte heeft verklaard dat hij een bemiddelende rol heeft gespeeld tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] bij de verkoop van de tien papoea beo’s.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij in januari en februari 2011 in totaal tien van deze vogels via verdachte van [medeverdachte 3] in Dubai heeft gekocht.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij tien papoea beo’s via verdachte aan [betrokkene 1] heeft verkocht.

De vogels zijn op 14 januari 2011 (vijf stuks) en op 2 februari 2011 (wederom vijf stuks) door [medeverdachte 3] van Dubai naar Frankfurt gezonden en ze zijn van daaruit naar Nederland (bij [betrokkene 1] ) gebracht.

In het dossier bevinden zich certificaten ten behoeve van deze beide transacties. Het telefoonnummer van verdachte staat vermeld onder de naam van [betrokkene 1] (geadresseerde).

Verdachte heeft de eerste zending van chauffeur [betrokkene 9] gekregen en naar [betrokkene 1] gebracht. Hij heeft deze zending gefactureerd aan [betrokkene 1] , omdat hij – naar zijn zeggen – nog geld tegoed had van [medeverdachte 3] .

Anders dan volgens de rechtbank en de advocaat-generaal is er naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de tweede zending van deze papoea beo s (2 februari 2011). Verdachtes telefoonnummer staat weliswaar op de “declaration of transfer” onder de naam van geadresseerde [betrokkene 1] , maar verder is geen andere aantoonbare betrokkenheid van verdachte uit het onderzoek gebleken. Door de rechtbank is meegewogen dat er handgeschreven notities van verdachte zijn met daarop bedragen (5 x 1.200,- Beo). Naar het oordeel van het hof duidt deze aantekening niet exclusief op de tweede zending van de papoea beo’s, de aantekening kan ook betrekking hebben op de eerste zending. Van betrokkenheid bij de tweede zending van vijf papoea beo’s wordt verdachte daarom vrijgesproken.

Het hof acht wel bewezen dat verdachte bij de eerste zending van vijf papoea beo’s (14 januari 2011) is betrokken. Hij heeft [betrokkene 1] in contact gebracht met [medeverdachte 3] en zijn telefoonnummer staat op het certificaat. Hij heeft de vogels bij [betrokkene 1] gebracht en heeft ze aan [A] B.V., de firma van [betrokkene 1] , gefactureerd. De handgeschreven notities van verdachte (5 x 1.200,- Beo) hebben betrekking op deze zending papoea beo’s.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte in vereniging met anderen op 14 januari 2011 opzettelijk vijf papoea beo’s heeft verkocht, ten verkoop heeft aangeboden, heeft gebruikt voor commercieel gewin en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.”

En over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde (p. 25):

"Vijfvogelregeling

Papoea beo’s

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is betoogd dat de papoea beo’s met de juiste papieren binnen Europa dan wel Nederland zijn gebracht en dat van een commercieel oogmerk geen sprake was.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt ten aanzien van het beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

Op de ten behoeve van deze zendingen opgemaakte certificaten is aangegeven dat deze vogels niet worden verzonden voor commerciële doeleinden.

In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat – indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage A, B, C of D van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen – een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 van de Flora- en faunawet.

In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat – indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage D van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen – een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 van de Flora- en faunawet, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben.

Verdachte heeft niet aangetoond dat hij wat betreft deze beschermde uitheemse vogels in overeenstemming met de geldende regelgeving heeft gehandeld. De vogels werden door [medeverdachte 3] (vanuit Dubai) via verdachte aan [betrokkene 1] (in Nederland) verkocht. Het hof stelt vast dat op de certificaten ( ‘Declarations of Transfer”) in strijd met de waarheid is ingevuld dat de zending papoea beo’s niet commercieel was (“non-commercial”). Reeds daarom kan het beroep op de vrijstelling niet slagen. Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen hierna bij de strafbaarheid van het bewezenverklaarde bij feit 3 in het kader van zaaksdossier “Vijfvogelregeling” wordt overwogen.”

Ten aanzien van feit 3 heeft het hof op p. 53 e.v. van het arrest ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van verdachte het volgende overwogen:

“Vijfvogelregeling

Standpunt van het openbaar ministerie

Volgens het openbaar ministerie heeft de verdachte niet aan de vereisten van de vijfvogelregeling voldaan en kan hij zich niet op een vrijstelling beroepen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte een beroep kan doen op de vrijstelling van de vijfvogelregeling, omdat hij heeft voldaan aan alle voorwaarden die daaraan worden gesteld.

Daartoe is kort gezegd het volgende aangevoerd:

- een zending vari maximaal vijf vogels is per definitie niet-commercieel;

- de definitie van “gezelschapsdier” zoals die is verwoord in de Verordening 2016/429 mag niet worden meegenomen in deze zaak;

- alle in de tenlastelegging genoemde vogels zijn bij hun oorspronkelijke eigenaar gebleven.

Deze eigenaar was steeds al eigenaar vóór de invoer van de vogels (deze was namelijk eigenaar geworden in Dubai of Oeganda).

Oordeel van het hof

Op de ten behoeve van de hiervoor bewezenverklaarde vogelzendingen opgemaakte certificaten is steeds ingevuld dat de vogels niet worden verzonden voor commerciële doeleinden.

Juridisch kader van de vijfvogelregeling

Naar het oordeel van het hof is niet aangetoond dat de vogels overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen. Tot deze regelgeving moet worden gerekend Verordening (EG) nr. 318/2007 van 23 maart 2007. Uitgangspunt van deze verordening is dat import van vogels uit derde landen uitsluitend is toegestaan als aan bepaalde in de verordening omschreven voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden zijn onder meer dat de vogels:

(1) afkomstig moeten zijn van een in een derde land erkend vermeerderingsbedrijf;

(2) in gevangenschap zijn gefokt;

(3) vóór verzending getest zijn op bepaalde vogelziektes;

(4) vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat;

(5) voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchip en

(6) gedurende 30 dagen (op de plaats van bestemming) in quarantaine worden gehouden in een daarvoor erkende voorziening (zie artikelen 4 tot en met 6 en artikel 11 verordening 318/2007).

Deze strenge voorwaarden zijn – gelet op de inleidende overwegingen bij de verordening 318/2007 – ingegeven door de wens om vogelziektes, afkomstig van (in het wild gevangen) vogels, en daarmee verband houdende risico’s voor dierenwelzijn, dierengezondheid en besmetting met en verspreiding van virusziekten, zoveel mogelijk te voorkomen. Op de hiervoor omschreven geldende voorwaarden voor import uit derde landen bestaat een uitzondering voor zogenaamde gezelschapsdieren. Deze uitzondering vindt haar oorsprong in verordening (EG) nr. 998/2003 van 26 mei 2003 (verder ook: Verordening 998/2003). In die verordening wordt in artikel 3 een definitie van gezelschapsdieren gegeven, te weten:

“dieren (...) die hun eigenaar of een natuurlijk persoon die er namens de eigenaar tijdens het verkeer voor verantwoordelijk is, begeleiden en die niet voor verkoop of eigendomsoverdracht bestemd zijn.”

De uitzondering voor de import van gezelschapsdieren is verder uitgewerkt in een beschikking van de Commissie 2007/25/EG van 22 december 2006 tot vaststelling van beschermende maatregelen van gezelschapsvogels die hun eigenaar vergezellen (verder ook beschikking 2007/25). In de preambule van deze beschikking wordt onder meer het volgende overwogen:

“Om duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen in gevangenschap levende vogels die in het wild voor commerciële invoer zijn gevangen en gezelschapsvogels, moet het verkeer van levende gezelschapsvogels onderworpen blijven aan strikte voorwaarden (...) om de status van gezelschapsvogels te waarborgen en de verspreiding van (...) virusziekten te voorkomen.”

Eén van die strikte voorwaarden houdt in dat het verkeer vanuit derde landen van levende gezelschapsvogels uitsluitend is toegestaan als de zending uit niet meer dan vijf vogels bestaat (zie artikel 1 van beschikking 2007/25).

De uitzondering van de vijfvogelregeling is gezien de definitie van het begrip gezelschapsdier, en in het Engels “pet”, duidelijk bedoeld voor vogels die hun eigenaar – zij het dat de eigenaar iemand kan machtigen - (als huisdier) van de ene naar de andere plaats vergezellen. Dit volgt ook uit het feit dat de vogels niet bedoeld mogen zijn voor verkoop of eigendomsoverdracht.

Onder de groep “gezelschapsvogels” worden dus niet begrepen vogels die vanuit een derde land Europa worden binnengebracht en zich dan pas in Europa bij hun nieuwe eigenaar voegen. In dat geval worden de vogels immers door de vorige eigenaar naar de nieuwe eigenaar verzonden. Ofwel, dan verhuizen de vogels niet met hun eigenaar mee.

Verder worden onder gezelschapsdieren in ieder geval uitdrukkelijk niet begrepen: vogels die in het wild voor commerciële invoer zijn gevangen. Dit wordt expliciet in de preambule van beschikking 2007/25 overwogen (zie hierboven). Dit brengt onder meer mee dat voor commerciële doeleinden in het wild gevangen vogels nimmer op grond van de vijfvogelregeling vanuit een derde land binnen het grondgebied van de Europese Unie mogen worden gebracht. Dit eigenaarschap brengt immers geen verandering in het feit dat de vogels in kwestie zijn gevangen met het oogmerk die te verkopen en daardoor geen gezelschapsdieren zijn.

In verordeningen 2013/576 en 2016/429 zijn de bewoordingen van de vijfvogelregeling veranderd. Gelet op de toelichting is hier naar het oordeel van het hof sprake van een verduidelijking van de bewoordingen en niet van een wijziging in de zin van uitbreiding of beperking van de strekking of de reikwijdte van de regeling.

Vrijstelling?

De hiervoor genoemde – bewezenverklaarde – vogels, waren toen zij vanuit Oeganda dan wel vanuit Dubai werden verzonden, bestemd voor verkoop en eigendomsoverdracht aan een ander, bijvoorbeeld [betrokkene 1] . Reeds hierdoor kan niet gesproken worden van de invoer van gezelschapsdieren in de zin van de vijfvogelregeling (zie juridisch kader hierboven).

Door toch onder het mom van deze regeling de strenge regels (Verordening 318/2007) voor invoer van vogels uit derde landen te omzeilen, hebben verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] misbruik gemaakt van de vijfvogelregeling. De gehele logistieke en financiële afhandeling is immers in samenspraak tussen verdachte en [medeverdachte 3] gebeurd. De vogelroute via Oeganda is in zeer nauwe samenwerking met [medeverdachte 2] gegaan, zo volgt uit de vele tapgesprekken. Van "gezelschapsvogels” in de zin van de hiervoor genoemde verordening is geen sprake. Diverse vogels zijn in het wild gevangen en hebben nimmer in gezelschap van mensen verkeerd.

Met het in hoger beroep gevoerde verweer dat zendingen van vijf vogels per definitie niet commercieel zijn, geeft verdachte er blijk van de strekking van de regeling – zoals die hiervoor is beschreven – niet te (willen) begrijpen. Het beroep dat de verdediging heeft gedaan op de uitleg van de Nederlandse bestuursrechter (CBB:2011.BV1294 en CBB:2012:BY0422) slaagt evenmin, reeds omdat in die zaken sprake was van een zending van 25 en van 10 vogels (dus meer dan vijf vogels). In die beslissingen valt in het geheel niet te lezen dat de bestuursrechter het standpunt huldigt dat een zending van vijf vogels per definitie niet-commercieel is.

De vogels die per zending van vijf stuks zijn getransporteerd zijn wel degelijk bestemd voor de handel. Uit tal van tapgesprekken tussen verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is af te leiden dat deze vogels voor de verkoop zijn bestemd. [betrokkene 1] is één van de afnemers. Uit aantekeningen is af te leiden dat de winst die met de verkoop van deze vogels wordt gemaakt door drie gedeeld wordt: verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . De winst is enorm, zo kost een in het wild gevangen toerako bijna niets en wordt deze verkocht voor 2.000 euro (aan [betrokkene 1] ).

Het door de verdediging gevoerde verweer dat van commerciële doeleinden geen sprake was omdat (bijvoorbeeld) [betrokkene 1] de vogels al in Dubai of Oeganda heeft gekocht, wordt eveneens verworpen. Dat [betrokkene 1] de vogels al in het buitenland heeft gekocht en hij deze dus als eigenaar zelf (of door middel van een gemachtigde) heeft “ingevoerd” in Nederland blijkt geenszins uit de stukken en uit de diverse tapgesprekken.

De verweren worden derhalve verworpen. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Vijfvogelregeling

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de vijfvogelregeling zo heeft begrepen dat voor de transacties waaraan hij heeft deelgenomen de vrijstelling van toepassing was. Hij heeft zich georiënteerd alvorens hij de vijf geelkopgieren heeft ingevoerd. Hij heeft een grammaticale interpretatie van de regelgeving aangehouden.

Daarnaast is bepleit dat de Duitse douane verschillende zendingen die vallen onder de vijfvogelregeling heeft gecontroleerd en doorgelaten. Dat heeft tot gevolg dat het intracommunautair vertrouwensbeginsel niet wordt gerespecteerd indien de rechter nogmaals toetst of misbruik is gemaakt van de vijfvogelregeling.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

Zoals ook blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, wisten verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heel goed dat hun handelwijze niet te verenigen was met de vrijstelling van de vijfvogelregeling, althans hebben zij bewust deze kans op de koop toe genomen. Diverse zendingen zijn bij de douane teruggestuurd, bijvoorbeeld in België en in Frankfurt. In elk geval waren de verdachten zich bewust van de aanmerkelijke kans dat het niet goed.was, zo is ook af te leiden uit tapgesprekken. Zo moet er “geld” naar de man in Frankfurt (350 euro) en wordt een route via Hongarije “getest”. Aan het enkele feit dat een Duitse dierenarts verschillende keren toch een zending heeft doorgelaten, kunnen zij geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hun handelwijze in overeenstemming was met de regeling.

Het hof kan niet anders dan constateren dat verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bewust de vijfvogelregeling heeft gebruikt (en daarmee misbruikt) om in strijd met de regelgeving deze vogels in Nederland in te voeren. Verdachte mocht er niet zonder meer van uit gaan dat zijn eigen interpretatie van de vijfvogelregeling in orde was.

Het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte vijf geelkopgieren voor zichzelf (privé) had gekocht en dat hij voor die vogels wel gebruik kon maken van de vrijstelling van de vijfvogelregeling wordt verworpen. Niet blijkt waar en bij welke instantie hij zich vooraf heeft georiënteerd, en evenmin is duidelijk geworden waarom hij voor privédoeleinden wel op deze wijze zou mogen handelen. Het blijft immers commercieel, ook al koopt hij ze voor zichzelf.

Het verweer dat het intracommunautair vertrouwensbeginsel niet wordt gerespecteerd indien de rechter – na controle door de Duitse douane – nogmaals toetst of misbruik is gemaakt van de vijfvogelregeling, wordt eveneens verworpen. De rechter moet, zeker en juist wanneer onregelmatigheden bij het gebruikmaken van de vijfvogelregeling worden vermoed, kunnen toetsen of de regeling juist is nageleefd.

Het hof begrijpt het door de verdediging gevoerde verweer ook nog in meer algemene zin aldus dat een beroep wordt gedaan op rechtsdwaling. Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was (vgl. HR 9 maart 2004, LJN AO1490, NJ 2004, 675). Aan deze voorwaarden is, gelet op het vorenstaande niet voldaan. Het hof voegt daaraan toe dat de verdediging niet heeft gesteld dat verdachte advies heeft ingewonnen bij een gezaghebbende instantie.

De verweren worden verworpen. Verdachte is strafbaar.”

12.4.

Artikel 3 van Verordening 998/200331 luidt aldus:

"Artikel 3

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) gezelschapsdieren: dieren van de op de lijst in bijlage I genoemde soorten die hun eigenaar of een natuurlijke persoon die er namens de eigenaar tijdens het verkeer voor verantwoordelijk is, begeleiden en die niet voor verkoop of eigendomsoverdracht bestemd zijn;

b) paspoort: document waarmee het gezelschapsdier duidelijk kan worden geïdentificeerd en dat de overeenkomstig artikel 17, tweede alinea, op te stellen gegevens bevat waarmee in het kader van deze verordening de toestand van het dier kan worden gecontroleerd;

c) verkeer: verplaatsing van een gezelschapsdier tussen de lidstaten, het binnenkomen of opnieuw binnenkomen ervan uit een derde land op het grondgebied van de Gemeenschap."

Op de Lijst van diersoorten, opgenomen als Bijlage I bij deze Verordening zijn vogels genoemd. Deze Verordening geldt onverminderd Verordening 338/97, de Basisverordening.32 Op Verordening 998/2003 is weer Beschikking 2007/25/EG gebaseerd.33 Het hof heeft al gememoreerd dat de considerans voor de Beschikking wijst op de uitbraken van vogelgriep en de ernstige gevolgen die deze hebben. De Commissie heeft advies ingewonnen bij deskundigen. Dat advies wijst op de risico's van de verspreiding van virusziekten zoals de vogelgriep en de ziekte van Newcastle via de invoer van andere vogels dan pluimvee. Artikel 1 van de Beschikking betreft het verkeer uit derde landen en luidt aldus:

“1. De lidstaten staan het verkeer uit derde landen van levende gezelschapsvogels uitsluitend toe indien de zending uit niet meer dan vijf vogels bestaat en:

a) de vogels komen uit een lidstaat van de OIE34 die ressorteert onder een in deel A van bijlage I vermelde regionale commissie, of

b) de vogels komen uit een lidstaat van de OIE die ressorteert onder een in deel B van bijlage I vermelde regionale commissie, mits de vogels:

i) gedurende dertig dagen vóór de uitvoer zijn geïsoleerd op de plaats van vertrek in een derde land dat is opgenomen in deel 1 van bijlage I of deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie (1), of

ii) gedurende 30 dagen na de invoer in de lidstaat van bestemming in quarantaine worden geplaatst in een inrichting die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie (2) is erkend, of

iii) in de laatste zes maanden en uiterlijk zestig dagen vóór ver zending uit het derde land zijn ingeënt en ten minste eenmaal zijn heringeënt, overeenkomstig de instructies van de fabrikant, tegen aviaire influenza met een H5-vaccin dat voor de des betreffende diersoort is goedgekeurd, of

iv) ten minste tien dagen vóór de uitvoer zijn geïsoleerd en een test hebben ondergaan om het aviaire-influenza-H5N1-antigeen of -genoom aan te tonen zoals beschreven in het hoofdstuk over aviaire influenza van het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals, als regelmatig bijgewerkt door de OIE, aan de hand van een monster dat op zijn vroegst op de derde dag van de isolatie is genomen.

2. Een officiële dierenarts in het derde land van verzending verklaart onder gebruikmaking van het modelcertificaat van bijlage II dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wat de voorwaarden van lid 1, onder b), ii), betreft aan de hand van een verklaring van de eigenaar.

3. Het veterinaire certificaat wordt aangevuld met een verklaring van de eigenaar of de vertegenwoordiger van de eigenaar overeenkomstig bijlage III.”

Volgens artikel 2 moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om te waarborgen dat gezelschapsdieren die uit een derde land de Gemeenschap worden binnengebracht op de plaatsen van binnenkomst van de reizigers in de gemeenschap een documentencontrole en overeenstemmingscontrole door de bevoegde autoriteiten ondergaan.

12.5.

De Mino dumonti komt voor in Indonesië, Papoea-Nieuw-Guinea, de Solomon Eilanden en Vanuatu.35 Deze landen vallen onder Azië en Oceanië, beide opgenomen in Deel B van Bijlage I. Dat betekent dat het verkeer36 van zulke gezelschapsvogels moet voldoen aan de voorwaarden die opgesomd zijn onder artikel 1, aanhef en onder b) van de Beschikking.

12.6.

Dit samenstel van begrippen en bepalingen kan niet anders worden uitgelegd dan dat onder gezelschapsvogels de vogels worden begrepen die hun eigenaar of een namens de eigenaar verantwoordelijke natuurlijke persoon tijdens de verplaatsing tussen de lidstaten of het binnenkomen van de vogel uit een derde land op het grondgebied van de Gemeenschap begeleiden. De aanduiding 'meeverhuizen' die het hof heeft gebezigd lijkt mij zeer trefzeker te zijn. Als de eigenaar van de dieren niet zelf met zijn dieren meereist moet er een andere natuurlijke personen zijn geïndividualiseerd die opdracht van de eigenaar heeft gekregen en verantwoordelijk voor de dieren is.

12.7.

Het hof heeft vastgesteld dat de vogels door dierenhandelaar [medeverdachte 3] vanuit Dubai zijn verkocht aan [betrokkene 1] of diens bedrijf [A] B.V. (bewijsmiddelen 95 tot en met 107). Waar het op neerkomt is dat de vogels nog geen gezelschapsdieren van [betrokkene 1] waren, maar door hem waren besteld en in Nederland moesten worden geleverd. De vogels waren voor de verkoop bestemd, verdachte was een schakel in die verkoop en verdachte heeft samen met anderen een constructie opgezet om deze ware bedoelingen te verdoezelen.

Dat het hof heeft aangenomen dat deze vogels geen gezelschapsdieren waren in de zin der regelgeving geeft niet blijk van een verkeerde uitleg van de betreffende regelgeving en is geenszins onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

13.1.

Het elfde middel klaagt dat het hof heeft miskend dat een zending van minder dan vijf vogels per definitie niet commercieel is volgens de bestuursrechtelijke uitleg van Beschikking 2007/25/EG.

13.2.

Het hof heeft de vijfvogelregeling aldus uitgelegd:

– gezelschapsvogels zijn vogels die hun eigenaar begeleiden en niet voor verkoop of eigendomsoverdracht bestemd zijn

– maximaal vijf gezelschapsvogels mogen uit derde landen binnen de Gemeenschap begeleid door de eigenaar worden gebracht

– het binnen de Gemeenschap brengen van andere vogels dan gezelschapsvogels is niet toegestaan

– ook het binnenbrengen binnen de Gemeenschap van een enkele andere vogel, bestemd voor verkoop of eigendomsoverdracht, valt buiten de vijfvogelregeling.

13.3.

Het middel beroept zich op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.37 Ik citeer uit deze uitspraak:

"5. De beoordeling van het geschil

5.1

Ter beoordeling van het College staat of verweerders beslissing, inhoudende de afwijzing van het verzoek tot teruggave van door appellant ingevoerde duiven, in rechte stand kan houden.

5.2

Beschikking 2007/25/EG bepaalt in artikel 1, eerste lid, dat de lidstaten het verkeer uit derde landen van levende gezelschapsvogels uitsluitend toestaan indien de zending uit niet meer dan vijf vogels bestaat. Uit artikel 2, vierde lid, van diezelfde beschikking volgt dat indien uit de controles blijkt dat de dieren niet aan de eisen van deze beschikking voldoen, artikel 14, derde alinea van Verordening (EG) 998/2003, van toepassing is. Hiervan is in dit geval sprake nu appellant meer dan vijf gezelschapsvogels heeft ingevoerd. Vervolgens is in artikel 14, derde alinea, Verordening (EG) 998/2003 bepaald dat in geval de binnenkomst van gezelschapsdieren op het grondgebied van de Gemeenschap niet is toegestaan, deze dieren onder officieel toezicht worden ondergebracht totdat ze worden teruggezonden of totdat een ander administratief besluit wordt genomen. Op grond van deze regelgeving heeft verweerder naar het oordeel van het College op goede gronden besloten tot het in tijdelijke afzondering plaatsen van de vogels.

5.3

Naar het oordeel van het College verzetten Beschikking 2007/25/EG en Verordening (EG) 998/2003 zich tegen de teruggave van de duiven. In artikel 1, eerste lid, van Beschikking 2007/25/EG is bepaald dat de lidstaten het verkeer uit derde landen van gezelschapsvogels uitsluitend toestaan indien de zending uit niet meer dan vijf vogels bestaat. Dat deze bepaling strikt moet worden uitgelegd volgt uit de bewoordingen ervan, alsmede uit paragraaf 4 van de considerans van de Beschikking en paragraaf 11 van de considerans van Verordening (EG) 998/2003, waar is vermeld dat ter voorkoming dat commercieel verkeer frauduleus wordt voorgesteld als niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren, de mogelijkheid dient te worden geboden een maximum aantal dieren vast te stellen die kunnen vallen onder het verkeer van deze verordening, boven welk maximum de regels van het handelsverkeer van toepassing zijn (zie de uitspraak van het College van 22 december 2011, www.rechtspraak.nl, LJN: BV1294). In dit geval is Verordening (EG) 998/2003 van toepassing en deze verordening biedt geen grondslag voor teruggave van de vogels van appellant. Teruggave van een deel – maximaal vijf – van de vogels op grond van de Beschikking is niet verenigbaar met de strikte uitleg die aan de mogelijkheid tot invoer van vogels als gezelschapsvogels moet worden gegeven.

Verweerder heeft het verzoek tot teruggave van de duiven dan ook terecht afgewezen."

Deze uitspraak is niet anders uit te leggen dan dat het CBB van oordeel is dat de vijfvogelregeling alleen van toepassing is op gezelschapsvogels, waarvan het aantal dat in één keer binnen het grondgebied van de Gemeenschap mag worden gebracht aan voorwaarden is gebonden en is beperkt tot vijf om fraude te voorkomen. Geenszins is hierin te lezen dat het binnenbrengen binnen de Gemeenschap van minder dan vijf vogels per definitie niet commercieel is ook als het niet om gezelschapsvogels gaat. Het hof en het CBB zitten dus op een lijn.38

Het middel faalt.

14.1.

Het twaalfde middel komt op tegen dezelfde onderdelen van de bewezenverklaring als het 10e en het 11e, maar nu omdat het hof in strijd met de regelgeving heeft geoordeeld dat handel bij een beroep op de vijfvogelregeling niet is toegestaan als de vogels uit het wild afkomstig zijn. Het middel doet daartoe een beroep op de considerans voor de Beschikking 2007/25 van de Commissie.

14.2.

Het hof heeft het beroep op de vijfvogelregeling verworpen omdat de vijf Papoea beo's niet als gezelschapsvogels waren aan te merken. Klachten tegen andere overwegingen over de vijfvogelregeling zijn daarom niet erg relevant, omdat de vaststelling dat er geen sprake was van gezelschapsvogels maar van vogels die bestemd waren voor de verkoop al voldoende is voor de verwerping van het beroep op de vijfvogelregeling. Het middel geeft overigens naar mijn oordeel blijk van een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof. Het hof heeft enkel overwogen dat onder de groep "gezelschapsvogels" niet worden begrepen vogels die voor commerciële doeleinden in het wild worden gevangen. Deze overweging sluit aan bij de considerans voor de Beschikking van de Commissie van 22 december 2006 (2007/25/EG) die onder 4 immers het volgende inhoudt:

“Deze conclusies gelden ook voor het verkeer van gezelschapsvogels uit derde landen. Om een duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen in gevangenschap levende vogels die in het wild voor commerciële invoer zijn gevangen en gezelschapsvogels, moet het verkeer van levende gezelschapsvogels onderworpen blijven aan strikte voorwaarden, zonder onderscheid naar land van herkomst, om de status van de gezelschapsvogels te waarborgen en de verspreiding van die virusziekten te voorkomen.”

Uit dit onderdeel van de considerans blijkt immers dat de Commissie ook een onderscheid maakt tussen in gevangenschap levende vogels die in het wild voor commerciële invoer zijn gevangen en gezelschapsvogels. Bij dat onderscheid heeft het hof zich eenvoudigweg aangesloten.

Het middel faalt.

15.1.

Het dertiende middel klaagt meer bepaald over de veroordeling voor feit 4. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen houderschap is vereist voor een veroordeling voor artikel 101a GWWD. Alleen de houder kan - aldus het middel - worden veroordeeld voor het strafbaar feit van artikel 101a GWWD. In ieder geval is voor een veroordeling vereist dat verdachte feitelijke beschikkingsmacht over de dieren had. De bedoeling van de wetgever is niet geweest om ook het medeplegen van degene die zelf geen houder is onder artikel 101a te kunnen brengen.

15.2.

Het hof heeft op p. 63 van het arrest het volgende overwogen:

“Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte nooit de feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over de tien reuzentoerako’s, vijf ross toerako’s, vijf grijswangneushoornvogels en de vijf papoea beo’s behorende tot de tweede zending en hij daarom niet als houder kan worden aangemerkt ten aanzien van deze vogels. Vrijspraak dient te volgen voor zover de tenlastelegging ziet op voornoemde vogels.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof – grotendeels met de rechtbank – als volgt.

Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen in het kader van feit 3 subsidiair – welke overwegingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd – heeft verdachte ter zake van zaaksdossier “Vijfvogelregeling” (als medepleger) in strijd met artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vogels vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland gebracht.

Het hof is van oordeel dat verdachte als gevolg van zijn actieve betrokkenheid bij deze vogelzendingen ook in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.

De strenge regels voor de invoer van vogels van buiten de EU naar een land binnen de EU zijn ingegeven door de wens om vogelziektes afkomstig van (in het wild gevangen) vogels en daarmee verband houdende risico’s voor de diergezondheid en de verspreiding van virusziekten zoveel mogelijk te voorkomen. Verdachte heeft vogels, waarvan grotendeels vast staat dat deze in het wild zijn gevangen, voor commerciële doeleinden binnen het grondgebied van de EU gebracht terwijl deze vogels niet afkomstig zijn van erkende vermeerderingsbedrijven en niet in gevangenschap zijn gefokt (althans waarvan dit geenszins vast staat). Juist de eis dat vogels bij import/verhandeling van erkende vermeerderingsbedrijven afkomstig en in gevangenschap gefokt moeten zijn, wordt gesteld ter voorkoming van de hiervoor omschreven risico’s. Door in weerwil van deze strenge regels zoals thans verwoord in Verordening 139/2013 te handelen en daarbij op oneigenlijke wijze gebruik te maken van de vijfvogelregeling heeft verdachte opzettelijk het risico op besmetting met dan wel verspreiding van dierziekten genomen. Verdachte heeft aldus opzettelijk artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren overtreden. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van de verschillende zendingen die vallen onder de vijfvogelregeling steeds sprake van medeplegen, nu verdachte deze vogelzendingen telkens samen met (een) ander(en) binnen de EU heeft gebracht en hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de verschillende zendingen. De omstandigheid dat verdachte geen houder is geweest van alle in de tenlastelegging onder het zaaksdossier “Vijfvogelregeling” genoemde vogels, zoals is opgemerkt door de raadsvrouw, staat een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging geenszins in de weg. Nu het hof heeft geoordeeld dat verdachte als medepleger dient te worden aangemerkt, hoeven immers niet alle delictsbestanddelen door verdachte zelf te zijn vervuld.”

Verdachte is vervolgens onder 4 ervoor veroordeeld dat:

“(traject Vijfvogelregeling)

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland en/of Duitsland en/of Hongarije en/of elders in Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of Oeganda

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) telkens opzettelijk, als houder van één of meer dier(en), te weten:

– op of omstreeks 8 mei 2012, tien reuzentoerako’s (Corythaeola cristata) en

– in de periode van 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf ross toerako’s (Musophaga rossea) en

– in de periode van 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf grijswangneushoomvogels (Bycanistes subcylindricus) en

– in de periode van 5 januari 2011 tot en met 15 februari 2011, vijf papoea beo’s (Mino dumonti)

terwijl hij wist dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel 15 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt,

- niet aan zijn verplichting heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd, en/of

- niet alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van hem konden worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) die vogels in Nederland gebracht en/of samengebracht en/of verzameld en/of verkocht en/of verhandeld en/of ovèrgedragen en/of onder zich gehad, terwijl

- die vogels niet afkomstig waren uit erkende vermeerderingsbedrijven en/of

- niet aan de invoervoorschriften en/of de quarantainebepalingen werd voldaan en/of

- die vogels niet tenminste 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening zijn gehouden.”

15.3.

Artikel 101a GWWD had de volgende inhoud:

"1. De houder van één of meer dieren die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met danwel de verspreiding van een krachtens artikel 15 aangewezen besmettelijke dierziekte kan worden veroorzaakt, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, danwel alle maatregelen te nemen die in redelijkheid kunnen worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen, danwel indien zodanige besmetting zich voordoet, de omvang en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

2. De in het eerste lid bedoelde houder handelt in ieder geval in strijd met dat lid indien deze een of meer handelingen verricht waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die achterwege zouden zijn gebleven indien geen sprake zou zijn geweest van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte, danwel een kennelijke dreiging daarvan, en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die handelingen het gevaar van een zodanige verspreiding kunnen vergroten."

Artikel 1 lid 1 GWWD verstaat onder 'houder': eigenaar, houder of hoeder.

15.4.

Uitgangspunt is dat een kwaliteitsdelict kan worden medegepleegd door degene die de desbetreffende kwaliteit mist.39 Alleen wanneer de wetgeving uitdrukkelijk een uitzondering bevat of wanneer het anderszins evident is dat de wetgever zo een uitzondering heeft willen maken met betrekking tot de werking van de deelneming lijkt het mij aanvaardbaar om van de normale regels voor daderschap en deelneming af te wijken.40

15.5.

De steller van het middel verwijst naar de volgende onderdelen in de Memorie van toelichting op artikel 101a GWWD:

"Hoewel bepalingen als de onderhavige uit de aard van de zaak een algemene duiding hebben, is het voorgestelde artikel 101a voldoende afgebakend en voldoet de bepaling daardoor aan de eisen inzake duidelijkheid en kenbaarheid. Zo is de bepaling gericht tot de houders van dieren en dus niet op «een ieder» van toepassing. Ook het begrip «aangewezen besmettelijke dierziekten» is in de wet duidelijk afgebakend: dit begrip is gerestricteerd tot de ingevolge artikel 15 van de wet aangewezen besmettelijke dierziekten. Verwezen zij naar de op dit artikel gebaseerde Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten." 41

En:

"De ingevolge dit artikelonderdeel in acht te nemen verplichting is op iedere houder, als bedoeld in artikel 1 van de wet, van toepassing. Dit betekent dat niet alleen veehouders, maar bijvoorbeeld ook handelaren en vervoerders van dieren, voorzover zij de feitelijke beschikkingsmacht over de dieren hebben, onder de reikwijdte van de bepaling vallen." 42

In deze passages lees ik geen uitdrukkelijke afwijking of beperking van de mogelijkheden die het medeplegen biedt. De Minister brengt slechts tot uitdrukking dat enkel degene die de feitelijke beschikkingsmacht over de dieren heeft solopleger kan zijn en niet "een ieder".

Juist bij het internationaal vervoer en de internationale handel in dieren, waarbij verschillende schakels zijn betrokken, zou de uitleg die het middel voorstaat leiden tot een lacune in de strafrechtelijke handhaving. De koper die verdachte dieren koopt en op transport laat zetten zou de dans kunnen ontspringen wanneer de dieren eerst in Nederland bij een handelaar worden verzameld en dan in beslag worden genomen en de koper dus nooit de feitelijke beschikkingsmacht over de dieren zal hebben uitgeoefend.

Het middel faalt.

16.1.

Het veertiende middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 5. Het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de vereiste gesteld mogen worden aan de "Leveranciersverklaring van Oorsprong" (LVO). De volledige tekst van de LVO beperkt zich niet tot de verklaring dat de dieren in eigen beheer op het eigen bedrijf van verdachte zijn gefokt, maar houdt ook in dat voor zover de dieren niet in eigen beheer zijn gefokt zij zijn gefokt bij in Nederland gevestigde fokkers. Verdachte heeft een deel van de dieren zelf gefokt en een deel gekocht bij in Nederland gevestigde fokkers, zodat de LVO, die door het hof onvolledig in de bewijsmiddelen is opgenomen, in haar totaliteit beschouwd geen onwaarheid bevat.

16.2.

In zijn arrest heeft het hof op p. 73 het volgende overwogen:

"De Leveranciersverklaringen van Oorsprong

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de door verdachte gebruikte Leveranciersverklaringen van Oorsprong (LvO’s) op zodanige wijze gelezen dienen te worden dat de dieren zowel in eigen beheer gefokt kunnen zijn dan wel afkomstig kunnen zijn van in Nederland gevestigde fokkers. De betreffende LvO’s zijn dus conform de waarheid opgemaakt. Overigens stond verdachte tot 1 februari 2014 bedrijfsmatig ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Bodegraven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de ondertekening van de LvO met benoeming van dit adres niet vreemd.

Vrijspraak van dit onderdeel van het onder 5 tenlastegelegde dient te volgen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof – grotendeels met de rechtbank – als volgt.

Verdachte heeft in de periode van 21 juni 2012 tot en met 1 november 2012 vijftien LvO’s ondertekend en als bewijsstuk voor het verkrijgen van een Certificaat van Oorsprong (CvO) aan de Kamer van Koophandel te Den Haag verstrekt. De Kamer van Koophandel heeft in de periode van 22 juni 2012 tot en met 1 november 2012 vijftien CvO’s opgesteld voor het bedrijf [F] te Bodegraven.

Op de hiervoor genoemde LvO’s is vermeld dat de betreffende dieren van oorsprong uit Nederland afkomstig zijn en dat ze in eigen beheer zijn gefokt bij het bedrijf [F] aan de [b-straat 1] te Bodegraven.

Uit de door [betrokkene 12] afgelegde verklaring blijkt dat hij de eigenaar is van het erf en de schuren aan de [b-straat 1] te Bodegraven. [betrokkene 12] heeft één van deze schuren in het verleden verhuurd aan verdachte van het bedrijf [F] . De huur liep tot januari of februari van het jaar 2012. Toen is de huurovereenkomst beëindigd omdat [betrokkene 12] de schuur zelf nodig had.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij tot de maand maart van het jaar 2012 een pand had aan de [b-straat 1] in Bodegraven. Toen het onderzoeksteam een halfjaar later binnenviel in dat pand was verdachte daar al weg.

Uit voornoemde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – blijkt dat op de door verdachte ondertekende en aan de Kamer van Koophandel verstrekte LvO’s stond vermeld dat de betreffende dieren van oorsprong uit Nederland afkomstig zijn en in eigen beheer zijn gefokt op het adres [b-straat 1] in Bodegraven, terwijl het bedrijf van verdachte op het moment van tekenen en verstrekken al meer dan een halfjaar niet meer op dat adres was gevestigd. De raadsvrouw heeft.opgemerkt dat de ondertekening van de LvO’s met benoeming van dit adres niet vreemd is, aangezien verdachte hier tot 1 februari 2014 bedrijfsmatig stond ingeschreven. Uit de door verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en de door [betrokkene 12] afgelegde verklaring blijkt echter dat verdachte uiterlijk in de maand maart 2012 uit het op dit adres gevestigde pand is vertrokken. Het hof concludeert derhalve dat sprake is van valsheid nu verdachte na de maand maart 2012 de betreffende LvO’s heeft ondertekend met vermelding van het hiervoor genoemde adres.

Dat de betreffende LvO’s zo gelezen moeten worden dat de dieren zowel in eigen beheer gefokt kunnen zijn dan wel afkomstig kunnen zijn van in Nederland gevestigde fokkers, zoals is opgemerkt door de raadsvrouw, blijkt naar het oordeel van het hof overigens op geen enkele wijze uit deze LvO’s dan wel uit overige bewijsmiddelen. De tekst op deze LvO’s Iaat redelijkerwijs geen ruimte voor deze interpretatie van de verdediging. Zo staat op de betreffende verklaringen steeds vermeld: “Verklaart mede dat de op de bovengenoemde CvO vermelde dieren worden gekocht en gefokt bij in Nederland gevestigde fokkers.” Naar het oordeel van het hof moet het daarom ook voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij de genoemde LvO’s niet op de juiste wijze heeft ingevuld.

Het hof verklaart aldus bewezen dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd ten aanzien van de hiervoor genoemde LvO’s.”

Het door de verdediging betrokken uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is gerelateerd aan feit 5, dat aldus is bewezenverklaard dat:

"5: hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen

– 15 Leveranciersverklaringen van Oorsprong (08.AMB.18)

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader telkens in strijd met de waarheid

– op de Leveranciersverklaringen van Oorsprong opgenomen dat de daarin vermelde dieren van oorsprong uit Nederland afkomstig zijn en in eigen beheer zijn gefokt bij het bedrijf [F] te Bodegraven

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken."

16.3.

De uitleg van bewijsstukken die zich in het dossier bevinden is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Alleen wanneer dat oordeel onbegrijpelijk is is er grond voor ingrijpen.

Uit de overwegingen van het hof is af te leiden dat het hof wel degelijk kennis heeft genomen van de gehele LVO. Het hof heeft aangenomen dat de oorsprong van de dieren waarvoor de leveranciersverklaringen als bewijsmiddel 303 in de aanvulling op het verkort arrest zijn opgenomen niet op het eigen bedrijf van verdachte, [F] , [b-straat 1] te Bodegraven ligt. De 15 LVO's waarvan in de bewezenverklaring sprake is zijn door verdachte ondertekend. Een LVO moet worden opgemaakt door de oorspronkelijke producent. De tussenpersoon die het product weer verhandelt en bijvoorbeeld verkoopt aan een derde kan zelf geen LVO opmaken, maar moet een LVO van zijn leverancier verkrijgen. Een LVO is dus een bewijsstuk afkomstig van de producent of, in geval van dieren, van de oorspronkelijke fokker.43 De door verdachte ondertekende LVO's strekken er dus toe vast te leggen dat verdachte/verdachtes bedrijf producent of fokker van de dieren was. Omdat het hof heeft vastgesteld dat verdachte op het opgegeven adres geen dieren meer fokte heeft verdachte door deze LVO's op te maken het ten onrechte doen voorkomen dat deze dieren oorspronkelijk van hem of zijn bedrijf afkomstig waren. Aldus gelezen is het oordeel van het hof dat de LVO's valselijk zijn opgemaakt niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

17.1.

Ook het vijftiende middel klaagt dat het hof is afgeweken van een onderbouwd standpunt van de verdediging zonder dat genoegzaam te verantwoorden. Dit middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 5 voorzover de bewezenverklaring betrekking heeft op de waardeverklaringen die verdachte heeft opgemaakt voor de export van een aantal dieren. Het gaat - aldus het middel - niet om echte facturen waaruit zou kunnen blijken welke bedragen voor de dieren zijn betaald, maar om formaliteiten die nodig zijn voor de douane. Overigens blijkt wel uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de bedragen kloppen.

17.2.

In het arrest is op p. 74 e.v. hieromtrent het volgende opgenomen:

De facturen met betrekking tot de amoerpanters, de ringstaartmaki’s en de lijgers

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden ter zake van de tenlastegelegde valsheid in geschrift met betrekking tot bovengenoemde facturen. De gebruikte facturen moeten worden gezien als een waardeverklaring van de dieren binnen Europa. Het op deze waardeverklaring vermelde bedrag was steeds naar waarheid ingevuld.

Ten aanzien van de factuur betreffende de amoerpanters geldt in het bijzonder dat de drie amoerpanters wel degelijk door het Serengeti Park aan het [G] zijn geleverd waarbij verdachte als tussenpersoon heeft gefungeerd.

Met betrekking tot de factuur betreffende de ringstaartmaki’s (lemur catta’s) geldt in het bijzonder dat het op de factuur vermelde bedrag van 3.500 euro de daadwerkelijke handelsprijs binnen Europa was. Zowel de verkopende partij als de aankopende partij was op de hoogte van deze prijs en de uiteindelijke bestemming van de dieren.

Ten aanzien van de facturen betreffende de lijgers geldt ook dat zowel de verkoper als de koper op de hoogte was van de koopprijs binnen Europa en de uiteindelijke bestemming van de dieren.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In hef bijzonder overweegt het hof als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij de in de tenlastelegging genoemde facturen betreffende de amoerpanters, de ringstaartmaki’s en de lijgers heeft opgemaakt.

Uit hetgeen hiervoor door het hof is overwogen over de amoerpanters, de ringstaartmaki’s en de lijgers ter zake van feit 1 – welke overwegingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd – blijkt dat verdachte deze dieren (als medepleger) heeft gekocht en vervolgens ten verkoop heeft aangeboden. De gegevens die op de facturen betreffende deze dieren staan vermeld – te weten dat deze dieren door respectievelijk het Serengeti-Park Hodenhagen, het Tierpark Ströhen en [betrokkene 13] zijn verkocht – kloppen dus niet met de werkelijkheid, nu verdachte en [medeverdachte 3] de daadwerkelijke verkopers waren. Alleen al om die reden is sprake van valse facturen. Bovendien is het hof gebleken dat er steeds een groot verschil bestaat tussen de op de facturen betreffende de amoerpanters en de lijgers genoemde bedragen en de daadwerkelijke opbrengsten van deze dieren. Dat de facturen als waardeverklaring van de dieren binnen Europa gezien moeten worden en de op deze facturen genoemde bedragen steeds naar waarheid zijn ingevuld, zoals betoogd door de raadsvrouw, wordt ook overigens weersproken door de bewijsmiddelen.

De door de verdediging overgelegde verklaring van “ [betrokkene 14] ” over de amoerpanters en de in maart 2012 verkochte lijger brengt het hof niet op andere gedachten.

Op geen enkele manier is immers te controleren dat deze verklaring daadwerkelijk door [betrokkene 14] (volgens de verdediging de buurman van [medeverdachte 3] in Dubai) is opgesteld.

Daartoe overweegt het hof dat een kopie van het legitimatiebewijs van deze “ [betrokkene 14] ” bij de overgelegde verklaring ontbreekt.

Gelet op het voorgaande verklaart het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift met betrekking tot bovengenoemde facturen.”

Vervolgens verklaart het hof bewezen dat:

“5: hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander12, althans alleen

- een factuur (nr. [001] ) betreffende 3 amoerpanters (08.AMB.21) en

- een factuur (nr. [002] ) betreffende 5 Lemur catta (08.AMB.20) en

- een factuur (nr. [003] ) betreffende 1 Liger (08.AMB.22) en

- een factuur (nr. [004] ) betreffende 2 Panthera tigris X panthera leo (08.AMB.23)

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader telkens in strijd met de waarheid

- op factuur nr. [001] opgenomen dat de 3 amoerpanters door Serengeti Park Hodenhagen aan [G] zijn verkocht voor een bedrag van 5.000 euro en

- op factuur nr. [002] opgenomen dat de 5 Lemur catta door Tierpark Ströhen aan [H] zijn verkocht voor een bedrag van 3.500 euro en

- op factuur [003] opgenomen dat de Liger door [betrokkene 13] aan [G] is verkocht voor een bedrag van 6.000 euro en

- op factuur [004] opgenomen dat de 2 Panthera tigris X panthera leo door [betrokkene 13] aan [betrokkene 15] zijn verkocht voor een bedrag van 15.000 euro en

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschriften) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

12 Ter zake van de facturen betreffende de amoerpanters, ringstaartmaki’s en tijgers en de facturen betreffende voedseldieren verklaart het hof bewezen dat verdachte als medepleger heeft gehandeld."

17.3.

Het hof heeft het bewijs ontleend aan de bewijsmiddelen 306 tot en met 332. Uit die bewijsmiddelen blijkt dat op de facturen niet de juiste koper en verkoper zijn genoemd en dat de koopprijs van de dieren ook niet met de werkelijkheid overeenstemt.

Bewijsmiddel 307 is een factuur betreffende de drie amoerpanters die zouden zijn verkocht door Serengeti Park Hodenhagen aan [G] , [betrokkene 14] , Dubai. Uit bewijsmiddel 313 blijkt dat de in de factuur genoemde prijs naar alle waarschijnlijkheid niet klopt. De ringstaartmaki's zijn volgens de factuur (bewijsmiddel 315) verkocht door Tierpark Strohen aan [H] te Dubai. In werkelijkheid zijn deze dieren door [betrokkene 2] van die dierentuin betrokken en doorverkocht aan verdachte (bewijsmiddel 316). De tigon is volgens de factuur verkocht door [betrokkene 13] in Tsjechië aan [G] , [betrokkene 14] , Dubai, en wel voor € 6000 (bewijsmiddel 321). In werkelijkheid heeft verdachte het dier gekocht van [betrokkene 4] . Verdachte heeft aan [betrokkene 4] € 10.000 betaald (bewijsmiddel 322). En uit bewijsmiddel 325 blijkt dat waarschijnlijk de uiteindelijke verkoopprijs veel hoger lag. De laatste factuur betreft de verkoop door [betrokkene 13] aan [betrokkene 15] in de Verenigde Arabische Emiraten van twee lijgers voor € 15.000 (bewijsmiddel 327). Deze dieren zijn inderdaad uit Tsjechië gehaald door verdachte na bemiddeling van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 328). De verkoopprijs lag naar alle veiligheid veel hoger (bewijsmiddel 332).

Een factuur is een geschrift dat bestemd is om te dienen tot bewijs. De facturen waarvan hier sprake was noemen koper en verkoper en geven een prijs op. Dat de facturen enkel bedoeld zouden zijn om het douanetransport te vergemakkelijken of te bespoedigen doet daaraan niet af. Duidelijk is dat de facturen telkens onjuiste gegevens vermeldden.

Het middel faalt

18. Naar mijn oordeel falen alle voorgestelde middelen. Een deel der middelen (1, 3, 9) ziet eraan voorbij dat de bewezenverklaring niet het ontbreken van vrijstellingen of ontheffingen hoeft in te houden. Andere middelen geven blijk van een te beperkte uitleg van voorschriften die juist de strekking hebben om een zo ruim mogelijke bescherming te bieden aan bedreigde diersoorten of van een te ruime uitleg van vrijstellings- of ontheffingsmogelijkheden, met hetzelfde gevolg (10 t/m 13 en 15). Weer andere middelen (2 t/m 8 en 14) miskennen (tevens) de autonomie van de feitenrechter voor de keuze en uitleg van het materiaal waarop de feitenrechter de bewezenverklaring baseert of zien eraan voorbij dat in de overwegingen van het hof ten aanzien van bepaalde door de verdediging ingenomen onderbouwde standpunten wel degelijk de bijzondere redenen gevonden kunnen worden die hebben geleid tot afwijking van die standpunten.

Volgens mij kunnen alle middelen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaken met nummer 17/02570 ( [medeverdachte 3] ), 17/02571 ( [verdachte] ) en 17/02572 ( [medeverdachte 2] ) hangen samen. In al deze zaken wordt heden geconcludeerd.

2 Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantensoorten, van 3 maart 1973 (Washington), Trb. 1975, 23.

3 PbEG 1997, L 61.

4 Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1). Alle internationale en nationale regelgeving waarnaar in deze conclusie wordt verwezen is geraadpleegd in de versies zoals die golden ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

5 Wet van 25 mei 1998, Stb. 1998, 402, ingetrokken bij Wet van 16 december 2015, Stb. 2016, 34 met ingang van 1 januari 2017.

6 Ministeriële regeling van 5 maart 2002, Stcrt. 2002, 51.

7 Ministeriële regeling van 5 maart 2002, Stcrt. 2002, 51, ingetrokken per 11 juli 2017.

8 HR 27 oktober 1998, NJ 1999/221.

9 Vgl. voor de gecompliceerde geschiedenis van artikel 3 WED mr. F. Hollander, Wet op de Economische Delicten, commentaar, Arnhem 1952, § 18 e.v.

10 Uitsluitend ten aanzien van de aalscholvers verklaart het hof bewezen dat verdachte deze heeft verkocht.

11 AMvB van 28 november 2000, Stb. 2000, 525, vervallen per 1 januari 2017.

12 Ministeriële regeling van 5 maart 2002, Stcrt. 2002, 51, p. 32.

13 Wet van 24 september 1992, Stb. 1992, 585. Deze wet is vervallen per 1 januari 2013.

14 Regeling van 30 november 1994, Stcrt. 1994, 250.

15 Afdeling 7 van hoofdstuk 8 vermeldt welke verklaringen, handelsdocumenten en vervoersdocumenten vogels, die bestemd zijn voor Nederland moeten vergezellen. Afdeling 6 van hoofdstuk 9 heeft geen betrekking op vogels, evenmin als afdeling 6 van hoofdstuk 10. Hetzelfde geldt voor afdeling 6 van hoofdstuk 11.

16 AMvB van 4 februari 1994, Stb. 1994, 164.

17 Regeling van 7 juni 2005, Stcrt. 2005, 120.

18 Deze vogels zijn door de Commissie bij Verordening van 20 januari 2017 van de B-groep gepromoveerd naar de A-groep; Verordening (EU) 2017/160 van de Commissie van 20 januari 2017 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, PB L 27 van 1.2.2017, blz. 1–98.

19 Verordening 139/2013 is de opvolger van Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie van 23 maart 2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften (Voor de EER relevante tekst), PB L 084, 24.3.2007, p.7, die heeft gegolden tot 11 maart 2013. Artikel 5 van Verordening 318/2007 draagt de titel 'Invoervoorschriften' en stelt dat de invoer van vogels slechts wordt toegestaan wanneer de vogels onder meer afkomstig zijn van erkende vermeerderingsbedrijven.

20 AM: TRAde Control and Expert System. Het is een webapplicatie die de veterinaire bevoegde autoriteiten in alle EU-lidstaten en landen buiten de EU met elkaar verbindt. Het systeem maakt het mogelijk de herkomst en bewegingen onder meer van dieren te reconstrueren en te volgen.

21 In de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof p. 43 het volgende genoteerd: "Aanvullende overweging hof: Het hof heeft abusievelijk in de bewezenverklaring niet doorgehaald dat verdachte de bonte kiekendieven heeft verkocht en heeft gebruikt voor commercieel gewin."

22 Op p. 45 van de aanvulling heeft het hof het volgende opgenomen: "Aanvullende overweging hof: Uit de hierna weergegeven bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte twee kuifhaviken opzettelijk heeft gekocht, verworven, heeft afgeleverd, heeft gebruikt voor commercieel gewin en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Het hof heeft abusievelijk in de bewezenverklaring niet doorgehaald dat verdachte deze kuifhaviken heeft verkocht. Ten aanzien van de overige twee kuifhaviken heeft het hof abusievelijk in de bewezenverklaring niet doorgehaald dat verdachte deze kuifhaviken heeft verkocht, heeft afgeleverd en heeft gebruikt voor commercieel gewin."

23 § 3.80 van de pleitnota van hoger beroep. De in de pleitnota genoemde naam 'Placek' dient te worden gelezen als 'Boucek' (proces-verbaal van hoger beroep van 23 november 2016, p. 13).

24 AM: artikel 13 lid 4 Ffw had de volgende inhoud: "Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, gelden de in het eerste lid bedoelde verboden noch ten aanzien van planten of producten van planten, noch ten aanzien van dieren of eieren, nesten of producten van dieren behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde uitheemse diersoort, die is aangewezen om redenen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, indien kan worden aangetoond dat zij: a. overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde in Nederland zijn gebracht of b. overeenkomstig de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten zijn verworven voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel." De beschermde uitheemse diersoorten die zijn aangewezen op grond van artikel 5, eerste lid onder b Ffw waren volgens artikel 5a van het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet de zadelrob en de klapmuts. Dit artikel 5a is overigens per 30 mei 2011 vervallen.

25 AM: het eerste lid heeft betrekking op A-specimens.

26 Regeling van 5 maart 2002, Stcrt. 2002, 51, vervallen per 11 juli 2017.

27 Zie bewijsmiddel 108.

28 A M; bedoeld zal zijn Euplectes afer. Geen van de in deze bewezenverklaring genoemde vogels is vermeld op een CITES-lijst of een EU-lijst.

29 Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54). Bijlage A onder I van Richtlijn 91/425 verwijst weer naar vijf andere richtlijnen die betrekking hebben op het intracommunautaire handelsverkeer respectievelijk in runderen en varkens, diepgevroren sperma van runderen en de invoer daarvan, embryo's van als huisdier gehouden runderen en de invoer daarvan uit derde landen, en sperma van varkens en de invoer daarvan. Het gaat dus niet om vogels.

30 De overwegingen die hieronder worden geciteerd beperken zich niet tot de bewezenverklaring van het handelen met betrekking tot de Papoea beo's. Maar het lijkt mij zinvol om met het oog op de bespreking van andere klachten die betrekking hebben op de vijfvogelregeling alle overwegingen van het hof daaromtrent in één keer te presenteren.

31 Verordening (EG) Nr. 998/2003 van het Europees parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (PB L 146, 13.6.2003, p.1).

32 Considerans (9).

33 Beschikking van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza en het verkeer van gezelschapsvogels die hun eigenaar vergezellen (PB L 8 van 13.1.2007, blz. 29).

34 AM: de Werelddiergezondheidsorganisatie.

35 http://avibase.bsc-eoc.org/species.jsp?lang=NL&avibaseid=3D61AFDC4A74AD92&sec=map.

36 Zie het hiervoor aangehaalde artikel 3, aanhef en onder c van Verordening (EG) nr. 998/2003.

37 College van Beroep voor het bedrijfsleven 27 september 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0422.

38 Zie ook CBB 14 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:447 waarin de invoer van een enkele vogel in Nederland vanuit Suriname onderwerp van geschil was en waarin het CBB tot conclusie kwam dat de beslissing van de staatssecretaris om de vogel niet terug te geven maar te vervreemden niet toereikend was gemotiveerd, omdat het ging om een gezelschapsvogel en niet een vogel die bestemd is voor de handel. Ik wijs er ten overvloede op dat een partij van meer dan vijf vogels per definitie niet valt onder de vijfvogelregeling en dat zo een partij ook niet vatbaar is voor splitsing in die zin dat er vijf van de vogels zouden kunnen worden afgezonderd en wel onder die vrijstelling te brengen zouden zijn (CBB 22 december 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BV1294).

39 HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9096; HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5575; HR 30 oktober 2012, ECLI:L:HR:2012:BX5023.

40 Vgl. HR 2 juni 1992, NJ 1992/754 m.nt. Knigge voor een geval waarin de wetsgeschiedenis functioneel daderschap niet toeliet.

41 Kamerstukken II 2000/01, 27685, 3, p. 10.

42 Kamerstukken II 2000/01, 27685, 3, p. 40. Zie ook nog op p. 19: "Ingevolge het voorgestelde artikel 101a rust op de houders van dieren de verplichting om gedragingen waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij besmetting of verspreiding van besmettelijke dierziekten kunnen veroorzaken achterwege te laten."

43 https://www.kvk.nl/advies-en-informatie/internationale-handel/exportdocumenten/leveranciersverklaringen-voor-goederen-van-niet-preferentiele-oorsprong-lvo/.