Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:553

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-06-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
16/05679
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1431
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Hof vernietigt vonnis rechtbank voor wat betreft de straf en strafmotivering en 'vergeet' opnieuw te beslissen over vordering TUL. Art. 351 en 423 Sv en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372. De AG adviseert de Hoge Raad het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging te vernietigen, maar van die vernietiging uit te zonderen de schadevergoedingsmaatregelen opgelegd ten behoeve van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05679

Zitting: 5 juni 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 november 2016 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken” en onder 2 ‘’diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden’’, veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast bevat het arrest een aantal bijkomende beslissingen een en ander als in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel bevat de klacht dat het hof geen beslissing heeft genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, althans dat onduidelijk is hoe de beslissing van het hof ten aanzien van die vordering luidt.

3.1. Voor de beoordeling van het middel is het volgende relevant. Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de verdachte op 21 februari 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en daarbij telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft de rechtbank op vordering van de officier van justitie de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

3.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

‘’(…)

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen, opnieuw rechtdoende het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, en voorts dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden geheel moet worden toegewezen.

(…)

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering.

Het hof voegt daaraan het volgende toe.

(…)

Schadevergoeding

Het hof verenigt zich met de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Nu de redactie in het vonnis van de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen naar het oordeel van het hof voor onduidelijkheid kan zorgen, zal het hof opnieuw de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen opnemen.

(…)’’

3.3.

Het dictum van het bestreden arrest luidt:

‘’Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 407,50 (vierhonderdzeven euro en vijftig cent) bestaande uit € 7,50 (zeven euro en vijftig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 407,50 (vierhonderdzeven euro en vijftig cent) bestaande uit € 7,50 (zeven euro en vijftig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 356,85 (driehonderdzesenvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 106,85 (honderdzes euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 356,85 (driehonderdzesenvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 106,85 (honderdzes euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.’’

3.4.

Het arrest bevat inderdaad, zoals in het middel wordt gesteld, geen overweging of beslissing omtrent de vordering inzake de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Betekent dit nu dat het arrest wat dat betreft niet in stand kan blijven?

3.5.

De vraag die in dat verband beantwoord moeten worden is hoe 1) de overweging van het hof dat het zich kan verenigen met ‘’het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering’’ en 2) de in het dictum vermelde woorden ‘’Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht’’ moeten worden opgevat.

3.6.

Voor de beantwoording van deze vraag zijn twee uitspraken relevant. In de eerste plaats heeft de Hoge Raad op 26 november 2013 bepaald dat indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak ‘uitsluitend wat betreft de strafoplegging’ vernietigt, in die vernietiging in beginsel en tenzij in het arrest anders is vermeld, zijn begrepen alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel.1 Daartoe behoren ook de beslissingen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen (art. 353-354 Sv) en de beslissingen omtrent een vordering inzake de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf en een vordering inzake de herroepping van een voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 361a Sv). Op deze uitspraak beroept de steller van het middel zich. Belangrijk is om op te merken dat in zo een vernietiging wat betreft de strafoplegging een beslissing omtrent een vordering van de benadeelde partij (art. 361 Sv) niet is begrepen2 en dat de uitspraak van de Hoge Raad van 26 november 2013 ziet op de vernietiging van een uitspraak door de Hoge Raad. Kan deze jurisprudentie (zonder meer) van toepassing worden verklaard op de vernietiging door het hof van een vonnis van de rechtbank?

Die vraag is in een andere, recente uitspraak aan de orde geweest. In zijn arrest van 20 maart 2018 heeft de Hoge Raad bepaald dat art. 423 Sv op zichzelf niet in de weg staat aan een gedeeltelijke vernietiging en een gedeeltelijke bevestiging van de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging. Wel geldt dat het arrest van het hof niet onverenigbaar dient te zijn met het gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank en dat uit het arrest van het hof in samenhang met het vonnis van de rechtbank, voor zover dit is bevestigd, ondubbelzinnig moet blijken welke straffen en/of maatregelen aan de verdachte zijn opgelegd. In het licht daarvan en om misverstanden te voorkomen, verdient het volgens de Hoge Raad in voorkomende gevallen aanbeveling dat het dictum van het arrest van het hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat.3

3.7.

Heeft het hof in zijn arrest ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat het het hof niet ging om de vernietiging van de (gehele) strafoplegging maar slechts om een gedeelte daarvan? Ik ben daar niet gelijk van overtuigd. De woorden ‘’de opgelegde straf en de strafmotivering’’ verschillen niet wezenlijk van ‘’de strafoplegging’’. Bovendien wordt in het dictum gesproken van ‘’de opgelegde straf’’. Anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2018, heeft het hof in onderhavige zaak niet gespecifieerd wat met ‘’de straf’’ wordt bedoeld.4

3.8.

Daartegen kan echter worden ingebracht dat het hof in zijn overwegingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel kenbaar heeft gemaakt niet de vernietiging van de gehele strafoplegging te beogen. Het hof verenigt zich immers met het oordeel van de rechtbank, maar ziet aanleiding om de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen opnieuw op te nemen, omdat de redactie van de schadevergoedingsmaatregelen in het vonnis van de rechtbank volgens het hof voor onduidelijkheid kan zorgen. Daarom zijn in het dictum de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen5 en de schadevergoedingsmaatregelen opgenomen.

3.9.

Al met al ben ik echter van mening dat uit het arrest van het hof niet ondubbelzinnig blijkt wat het hof nu heeft beslist ten aanzien van de strafoplegging, waarbij ik mij realiseer dat daar ook anders over kan worden gedacht. In onderhavige zaak lijkt sprake te zijn van een geval van Murphy’s Law: in zijn inspanningen de schadevergoedingsmaatregelen ten aanzien van de benadeelde partijen zodanig te formuleren dat hierover geen onduidelijkheid kan bestaan, ‘vergeet’ het hof een beslissing te nemen over de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling en creëert daarmee een nieuwe onduidelijkheid in zijn arrest. Daardoor wordt het belang van de aanbeveling die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2018 heeft gedaan nog een keer onderstreept: neem in het dictum een integrale weergave op van alle opgelegde straffen en maatregelen op zodat daarmee expliciet wordt welke beslissingen wel of niet worden bevestigd.

3.10.

Het middel slaagt.

3.11.

Daarbij wil ik de Hoge Raad nog het volgende in overweging geven. Art. 423 Sv staat er niet aan in de weg dat het hof tot gedeeltelijke vernietiging van de strafoplegging overgaat. Op gelijke wijze staat ook art. 440 Sv er niet aan in de weg dat de Hoge Raad tot een gedeeltelijke vernietiging van de strafoplegging overgaat. Aangezien in cassatie alleen wordt geklaagd over het uitblijven van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf, zou de Hoge Raad de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de benadeelde partijen, in hun belang, daarvan kunnen uitzonderen.6

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de stafoplegging, in welke vernietiging niet is begrepen de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van [betrokkene 1] (feit 1) en [betrokkene 2] (feit 2) en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, rov. 4.1.

2 HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, rov. 4.2.

3 HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, rov. 3.3.3 en 3.4.

4 HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372 rov. 3.2.2. en 3.2.3.

5 Wat gelet op HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430 niet had gehoeven.

6 Vgl. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132 en HR 29 september 1992, NJ 1993/222.