Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:543

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
16/05605
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1082
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 141, tweede lid onder 1, Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05605

Zitting: 29 mei 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 28 september 2016 wegens het met parketnummer 05-840169-14 bewezen verklaarde “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de straf wegens de bewezen verklaarde feiten met de parketnummers 05-038495-14 en 05-137511-14 bepaald op een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Tot slot heeft het hof op de vordering van de benadeelde partij beslist, aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en beslist op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen, één en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“1:

hij op 23 februari 2014 te Arnhem met een ander, op of aan de openbare weg(en), de Varkensstraat en de Hoogstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , welk geweld bestond uit het slaan en stompen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , waarbij hij, verdachte, meermalen heeft geslagen en gestompt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een snee boven het rechteroog en een blauw rechter oog en een opgezwollen kaak en een gescheurde bovenlip en een hersenschudding) voor [betrokkene 1] ten gevolge heeft gehad.”

5. Uit de aanvulling bij het arrest van 16 december 2016 blijkt dat het hof de volgende bewijsmiddelen heeft gebezigd:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 38-41), met als bijlagen kleurenfoto’s van letsel bij aangever (dossierpagina 43-48), gesloten op 24 februari 2014, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [betrokkene 1]:

Feit : openlijke geweldpleging tegen personen.

Plaats delict Varkensstraat Arnhem.

Pleegdatum tussen zondag 23 februari 2014 te 4:40 uur en 4:50 uur.

Ik wil aangifte doen van zware mishandeling. Ik heb aan de mishandeling veel letsel overgehouden.

Op zondag 23 februari 2014 was ik met acht vrienden uit in Arnhem.

Rond 4.30 uur wilden wij vanaf de Bar 41 via de Varkensstraat richting de taxi’s lopen om naar huis te gaan.

Toen wij ter hoogte van de uitgaansgelegenheid ‘Manhattan’ in de Varkensstraat waren zei ik tegen mijn vrienden: “Wat is het hier toch altijd druk”. Vanaf dat moment ben ik alles kwijt en kan ik mij niets meer herinneren.

Ik kan mij pas weer wat herinneren vanaf het moment dat ik thuis in bed lag en mijn moeder naast mij in de kamer stond.

Ik zag in de spiegel dat er een snee recht boven mijn rechteroog zat, tussen het oog en de wenkbrauw. Deze was gehecht. Tevens zag ik dat ik een opgezwollen blauw rechteroog had. Ook zag ik dat ik een opgezwollen kaak had aan de rechterzijde van mijn gezicht en opgezwollen lippen. Mijn bovenlip is aan de binnenzijde op meerdere plaatsen opengescheurd. Mijn tanden in mijn bovenkaak rechts voor zijn erg gevoelig.

Ik heb nog steeds erg veel pijn aan de gevolgen van de mishandeling.

2. Het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen over het uitlezen van de camerabeelden, opgemaakt en gesloten op 23 februari 2014 (dossierpagina 60-61), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als

bevindingen van verbalisant [verbalisant]:

Op zondag 23 februari 2014 bekeek ik de camerabeelden terug van de camera, bevestigd op de kruising Hoogstraat met de Varkensstraat te Arnhem, qua zichtveld gericht op de Varkensstraat.

Op de beelden neem ik het volgende waar.

Ik zie dat het donker is. Ik zie twee jongens naast elkaar lopen, komende uit de Varkensstraat en gaande in de richting van de Hoogstraat.

Een van de jongens is gekleed in een opvallend roodkleurig shirt (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ), de ander is gekleed in een opvallend witkleurig shirt (het hof begrijpt: verdachte). Overduidelijk is dat de jongens bij elkaar horen. Ik zie dat ze pal naast elkaar lopen.

Genoemde jongens raken in gesprek met een groep jongens van ongeveer vijf à zes personen ter hoogte van de kruising Varkensstraat met de Hoogstraat. Ik zie dat iedereen kort op elkaar gaat staan, en dat een conflict gaande is.

Ik zie dat de jongen gekleed in het witte shirt (het hof begrijpt: verdachte) de eerste klap/stoot uitdeelt met de rechterhand, waardoor een van de jongens naar achteren beweegt. De jongen gekleed in het witte shirt deelt ook een tweede klap/stoot uit aan een andere jongen die deel uitmaakt van die groep van vijf à zes personen.

Vervolgens zie ik dat de jongen gekleed in het roodkleurige shirt (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) twee tot drie keer toe uithaalt met zowel linker- als zijn rechterhand, naar een van de jongens van die groep.

Ik zie dat de hele groep dan nog steeds kort op elkaar blijft staan.

Vervolgens zie ik dat de jongen met het rode shirt een harde stoot/klap uitdeelt, waardoor een jongen die deel uitmaakt van de groep van vijf à zes personen, naar de grond valt en uit het camerabeeld verdwijnt.

Vervolgens is te zien hoe de jongens gekleed in het wit en rood samen weglopen, de Varkensstraat weer in.

Ik zie dat een van de jongens, die deel uitmaakt van de groep van vijf à zes personen achter de twee andere jongens aanloopt. Ik zie dat dit wordt opgemerkt door de twee jongens en dat zij zich omdraaien.

De jongen die in het rood is gekleed slaat dan als eerste in op de jongen die hen achterop komt. Vervolgens zie ik dat de jongen met het witte shirt aan de jongen tegen de grond slaat en vervolgens nog drie tot vier keer op hem inslaat terwijl de jongen op de grond ligt.

Ik zie vervolgens dat de twee jongens met de witte en de rode kleding aan doorlopen, de Varkensstraat in.

3. Het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige, opgemaakt en gesloten op 24 februari 2014 (dossierpagina 57-58), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige [betrokkene 4]:

Afgelopen zaterdag op zondagnacht ging ik stappen met een paar vrienden in het centrum van Arnhem. We hadden een feestje omdat een vriend van mij, [betrokkene 1] , de volgende week naar China zou gaan in verband met zijn stage. Bij mij waren [betrokkene 1] , [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ), en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] .

Omstreeks 4:30 uur of 4:45 uur liepen we naar de taxistandplaats bij de Blikkenbioscoop. Ter hoogte van de ‘Manhattan’ kwamen twee jongens ons tegemoet lopen. Eén van de deze jongens droeg een wit shirt (het hof begrijpt: verdachte) en van de ander weet ik niet meer hoe hij eruit zag.

Eén van deze jongens maakte een uitdagende opmerking maakte naar ons en een van ons reageerde daar weer op. Er ontstond meteen een agressieve sfeer.

Ik weet nog goed het moment dat [betrokkene 1] van de jongen met het witte shirt (het hof begrijpt: verdachte) een klap kreeg in het gezicht. Ik zag dat de jongen met het witte shirt hard uithaalde naar [betrokkene 1] en [betrokkene 1] met kracht tegen zijn hoofd raakte.

Ik zag dat de twee jongens wegliepen in de richting van Bar 41. Ik zag dat [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) achter de twee jongens aanliep en nog naar hen riep: ‘Doe eens normaal!’

Ik zag dat de twee jongens vervolgens naar [betrokkene 2] toe liepen en [betrokkene 2] meerdere keren sloegen. Beide jongens sloegen [betrokkene 2] . Ik denk dat [betrokkene 2] in dertig seconden ongeveer vijf of zes keer geslagen is door de twee jongens.

4. Het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige, opgemaakt en gesloten op 24 februari 2014 (dossierpagina 55-56), voor zover’ inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige [betrokkene 2]:

Ik was in de nacht van zaterdag op zondag stappen in het centrum van Arnhem. We hadden met een groepje een feestje omdat een vriend van mij, [betrokkene 1] in verband met een stage naar China zou aan. Vanuit Bar 41 liepen we door de Varkensstraat in de richting van de taxistandplaats bij de Blikkenbioscoop.

In de Varkensstraat kwamen twee jongens ons tegemoet lopen. Dit was een jongen met een rood shirt en een jongen met een wit shirt. Bij het voorbijgaan riep één van die jongens: ‘Ik stomp je’ of iets dergelijks.

Ter hoogte van de Blikkenbioscoop riep iemand iets naar de twee jongens. De twee jongens keerden om en kwamen teruglopen in onze richting.

Er ontstond ineens een ruzie en er werd geslagen. Ik zag dat [betrokkene 1] vervolgens op de grond lag.

Hierna liepen de jongens weg.

Ik ben er nog achteraan gelopen. Ik riep naar de jongens: “Waar slaat dat nou op?”. Volgens mij heb ik een klap gekregen van één van de jongens. Ik weet niet meer van wie. Ik hoorde van [betrokkene 7] dat ik vaker dan één keer werd geslagen.

5. Het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige, opgemaakt en gesloten op 23 februari 2014 (dossierpagina 51), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige [betrokkene 6]:

Op zondag 23 februari 2014 was ik met een stel vrienden aan het stappen in Arnhem. Ik stond op een gegeven moment op de Varkensstraat ter hoogte van discotheek Manhattan, toen ik zag dat bij de Blikkenbioscoop een vriend van mij, [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ), door twee mannen in elkaar werd geslagen.

Eén van de mannen, gekleed in een spijkerbroek en een rood T-shirt aan (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) sloeg [betrokkene 1] met volle kracht. Ik zag de andere man, met een wit T-shirt aan, erbij stond.

Ik zag dat [betrokkene 1] tegen de grond viel en niet meer bewoog.

6. Het in de wettelijk vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van een medeverdachte (dossierpagina 12 - 13), opgemaakt en gesloten op 23 februari 2014, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:

Ik was met [verdachte] in de stad Arnhem. We liepen door de Varkensstraat. We liepen een groep van 5 à 6 jongens en 2 meiden tegemoet.

Een van die jongens botste tegen ons aan. Toen ontstond er een woordenwisseling. Het werd een ruzie en duwen en trekken.

Ik ben van me af gaan slaan. Ik ben gewoon gaan maaien. Ik heb gezien dat ik een jongen tegen de grond aan sloeg.

U laat een foto zien van een van de jongens die klappen heeft gehad van [verdachte] en mij. Die herken ik. Dat is de jongen die bezopen was en per ongeluk tegen ons aan liep. Ik dacht dat we aangevallen zouden worden en voelde er niet voor omdat af te wachten. Ik ben toen zelf begonnen met slaan.

Vervolgens ben ik samen met [verdachte] weggelopen, terug de Varkensstraat in.

Tijdens het weglopen hoorde ik dat er achter mij geschreeuwd en gescholden werd. Ik keek om en zag dat een van de jongens achter ons aan kwam lopen. Ik draaide mij om en haalde uit naar deze jongen. Ik zag dat [verdachte] ook op hem in sloeg.

De jongen viel op de grond en lag op zijn rug. Vervolgens zag ik dat [verdachte] nog een paar keer uithaalde terwijl de jongen op de grond lag.

Vervolgens liepen [verdachte] en ik door.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, opgemaakt en gesloten op 23 februari 2014 (dossierpagina 30-31), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik was met een grote groep uit in Arnhem. Ik bleef uiteindelijk alleen over met [medeverdachte] . We liepen door de Varkensstraat. Ik droeg een wit shirt, en [medeverdachte] een roodkleurige polo. In de Varkensstraat kwamen wij een groepje tegen van vier jongens en een meisje.

Er werd wat geschreeuwd. [medeverdachte] zei hier iets op.

Dit was op hoek van de Hoogstraat met de Varkensstraat.

Er kwam een jongen pal tegenover mij staan. Hij zei wat tegen mij. Ik gaf hem toen een duw. Ik gaf de eerste duw. Het zou kunnen dat ik kort erna nog een duw uitdeelde. Ik zag dat het vechten werd.

Ik zag dat er een jongen op de grond lag. Ik zag hem niet bewegen. Ik denk dat hij bewusteloos was.

Toen liep ik samen met [medeverdachte] terug de Varkensstraat in. We liepen naast elkaar.

Terwijl we in de Varkensstraat liepen kwam één van die jongens achter ons aan. Ik zag dat [medeverdachte] omkeek en omdraaide. Ik draaide toen ook om. Samen liepen we naar deze jongen. Ik zag dat [medeverdachte] hem als eerste met zijn rechter gebalde vuist sloeg. Ik sloeg hem daarna ook met kracht, met mijn rechter gebalde vuist. Door mijn klap viel de jongen op de grond en belandde op zijn rug.

Ik heb hem terwijl hij op de grond lag nog twee of drie keer met gebalde vuist geslagen. Ik heb hem toen met de vlakke hand geslagen en daarna nog een keer met gebalde vuist.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, opgemaakt en gesloten op 25 februari 2014 (dossierpagina 34-36), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

We kwamen dat groepje tegen. Iemand kwam vervolgens dicht bij mij staan. Ik heb die persoon van mij afgeduwd.

Het klopt dat wij degenen waren die op die groep afliep. [medeverdachte] reageerde op iets wat in die groep werd geroepen.

Wij kwamen tegenover elkaar te staan. Ik bleef bij [medeverdachte] .

Vanaf de Blikkenbioscoop liepen we naar […] . Er ontstond een woordenwisseling en toe liepen we weer terug naar de Blikkenbioscoop.

Wij kwamen die groep weer tegen en op dat moment geef ik hem een duw, tegen zijn arm. Toen gaf [medeverdachte] die andere jongen en klap. Die jongen ging knock-out. Hierna heb ik iemand een klap gegeven.

Het klopt dat we vervolgens de Varkensstraat weer inliepen. Ik zag dat [medeverdachte] zich omdraaide en toen draaide ik ook om. Vervolgens liep ik naar de jongen, [medeverdachte] sloeg die jongen en daarna sloeg ik hem nog twee keer.

9. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

U, voorzitter, houdt mij voor dat op de camerabeelden is te zien dat het geweld plotseling en heftig opvlamt, dat u op de beelden heeft gezien dat ik druk doe en met mijn armen loop te zwaaien en u vraagt mij nog eens wat er die avond is gebeurd.

Er kwam een jongen naar me toe, die kwam te dichtbij. Hierop gaf ik hem een duw, waarop ik een zet terug kreeg. Toen escaleerde het.”

6. Daarnaast heeft het hof in het verkorte arrest de volgende (nadere) bewijsoverweging opgenomen:

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep partiële vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Niet kan worden bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan geweldshandelingen jegens aangever [betrokkene 1] . Op de camerabeelden is te zien dat een jongeman in een rood shirt [betrokkene 1] slaat; die dader betreft niet verdachte, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank op pagina 9-11 (ten aanzien van parketnummer 05/840169-14) -, waaronder het proces-verbaal van bevindingen over het uitkijken van de camerabeelden (dossierpagina 60 - 61) en de verklaring van de getuige [betrokkene 7] - volgt dat verdachte (gekleed in een wit shirt) zich samen met de medeverdachte [medeverdachte] (gekleed in een roodgekleurd shirt) schuldig heeft gemaakt aan geweldshandelingen jegens aangever [betrokkene 1] .

Getuige [betrokkene 7] heeft over de confrontatie verklaard dat hij zich nog goed het moment weet te herinneren waarop de jongen met het witte shirt met kracht een klap gaf in het gezicht van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever [betrokkene 1] ) en dat [betrokkene 1] daardoor op de grond viel. Het proces-verbaal van bevindingen over het uitlezen van camerabeelden beschrijft dat moment als een waarbij sprake is van een confrontatie tussen twee groepen jongens, ter hoogte van de kruising Varkensstraat met de Hoogstraat. Op de beelden is te zien dat de jongen gekleed in het witkleurige shirt de eerste klap/stoot uitdeelt waardoor een van de jongens naar achteren beweegt.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het door verdachte gepleegde openlijke geweld zich mede heeft voorgedaan ten opzichte van [betrokkene 1] .

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot - partiële - vrijspraak van het tenlastegelegde ook voor het overige wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

7. De tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 141, tweede lid, onder 1°, Sr. Deze bepaling houdt in dat aan de verdachte die openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren kan worden opgelegd indien het door de verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. De toepassing van art. 141, tweede lid onder 1, Sr dient te worden beperkt tot gevallen waarin wettig en overtuigend kan worden bewezen dat (juist) het verdachte gepleegde geweld het in de tenlastelegging genoemde lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.1

8. Het middel bevat, mede in het licht van de toelichting daarop, onder meer de klacht dat de op art. 141, tweede lid onder 1, Sr toegesneden bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2016, is door en namens de verdachte bepleit dat hij geen geweld ten opzichte van de aangever [betrokkene 1] heeft uitgeoefend. Het hof heeft daarop gereageerd door te overwegen dat “het door verdachte gepleegde openlijke geweld zich mede heeft voorgedaan ten opzichte van [betrokkene 1] .” In de hiervoor onder 6 weergegeven overwegingen, in samenhang bezien met de bewezenverklaring, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte door het door hem gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij [betrokkene 1] in de zin van art. 141, eerste lid, onder 1°, Sr. Het bewezen verklaarde letsel betreft een snee boven het rechteroog, een blauw rechteroog, een opgezwollen kaak, een gescheurde bovenlip en een hersenschudding.

9. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat de verdachte het door het hof bewezen verklaarde lichamelijk letsel van de aangever [betrokkene 1] heeft veroorzaakt. Daarbij wijs ik erop dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [medeverdachte] ook geweld jegens de aangever [betrokkene 1] heeft uitgeoefend. Zo verklaart de getuige [betrokkene 6] dat een man, van wie het hof heeft aangenomen dat het de medeverdachte [medeverdachte] betreft, [betrokkene 1] met volle kracht sloeg, terwijl de verdachte erbij stond, en dat [betrokkene 1] tegen de grond viel en niet meer bewoog (bewijsmiddel 5). De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat hij een jongen tegen de grond aan sloeg, terwijl ook uit camerabeelden volgt dat [medeverdachte] een harde stoot/klap uitdeelt waardoor de jongen naar de grond valt (bewijsmiddelen 2 en 6). Een nadere bewijsoverweging waarin inzichtelijk wordt gemaakt dat het juist de handelingen van de verdachte zijn geweest die het letsel van [betrokkene 1] hebben veroorzaakt, ontbreekt, terwijl de bewijsmiddelen voor dit oordeel onvoldoende grondslag vormen.

10. In het licht van het voorafgaande, is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.2 Dat betekent dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en ook het tweede middel buiten bespreking kan blijven.

11. Het middel slaagt.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230 en J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer & Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, commentaar bij art. 141 Sr, aant. 6 (actueel t/m 20 september 2017).

2 Vlg. HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2489 en mijn conclusie (PHR:2017:964) voorafgaand aan dat arrest.