Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:541

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
16/05539
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1. verwerping 359a-verweer inhoudende dat een onrechtmatige doorzoeking heeft plaatsgevonden in een kelderbox en 2. gebruik tot bewijs van in een reclasseringsrapport neergelegde verklaring van de verdachte en bewijsklacht schuldheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05539

Zitting: 29 mei 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 oktober 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. primair “wederspannigheid” en 2. “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien dagen met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en een taakstraf voor de duur van negentig uren, subsidiair 45 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd en de benadeelde partij [betrokkene 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het verweer, inhoudende dat de verbalisanten de kelderbox onrechtmatig hebben doorzocht en dat dit onrechtmatig optreden dient te leiden tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering

  4. Het hof heeft in de bestreden uitspraak het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 20161 gevoerde verweer samengevat en in antwoord daarop het volgende overwogen (pag. 2):

“Verweer vormverzuim
De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering en wijst hierbij op het feit dat de hulpverleningstaak van de verbalisanten - die overigens ook door hem betwist wordt - niet meer aan de orde was op het moment dat zij de deur van de kelderbox, behorende bij de woning van verdachte, lieten openen. Voorts stelt de raadsman dat deze kelderruimte dient te worden aangemerkt als een woning in de zin van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) en aldus de doorzoeking/betreding van deze ruimte zonder daartoe strekkende machtiging onrechtmatig is geweest. De raadsman concludeert dat het enkele constateren dat sprake is van een vormverzuim onvoldoende is en pleit voor bewijsuitsluiting en vrijspraak.

Het hof leidt uit de processen-verbaal en de foto’s in het strafdossier af dat de kelderbox feitelijk werd gebruikt voor de opslag van goederen, dat deze was gesitueerd (onder)in een flatgebouw en dat de woning van verdachte zich (boven) op een andere etage bevond. De kelderbox was bereikbaar via een afsluitbare buitendeur die toegang verschafte tot een gemeenschappelijke gang via welke ook kelderboxen van andere flatbewoners konden worden bereikt. Naar het oordeel van het hof dient deze kelderbox niet te worden aangemerkt als een plaats waar zich daadwerkelijk privé-huiselijk leven afspeelde, zodat de vormvoorschriften die op de voet van de Awbi bij het betreden van een ‘woning’ in acht moeten worden genomen, geen toepassing vinden.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op 17 januari 2012 omstreeks 21.18 uur een melding dat uit een kelderbox aan [a-straat] te Arnhem een sterke gaslucht kwam. Ter plaatse werden de verbalisanten opgevangen door een medewerker van netbeheerder Liander. Deze medewerker deelde mede dat een enorme gas/benzinelucht uit een van de kelderboxen kwam en dat er meerdere klachten van bewoners waren binnengekomen. Gemeld werd dat in de meterkast van bovengelegen appartementen een gaslucht werd geroken en dat kinderen in die woningen niet konden slapen doordat zij last hadden van zeer rode ogen.

Op grond van het in deze toepasselijke artikel 2 Politiewet 1993 heeft de politie een hulpverleningstaak. Dat de omgeving niet met een politielint is afgezet en/of de verbalisanten een kwartier op een sleutel hebben gewacht voordat de kelderruimte werd opengebroken - zoals ter zitting door de raadsman is gesteld - maakt niet dat geen sprake is van het uitoefenen van een hulpverleningstaak. Dit wijst er mogelijk enkel op dat deze taak op dat moment onder de gegeven omstandigheden niet optimaal is uitgeoefend. Dat de verbalisanten reeds voordat zij zich de toegang hadden verschaft, door een blik te werpen door gaaswerk dat zich boven de toegangsdeur bevond, hadden waargenomen dat deels gedemonteerde motorscooters in de kelderbox aanwezig waren, doet naar het oordeel van het hof evenmin afbreuk aan de voortdurende uitoefening van de hulpverleningstaak. Er werd immers een sterke brandstofgeur waargenomen, waarbij gevreesd werd en - naar het oordeel van het hof- kon worden voor brand- en/of ontploffingsgevaar. Van een verdenking van heling en mitsdien van strafvorderlijk optreden kon eerst sprake zijn na het openen van de deur en het natrekken van de gegevens van de aangetroffen motoren.

In het kader van de vorenbedoelde hulpverleningstaak heeft de politie, zo volgt uit het tweede lid van artikel 8 Politiewet 1993, toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is. Indachtig de hiervoor weergegeven meldingen kon de politie in casu gerechtvaardigd oordelen dat toegang tot de kelderbox nodig was in het kader van de hulpverlening.


Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof sprake van een rechtmatige betreding van de kelderruimte en is geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

5. Uit de toelichting op het middel blijkt dat in cassatie niet wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de kelderbox niet als woning in de zin van de Algemene wet op het binnentreden is aan te merken. Evenmin wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verbalisanten op grond van art. 8, tweede lid, Politiewet 1993 bevoegd waren die kelderbox te betreden in het kader van de aan de opsporingsambtenaren toegekende hulpverleningstaak.

6. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof heeft verzuimd te reageren op het verweer, inhoudende dat de verbalisanten de kelderbox onrechtmatig hebben doorzocht en dat dit onrechtmatig optreden dient te leiden tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers met de hiervoor onder 4 geciteerde overwegingen het verweer uitdrukkelijk verworpen en in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van het standpunt van de verdediging.

7. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst voorts de klacht dat het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de kelderbox onrechtmatig door de verbalisanten is doorzocht omdat niet is voldaan aan de eisen van art. 96c Sv onvoldoende wordt weerlegd door de overweging van het hof dat van een verdenking van heling en mitsdien van strafvorderlijk optreden eerst sprake kon zijn na het openen van de deur en het natrekken van de gegevens van de aangetroffen motoren. Het natrekken van de gegevens van de aangetroffen motoren duidt er volgens de steller van het middel veeleer op dat de verbalisanten zich niet hebben beperkt tot zoekend rondkijken en dat dus sprake is geweest van een doorzoeking.

8. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. In cassatie moet worden uitgegaan van de vaststelling van het hof dat de verbalisanten de deur van de kelderbox op grond van hun hulpverleningstaak zoals neergelegd in art. 2 Politiewet 1993 in verbinding met art. 8, tweede lid, Politiewet 1993 hebben doen openmaken. Het in de onder 4 geciteerde overweggingen besloten liggende oordeel van het hof dat van een (onrechtmatige) doorzoeking in de kelderbox geen sprake is geweest, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, wat er ook zij van de overweging van het hof dat van een verdenking van heling en mitsdien van strafvorderlijk optreden eerst sprake kon zijn na het openen van de deur en het natrekken van de gegevens van de aangetroffen motoren. Niet valt in te zien dat het natrekken van de gegevens van de aangetroffen motorscooters aan de begrijpelijkheid van dat oordeel zou kunnen afdoen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer niet inhield dat de controle van de gegevens van de motorscooters als zodanig onrechtmatig zou hebben plaatsgevonden dan wel erop zou duiden dat sprake was van een doorzoeking van de kelderbox.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel behelst allereerst de klacht dat het hof ten onrechte voor het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde feit gebruik heeft gemaakt van een verklaring van de verdachte die is opgenomen in een adviesrapport van de reclassering. Ten tweede behelst het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die door diefstal, in elk geval door enig misdrijf, waren verkregen.

11. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 17 januari 2012 te Arnhem, voorhanden heeft gehad een motorfiets (Honda Fes 250, kenteken [AA-00-BB] ) en een motorfiets/motorscooter (Gilera Runner 180, kenteken [CC-00-DD] ), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormelde goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf waren verkregen.”

12. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage van het proces-verbaal, genummerd PL078C-2012007096-15) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - het relaas van verbalisanten:

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] , hoofdagent van Politie Gelderland- Midden en [verbalisant 2] , agent van Politie Gelderland-Midden, verklaren het volgende:


Tussen 17 januari 2012 omstreeks 21:30 uur en 18 januari 2012 omstreeks 00:02 uur stelden wij een onderzoek in in de kelderbox van perceel [a-straat] te Arnhem aangezien daar een penetrante benzinelucht uit kwam waarvan wij vreesden dat dit brand dan wel ontploffing zou kunnen veroorzaken. Boven de deur van de kelderboxen was een stuk gaas bevestigd. Voordat de deur van de kelderbox werd geopend door de slotenmaker, zagen wij door het gaas twee motorscooters en een minibike staan. De twee motorscooters lagen tegen elkaar en één van de motorscooters was voor een deel gedemonteerd en overgespoten. Tevens was van één van de motorscooters de kentekenplaat verwijderd. Door deze bevindingen kregen wij een sterk vermoeden dat de goederen in de kelderbox afkomstig konden zijn van één of meerdere misdrijven. Dit gevoel werd versterkt door het gedrag en het handelen van de verdachten welke aangehouden zijn. Eén van de motorscooters was voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Uit nader onderzoek bleek dat deze voertuigen als gestolen gesignaleerd stonden.


2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een kennisgeving van inbeslagneming (als bijlage van het proces-verbaal, genummerd PL078C-2012007096-15) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Plaats : [a-straat] Arnhem
Datum en tijd : 17 januari 2012 te 23:00 uur

Voertuig : Motor
Merk/type : Gilera Runner 180
Kenteken : [CC-00-DD]

Voertuig : Motor
Merk/type : Honda FES 250
Kenteken : [AA-00-BB]

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het reclasseringsadvies met realisatiedatum 5 maart 2013 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

De scooters had ik, ter reparatie, gekregen van twee jongens. Ik ben goed in repareren en zou voor iedere scooter €300 krijgen. Ik heb nog gevraagd of de scooters van diefstal afkomstig waren, maar ze zeiden dat dit niet het geval was. Ik heb de jongens nooit meer gezien.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd PL0709- 2011089265, gesloten en getekend op 3 augustus 2011 door [verbalisant 3] , voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring [betrokkene 2] :

Op maandag 1 augustus 2011 omstreeks 15:00 uur parkeerde ik mijn motor, een Honda FES 250 met kenteken [AA-00-BB] in het winkelcentrum gelegen aan de Middelgraaflaan te Arnhem. Ik had mijn motor aan de overkant van Pizzeria Domino’s staan. Toen ik mijn motor daar had geparkeerd, heb ik mijn motor afgesloten door middel van een stuurslot. Ik heb verder geen slot door mijn voor- of achterwiel heen gedaan. Nadat ik dit had gedaan, ben ik gaan werken bij de Pizzeria Domino’s. Omstreeks 21:45 uur heb ik mijn motor nog zien staan. Omstreeks 22:15 uur liep ik de Pizzeria. Toen ik mijn sleutels had gepakt, zag ik dat mijn motor was weggenomen.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd PL0780-2011041055, gesloten en getekend op 7 april 2011 door [betrokkene 3] , voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring [betrokkene 1] :

Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Op maandag 4 april 2011 was alles in en aan de garagebox intact en rondom met slot en sleutel afgesloten. Op dinsdag 5 april 2011 ontdekte een andere persoon dat er was ingebroken. Mijn motor, een Piaggio Gilera Runner 180 met het kenteken [CC-00-DD] , bleek te zijn weggenomen.”

13. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Overweging met betrekking tot het bewijs” (pag. 4) voorts het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.


Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij van twee - hem volstrekt onbekende - personen een aanbod kreeg om twee motorscooters voor een bedrag van €300,- per stuk te repareren. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij aan die personen heeft gevraagd of de motoren gestolen waren welke vraag ontkennend werd beantwoord. De scooters zijn (deels) gedemonteerd, overgespoten en/of zonder kentekenplaat in de kelderbox van verdachte aangetroffen. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden verdachte niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Nu deze omstandigheden zozeer afwijken van hetgeen in het normale handelsverkeer gebruikelijk is, had verdachte minst genomen redelijkerwijs moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

14. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde onder meer doen steunen op een geschrift inhoudende een reclasseringsadvies dat betrekking heeft op de verdachte, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte dat hij de scooters ter reparatie van twee jongens had gekregen en voor elke scooter € 300 zou krijgen, dat de jongens desgevraagd hebben gezegd dat de scooters niet van diefstal afkomstig waren en dat hij de jongens nooit meer heeft gezien.

15. Mede tegen de achtergrond van de hulpverleningsrelatie waarin de reclasseringsambtenaar tot de verdachte staat, mag de verklaring van de verdachte in een adviesrapport als in de onderhavige zaak aan de orde niet worden gebruikt voor het bewijs van het ten laste gelegde.2 Het hof heeft de verklaring die is opgenomen in het reclasseringsrapportage dan ook ten onrechte tot het bewijs gebezigd. De steller van het middel klaagt daarover terecht.

16. De vraag rijst of het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de verdachte die is opgenomen in het reclasseringsadvies tot cassatie zal moeten leiden. Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Ik wijs daartoe op de volgende twee benaderingen.

17. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij van twee – hem volstrekt onbekende – personen een aanbod kreeg om twee motorscooters voor een bedrag van € 300 per stuk te repareren. De verdachte heeft toen voorts verklaard dat hij aan die personen heeft gevraagd of de motoren gestolen waren, welke vraag ontkennend werd beantwoord.

18. Een blik achter de papieren muur leert dat de verdachte in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling ten overstaan van de rechter-commissaris onder meer het volgende heeft verklaard:

“(…) De goederen die aangetroffen zijn in mijn schuur daarvan weet ik absoluut niet waar deze vandaan komen. Twee mannen die ik als volgt kan omschrijven, een blanke man met kort haar, blauwe ogen, jeans en een timberland jack, Nike schoenen en een tatoeage op zijn arm en een Afrikaanse man, rasta haar lange grote jas, jeans en Nike schoenen. Ik weet niet hoe zij bij mij zijn beland. Twee weken geleden kwamen ze naar mij toe. Ik was toevallig thuis. Ze hadden een paar scooters bij zich en ze wisten dat ik goed kan sleutelen aan scooters en ze vroegen of ik die voor hen wilde maken. Ik zei dat ik dat niet wilde doen. Ik vroeg of ze gestolen waren. Ze zeiden dat de scooters niet gestolen waren. Ze zeiden tegen mij dat ik 300 euro per stuk voor het maken kon krijgen. Ik weet niet of de scooters gestolen zijn. (…).”

19. De bewijsconstructie zou verbeterd kunnen worden gelezen, te weten met weglating van bewijsmiddel 3, waarbij het niet opnemen van de verklaring die de verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd kan worden beschouwd als een kennelijke vergissing van het hof.3 Daarvoor pleit dat het hof in zijn bewijsoverweging uitdrukkelijk heeft verwezen naar de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Het arrest bevat daarmee een waardering van de desbetreffende verklaring. De verklaring die de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd komt bovendien inhoudelijk overeen met de verklaring van de verdachte die is opgenomen in het door het hof als bewijsmiddel gebruikte reclasseringsadvies. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2016 blijkt voorts dat de voorzitter mondeling de korte inhoud van de stukken in de zaak heeft medegedeeld. Gelet op het voorafgaande, meen ik dat de bewijsvoering in die zin verbeterd kan worden gelezen, dat de verklaring die de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd en waaraan het hof in zijn bewijsoverweging refereert als bewijsmiddel wordt ingelezen in plaats van de verklaring die in de huidige bewijsconstructie als bewijsmiddel 3 is opgenomen.

20. Ook in geval de Hoge Raad van oordeel is dat een dergelijke verbeterde lezing te ver voert, meen ik dat cassatie achterwege kan blijven. Het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht – kan onder omstandigheden aanleiding zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering.4 Ik meen dat een dergelijke situatie zich in dezen voordoet. Daartoe wijs ik er nogmaals op dat het hof in de bewijsoverweging heeft verwezen naar de door de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring en die inhoudelijk overeenstemt met de ten onrechte voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte die in de reclasseringsrapportage is opgenomen. Het ligt dan ook in de lijn van de verwachting dat het hof deze verklaring in zoverre alsnog aan de bewijsmiddelen zal toevoegen in plaats van de verklaring van de verdachte die in het reclasseringsadvies is opgenomen. De verdachte heeft aldus in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht. Het middel kan in zoverre, hoewel terecht voorgesteld, niet tot cassatie leiden.

21. Het middel behelst voorts de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die door diefstal, in elk geval door enig misdrijf, waren verkregen.

22. Ingevolge art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr maakt degene die een goed voorhanden heeft zich schuldig aan schuldheling indien hij ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed.5 Daarvan is sprake indien de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed had kunnen vermoeden dat het goed door misdrijf verkregen was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard.6 Wat van de verdachte ten aanzien van de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

23. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan ten aanzien van feit 2 worden afgeleid dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 17 januari 2012 een onderzoek hebben ingesteld in de kelderbox van de woning aan [a-straat] in Arnhem, aangezien uit die kelderbox een penetrante benzinelucht kwam waarvan zij vreesden dat dit brand dan wel ontploffing zou kunnen veroorzaken. Voordat de deur van de kelderbox door de slotenmaker werd geopend, zagen de verbalisanten door het gaas boven die deur twee motorscooters en een minibike staan. De twee motorscooters lagen tegen elkaar en één van de motorscooters was voor een deel gedemonteerd en overgespoten. Tevens was van één van de motorscooters de kentekenplaat verwijderd. Uit nader onderzoek bleek dat de voertuigen als gestolen gesignaleerd stonden. De beide motorscooters zijn vervolgens in beslag genomen. Door een tweetal personen is aangifte gedaan van diefstal van de beide motorscooters. De verdachte heeft ten aanzien van de aanwezigheid van de motorscooters in zijn kelderbox verklaard7 dat hij is benaderd door twee mannen die hem hebben gevraagd om de motorscooters voor hen te maken voor een bedrag van € 300 per stuk. De verdachte heeft daarbij voorts verklaard dat hij aan hen heeft gevraagd of de motoren gestolen waren, welke vraag ontkennend werd beantwoord.

24. Bijzondere aandacht verdient de omstandigheid dat de verdachte heeft gevraagd of de motorscooters gestolen waren. De voorliggende zaak laat zich in dit opzicht vergelijken met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 16 december 1947, NJ 1948, 271, m.nt. Pompe. Ten laste van de verdachte was schuldheling bewezen verklaard. De verdachte was op de avond van 11 januari 1946 samen met de personen T. en B. in een door hem bestuurde vrachtauto naar een woning gereden. Daar hadden T. en B. een aantal vaste wastafels, fonteinen, stortbakken en closetpotten in die vrachtauto geladen. Die goederen waren uit de voornoemde woning gestolen. De verdachte had toen aan de voornoemde personen gevraagd of zij wel eerlijk aan die goederen gekomen waren en daarop werd geantwoord dat het wel in orde was. De verdachte heeft daarna geen verder onderzoek naar de herkomst van de goederen ingesteld. Vervolgens had de verdachte met de vrachtauto de beide personen en de goederen vervoerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof uit de inhoud van de bewijsmiddelen kon afleiden dat de verdachte had kunnen vermoeden dat de goederen door misdrijf verkregen waren, “gelijk hij dit blijkens zijn voormelde vraag vermoed heeft”. Nu hij desondanks geen nader onderzoek naar de herkomst had ingesteld, kon zijn grove schuld ten aanzien van de herkomst van de goederen worden bewezen.

25. De steller van het middel betoogt in de toelichting daarop dat de verdachte met de vraag of de motorscooters gestolen waren in elk geval enig onderzoek naar de herkomst van de scooters heeft verricht. Volgens hem heeft het hof ten onrechte nagelaten inzichtelijk te maken wat in dat kader nog meer van de verdachte had kunnen worden gevergd. Ik volg de steller van het middel daarin niet. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de gestelde vraag veeleer uitdrukking geeft aan het vermoeden dat de motorscooters van misdrijf afkomstig waren dan dat deze als zodanig een onderzoek naar de herkomst betreft. Eenzelfde benadering is te vinden in het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad van 16 december 1947, NJ 1948, 271. Mede in samenhang bezien met de overige door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte ten tijde van het verwerven van de motorscooters redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.8 Daarbij neem ik in aanmerking dat de motorscooters aan de verdachte voor € 300 per stuk ter reparatie werden aangeboden door twee onbekende personen en dat de scooters in vervolg daarop (deels) waren gedemonteerd, overgespoten en/of zonder kentekenplaat waren aangetroffen in een kelderbox van de verdachte.9

26. Anders dan de steller van het middel, ben ik van mening dat de desbetreffende staat van de scooters redengevend kan worden geacht voor het bewijs dat de verdachte ten tijde van het verwerven van de motorscooters redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, ook al staat niet vast in welke staat de scooters verkeerden op het moment waarop zij ter reparatie werden aangeboden. Indien zij toen in dezelfde staat verkeerden, behoeft het voorafgaande geen toelichting. Indien dat niet het geval was, noopt de opdracht tot het verrichten van reparatiewerkzaamheden als hier aan de orde, mede bestaande uit het overspuiten van een motorscooter, om nader onderzoek naar de herkomst van de motorscooters. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat het hof nader had moeten motiveren op welke wijze de verdachte nadere invulling aan zijn onderzoeksplicht had moeten geven, faalt het, omdat het in zoverre berust op een eis die het recht niet kent.

27. Het middel faalt.

28. De beide middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op de pleitnota staat 24 juni 2015 vermeld, maar uit de processen verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep volgt dat het pleidooi niet op die datum, maar op 12 oktober 2016 heeft plaatsgevonden.

2 HR 18 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3610, NJ 2008, 192. Zie ook HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4269, NJ 2013, 127, m.nt. Schalken.

3 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, NJ 2013, 577 m.nt. Van Kempen.

4 Vgl. HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, NJ 2013, 577 m.nt. Van Kempen.

5 Vgl. HR 17 december 1985, NJ 1986/428 (rov. 5.2.1).

6 Zie ten aanzien van schuldheling HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:772, rov. 5.2, HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631, NJ 2009/608, rov. 2.5, HR 13 mei 2003, NJ 2003/460, rov. 3.4, en HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 4.5. Vgl. ten aanzien van schuldwitwassen HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1588, rov. 3.3.

7 Zie hierover hetgeen hiervoor onder 14 - 20 van deze conclusie is opgemerkt.

8 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010: BN0578, NJ 2011/44, m.nt. Keijzer onder 43. Vgl. voor een situatie waarin wel concrete informatie over de herkomst was verschaft: HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1694.

9 Zie ten aanzien van opzetheling van een scooter: HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:711.