Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:538

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
16/05596
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:983
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het in h.b. gevoerde verweer t.a.v. overschrijding redelijke termijn. Samenhang met 16/05594 en 16/05597.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05596

Zitting: 29 mei 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 3 november 2016 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van een aan de medeverdachte [medeverdachte 3] in beslag genomen voorwerp.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (16/05594) en [medeverdachte 2] (16/05597), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn.

  5. De stukken van het geding houden – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

(i) De verdachte is bij vonnis van 20 juni 2014 door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld.

(ii) Namens de verdachte is op 3 juli 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 juni 2014.

(iii) Het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 3 november 2016 veroordeeld. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016 en 20 oktober 2016.

(iv) Namens de verdachte is op 15 november 2016 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 3 november 2016.

6. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2016 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsvrouwe van de verdachte het volgende heeft aangevoerd:

“Voorts dient in alle zaken rekening te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Het betreft namelijk een oude zaak, namelijk uit maart 2013. Het heeft een jaar en 3 maanden geduurd alvorens de zaak in eerste aanleg was afgehandeld. Vervolgens heeft het meer dan 2 jaar geduurd alvorens de zaak in hoger beroep wordt behandeld. Derhalve dient de straf gematigd te worden.”

7. Het hof heeft in zijn arrest onder ‘oplegging van straf’ onder meer het volgende overwogen:

“Gelet op de aard en ernst van het delict is in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof ziet echter in het tijdsverloop en het gegeven dat verdachte – blijkens zijn documentatie en blijkens het pleidooi van diens raadsvrouw – zijn leven lijkt te hebben veranderd, aanleiding om een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.”

8. Het door de raadsvrouwe aangevoerde kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beroep op strafvermindering wegens schending van de redelijke termijn. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het hof op een dergelijk verweer op straffe van nietigheid een uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing moet geven.1 Daarbij dient de rechter in zijn uitspraak aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd, hetgeen meebrengt dat in de uitspraak dient te worden vermeld welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.2 In cassatie kan het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval.3

9. In geval het hof verzuimt aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn, leidt dat echter niet altijd tot cassatie. Ik wijs in dat verband op twee arresten.

10. In de eerste zaak4 had het hof overwogen dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden en dat het, mede gelet hierop, aanleiding zag de onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een beperkte duur op te leggen. Het hof had dus niet kenbaar gemaakt welke straf het zonder overschrijding van de redelijke termijn zou hebben opgelegd. De Hoge Raad overwoog dat het ervoor moest worden gehouden dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf substantieel had verminderd in verband met de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof bij het bepalen van de straf had betrokken dat de redelijke termijn was overschreden en dat de door het hof opgelegde gevangenisstraf van zes maanden aanzienlijk lager was dan de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 28 maanden, terwijl de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de door haar opgelegde straf had overwogen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn in eerste aanleg niet zou zijn overschreden. Mede gelet op de strekking van het geschonden voorschrift - te weten: het mogelijk maken van een door de Hoge Raad uit te oefenen controle in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn – achtte de Hoge Raad het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep onder verwijzing naar art. 80a RO niet-ontvankelijk.

11. In een andere zaak5 had het hof ambtshalve geconstateerd dat de redelijke termijn was overschreden en had het deze overschrijding "in strafmatigende zin" betrokken bij de strafoplegging zonder evenwel te vermelden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het cassatiemiddel van de verdachte trof echter geen doel. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep (op tegenspraak) had de verdediging geen verweer gevoerd met deze strekking. Nu onder die omstandigheden niet met vrucht kan worden geklaagd over het oordeel over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie onder verwijzing naar art. 80a RO niet-ontvankelijk.

12. In de onderhavige zaak heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep wel betoogd dat de redelijke termijn is overschreden en daaraan de conclusie verbonden dat de straf gematigd zou moeten worden. Het hof heeft in zijn motivering van de strafoplegging niet expliciet betrokken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Wel heeft het hof verwezen naar het tijdsverloop en tot uitdrukking gebracht dat het daarin (mede) aanleiding heeft gezien de straf te matigen. Het hof heeft immers overwogen dat het, gelet op de aard en ernst van het delict, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats acht, maar dat het in het tijdsverloop en het gegeven dat de verdachte zijn leven lijkt te hebben veranderd aanleiding ziet om een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Met deze overweging, in het bijzonder met zijn verwijzing naar het “tijdsverloop”, heeft het hof kennelijk gerespondeerd op het verweer inzake de overschrijding van de redelijke termijn. De zaak verschilt daarin van de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2475. In die zaak oordeelde het hof dat het volstond met een constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, maar dat het bij de strafoplegging wel rekening hield met het “aanzienlijke tijdsverloop”. Mijn ambtgenoot Knigge wees erop dat het hof daarbij niet het oog heeft gehad op een compensatie voor de termijnoverschrijding. Die conclusie volgde logisch uit de overweging van het hof dat het volstond met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De bestreden uitspraak in de onderhavige zaak laat zich anders lezen. Het hof overweegt dat het mede in het tijdsverloop aanleiding ziet om een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof verwijst in de strafmotivering naar het pleidooi van de raadsvrouwe, dat mede zag op de overschrijding van de redelijke termijn.6 Tegen deze achtergrond houd ik het ervoor dat het hof de strafmatiging heeft toegepast in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Nu het middel er slechts over klaagt dat het hof heeft verzuimd op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn te responderen, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.

13. Daarmee zou ik kunnen volstaan. Voor het geval de Hoge Raad het middel ruimer opvat, te weten dat het ook ziet op de toereikendheid van de motivering van het oordeel van het hof ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn, merk ik het volgende op. Bij de beoordeling of het hof heeft voldaan aan het vereiste dat de feitenrechter in de uitspraak dient aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn, rijzen twee complicaties. Het hof heeft in de eerste plaats niet alleen het tijdsverloop, maar ook de omstandigheid dat de verdachte zijn leven lijkt te hebben veranderd betrokken bij zijn oordeel om de verdachte een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. In de tweede plaats heeft het hof wel vermeld dat het in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf “op zijn plaats” acht, maar niet met zoveel woorden overwogen welke duur de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben gehad en of in dat geval naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf zou zijn opgelegd. Gelet op deze omstandigheden, is niet zonder meer duidelijk in welke vorm of mate de straf is verlaagd wegens de overschrijding van de redelijke termijn.7

14. Tot cassatie hoeft zulks evenwel niet te leiden. In de kantlijn merk ik op dat cassatie in elk geval achterwege zou zijn gebleven als het hof zou hebben volstaan met de constatering dat de redelijke termijn zou zijn overschreden.8 Het komt mij minder gelukkig voor als in een geval als het onderhavige, waarin het hof het tijdsverloop wel in voor de verdachte gunstige zin in de straftoemeting heeft verdisconteerd, de zaak naar het hof zou moeten worden teruggewezen, met extra tijdsverloop tot gevolg. Ook wijs ik erop dat het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst en dat van onbegrijpelijkheid ‘niet licht’ sprake zal zijn.9

15. Het hof heeft het tijdsverloop in de onderhavige zaak in strafmatigende zin betrokken en heeft daarbij voorts aangegeven welke strafmodaliteit zonder het tijdsverloop zou zijn toegepast. Weliswaar heeft het hof zijn beslissing de straf te verminderen niet alleen gegrond op het geconstateerde tijdsverloop, maar ook op de omstandigheid dat de verdachte zijn leven heeft gebeterd, maar het hof heeft wel duidelijk gemaakt dat het tijdsverloop in het kader van de straftoemeting een mitigerende invloed heeft gehad. De verandering van de onvoorwaardelijke modaliteit van de gevangenisstraf in de voorwaardelijke is een aanpassing van significante betekenis. Daarbij komt dat de overschrijding van de redelijke termijn zeer beperkt van omvang is. De inhoudelijke behandeling van de zaak stond gepland voor 20 juli 2016, dus twee jaren en zeventien dagen nadat op 3 juli 2014 hoger beroep was ingesteld. De behandeling van de zaak is vervolgens op verzoek van de verdediging aangehouden. De steller van het middel gaat om die reden uit van 3 augustus 2016 als fictieve datum van het arrest, omdat het hof de zaak na het aanhoudingsverzoek met bijzondere voortvarendheid heeft behandeld. Ten slotte wijs ik erop dat de LOVS-oriëntatiepunten voor een inbraak in een woning voor een first offender een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden vermelden en voor een recidivist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Het hof heeft in de onderhavige zaak een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren opgelegd en bij de strafmotivering betrokken dat de verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen. Gelet hierop en mede gelet op de strekking van het geschonden voorschrift - te weten: het mogelijk maken van een door de Hoge Raad uit te oefenen controle in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn – op de strekking van het voorschrift, meen ik dat het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident is. De schriftuur bevat niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 bedoelde, in een dergelijk geval vereiste toelichting ten aanzien van het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Hetgeen de steller van het middel ter onderbouwing van het belang bij vernietiging aanvoert, te weten dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een kortere onvoorwaardelijke werkstraf dan aan hem door het hof is opgelegd, welke straf thans gelijk is aan de door de rechtbank opgelegde straf, acht ik daartoe onvoldoende. Het hof heeft immers gemotiveerd aangegeven dat het onder meer vanwege het tijdsverloop geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, terwijl de stelling dat het hof wegens overschrijding van de redelijke termijn een lagere straf dient op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd, geen steun vindt in het recht.

16. Gelet op het bovenstaande, meen ik dat de Hoge Raad het beroep onder verwijzing naar art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk kan verklaren.

17. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1485 en HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5176 en BW5177.

2 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.24.

3 Zie onder meer HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9102, NJ 2010/459, rov. 2.3.

4 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3092. Zie voor een vergelijkbare zaak HR 28 maart 2017, nr. 14/00891 (niet gepubliceerd) en in het bijzonder onderdeel 5.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor dit arrest.

5 HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817.

6 Daarbij moet wel worden aangetekend dat het hof de hiervoor onder 7 geciteerde verwijzing naar het pleidooi van de raadsvrouwe heeft toegespitst op hetgeen daarin naar voren is gebracht over de verandering van het leven van de verdachte. Deze verwijzing is echter opgenomen in dezelfde zin waarin ook het tijdsverloop in strafmatigende zin wordt betrokken.

7 HR 13 juli 2010, ECLI:HR:2010:BM0912, NJ 2010/459, rov. 2.4.

8 Aldus ook mijn ambtgenoot Vegter in zijn conclusie voorafgaand aan HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817.

9 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358.