Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:537

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
16/05594
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1155
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het in h.b. gevoerde verweer t.a.v. overschrijding redelijke termijn. Samenhang met 16/05596 en 16/05597.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05594

Zitting: 29 mei 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van aan de verdachte in beslag genomen voorwerpen.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (16/05596) en [medeverdachte 2] (16/05597), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de schending van de redelijke termijn.

  5. De stukken van het geding houden – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

(i) De verdachte is bij vonnis van 20 juni 2014 door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld.

(ii) Namens de verdachte is op 23 juni 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 juni 2014.

(iii) Het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 3 november 2016 veroordeeld. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016 en 20 oktober 2016.

(iv) Namens de verdachte is op 15 november 2016 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 3 november 2016.

6. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2016 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsvrouwe van de verdachte het volgende heeft aangevoerd:

“Voorts dient in alle zaken rekening te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Het betreft namelijk een oude zaak, namelijk uit maart 2013. Het heeft een jaar en 3 maanden geduurd alvorens de zaak in eerste aanleg was afgehandeld. Vervolgens heeft het meer dan 2 jaar geduurd alvorens de zaak in hoger beroep wordt behandeld. Derhalve dient de straf gematigd te worden.”

7. Het aangevoerde kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beroep op strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het hof had hierop op straffe van nietigheid een uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond.1

8. Uit het onder 5 weergegeven tijdsverloop vanaf het instellen van het hoger beroep tot het moment van de uitspraak van het hof volgt dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, welke overschrijding pleegt te leiden tot strafvermindering.2 De Hoge Raad kan het middel om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.3

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:947, HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1485 en HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5176 en BW5177.

2 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.14, 3.16 en 3.21.

3 Vgl. onder meer HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1485, HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2001, HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2012, HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5176 en BW5177.